id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.605 Rolnummer: A. 180784/XIV-28238 Zaak: Arrest 167605 - Dienst Vreemdelingenzaken - 08/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 15:29 Fiche Arrest nr 167.605 van 8 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 167.605 van 8 februari 2007 in de zaak A. 180.784/XIV-28.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 juli 1969 en van Russiche nationaliteit, op 5 februari 2007 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2007 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 januari 2007, en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2007 “genaamd ‘bevestiging van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielaanvraag door een andere lidstaat van de Europese Verordening (EG) 343/2003’ ”, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 februari 2007; Gelet op de beschikking van 5 februari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 7 februari 2007 om 11.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-28.238-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. VAN CUTSEM, die loco Advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat L. BRACKE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2 Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, dat overeenkomstig artikel 3, lid 2, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochte akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partij in principe gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; dat er dient op te worden gewezen dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als zodanig; dat hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit waarvan de schorsing wordt gevraagd aan de oorsprong ligt van het nadeel, met andere woorden dient er een causaal verband te bestaan tussen de bestreden beslissing en het vermeende moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat de verwerende partij hierover het volgende uiteenzet: “MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL Verzoeker heeft steeds verklaard dat hij slechts één dag in Polen is gebleven nadat hij zich daar bij aankomst op 05.12.2005 vluchteling had verklaard, omdat hij daar niet veilig was tengevolge van het feit dat de personen die hem in Rusland vervolgden, dit deden tot de plaats waar hij zich in Polen vluchteling verklaarde. XIV-28.238-2/6 Indien de Poolse overheid hierover aan de Belgische overheid geen gegevens heeft meegedeeld -en verzoeker weet niet of dit zo is- is tegenpartij en evenmin de Raad in staat te oordelen of deze bewering van verzoeker terecht is. Maar indien ze juist is, loopt verzoeker groot gevaar indien hij terug naar Polen moet gaan omdat hij ook daar kan vrezen voor zijn fysische integriteit. Daar uit geen enkel gegeven afgeleid kan worden dat verzoeker hierover zou liegen, dient tot bewijs van tegendeel aanvaard te worden dat dit zo is. Het terugsturen van verzoeker naar Polen maakt bijgevolg een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Bovendien blijft tegenpartij vaag over wat Polen met verzoeker zal gaan doen- in de tweede aangevochten beslissing van 01.02.2007 stelt tegenpartij dat de Poolse overheid in de onmogelijkheid verkeert om een beslissing te nemen over de asielaanvraag. Verzoeker weet niet of uit de gegevens door de Poolse overheid aan de Belgische overheid verstrekt, blijkt of er al dan niet reeds een beslissing genomen is, hetgeen niet onwaarschijnlijk is daar de asielaanvraag ingediend werd veertien maanden geleden. Uit de eerst aangevochten beslissing blijkt dat Polen ingestemd heeft met de vraag tot terugname van verzoeker, en niet dat Polen bereid is en zich verantwoordelijk heeft verklaard om de asielaanvraag van verzoeker te onderzoeken. Heel de Europese reglementering inzake de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het onderzoek van de asielaanvragen is gebaseerd op twee pijlers: enerzijds vermijden dat een vreemdeling zich in meer dan één staat vluchteling verklaart en anderzijds waarborgen dat minstens in één staat de vluchtmotieven van een vreemdeling worden onderzocht België kan bijgevolg alleen maar verzoeker terugsturen naar Polen indien het de waarborg krijgt dat Polen alsnog de asielaanvraag van verzoeker ten gronde zal onderzoeken. Indien dd niet het geval is, zal Polen verzoeker aanstonds terugsturen naar Rusland. Het terugsturen van verzoeker naar zijn land van herkomst zonder te onderzoeken of hij bescherming nodig heeft tegen vervolging, maakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit zolang niet is aangetoond dat verzoeker geen vluchteling is.”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “B. Er is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond. Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing, De verzoekende partij poneert desbetreffend zeer vaag en ongestaafd dat: - hij niet veilig was in Polen ten gevolge van het feit dat de personen die hem in Rusland vervolgden, dit deden tot de plaats waar hij zich in polen vluchteling verklaarde”, - de verwerende partij vaag blijft ‘over wat Polen met verzoeker zal gaan doen’, - het terugsturen van verzoeker naar zijn land van herkomst een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. Behoudens het gegeven dat verzoekers beschouwing als zou hij terug naar zijn land van herkomst worden gestuurd louter hypothetisch is, merkt de verwerende partij op: - dat geheel conform de wettelijke bepalingen ter zake werd geoordeeld dat België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoekers asielaanvraag. die aan de Poolse autoriteiten toekomt, - in redelijkheid mag worden aangenomen dat de Poolse autoriteiten verzoekers asielaanvraag zullen behandelen conform de vigerende reglementering. en met de nodige zorg en waarborgen. - verzoeker niet anders aantoont. Terwijl verzoekers overige vage en ongestaafde beschouwingen niet volstaan opdat deze aan de hand van concrete gegevens het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou aantonen, niet in het minst nu de voorgehouden nadelen niet dienstig in verband kunnen worden gebracht met het schrijven dd. 01.02.2007 waartegen onderhavige procedure is gericht. Om die redenen is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk.”; Overwegende dat de verzoekende partij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen zal worden overgedragen aan de bevoegde Poolse autoriteiten; dat dit echter een gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Polen heeft ingediend; dat waar de verzoekende partij de onzekerheid omtrent de behandeling van haar asielprocedure in Polen aanvoert, uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat Polen op 10 januari 2007 heeft ingestemd met de vraag tot XIV-28.238-3/6 terugname van de verzoekende partij; dat bijgevolg de thans bestreden beslissingen de mogelijke erkenning van de verzoekende partij als vluchteling niet in de weg staat; dat zij alleen bepaalt dat de asielaanvraag in Polen dient te worden behandeld; dat Polen een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Polen dan in België zou genieten; dat als de verzoekende partij in aanmerking zou komen voor bescherming op basis van het Vluchtelingenverdrag, zij de door dit verdrag gewaarborgde bescherming ook in Polen kan krijgen; dat in dit opzicht de verzoekende partij geen concrete aanwijzingen bijbrengt, laat staan bewijzen, die aantonen dat haar asielaanvraag niet met de nodige zorg en garanties in Polen kan behandeld worden; dat als de verzoekende partij verkoos haar asielaanvraag niet door de Poolse asielautoriteiten te zien behandeld worden, zij geen asielaanvraag aldaar had moeten indienen; dat het vermeende nadeel dienvolgens voortvloeit uit de handelingen van de verzoekende partij en niet uit de bestreden beslissingen; Overwegende dat waar de verzoekende partij aanvoert één dag na haar asielaanvraag in Polen te zijn teruggekeerd naar het land van herkomst omdat zij zich in Polen onveilig voelde doordat “de personen die hem in Rusland vervolgden, dit deden tot de plaats waar hij zich in Polen vluchteling verklaarde”, betreffende bewering evenwel niet aannemelijk maakt dat haar asielaanvraag niet meer door de Poolse autoriteiten kan worden behandeld; dat vooreerst de verzoekende partij niet met concrete feiten aantoont welke personen haar vanuit Rusland zouden vervolgen, noch waaruit die vervolging bestond, noch waarom dit de behandeling van de asielaanvraag door de Poolse autoriteiten onmogelijk zou maken; dat bovendien uit de uiteenzetting niet valt op te maken waarom de verzoekende partij geen bescherming zou kunnen krijgen van de Poolse veiligheidsdiensten tegen haar vermeende belagers; dat er op het eerste gezicht geen belemmering voorhanden is die de bescherming van de Poolse autoriteiten zou verhinderen; dat gelet op het feit dat de verzoekende partij, zoals hierboven wordt vermeld, niet aantoont waaruit het gevaar bij een terugkeer naar Polen bestaat en evenmin met concrete elementen aantoont waarom zij niet op de Poolse veiligheidsdiensten een beroep kan doen, ze op generlei wijze aannemelijk maakt dat zij bij een terugkeer naar Polen dient te vrezen voor haar veiligheid; dat gelet op het vage karakter van deze uiteenzetting, de bewering van de verzoekende partij dat er geen enkel gegeven is waaruit blijkt dat ze liegt, geen vermoeden in haar voordeel schept tot het bewijs van het tegendeel; dat de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen en ernstig karakter van het nadeel immers met concrete elementen en feiten gestoffeerd moet worden zodat de verwerende partij weerwerk kan geven tegen de door de verzoekende partij ingenomen stellingname; dat een vage uiteenzetting van het nadeel de verwerende partij niet toelaat om op gepaste wijze met concrete elementen verweer te leveren; dat een vage uiteenzetting vanzelfsprekend geen vermoeden ten voordele van de verzoekende partij omtrent het nadeel, noch omtrent het moeilijk te herstellen en ernstig karakter ervan kan leveren; XIV-28.238-4/6 Overwegende dat tenslotte het betoog van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden waar ze beweert dat België haar alleen maar kan terugsturen naar Polen indien het de waarborg krijgt dat Polen alsnog haar asielaanvraag ten gronde zal onderzoeken; dat indien dit niet het geval is, Polen haar aanstonds zal terugsturen naar Rusland, waarbij het terugsturen naar haar land van herkomst zonder te onderzoeken of zij bescherming nodig heeft tegen vervolging, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt zolang niet is aangetoond dat ze geen vluchteling is; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift immers zelf met zoveel woorden aanvoert dat ze slechts één dag in Polen is gebleven nadat ze zich daar bij aankomst vluchteling had verklaard, en dat ze daags nadien zelf naar haar land van herkomst , met name Rusland, voor een periode van vrijwel één jaar zou zijn teruggekeerd; dat deze houding van de verzoekende partij evenwel de negatie inhoudt van haar vermeende nadeel; dat de verzoekende partij bijgevolg op generlei wijze aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een ernstig, laat staan een moeilijk te herstellen nadeel zal veroorzaken; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-28.238-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-28.238-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.