id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.489 Rolnummer: A. 140711/XIV-16479 Zaak: Arrest 167489 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-16 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 15:17 Fiche Arrest nr 167.489 van 5 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.489 van 5 februari 2007 in de zaak A. 140.711/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat C. DELGOUFFRE, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 41/
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX , van Iraanse nationaliteit, op 22 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 30 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.479-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, bijgestaan door advocaat C. DELGOUFFRE en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 november 2000 en zich vluchteling verklaart op 21 november 2000; dat op 29 november 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 31 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Rasht, verklaarde ter staving van uw asielaanvraag het volgende: uw familie kende in het verleden ernstige problemen met het Iraans regime omwille van haar politieke activiteiten. Uw neef werd geëxecuteerd in 1367 (Perzische kalender, komt overeen met 1988/1989 volgens de Europese kalender) omwille van zijn activiteiten voor de illegale extreem-linkse beweging Mudjahedin-el Khalq (MKO). Uw oom, vader en broer waren actief voor Tudeh. U hielp uw broer af en toe bij zijn activiteiten voor de partij. Uw broer zat hiervoor tweemaal vast. Een eerste keer van 1363 to 1366 (1984-1985 tot 1987-1988) en een tweede maal van 1368 tot 1371 (1989-1990 tot 1992-1993), maar hij verraadde uw betrokkenheid niet. Er vonden toen regelmatig huiszoekingen plaats bij u thuis. Omwille van deze politieke achtergrond was uw familie tot op vandaag het slachtoffer van discriminatie zoals belemmering van de mogelijkheid om verder te studeren en uitsluiting uit overheidsfuncties. Op 31/6/1379 (22 september 2000) kwam een vriend bij u langs. Hij had iemand bij die u niet kende. Deze persoon stelde u vragen over een antieke gouden wijnbeker die u van uw moeder erfde. De volgende dag kwam deze onbekende terug langs, identificeerde zich als lid van de Hefazat Ettelaat van de Sepah (geheime dienst van het Korps der Revolutiewachters) en vroeg u de beker af te geven. Hij had een papier bij om de beker op te eisen. U vermoedt dat hij dacht dat jullie oude objecten in- en verkochten en daarom zei u dat jullie de beker al lang hadden en hij niet gestolen was. Er ontstond een discussie en een handgemeen. Twee uur nadat hij vertrok werd uw huis omsingeld door leden van de ordediensten. U kon ontsnappen via het dak. U ging schuilen bij uw zus, waar u een maand verbleef. In die periode doorzochten de ordediensten meermaals het huis. Rond 23 oktober 2000 verliet u Iran en op 16 november 2000 kwam u in België aan, alwaar u op 21 november 2000 asiel aanvroeg. In België vernam u dat bij een huiszoeking publicaties werden gevonden die nog toebehoorden aan een neef die in 1367 (1988/1989) werd geëxecuteerd omwille van zijn activiteiten voor de MKO. B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat u tegenstrijdige verklaringen aflegde omtrent uw documenten. Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u enkel uw rijbewijs in uw bezit en u uw identiteitskaart niet bij had omdat u snel vluchtte (zie gehoorverslag DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal presenteert u echter uw identiteitskaart en verklaart u dat u wel uw identiteitskaart meenam toen u uit het huis vluchtte (zie gehoorverslag CGVS, p.4&13). Na confrontatie met deze tegenstrijdigheid verklaart u dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken bevestigend antwoordde op de vraag of u identiteitsdocumenten had waarop u enkel uw rijbewijs voorlegde en er geen speciale reden was om uw identiteitskaart neer te leggen (zie gehoorverslag CGVS, p.13&16). Die verklaring kan niet als afdoende beschouwd worden gezien u geen andere opmerkingen had over het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dan dat u enkel over de laatste feiten kon vertellen en verder geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. XIV-16.479-2/6 Bovenstaande toont aan dat u bewust trachtte de Belgische asielinstanties om de tuin te leiden, waardoor uw geloofwaardigheid in het gedrang komt (fraus omnia corrumpit). Uw geloofwaardigheid wordt verder ondermijnd daar u, terwijl u uit een familie komt die sterke banden heeft met de partij Tudeh, toch niet in staat bent de naam van de leider van deze beweging te noemen en verschillende namen van belangrijke leden niet herkent (zie gehoorverslag, p.13&14). Daarenboven is het zeer opmerkelijk dat de publicaties van uw neef van de MKO, waarvan sprake in uw asielrelaas, pas na uw vlucht uit Iran werden gevonden. U verklaarde namelijk enerzijds dat deze publicaties nog voor de dood van uw neef (1988/1989) in uw huis verstopt waren (zie gehoorverslag CGVS, p.11&12) en anderzijds dat er zeer geregeld huiszoekingen plaatsvonden bij u thuis (zie gehoorverslag CGVS, p.8&12). Zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, dient vastgesteld te worden dat uw concrete vluchtaanleiding, namelijk uw vrees om gearresteerd te worden omwille van de antieke beker die u bezat (zie gehoorverslag CGVS, p.17) onvoldoende elementen bevat om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Vooreerst gaat het hier over een conflict over eigendomsbezit van een antieke beker en is er in casu geen sprake van vervolging omwille van uw ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. U vermoedt dat de ordehandhaver dacht dat u illegaal handel dreef in antieke voorwerpen. Dit is echter van gemeenrechtelijke aard en valt bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Ook kan bezwaarlijk aangenomen worden dat u bij een eventueel proces omtrent deze beker zwaarder gestraft zou worden omwille van één van de redenen van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Uzelf kende echter nooit problemen met de autoriteiten omwille van politieke activiteiten en daarenboven dateerden de publicaties die men in de ouderlijke woning zou aangetroffen hebben nog van voor het jaar 1988 (het jaar waarin uw neef geëxecuteerd werd), waaruit de autoriteiten bezwaarlijk een actueel engagement zouden kunnen afleiden. De voorgelegde documenten (rijbewijs en identiteitskaart) kunnen enkel uw verklaringen betreffende uw identiteit staven. Dit werpt geen ander licht op voorgaande motivering. Op basis van bovenstaande elementen dient besloten te worden dat er in uw hoofde geen sprake is van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli
- C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52, 52bis, 62, 63/3 en 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid dat de administratieve overheid niet op wettige wijze een beslissing kan nemen zonder rekening te houden met al de elementenen van de zaak, en van de billijke procesvoering; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan en dat hij zijn macht heeft overschreden, dat zij XIV-16.479-3/6 wel degelijk in het bezit is van haar identiteitskaart en haar Iraans rijbewijs, dat zij er geen belang bij had om haar identiteitsbewijs op de dienst Vreemdelingenzaken achter te houden, dat het feit dat het op de dienst Vreemdelingenzaken leek alsof zij in het bezit was van één enkel identiteitsdocument het gevolg kon zijn van een vergissing van eender welke persoon betrokken bij het verhoor aldaar (de tolk of ondervrager, maar niet zijzelf), dat zij - zelfs als zij het verhoorverslag op de dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend - niet de mogelijkheid heeft gehad om de overeenstemming tussen haar verklaringen en de vertaalde notulering daarvan na te gaan, dat het feit dat uit haar asieldossier blijkt dat er twee identiteitsdocumenten zijn in plaats van één, niet van aard is om haar vrees voor vervolging twijfelachtig te maken, dat het vanzelfsprekend is dat zij niet in staat was om namen van bepaalde leden van Tudeh op te noemen, nu zij reeds had verklaard nooit sympathie te hebben gehad voor die partij en nooit lid daarvan te zijn geweest, dat de verzoekende partij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat de Iraanse ordediensten vóór haar vlucht en na ettelijke huiszoekingen niet bij machte waren om bezwarende documenten in haar woonst aan te treffen, dat haar familie in het verleden erg politiek militant was, dat eender welke aantijging in haren hoofde - weze het van gemeenrechtelijke aard - politiek getint zou worden, dat haar broer tweemaal van zijn vrijheid werd beroofd gedurende vele jaren, dat haar neef vermoord is geweest en dat haar vrees in die mate gegrond is; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op de gemeenrechtelijke aard van de door de verzoekende partij ondervonden problemen in haar land van herkomst en op het feit dat zijzelf nooit problemen heeft gekend met de Iraanse autoriteiten omwille van politieke activiteiten; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissingen kan dragen; dat de verzoekende partij dit motief weliswaar betwist, doch dat zij zich beperkt tot algemene opmerkingen aangaande het politieke verleden van haar familie en de herhaling van haar asielrelaas aangaande haar XIV-16.479-4/6 overleden neef en haar broer; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel voor het overige is gericht tegen de vaststelling van een aantal tegenstrijdigheden en lacunes in de verklaringen van de verzoekende partij; dat, rekening houdend met het voormeld determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen overtollige motieven, zodat de eventuele gegrondheid van het middel op dat vlak niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissingen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch niet op administratieve beroepsprocedures zoals een dringend beroep in het kader van de behandeling van een asielaanvraag; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat zij in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene stelling en de herhaling van haar eigen standpunt; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet uiteenzet hoe de overige in het middel aangehaalde bepalingen met de bestreden beslissing geschonden zouden zijn, anders dan met de kritiek die hierboven niet-ontvankelijk dan wel ongegrond is bevonden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-16.479-5/6 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.479-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.489 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.