← België

Arrest 167586 - Varia (onderwijs en cultuur) - 08/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.586 Rolnummer: A. 90063/XII-2506 Zaak: Arrest 167586 - Varia (onderwijs en cultuur) - 08/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 15:28 Fiche Arrest nr 167.586 van 8 februari 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.586 van 8 februari 2007 in de zaak A. 90.063/XII-2506. In zake : de VZW TOT STEUN EN INRICHTING VAN PROTESTANTS-CHRISTELIJKE SCHOLEN, SCHOOL MET DE BIJBEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8 b tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Riddersstraat 2, bus 2. tussenkomende partij : Ingrid HAYEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Vermassen, kantoor houdende te Lede, Kasteeldreef 48. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw tot steun en inrichting van Protestants-Christelijke scholen, School met de Bijbel, op 7 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Vlaamse reaffectatiecommissie van 11 januari 2000, waarbij het bezwaar tegen de reaffectatie van I. Hayen als kleuteronderwijzeres aan de School met de Bijbel te Genk wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 88.286 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; XII-2506-1\8 Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 september 2000; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2000 die de tussenkomst van Ingrid Hayen toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat V. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. Peynsaert, die loco advocaat J. Vermassen verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak XII-2506-2\8 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Tussenkomende partij is sedert 1 januari 1999 vast benoemd als kleuteronderwijzeres aan de School met de Bijbel te Bilzen. Op 12 augustus 1999 geeft het bestuur van die school, de vereniging School met de Bijbel-Bilzen, voorheen genoemd vereniging ter bevordering van christelijk onderwijs in Zuid-Oost-Limburg, te kennen dat de school op 31 augustus 1999 “stopt”. Op een formulier PERS-8, mede ondertekend door het betrokken personeelslid, meldt de gemandateerde van het schoolbestuur aan de zonale reaffectatiecommissie op 16 september 1999 de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking (TBS/OB) van tussenkomende partij. Op een formulier PERS-9, op 17 december 1999 ondertekend, deelt de gemandateerde van verzoekende partij, organiserend bestuur van de School met de Bijbel te Genk, aan de zonale reaffectatiecommissie de vacante betrekkingen mede waarin gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kan worden. Zo ook de betrekking van kleuteronderwijzer (19 u. vacant/5 u. niet vacant) van S. Agten. Op 20 december 1999 beslist de Vlaamse reaffectatiecommissie tussenkomende partij I. Hayen met ingang van 25 december 1999 in de plaats van S. Agten als kleuteronderwijzeres 24/24 (19 u. vacant en 5 u. niet vacant) aan de School met de Bijbel te Genk te reaffecteren. Op 22 december 1999 tekent het schoolbestuur van genoemde school bij de Vlaamse reaffectatiecommissie bezwaar aan tegen de reaffectatie van I. Hayen, waarbij het doet gelden dat noch de “akte van benoeming” noch het pedagogisch project van zijn school en van de school te Bilzen hetzelfde zijn, dat tussenkomende partij aan minstens twee eisen die in de akte van benoeming van de school te Genk worden gesteld, niet beantwoordt en dat laatstgenoemde er in de pers-documenten de voorkeur aan gegeven heeft om tewerkgesteld te worden in het Gemeenschapsonderwijs. XII-2506-3\8 Op 6 januari 2000 verzoekt ook tussenkomende partij om herziening van haar reaffectatie aan de betrokken school. Zij schrijft, onder meer, dat verzoekster struikelt over het feit dat zij geen lid meer is van een protestantse kerk. Op 10 januari 2000 geeft verzoekster schriftelijk te kennen dat “geen reaffectatieverplichting bestaat voor de scholen met de Bijbel” en dat “de inrichtende macht besloten [heeft] niet tot reaffectatie over te gaan”. Bij brief van 13 januari 2000 deelt de voorzitter van de Vlaamse reaffectatiecommissie zowel de school als I. Hayen mede dat de commissie op 11 januari 2000 beslist heeft het bezwaarschrift van verzoekster en dat van het betrokken personeelslid “te verwerpen, en dit op basis van de volgende reden(

  1. en): Beide bezwaarschriften zijn niet ontvankelijk omdat geen argumenten conform art. 45 van hogergenoemd Besluit [versta: het reaffectatiebesluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992] aangebracht werden”; De ontvankelijkheid van het beroep 2. Overwegende dat verwerende partij aan verzoekster belang bij het beroep ontzegt omdat de reaffectatie van tussenkomende partij aan de School met de Bijbel te Genk met ingang van 23 december 2005 is beëindigd en zij de bestreden beslissing voordien nooit heeft uitgevoerd; Overwegende dat verzoekster repliceert dat er niettemin een impact blijft wegens de terugvorderingen waarmee zij wordt geconfronteerd; dat verwerende partij vervolgens is gevraagd of haar exceptie zo begrepen moet worden dat zij afziet van die terugvorderingen; dat verwerende partij dit ontkent en formeel stelt dat er werd beslist “om de terugvordering te handhaven, dit in afwachting van een uitspraak van uw Raad”; dat verwerende partij met dit antwoord zelf haar exceptie ontkracht; dat ze wordt verworpen; De gegrondheid van het beroep 3. Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie aanvoert dat de bestreden beslissing onwettig is omdat de rechtsgrond voor het nemen ervan ontbreekt; dat dit het geval zou zijn omdat de Raad van State bij arresten nr. 139.971 XII-2506-4\8 van 1 februari 2005 en nr. 141.020 van 22 februari 2005 de bedoelde rechtsgrondslag heeft vernietigd; XII-2506-5\8 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie repliceert dat met de genoemde arresten inderdaad enkele bepalingen werden vernietigd van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage (in dit arrest ook het reaffectatiebesluit genoemd), maar niet het te dezen toepasselijke artikel 34 dat de reaffectatie en wedertewerkstelling regelt in het basisonderwijs; 4. Overwegende dat de Raad van State met de genoemde arresten slechts tot de gedeeltelijke vernietiging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 heeft besloten omdat enkel de gedeeltelijke nietigverklaring was gevorderd; dat evenwel het middel dat de Raad tot die partiële vernietiging heeft gebracht was, dat de verwerende partij bij het nemen van haar besluit van 31 augustus 1999 niet op goede grond toepassing had gemaakt van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat de verplichte en deugdelijke raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State een substantieel vormvereiste is waarvan de miskenning de openbare orde raakt en desnoods ambtshalve moet worden opgeworpen; dat, om de redenen uiteengezet in de hiervoor genoemde arresten, die de Raad zich ook voor de huidige zaak eigen maakt, besloten moet worden dat de vastgestelde miskenning van het substantiële vormvereiste de wettigheid aantast van het gehele besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 dat dienvolgens door de Raad van State, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten; 5. Overwegende dat verwerende partij op die vaststelling anticipeert en in de laatste memorie betoogt dat de reaffectatie en de wedertewerkstelling over de inrichtende machten heen voor het basisonderwijs eveneens en in dezelfde zin in het oude artikel 34, 6/, van het reaffectatiebesluit was vastgelegd en dat de beslissing van de reaffectatiecommissie dezelfde geweest was ook indien het reaffectatiebesluit in 1999 niet gewijzigd was of indien het gewijzigde artikel 34 buiten toepassing wordt gelaten; Overwegende dat verwerende partij correct vaststelt dat zowel overeenkomstig de gewijzigde, thans buiten toepassing te laten versie van artikel 34 van het reaffectatiebesluit als overeenkomstig de oorspronkelijke versie van die bepaling, de inrichtende machten zich verplicht weten om de betrekking toe te wijzen XII-2506-6\8 “aan een persoon die in hetzelfde ambt ter beschikkinggesteld is bij een inrichtende macht van hetzelfde net, die wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft onderwijs van hetzelfde karakter verstrekt”; Overwegende, in de veronderstelling dat de oude tekst van artikel 34 dan de rechtsgrond kan substitueren, dat de Raad van State vaststelt dat verzoekster in het vierde middel van het inleidend verzoekschrift aanvoert dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden omdat voor de bestreden maatregel werd geopteerd zonder rekening te houden met de door haar geopperde bezwaren; dat verwerende partij in de memorie van antwoord inzake het vierde middel van het inleidend verzoekschrift repliceert gehouden te zijn de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen zodat de reaffectatiecommissie te dezen geen onzorgvuldig handelen kan worden aangewreven door in casu het reaffectatiebesluit van 29 april 1992 na te leven; Overwegende dat verzoekster bij de reaffectatiecommissie wezenlijk heeft doen gelden als een van haar bezwaren, dat de andere School met de Bijbel te Bilzen, niettegenstaande de gelijklopende benaming, van een ander schoolbestuur afhangt en niet beschouwd mag worden onderwijs van hetzelfde karakter te verstrekken; dat zij aldus het vervuld zijn van de geciteerde grondvoorwaarde voor de haar opgelegde verplichting in twijfel trekt; dat de reaffectatiecommissie dienvolgens niet op goede grond dit bezwaarschrift zonder nadere motivering kon verwerpen, laat staan het onontvankelijk verklaren, om reden dat er géén argumenten overeenkomstig artikel 45 van het reaffectatiebesluit in aangebracht zouden zijn; dat, ten overvloede, de Raad vaststelt dat ook andere bezwaren van verzoekster volkomen zonder antwoord zijn gebleven; dat dit een zorgvuldig handelend bestuur niet betaamt; dat bijgevolg, ook bij substitutie van rechtsgrond, dan toch het vierde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse reaffectatie- commissie van 11 januari 2000 waarbij het bezwaar tegen de reaffectatie van I. Hayen als kleuteronderwijzeres aan de School met de Bijbel te Genk wordt verworpen. XII-2506-7\8 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht februari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2506-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.586 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.