← België

Arrest 167615 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.615 Rolnummer: A. 106106/VII-23962 Zaak: Arrest 167615 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 15:32 Fiche Arrest nr 167.615 van 8 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.615 van 8 februari 2007 in de zaak A. 106.106/VII- 23.

  1. In zake : Willy ROELANDT, wonende te WICHELEN, Bohemen 93 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20 tussenkomende partij : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willy ROELANDT op 15 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 april 2001 houdende bevestiging van de beslissing van OVAM van 21 december 2000 waarbij deze beslist dat verzoeker niet aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 31 van het bodemsaneringsde- creet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan en dan ook verplicht is om over te gaan tot het opstellen van een bodemsaneringsproject; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM); Gelet op de beschikking van 15 april 2002 die de tussenkomst van OVAM toelaat; VII-23.962-1/4 Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan verzoeker op 7 november 2001; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgevingen aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het aangetekend schrijven van verzoeker van 12 oktober 2006, waarbij hij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 1 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DE MEERLEER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. VAN HERCK, die, loco advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoeker de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat verzoeker binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen rechtsgeldige memorie VII-23.962-2/4 van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat de memorie niet bij ter post aangetekend schrijven werd ingediend, zoals voorgeschreven door artikel 84, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zodat de memorie van wederantwoord geen vaste datum heeft verkregen; dat krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, in principe dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoek om gehoord te worden aanvoert dat hij nooit heeft verzaakt aan zijn belang in de procedure, dat het dossier toch de stempel van neerlegging op de griffie moet bevatten en dat alzo toch moet kunnen worden vastgesteld dat de memorie van wederantwoord tijdig werd neergelegd; dat evenwel het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang te dezen onverkort moet worden toegepast, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-23.962-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.962-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.