← België

Arrest 167446 - Politie - 05/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.446 Rolnummer: A. 176937/IX-5430 Zaak: Arrest 167446 - Politie - 05/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 15:11 Fiche Arrest nr 167.446 van 5 februari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.446 van 5 februari 2007 in de zaak A. 176.937/IX-

  1. In zake : Veronique VANHEMELRYCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. TULKENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Sint-Maartenstraat 1 tegen : de Politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene, die woonplaats kiest bij advocaten M. UYTTENDAELE en A. FEYT, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Véronique VANHEMELRYCK op 15 september 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 4 juli 2006 van het politiecollege van de politiezone Brussel-Hoofdstad/Elsene waarbij zij met ingang van 1 juli 2002 in non-activiteit geplaatst wordt en waarbij een terugbetalingsprocedure opgestart wordt in verband met de sindsdien uitbetaalde wedden; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2006 waarbij aan verzoekster het voordeel van de kosteloze rechtspleging voor wat de schorsings- procedure betreft, wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5430-1/8 Gelet op de beschikking van 5 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. TULKENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. JACUBOWITZ die, loco advocaat M. UYTTENDAELE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Met een op 27 april 2006 gedateerde brief deelt de korpschef van de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene aan de schuldbemiddelaar van verzoekster, op dat ogenblik hulpagente van politie, mee dat werd vastgesteld dat verzoekster nog steeds een wedde ontvangt, dat zij bij beslissing van het politiecollege van 18 december 2002 werd ontslagen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2002, en dat de verdere uitbetaling van het onterechte loon wordt stopgezet met ingang van de maand april
  5. In bijlage wordt een afschrift van de beslissing van het politie- college van 18 december 2002 en het desbetreffend verslag aan dat college gevoegd. Dat verslag luidt als volgt : “Definitieve ambtsontheffing - Geval van Mevrouw VAN HEMELRYCK Veronique, hulpagent van politie. Gelet op de wet van 7.12.1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie- dienst, gestructureerd op twee niveaus, en op de latere wijzigingen; Gelet op de wet van 27.12.2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, en op de latere wijzigingen; Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 en in het bijzonder de artikelen VIII.II.5 tot IX.I.6; Overwegende dat werd vastgesteld dat mevrouw VAN HEMELRYCK, hulpagent van politie onregelmatig afwezig is sinds 1 juli 2002; Overwegende dat de directie HRM bij een schrijven van 3 september 2002 aan de betrokkene heeft medegedeeld dat zij onregelmatig afwezig was; Dat de heer Burgemeester over deze toestand werd geïnformeerd; Dat de betrokkene geen enkel gevolg heeft gegeven aan het schrijven van 3 september 2002; IX-5430-2/8 Overwegende dat bijgevolg de definitieve ambtsontheffing dient te worden uitgesproken; Voorstel aan het College, om vast te stellen dat mevrouw VAN HEMELRYCK Veronique, hulpagent van politie, schuldig is aan een gedrag dat de definitieve ambtsontheffing wettigt en dat zij dus van ambtswege uit haar ambt ontzet dient te worden met ingang van 1 juli 2002.” De verwerende partij erkent dat zij geen bewijs kan voorleggen dat de beslissingen van 18 december 2002 aan verzoekster ter kennis gebracht is. 1.
  6. Met een brief van 18 mei 2006 deelt de raadsman van verzoekster aan de personeelsdirecteur van de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene mee dat zijn cliënte betwist dat zij op de hoogte werd gebracht van haar ontslag vanaf 1 juli 2002, dat zij eveneens de redenen voor het ontslag die worden aangehaald in de beslissing van 18 december 2002 betwist, dat het ook onduidelijk is hoe het komt dat haar wedde verder werd uitbetaald tot april 2006, dat zulks wijst op nalatigheid vanwege de politie en dat het dus, afgezien van de vraag of verzoekster wel op geldige wijze ontslagen werd, niet zeker is of de ten onrechte uitbetaalde wedde wel kan worden teruggevorderd. Uit een onderzoek dat inmiddels binnen de administratie wordt uitgevoerd, blijkt dat verzoekster sedert 1 mei 2002 geen medische attesten ingestuurd heeft. 1.
  7. Met een aangetekende brief van 29 mei 2006 deelt de korpschef met verwijzing naar artikel 125 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna : WGP), aan verzoekster mee dat zij zonder gegronde reden afwezig is sinds 1 juli 2002, dat de bij dat artikel bedoelde termijn van tien dagen onregelmatige afwezigheid is ingegaan op 18 mei 2006, dat zij over een termijn van tien dagen beschikt om haar argumenta- tie of enig ander gegeven omtrent haar afwezigheid kenbaar te maken en dat, indien er wordt beslist dat haar afwezigheid toch als onregelmatig te be-schouwen is, zij ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar ambt wordt ontslagen. 1.
  8. Met een brief van 7 juni 2006 deelt de raadsman van verzoekster aan de verwerende partij mee dat het voor zijn cliënte niet duidelijk is hoe het komt dat men, bijna vier jaar later, opeens tot de vaststelling komt dat zij zogenaamd onwettig afwezig is sinds 1 juli 2002, dat zij verklaart zich er volstrekt niet van bewust te zijn geweest dat zij al die tijd zogenaamd ongewettigd afwezig was, dat zij IX-5430-3/8 integendeel in de veronderstelling verkeerde dat zij ongeschikt was bevonden voor de dienst en zich vooralsnog in ziekteverlof bevond aangezien zij enkele jaren geleden een zware rugoperatie onderging, dat zij uiteraard bereid is haar dienst te hernemen indien zij hiertoe medisch geschikt mocht worden bevonden en dat zij aanneemt dat zij hiertoe eerst op verzoek van de politiezone een medisch onderzoek zal dienen te ondergaan. 1.
  9. Op 11 juni 2006 berekent de dienst Financiën dat verzoekster voor de periode 2002-2006 85.733,64 euro moet terugbetalen. 1.
  10. Op 4 juli 2006 beslist het politiecollege van de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene verzoekster in non-activiteit te plaatsen met ingang op 1 juli 2002 en een terugbetalingsprocedure op te starten na de herberekening van haar rechten door het secretariaat GPI. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, is gemotiveerd als volgt : “Betreft : Plaatsing in non-activiteit van mevrouw VANHEMELRYCK Veronique Het Politiecollege, Gelet op de wet van 07.12.1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in het bijzonder het artikel 125, en op de latere wijzigingen; Gelet op de wet van 27.12.2000 houdende diverse bepalingen mbt de rechts- positie van het personeel van de politiediensten, en op de latere wijzigingen. Gelet op het koninklijk besluit van 30.03.2001 tot regeling van de rechts- positie van het personeel van de politiediensten, in het bijzonder het artikel VIII.II.5, en op de latere wijzigingen; Overwegende dat er werd vastgesteld dat mevrouw VANHEMELRYCK Veronique, hulpagent van politie, onregelmatig afwezig is sinds 1 juli 2002; Overwegende dat noch de dienst HRM/PER, noch de medische dienst van de federale politie (DPMS) en noch de personeelsdienst van de Stad Brussel (voormalig werkgever) enig medische getuigschrift gekregen hebben sinds 1 juli 2002; Overwegende dat, belanghebbende haar wedde heeft blijven genieten;” In de brief van 18 juli 2006 waarbij aan verzoeker een afschrift van het besluit van 4 juli 2006 van het politiecollege wordt bezorgd, wordt haar tevens meegedeeld dat zij definitief uit haar ambt zal worden ontzet met terug-werkende kracht tot 18 mei 2006, en dat de politieraad eerlang een besluit dienaan-gaande zal nemen. IX-5430-4/8 1.
  11. Op 12 september 2006 beslist de politieraad van de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene, op voorstel van het politiecollege, de definitieve ambts- ontheffing van verzoekster met ingang van 18 mei 2006 goed te keuren, aangezien zij sinds 18 mei 2006 ongewettigd afwezig is, en voor die periode geen medisch attest voorgelegd heeft en ook geen rechtvaardigingsgronden heeft aangebracht.
  12. Overwegende dat de verwerende partij de vordering, wat haar tweede voorwerp betreft, niet ontvankelijk acht omdat zij de juridische situatie van verzoekster niet wijzigt en omdat de Raad van State niet bevoegd is om uitspraak te doen over betwistingen inzake subjectieve rechten; dat in de huidige stand van de zaak over die excepties geen uitspraak wordt gedaan, nu die beslissing ondergeschikt is aan de beslissing om verzoekster vanaf 1 juli 2002 in non-activiteit te plaatsen en de vordering tegen dat besluit om een andere reden verworpen wordt;
  13. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  14. Overwegende dat, wat de middelen betreft, verzoekster uiteenzet wat volgt : “De bestreden beslissing is onvoldoende gemotiveerd. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de voorschriften in verband met het plaatsen in non-activiteit van verzoekster werden nageleefd. Uit niets blijkt dat verzoekster tijdig verwittigd werd dat zij onregelmatig afwezig was sinds 1 juli
  15. Het staat evenmin vast dat de beslissing van het Politiecollege van 18 december 2002 houdende definitieve ambtsontheffing aan verzoekster werd betekend. De beslissingen van 4 juli 2006 van het Politiecollege en die van 18 december 2002 lijken bovendien met elkaar in strijd. Het is ook onduidelijk waarom pas nu werd vastgesteld dat de wedde van verzoekster onterecht werd uitbetaald, en wie daarvoor aansprakelijk is. Het staat derhalve evenmin vast (dat) verzoekster de zogenaamd onterecht genoten wedde dient terug te betalen. Gelet op het bovenstaande behoudt verzoekster zich het recht voor nog andere middelen in te roepen in de loop van de procedure.” IX-5430-5/8 4.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen doet gelden dat de uiteenzetting van de middelen “zeer beknopt” is en eigenlijk alleen maar “loze beweringen” bevat, zodat er geen sprake is van een middel in de zin van artikel 2 van het algemeen procedurereglement; dat zij, waar het verzoekschrift verwijst naar een “onvoldoende motivering” en naar het niet naleven van “de voorschriften in verband met het plaatsen in non-activiteit”, erop wijst dat het bestreden besluit melding maakt van artikel 125 WGP en van artikel VIII.II.5 RPPol, dat verzoekster geen toelating tot afwezigheid voorgelegd heeft en dat zij haar afwezigheid ook niet gerechtvaardigd heeft, terwijl de problematiek haar nochtans onder ogen was gebracht en zij er zelf moet voor zorgen dat zij over een toelating beschikt om afwezig te zijn of dat zij die afwezigheid kan rechtvaardigen, hetgeen zij niet gedaan heeft; dat zij daar nog aan toevoegt dat verzoekster ook niet rechtmatig kan verwijzen naar de tegenstrijdigheid van het bestreden besluit met het besluit van 18 december 2002, aangezien dat besluit, dat voor verzoekster nadeliger is, impliciet maar zeker vervangen is door het besluit van 12 september 2006; 4.3.
  17. Overwegende dat verzoekster betoogt dat het bestreden besluit “onvoldoende gemotiveerd (is)”; dat zij voorts niet aanduidt welke andere rechtsregel of welk ander rechtsbeginsel de verwerende partij geschonden zou hebben; dat het enig middel dat in het verzoekschrift onderkend wordt betrekking heeft op de schending van de motiveringsverplichting doordat enerzijds uit de beslissing niet blijkt dat de voorschriften in verband met de in non-activiteitstelling nageleefd werden aangezien zij niet verwittigd werd van haar onregelmatige afwezigheid sinds 1 juli 2002, aangezien de beslissing van 18 december 2002 haar niet ter kennis gebracht is en aangezien de bestreden beslissing tegenstrijdig lijkt met deze van 18 december 2002 en doordat anderzijds de verwerende partij ook niet mocht uitgaan van het vast gegeven dat verzoekster wedde moet terugbetalen; 4.3.
  18. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar artikel 125 WGP en naar artikel VIII.II.5 RPPol; dat die bepalingen een regeling bevat voor het geval een politieambtenaar zonder rechtvaardiging of toelating uit de dienst afwezig is; dat artikel 125 WGP bepaalt dat de politieambtenaren “niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst (mogen) wegblijven” (artikel 125, eerste lid, in fine), terwijl artikel VIII.II.5 RPPol bepaalt dat het personeelslid dat zonder toestemming afwezig is “van rechtswege in non-activiteit” is; dat het bestreden besluit verwijst naar de afwezigheid van verzoekster sinds 1 juli 2002 en naar het onregelmatig karakter van die afwezigheid, aangezien er geen medisch getuigschrift ontvangen is; IX-5430-6/8 dat het bestreden besluit daarmee de non-activiteit van verzoekster en -rekening houdend met artikel VIII.II.7 RPPol krachtens hetwelk een personeelslid in non- activiteit geen recht op wedde heeft- het opstarten van een terugbetalingsprocedure afdoende formeel motiveert, zowel in rechte als in feite; 4.3.
  19. Overwegende dat, blijkens haar betoog, verzoekster zich op het standpunt plaatst dat de voorwaarden voor haar in non-activiteitstelling niet vervuld zijn omdat uit niets blijkt dat zij verwittigd is van haar onregelmatige afwezigheid sinds 1 juli 2002; dat evenwel artikel 125, eerste lid, WGP bepaalt dat de politieambtenaren niet zonder rechtvaardiging van hun dienst mogen wegblijven, hetgeen voor het politiepersoneel de verplichting inhoudt om elke afwezigheid volgens de geëigende regels te verantwoorden; dat het niet nakomen van die verplichting het bestuur toelaat, in toepassing van artikel VIII.II.5 RPPol, vast te stellen dat het personeelslid van rechtswege in non-activiteit is, zonder dat het daarbij nog informatie bij de betrokkene moet inwinnen; dat verzoekster de regeling inzake de non-activiteit lijkt te verwarren met de -hier niet aan de orde staande- regeling inzake het ambtshalve ontslag, bedoeld in artikel 125, tweede lid, WGP en nader uitgewerkt in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6; 4.3.
  20. Overwegende dat verzoekster niet betwist dat zij sinds 1 juli 2002 geen medisch attest ingediend heeft; dat zij haar afwezigheid uit de dienst dan ook niet gerechtvaardigd heeft; dat de verwerende partij op grond daarvan terecht kon vaststellen dat verzoekster onregelmatig afwezig was uit de dienst en daar dan ook kon uit afleiden dat zij geen recht op wedde had; dat, gelet op de op verzoekster rustende verplichting om haar afwezigheid te rechtvaardigen, verzoekster zich niet kan verschuilen achter het feit dat de beslissing van 18 december 2002 waarbij zij ambtshalve ontslagen werd haar niet ter kennis werd gebracht; 4.3.
  21. Overwegende dat verzoekster er ook op wijst dat de bestreden beslissing tegenstrijdig lijkt aan het besluit van 18 december 2002; dat evenwel, in de mate zij daarmee betoogt dat zij reeds ontslagen was vanaf 1 juli 2002 en zij derhalve voor de daaropvolgende periode niet meer in non-activiteit geplaatst kon worden, opgemerkt wordt dat uit de aan de Raad van State voorgelegde stukken blijkt dat de verwerende partij in mei 2006 een nieuwe procedure van ontslag van ambtswege opgestart heeft -ditmaal steunend op de onregelmatige afwezigheid van verzoekster uit de dienst vanaf 18 mei 2006- en dat deze procedure uitgelopen is op het besluit van 12 september 2006 om verzoekster van ambtswege te ontslaan met ingang van IX-5430-7/8 18 mei 2006, hetgeen ontegensprekelijk de intrekking inhoudt van het besluit van 18 december 2002; dat verzoekster niet meer rechtsgeldig naar dat besluit kan verwijzen om de rechtsgeldigheid van de motieven van het bestreden besluit te betwisten; 4.3.
  22. Overwegende dat, in acht genomen artikel VIII.II.7 RPPol, verzoekster ook niet aantoont waarom de verwerende partij niet rechtsgeldig aan de vaststelling dat verzoekster vanaf 1 juli 2002 zonder rechtvaardiging uit de dienst afwezig gebleven is geen gevolgen zou mogen verbinden op het vlak van haar wedde; 4.
  23. Overwegende dat het door verzoekster aangevoerde middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel
  24. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari 2000 en zeven, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5430-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.446 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.986 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.