← België

Arrest 167417 - Personeel van de rechterlijke orde - 02/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.417 Rolnummer: A. 178211/IX-5457 Zaak: Arrest 167417 - Personeel van de rechterlijke orde - 02/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 15:07 Fiche Arrest nr 167.417 van 2 februari 2007 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.417 van 2 februari 2007 in de zaak A. 178.211/IX-

  1. In zake : Eric BEAUCOURT, wonende te OOSTAKKER, Groenstraat 275 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten S. VERBOUWE en S. DIELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  2. tussenkomende partij : Roland TACK, die woonplaats kiest bij advocaat L. LENAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat
  3. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric BEAUCOURT op 31 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 1 september 2006, waarbij Roland TACK, ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, aangewezen is tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Roland TACK; IX-5457-1/13 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 januari 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 22 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat S. DIELS, die verschijnt voor de verweren- de partij en van advocaat L. LENAERTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. In het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2006 werd de vacante betrekking van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent bekendge- maakt. Drie personen, waaronder de heer BEAUCOURT en de heer TACK, dienden een kandidatuur in. De heer BEAUCOURT was op dat ogenblik voorzitter van de genoemde rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 30 december
  6. De heer TACK was op dat ogenblik ondervoorzitter van die rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 10 maart 1999, en waarvan de aanwijzing voor opeenvolgende termijnen van drie jaar was verlengd op 26 februari 2002 en 26 maart
  7. Elk van de kandidaten diende een beleidsplan in, zoals wettelijk vereist.
  8. Over de heren BEAUCOURT en TACK werden adviezen gegeven door de ondervoorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent met de hoogste IX-5457-2/13 dienstanciënniteit, door de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te Gent, en door de stafhouder van de Orde van advocaten te Gent. 2.
  9. De ondervoorzitter van de rechtbank had, voor het opstellen van zijn adviezen, een gesprek met de andere ondervoorzitters. In zijn advies van 20 april 2006 over de heer BEAUCOURT was hij over de ganse lijn positief, en besloot hij met een “zeer gunstig” advies. In zijn advies van dezelfde dag over de heer TACK wees de ondervoorzitter niet enkel op de kwaliteiten van de kandidaat, maar maakte hij ook een aantal kritische opmerkingen. De ondervoorzitter concludeerde als volgt : “Gunstig, met voorbehoud voor de stijl en, naar blijkt, onderhuidse problemen met collega’s ondervoorzitters”. Bij schrijven van 15 mei 2006 deelde de heer TACK zijn gemotiveerde opmerkingen op dat advies mee. 2.
  10. De Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te Gent gaf op 20 april 2006 een advies over de heer BEAUCOURT. In zijn conclusie werden een aantal positieve eigenschappen in de verf gezet. Daarnaast werd echter ook opgemerkt dat de kandidaat soepeler en meer diplomatisch zou moeten communice- ren naar buiten toe, en dat hij beter zou moeten overleggen met andere instanties. Tot besluit gaf de eerste voorzitter een “gunstig” advies. Bij schrijven van 2 mei 2006 deelde de heer BEAUCOURT zijn gemotiveerde opmerkingen op dat advies (en op het hierna te noemen “addendum” bij het advies van de stafhouder van de Orde van advocaten) mee. Ook op 20 april 2006 gaf de eerste voorzitter zijn advies over de heer TACK. Dat advies was over de ganse lijn positief, en besloot met de eindvermel- ding “zeer gunstig”. 2.
  11. De stafhouder van de Orde van advocaten gaf op 18 april 2006 een advies over de heer BEAUCOURT. Dat advies was over de hele lijn positief, en besloot dan ook met de eindbeoordeling “zeer gunstig”. Bij schrijven van 21 april 2006 stuurde de stafhouder een “addendum” bij dat advies. Daarin deelde hij mee, namens de Raad van de Orde, die op 18 april 2006 vergaderd had, dat er een op dat ogenblik nog niet uitgeputte discussie bestond tussen de Gentse balie en de heer BEAUCOURT, in verband met het rechtstreeks toezenden van vonnissen aan de IX-5457-3/13 procespartijen in civiele procedures, alvorens de advocaten van de betrokken procespartijen hiervan in kennis werden gesteld. De brief besloot met de mededeling dat de balie het bijzonder moeilijk had met het eenzijdig doorvoeren van deze werkwijze, zonder dat dienaangaande de nodige tijd werd genomen voor rijp beraad en weloverwogen communicatie. Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, deelde de heer BEAUCOURT op 2 mei 2006 zijn opmerkingen op dat “addendum” mee. Op 19 april 2006 gaf de stafhouder zijn advies over de heer TACK. Dat advies was over de hele lijn positief. In zijn conclusie schreef de stafhouder dat de Gentse balie unaniem van oordeel was dat de kandidatuur van de heer TACK “als zeer gunstig dient geadviseerd te worden (nu een versterkend epitheton niet meer kan)”.
  12. Nadat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de drie kandidaten gehoord had, besliste zij op 10 juni 2006 de heer TACK voor de benoeming voor te dragen. Bij de voordracht was een proces-verbaal gevoegd, dat voor elk van de kandidaten een beoordeling van hun bekwaamheid en geschiktheid bevatte, mede in het licht van de over hun kandidatuur uitgebrachte adviezen. In de conclusie werd gesteld dat de commissie veel belang hechtte “aan overleg en goede samenwerking met alle actoren van justitie, alsook aan het feit dat een korpschef de nodige soepelheid aan de dag legt bij het nemen van zijn beslissingen en dat hij problemen met de nodige zin voor openbare dienstverlening oplossingsgericht en via positieve dialoog benadert”. Die kwaliteiten werden in grotere mate aanwezig geacht bij de heer TACK dan bij de heer BEAUCOURT, reden waarom de eerste boven de tweede werd verkozen.
  13. Bij koninklijk besluit van 1 september 2006 wordt de heer TACK aangewezen tot het mandaat van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, voor een termijn van zeven jaar, ingaande op de datum van eedaflegging, welke niet vóór 1 april 2007 mag plaatsvinden. In de motieven van dit besluit wordt met instemming verwezen naar de motivering van de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald. Het genoemde koninklijk besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. IX-5457-4/13
  14. Overwegende dat de heer Roland TACK met een op 21 november 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  15. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 7.
  16. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel aanvoert, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, en de algemene rechtsbeginselen van gelijke toegang tot de openbare ambten en de materiële motiveringsverplichting, doordat de bestreden beslissing teruggaat op een voordracht van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, die op haar beurt in grote mate steunt op adviezen van respectievelijk de ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de eerste voorzitter van het hof van beroep en de stafhouder van de balie, met dien verstande dat deze adviezen op een dusdanige manier worden gelezen en geïnterpreteerd dat zij de bestreden beslissing konden schragen, waar nodig ten koste van de rechten van de verzoekende partij en van de evenwichtige lectuur van de stukken van het dossier, terwijl de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen ertoe leiden dat elke kandidatuur voor een ambt op een objectieve en gelijkwaardige wijze moet worden vergeleken met de andere kandidaturen, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de bewijskracht van de stukken die zich in het dossier bevinden; Overwegende dat de verzoeker in de toelichting bij het middel in de eerste plaats aanvoert dat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscom- missie van de Hoge Raad voor de Justitie van oordeel is dat het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg berust op niet-objectieve gegevens, zonder dat gemotiveerd wordt waarom de commissie een dergelijk wantrouwen tegenover de betrokken magistraat huldigt, dat de commissie allicht van oordeel is dat de ondervoorzitter geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van IX-5457-5/13 bestaande spanningen rond de persoon van de tussenkomende partij voor de objectiviteit van de beoordeling van diens kandidatuur, maar dat de commissie de problematiek van de intermenselijke verhoudingen niet van belang vindt wanneer het erop aankomt de andere adviezen, met name dat van de eerste voorzitter van het hof van beroep over de verzoeker, naar waarde te schatten, dat aldus afbreuk wordt gedaan aan de principiële gelijkwaardigheid van de drie adviezen die op grond van artikel 259quater, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek moeten worden uitgebracht, met als gevolg dat het voor de verzoeker meest gunstige advies op ongemotiveerde wijze in een sfeer van verdachtmaking wordt gebracht; dat de verzoeker voorts aanvoert dat het voorgaande des te meer geldt, nu de commissie deze werkwijze klaarblijkelijk heeft gevolgd onder invloed van de schriftelijke opmerkingen die de tussenkomende partij bij dit advies heeft geformuleerd, dat die opmerkingen zijn ingediend op 15 mei 2006, dat, aangezien het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank naar de tussenkomende partij werd verzonden op 20 april 2006, haar opmerkingen zijn ingediend buiten de termijn van vijftien dagen, op straffe van verval bepaald bij artikel 259ter, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de tussenkomende partij weliswaar beweert dat zij door een onvolkomenheid van de postdiensten slechts op 10 en 11 mei 2006 in het bezit werd gesteld van de adviezen, maar dat geen enkel stuk van het dossier bevestigt dat er overmacht geweest is, dat in de voordrachtakte op geen enkele wijze acht geslagen wordt op de problematiek van het al dan niet vervallen zijn van de mogelijkheid van de tussenkomende partij om haar opmerkingen mee te delen; dat de verzoeker ten slotte aanvoert dat de motivering van de voordrachtakte op tal van punten verbazing wekt; dat de verzoeker in dit verband erop wijst dat de commissie geregeld verwijst naar “andere elementen uit het dossier”, zonder duidelijk te maken over welke elementen het gaat, dat de commissie zich niet in staat acht “de ware toedracht te achterhalen van de e- mail van de korpsoverste over interviews aan de pers”, maar daarbij uit het oog verliest dat de stelling van de verzoeker hieromtrent duidelijk wordt gestaafd door het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep, dat de commissie aanstoot neemt aan het hoge aantal doelstellingen in het beleidsplan van de verzoeker, maar geenszins duidelijk maakt waarom zij het nodig vindt “zich af te vragen” of het aantal gestelde doelstellingen haalbaar is, dat de commissie graten ziet in het feit dat de verzoeker gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om opmerkingen te maken bij de adviezen en om daarbij een aantal elementen te verduidelijken, en dat zij in het feit dat hierbij ook positieve elementen (uit de adviezen) aan bod komen een uiting ziet van een grote drang om zich te profileren, hetgeen verdacht begint te lijken op een intentieproces ten aanzien van de verzoeker, dat de commissie blijkbaar erg overtuigd IX-5457-6/13 is van de voorzitterscapaciteiten van de tussenkomende partij, maar daarbij uit het oog verliest dat deze nog nooit een voorzitterschap heeft uitgeoefend, terwijl zij het kennelijke voordeel dat de verzoeker op dit domein heeft, wegrelativeert op basis van een overdreven aandacht voor pietluttige incidenten, die dan nog op een foutieve wijze worden voorgesteld, dat de commissie ook het beleidsplan van de verzoeker bekritiseert zonder enige ernstige motivering, dat de verschillende elementen die worden aangevoerd om de kwaliteiten van de tussenkomende partij in de verf te zetten, zoals het volgen van studiedagen en opleidingen, niet worden ondersteund door de achterliggende dossierstukken, dat het opvalt dat de termen die worden gebruikt om de vaardigheden van de tussenkomende partij te beschrijven vaak duidelijk lovender zijn dan de termen die deze kandidaat zelf hanteerde, terwijl ten aanzien van de verzoeker net een omgekeerde houding wordt aangenomen; dat de verzoeker concludeert dat de voordrachtakte onvoldoende en tegenstrijdig is gemotiveerd, onder meer door de stellige indruk te wekken dat met de - beeldbepalende- adviezen werd omgegaan op een weinig objectieve, onzorgvuldige en discriminerende wijze; 7.
  17. Overwegende dat het middel primair aan het bestreden besluit verwijt dat het, met overname van de motieven vervat in de voordrachtakte van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, de over de kandidaten uitgebrachte adviezen op een ongelijke wijze behandelt en daarbij de bewijskracht miskent die aan die adviezen toekomt; Overwegende dat het middel niet aanvoert dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat de adviezen van de ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de stafhouder van de orde van advocaten verklaringen bevatten die er niet in staan of dat zij geen verklaringen bevatten die er wel in staan; dat het middel aldus niet aanvoert dat het bestreden besluit aan de genoemde adviezen een uitlegging geeft die niet te verenigen is met de bewoordingen ervan; dat het middel derhalve, in zoverre het aan het bestreden besluit verwijt dat het de bewijskracht van die adviezen zou miskennen, niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende dat het middel daarentegen aan het bestreden besluit verwijt dat het aan de genoemde adviezen, in het bijzonder die van de ondervoorzit- ter van de rechtbank van eerste aanleg en van de eerste voorzitter van het hof van IX-5457-7/13 beroep, een uitlegging geeft die nadelig is voor de verzoeker, waardoor het afbreuk doet aan de principiële gelijkwaardigheid van die adviezen; IX-5457-8/13 Overwegende dat het aan de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie staat om de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten tegenover elkaar af te wegen, mede in het licht van de adviezen die verstrekt worden op grond van artikel 259quater, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek; dat die adviezen principieel gelijkwaardig zijn; dat, wat betreft de adviezen van de ondervoorzitter van de rechtbank, de commissie onder meer vaststelt dat de ondervoorzitter in zijn advies over de tussenkomende partij verwijst naar “onder- huidse problemen” om een voorbehoud ten aanzien van deze kandidaat te maken, maar dat zij oordeelt dat die problemen “niet van die aard (zijn) dat ze aanleiding mogen geven tot het formuleren van een voorbehoud”, nu niet objectief vastgesteld kan worden dat de oorzaak van die problemen uitsluitend bij de bedoelde kandidaat dient te worden gezocht, en nu bovendien uit het advies niet blijkt dat de ondervoor- zitter geen rekening gehouden heeft met de niet-objectieve beoordeling door sommige (van de door hem geraadpleegde) ondervoorzitters; dat de commissie aldus de redenen uiteenzet waarom zij meent op dit punt het advies van de ondervoorzitter niet te kunnen volgen; dat die beoordeling niet kennelijk onredelijk lijkt; dat de commissie voorts verklaart het advies van de ondervoorzitter over de verzoeker “als nuttige informatiebron” te gebruiken; dat, wat betreft het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep over de verzoeker, de commissie weliswaar vaststelt dat de verstandhouding tussen de twee korpschefs niet steeds optimaal is geweest, en dat zij hierin blijkbaar geen reden ziet om bij dat advies een voorbehoud te maken; dat de commissie in dit verband evenwel opmerkt dat tussen verschillende personen uiteraard af en toe meningsverschillen kunnen bestaan, dat het voor haar van belang is te weten hoe een kandidaat-korpschef hiermee omgaat, en dat met name uit de opmerkingen van de verzoeker op het advies van de eerste voorzitter blijkt dat hij “de volledige oorzaak van de problemen steeds uitsluitend bij de andere in het meningsverschil betrokken partij(en) legt, en zijn eigen optreden als de enige juiste manier van handelen beschouwt”; dat de commissie aldus de redenen opgeeft waarom zij meent op dit punt het advies van de eerste voorzitter als beoordelingsele- ment in aanmerking te kunnen nemen, te lezen in samenhang met de opmerkingen daarop van de verzoeker; dat die beoordeling van het advies en de opmerkingen niet kennelijk onredelijk lijkt; dat het, gelet op de motieven die gegeven worden om, enerzijds, het advies van de ondervoorzitter over de tussen-komende partij gedeeltelijk als niet-objectief te beschouwen, en anderzijds, het advies van de eerste voorzitter over de verzoeker niet buiten beschouwing te laten, in de huidige stand van het geding niet aannemelijk voorkomt dat het bestreden besluit de principiële gelijkwaardigheid van de betrokken adviezen miskent; IX-5457-9/13 7.
  18. Overwegende dat het middel voorts aanvoert dat het bestreden besluit aangetast is door een gebrek in de motivering, doordat het om vage en onduidelijke redenen een aantal elementen die positief zijn voor de verzoeker relativeert, terwijl het om vage en onduidelijke redenen een element dat negatief is voor de tussenkomende partij relativeert en een aantal elementen die positief zijn voor de tussenkomende partij ophemelt; Overwegende dat de commissie haar beoordeling van de kandidaturen besluit met de vaststelling dat zowel de verzoeker als de tussenkomen- de partij “voldoen aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel, en dat zij beiden een degelijk beleidsplan voorleggen waarin zij een gedegen visie ontwikkelen (...)”; dat de commissie voorts overweegt dat zij “veel belang (hecht) aan overleg en goede samenwerking met alle actoren van justitie, alsook aan het feit dat een korpschef de nodige soepelheid aan de dag legt bij het nemen van zijn beslissingen, en dat hij problemen met de nodige zin voor openbare dienstverlening oplossingsgericht en via positieve dialoog benadert”, en dat zij, omdat deze laatste kwaliteiten in grotere mate aanwezig geacht worden bij de tussenkomende partij dan bij de verzoeker, de eerstgenoemde boven de laatstgenoemde verkiest; dat de verzoeker de aangehaalde redenen, op grond waarvan de commissie de tussenkomende partij de meest bekwame en geschikte kandidaat vindt, op zich niet bestrijdt; dat de grieven die hij tegen bepaalde andere redenen van de voordracht van de commissie richt, zelfs indien ze gegrond zouden zijn, niet tot de vernietiging van het bestreden besluit lijken te kunnen leiden; dat het middel, in zoverre het een gebrek in de motieven aanvoert, dan ook niet ontvankelijk lijkt, bij gebrek aan belang; 7.
  19. Overwegende dat het middel ten slotte aan het bestreden besluit verwijt dat het rekening houdt met de opmerkingen van de tussenkomende partij op het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank, ook al zijn die opmerkingen buiten de termijn ingediend; Overwegende dat artikel 259ter, § 2, derde lid, van het Gerechte- lijk Wetboek bepaalt dat de kandidaten op straffe van verval beschikken over een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de kennisgeving van de adviezen, om hun opmerkingen aan de minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief mee te delen; dat het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank bij aangetekend schrijven van 20 april 2006 ter kennis van de tussenkomende partij is gebracht; dat deze laatste weliswaar slechts op 15 mei 2006 haar opmerkingen op dat advies heeft IX-5457-10/13 meegedeeld; dat zij evenwel in haar “bezwaarschrift” stelde dat zij “door een onvolkomenheid van de postdiensten” pas op 10 en 11 mei 2006 in het bezit was gesteld van de haar toegestuurde adviezen, en dat zij bij dat bezwaarschrift een verklaring voegde van de postmeester van haar woonplaats, volgens wie de aangetekende zending, aangeboden op 21 april 2006, door de tussenkomende partij pas op 11 mei 2006 was afgehaald, daaraan toevoegend: “Wellicht werden hiervoor door (de) betrokken postman geen berichtkaartjes gestoken”; dat de commissie in het licht van die uitleg mocht aannemen dat er redenen waren om het indienen van de opmerkingen in de gegeven omstandigheden niet als laattijdig te beschouwen; dat zij niet gehouden was om zulks uitdrukkelijk in de voordrachtakte vast te stellen; dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 259ter, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, niet lijkt te kunnen worden aangenomen; 7.
  20. Overwegende dat het middel niet ernstig is;
  21. Overwegende dat de verzoeker een tweede middel aanvoert, afgeleid uit de schending van artikel 259quater, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti, doordat ten aanzien van de verzoeker twee adviezen werden uitgebracht namens de balie, het ene door de stafhouder van de balie, het andere (het zogenaamde addendum) door de stafhouder namens de raad van de orde, terwijl slechts een van beide instanties hiertoe bevoegd kan zijn, en dus niet tegelijk met het ene en met het andere rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat advies wordt gegeven door “een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat”, dat het dus in beginsel toekomt aan de raad van de orde om dit advies uit te brengen of minstens om de vertegenwoordiger aan te wijzen die dit advies dient uit te brengen, dat te dezen het advies van 18 april 2006 is ondertekend door de stafhouder, weliswaar “in opdracht”, en dat op 21 april 2006 een addendum is ingediend, uitgebracht namens de raad van de orde, dat echter ofwel de raad van de orde de stafhouder heeft aangewezen om het advies te verlenen, in welk geval de raad de stafhouder vervolgens geen opdracht kon geven om namens de raad een aanvullend advies te geven, ofwel de raad van de orde de stafhouder niet IX-5457-11/13 heeft aangewezen om het advies te verlenen, in welk geval het initiële advies geen rechtsgrond had; Overwegende dat artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt, zoals in de toelichting bij het middel wordt gesteld, dat advies wordt gegeven door “een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat”; dat te dezen zowel het advies van 18 april 2006 als het addendum van 21 april 2006 ondertekend zijn door de stafhouder van de orde, die daarmee de verantwoordelijkheid voor de inhoud van die adviezen op zich genomen heeft; dat de verweerder ervan mocht uitgaan dat de stafhouder optrad als de vertegenwoordiger van de balie, aangewezen door de orde; dat de verzoeker overigens niet aantoont dat de stafhouder zou zijn opgetreden zonder als vertegen- woordiger te zijn aangewezen; dat artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek niet verbiedt dat de vertegenwoordiger van de balie voor het opstellen van zijn advies de mening vraagt van de raad van de orde, noch dat hij in voorkomend geval verklaart zijn advies te geven “namens de raad van de orde”; dat het middel niet ernstig is;
  22. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  23. Het verzoek tot tussenkomst van Roland TACK in het administra- tief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  24. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5457-12/13 Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5457-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.417 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.