id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.491 Rolnummer: A. 141168/XIV-16616 Zaak: Arrest 167491 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-16 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 15:17 Fiche Arrest nr 167.491 van 5 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.491 van 5 februari 2007 in de zaak A. 141.168/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue St. André
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Letse nationaliteit, op 3 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 juli 2003 tot weigering van verblijf; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 30 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.616-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER , die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 juli 2003 en zich vluchteling verklaart op 14 juli 2003; dat op 28 juli 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 1 augustus 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U, een Lets staatsburger, verklaart dat u samen met uw partner XXX en vijf kinderen heeft. U ging met hem samenwonen in
- Na de geboorte van uw eerste dochter, Dagnia, in 1983 veranderde uw partner compleet. Hij begon te drinken en ging veel met vrienden en collega’s op stap. U werd regelmatig geslagen en geterroriseerd. U belandde daardoor één keer in het ziekenhuis toen u zes maanden zwanger was. Ook uw kinderen werden af en toe door uw partner geslagen. U ging verschillende keren naar de politie van Elea maar ze wilden zich niet mengen in familiezaken. Uw partner zei u dat indien u zou durven vertrekken hij u overal zou vinden. In 2002 begon hij bij de politie te werken en hij zei u dat hij connecties had bij de KGB. Sinds hij voor de politie werkte begon hij ook drugs te gebruiken. U kon de vernederingen en de fysische bedreigingen niet meer aan en u besloot in de zomer van 2002 te vluchten. U nam uw drie jongste kinderen die nog bij u woonden met u mee. U verbleef afwisselend bij familieleden en in enkele kerken. Uw partner kwam u zoeken in de omgeving van uw werk en bedreigde en beledigde u via uw gsm. U zocht hulp in de kerk omdat u te beschaamd was om hulp te zoeken bij één of andere organisatie. U was ook bang dat uw partner dan wraak zou nemen. U verliet Letland op 6 juli 2003 en kwam op 9 juli 2003 aan in België, waar u op 14 juli 2003 asiel aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw hierboven vermelde verklaringen blijkt dat u persoonlijk geviseerd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie. U verliet immers Letland omwille van een persoonlijk conflict met uw partner, die onder de invloed van drank en drugs was en u regelmatig mishandelde. De problemen die u aanhaalt getuigen niet van een vervolging omwille van uw ras, nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging, of het feit dat u zou behoren tot een sociale groep. Uw problemen met uw partner zijn privaatrechtelijk van aard en vallen buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Verder wijst niets in uw verklaringen erop dat u omwille van redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie niet op de bescherming van uw autoriteiten kon rekenen. Bijgevolg kan er in uw hoofde geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld. Ik acht het niet nodig u te horen aangezien uit uw verklaring eerder afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende duidelijk blijkt dat uw asielmotieven vreemd zijn aan de Vluchtelingenconventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. XIV-16.616-2/5 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de hoor- en motiveringsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat het daadwerkelijk bewijs van de vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) niet in het kader van een ontvankelijkheidsonderzoek moet geschieden en dat de commissaris-generaal zich daarbij moet beperken tot een loutere vaststelling dat de ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn, dat zij had verklaard dat zij geen bescherming kon inroepen van de autoriteiten in haar land van herkomst, dat zij verschillende keren geslagen werd door haar partner, dat zij telkens klacht indiende bij de Letse politie, doch dat zij niet welwillend werd bejegend omdat het om familiale problemen zou zijn gegaan, dat zij nochtans mishandeld werd door haar partner omwille van haar politieke en religieuze overtuigingen, dat de houding van de Letse politie te verklaren is door het feit dat haar partner een vertrouweling en beschermeling was van die politie en banden had met de KGB, dat de commissaris-generaal een kandidaat- vluchteling niet moet horen als het prima facie blijkt dat zijn asielrelaas niet valt onder de toepassing van de Vluchtelingenconventie, dat haar asielrelaas daar wel degelijk onder valt, dat het onderzoek van de commissaris-generaal onvolledig was, dat hij haar voor een tweede verhoor had moeten oproepen, nu zij tijdens haar verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken niet bij machte was om haar asielrelaas in detail weer te geven, dat dit te verklaren is door de shocktoestand waarin zij verkeerde en door het vermoeiend effect van een lange reis, dat haar drie minderjarige kinderen 15 en 12 jaar oud zijn en dat hun verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken verhelderend had kunnen zijn; 2.
- Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal in casu vaststelt dat de problemen van de verzoekende partij niet ressorteren onder de criteria uit de Vluchtelingenconventie en dat de problemen met haar partner van privaatrechtelijke aard XIV-16.616-3/5 zij; dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt dat de vaststellingen van de commissaris-generaal ontkracht; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal tot weigering van verblijf niet als zulke maatregel kan worden gezien; dat dergelijke beslissing niet is gestoeld op het persoonlijke gedrag van de kandidaat-vluchteling zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur, maar op de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat derhalve niet voldaan is aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor de toepassing van de hoorplicht; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij door de dienst Vreemdelingenzaken werd gehoord; dat ze haar standpunt in haar dringend beroep had kunnen uiteenzetten; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.616-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.616-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.491 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.