← België

Arrest 167646 - Milieuvergunningen - 09/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.646 Rolnummer: A. 175072/VII-36325 Zaak: Arrest 167646 - Milieuvergunningen - 09/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:23 Fiche Arrest nr 167.646 van 9 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.646 van 9 februari 2007 in de zaak A. 175.072/VII-36.325. In zake : de v.z.w. NATUURBESCHERMINGSACTIE LIMBURG die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131. tussenkomende partijen : 1. de n.v. DEA DIA, die woonplaats kiest bij advocaten P. en G. SCHIEPERS, kantoor houdende te TONGEREN, Darenbergstraat 2, 2. de n.v. PLINIUS, die woonplaats kiezen bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan 180. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURBESCHER- MINGSACTIE LIMBURG op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van "het besluit (van) 8 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg tot bevestiging van de beslissing van 31 januari 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van Tongeren waarbij aan DEA DIA NV, Kareelstraat 122 te 9300 Aalst een milieuver- gunning werd verleend voor het exploiteren van een dagrecreatiepark 'Het Land van Ooit' op de kadastrale percelen van en te Tongeren, afd. 7, Sectie A, nr.(s), 649A, 648D, 612G, 618A, 612H, 614E, 651D2, 652E, 657C, 658M, 650, 655A, 654C, 657E, 656E, 653M, 658P, 620K, 620L, 620M, 620N, 620P, 621A (deel) en 660D, ter plaatse Mulkerweg/Fonteindreef "; VII-36.325-1/27 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat G. SCHIEPERS, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat S. VAN GEETERUYEN, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende dat de n.v. DEA DIA, begunstigde van de kwestieuze milieuvergunning, met een verzoekschrift van 10 augustus 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 1.2. Overwegende dat de n.v. PLINIUS met een verzoekschrift van 6 september 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat deze rechtspersoon is opgericht met als doel de realisatie van het PLINIUS-project, dat de uitbouw van het in het geding zijnde themapark beoogt; dat het verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-36.325-2/27 2.1. De provincieraad van Limburg keurt op 20 juni 2001 het "strategisch toeristisch actieplan 2001-2006" goed. Daarin wordt het "Pliniusproject te Tongeren" opgesomd bij de "regiogedragen projecten S.T.A.P.". Het betreft een toeristisch hefboomproject dat bestaat in de uitbouw van een themapark -naar het voorbeeld van het Nederlandse “Land van Ooit”- ten noordwesten van het stadscentrum van Tongeren. Het project ontleent zijn naam aan de ter plekke gelegen Pliniusbron. Voor de realisatie ervan is zowel een stedenbouwkundige als een milieuvergunning vereist. 2.2. Met een besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001 wordt overgegaan tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren. Het gebied waar het Pliniusproject doorgang moet vinden krijgt als bestemming recreatiepark. De vordering tot schorsing, ingediend tegen deze gedeeltelijke gewestplanwijziging wordt verworpen met het arrest nr. 108.300 van 21 juni 2002. Het annulatieberoep is nog hangende. 2.3. Bij notariële akte van 25 juni 2004 wordt door de Limburgse Strategische Ontwikkelingsmaatschappij (verder n.v. LISOM), het Autonome Gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Tongeren en het zelfstandig agentschap Toerisme Vlaanderen een ontwikkelingsmaatschappij opgericht, de n.v. PLINIUS. 2.4. Met een ministerieel besluit van 23 juni 2004 wordt machtiging gegeven tot de onteigening van de betrokken percelen. Daartegen worden de annulatieberoepen nrs. 155.524 en 158.331 ingesteld. De eerste zaak is nog hangende, in de tweede werd de afstand van het geding vastgesteld bij arrest nr. 153.595. 2.5. Op initiatief van de n.v. LISOM wordt in augustus 2005 een milieueffectrapport (MER) opgesteld ("MER Recreatiepark Plinius te Tongeren. Het Land van Ooit Tongeren. Strabag Development N.V."). Dit rapport wordt op 3 november 2005 goedgekeurd door de cel MER van AMINAL. 2.6. Op 2 november 2005 dient de eerste tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van Tongeren de milieuvergunningsaanvraag in die aanleiding zal geven tot het thans bestreden besluit. Het aanvraagformulier vermeldt dat een MER vereist is. De niet-technische samenvatting van dat MER is VII-36.325-3/27 bijgevoegd. In bijlage 3 bij de aanvraag (voorwerp van de exploitatie) leest men onder meer : "Voorliggende aanvraag betreft de exploitatie van een volledig nieuwe inrichting. Op vandaag wordt vergunning gevraagd voor fase 1 van het project, met name het themapark met een totale oppervlakte van ± 22 hectare". Bij de opsomming van de rubrieken wordt onder meer melding gemaakt van een feestzaal met een dansvloer (bestemd voor verhuur voor trouwpartijen e.d.) en diverse zalen voor manifestaties (schouwspel, theater,...). 2.7. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. 2.8. Op 31 januari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van Tongeren de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. Er worden geen bijzondere exploitatievoorwaarden opgelegd. 2.9. Tegen dit vergunningsbesluit worden drie gelijkaardige administra- tieve beroepen ingesteld. De argumenten van de beroepindieners kunnen worden samengevat als volgt : - er ontbreekt een afdoende project-MER. Het project-MER dat werd opgesteld in het kader van het PRUP Plinius bevat geen afdoende analyse van de milieueffecten m.b.t. het project; - er was geen voorafgaande passende beoordeling want er werd geen rekening gehouden met de beschermingszone die zich in de directe nabijheid van de exploitatiezone bevindt (schending van artikel 5, §2, 11/, h, van Vlarem I); - schending van artikel 5, §2, 11/, e, van Vlarem I, doordat in de vergunning geen weerslag te vinden is van de repercussies die de exploitatie van het recreatiepark heeft op de omgeving en de omwonenden; - schending van de formele motiveringsplicht; - schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vermits geen afdoend en volledig onderzoek naar het concrete geval en geen nauwgezette belangenafweging plaatsvond; - schending van het redelijkheidsbeginsel aangezien geen zorgvuldige belangenaf- weging plaatsvond. 2.10. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht : VII-36.325-4/27 - AMINAL Limburg adviseert op 26 april 2006 de beroepen ongegrond te verklaren en de door het college van burgemeester en schepenen verleende milieuvergunning te bevestigen; - de afdeling Ruimtelijke Ordening van AROHM brengt geen advies uit, zodat het geacht moet worden gunstig te zijn; - op 15 mei 2006 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie unaniem ongunstig voor het beroep; zij stelt voor het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Tongeren te bevestigen. 2.11. Op 8 juni 2006 wordt het thans bestreden besluit genomen. 2.12. Tijdens de afwikkeling van de milieuvergunningsprocedure werden ook op het vlak van ruimtelijke ordening een aantal beslissingen genomen: - Op 15 maart 2006 stelde de provincieraad van Limburg het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) "Plinius" definitief vast. Bij besluit van 18 mei 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening werd dit PRUP goedgekeurd. De vordering tot schorsing die onder meer door de huidige verzoekende partij werd ingediend tegen dit besluit werd verworpen bij arrest nr. 166.511 van 10 januari 2007. Het annulatieberoepen is nog hangende. - Met een besluit van 23 mei 2006 werd aan de n.v. STRABAG BELGIUM de bouwvergunning, nodig voor de realisatie van het project, verleend. De vordering tot schorsing die onder meer door de huidige verzoekende partij werd ingediend tegen dit besluit werd verworpen bij arrest nr. 166.512 van 10 januari 2007. De annulatieberoepen zijn nog hangende; 3. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partijen opwerpen dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; 4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-36.325-5/27 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1.1.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt : "Genomen uit de schending van 1) artikel 2, lid 1 en artikel 5 t.e.m. 10 juncto Bijlage I, punt 11,

  1. a)van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door Richtlijn 97/11/EG, juncto de artikelen 4.3.1. 4.3.2 en 4.3.7 § 1 DABM zoals ingevoegd door artikel 4 van het Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage 2) de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldig- heidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht en artikel 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991 Eerste onderdeel Doordat voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing een afdoende project-MER diende te worden opgesteld conform de bepalingen van artikel 2, lid 1 en artikel 5 t.e.m. 10 juncto Bijlage I, punt 7,
  2. a)van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door Richtlijn 97/11/EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7 § 1 DABM zoals ingevoegd door artikel 4 van het Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieuef- fect- en veiligheidsrapportage Terwijl de bestreden beslissing geen afdoende project-MER bevatte en kan worden aangetoond dat de voorliggende project-MER significante leemten bevat en bijgevolg een schending uitmaakt van artikel 2, lid 1 en artikel 5 t.e.m. 10 juncto Bijlage I, punt 11
  3. a)van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieuef- fectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door Richtlijn 97/11/EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7 § 1 DABM zoals ingevoegd door artikel 4 van de het Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage Tweede onderdeel Doordat aan de bestreden beslissingen geen afdoende project-MER werd toegevoegd Terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen. En terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist. En terwijl de materiële motiveringsplicht impliceert dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn en ingevolge de formele of uitdrukkelijke motiveringsverplichting zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van VII-36.325-6/27 bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen in de beslissingen zelf moeten terug te vinden zijn"; dat zij in de toelichting bij het eerste onderdeel vooreerst op algemene wijze betoogt dat artikel 2.1 van de richtlijn 85/337/EEG zo dient te worden begrepen dat iedere vergunning voor voorgenomen MER-plichtige projecten steeds aan een MER dient onderworpen te worden, waarbij deze MER-plichtige projecten krachtens artikel 4 en bijlage I en II van de richtlijn bepaald worden, dat het MER beschikbaar dient te zijn voorafgaandelijk aan zowel de bouw- als de milieuvergunning, dat op Vlaams niveau aan de richtlijn uitwerking werd gegeven door het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), dat artikel 4.3.2, §1 van dat decreet aan de Vlaamse regering de verplichting oplegt om middels een uitvoeringsbesluit die projecten aan te wijzen die verplicht onderworpen dienen te worden aan een MER en dit aan de hand van de criteria die worden opgesomd in bijlage II van evengenoemd decreet, dat door een besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 hieraan uitvoering werd gegeven, dat het Pliniusproject valt onder categorie 12 van bijlage II van het voormelde besluit waaronder ook "themaparken" worden opgesomd, dat voorafgaan- delijk aan het bestreden besluit op initiatief van de n.v. LISOM een project-MER werd opgesteld, dat het MER dient te voldoen aan artikel 4.3.7, §1 van het voormelde decreet van 5 april 1995, en bij het verlenen van de milieuvergunning een evaluatie van het MER dient plaats te vinden, teneinde een vergunning te verlenen met betrekking tot dewelke voorafgaandelijk op afdoende wijze een beoordeling van de milieueffecten heeft plaatsgevonden; dat de verzoekende partij de motivering die dienaangaande in de aanhef van het bestreden besluit voorkomt citeert, doch meent dat spijts die motivering een project MER werd opgesteld dat niet voldoet aan de vereisten van het voormelde artikel 4.3.7, §1 en dat bijgevolg niet kon worden overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit in toepassing van de artikelen 4.3.1 en 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995; dat zij vervolgens concreet tracht aan te tonen dat geen afdoende project-MER werd opgesteld en daarbij, kort sameng- evat, doet gelden wat volgt : 1) Er vond geen voldoende onderzoek plaats van de tweede fase van het project (schending van artikel 4.3.7, §1, 1/, c, 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). In het project-MER wordt aangestipt dat de realisatie van het project zal worden gerealiseerd in twee fasen, waarbij de realisatie van de tweede fase afhankelijk is van het succes van de eerste fase. De tweede fase wordt in het project-MER VII-36.325-7/27 als een ontwikkelingsscenario bestudeerd en geëvalueerd, en in het MER zelf wordt aangegeven dat er omtrent deze tweede fase geen definitieve en gedetailleerde inrichtingsplannen voorhanden waren. Nochtans blijkt uit artikel 4.3.7, §1, 1/, c, 1, van het decreet van 5 april 1995 dat een beoordeling dient te worden doorgevoerd van het hele project. Het MER diende dus ook een evaluatie te omvatten van de fase 2, die overigens erg ingrijpend is gelet op de aanleg van een zwembad en verblijfswoningen. 2) Er vond geen voldoende onderzoek van de alternatieven plaats (schending van artikel 4.3.7, §1, 1/, d en e, en schending van artikel 4.3.7, §1, 2/, e, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). Een project-MER bevat drie soorten alternatieven: plan- of projectalternatieven, locatiealternatieven en uitvoeringsalternatieven. Deze alternatieven dienen mee betrokken te worden in het milieuonderzoek en de eindafweging.. Volgens het project-MER bepalen twee overwegingen de beschikbaarheid van een alternatief : economische overwegingen en het feit dat het project moet passen binnen het ruimtelijk beleidskader. De toepassing van deze uitgangspun- ten op de hogervermelde types van alternatieven geeft volgens het project-MER de volgende afbakening : - planalternatieven lijken niet aan de orde wegens de beperkingen van het ruimtelijk kader; - locatiealternatieven zijn wel beschikbaar; - uitvoeringsalternatieven behoren eveneens tot de mogelijkheden. * Met betrekking tot de inrichtingsalternatieven merkt de verzoekende partij op dat nergens werd overwogen om het hoofdgebouw te herlokali- seren verder weg van de openbare weg. Vermits het Plinius-project een eiland vormt binnen de groene en rurale structuur van de omgeving dient ervoor gezorgd dat aan die omgeving zo weinig mogelijk inbreuken plaatsgrijpen, en veel hangt daarbij af van de inplanting en grootte van de gebouwen. Ten aanzien van gebouw 1 (het hoofdgebouw) moet worden opgemerkt dat het zal worden opgericht in zone 1, een oppervlakte van 1,2 ha heeft, een bouwhoogte van 50% van de bebouwde oppervlakte, een nokhoogte van 20 meter en een kroonlijst- hoogte van 15 meter. Aangezien het recreatiepark een totale maximale bezetting van 6.680 personen kan ondervangen, doch op piekdagen slechts 1.333 bezoekers op één dag worden verwacht, moet worden gesteld dat het project een duidelijke overschatting van het potentieel VII-36.325-8/27 bezoekersaantal omvat en de oprichting van een dergelijk complex niet kan worden weerhouden. Bovendien is de voorziene buffering ontoerei- kend zodat de keuze van de inplanting van het hoofdgebouw niet kan worden goedgekeurd. Het hoofdgebouw diende meer centraal op de site te worden ingeplant. Ook fase 2, met de oprichting van een zwembad en verblijfswoningen, werd onvoldoende geëvalueerd. * Wat betreft de locatiealternatieven merkt de verzoekende partij op dat op een heel summiere manier en aan de hand van een confuus vergelij- kingssysteem gebaseerd op enkele parameters enkele alternatieve locaties worden aangereikt met als conclusie dat de huidige gekozen inplantingsplaats de meest geschikte is, hoewel voor de andere onder- zochte doch niet weerhouden locaties de bereikbaarheid optimaal is en de inplanting minder ingrijpend voor de omgeving. Bovendien werd de vergelijkingsradius heel beperkt gehouden en werden enkel in of aan de rand van het structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Tongeren een locatieonderzoek doorgevoerd, terwijl in een ruimer genomen, maar toch directe omgeving meerdere alternatieven aanwezig zijn waarvan geen melding gemaakt wordt in het project-MER. 3) Onvoldoende onderzoek naar de milieueffecten en milderende maatregelen (schending van artikel 4.3.7, §1, 2/, c, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). De verzoekende partij somt de milderende maatregelen op die op schematische wijze werden opgenomen in het project-MER, en zij doet gelden dat als maatregel enkel gewezen werd op het feit dat bij de architectuur en de visuele uitwerking in het bijzonder van de dakconstructie van de gebouwen en hoogopgaande attracties, deze gericht moeten zijn op een integratie van de constructies in de landschappelijke context. Hieruit kan worden afgeleid dat de opgenomen schematische voorstelling van de milderende effecten niet kan volstaan om voor de omwonenden te kunnen garanderen dat de hinder tot een minimum zal worden herleid. Bovendien werd geenszins voldaan aan de vereisten voor het opstellen van het gevolgde integratiespoor zoals voorgeschre- ven in artikel 4.3.7, §1, 2/, c, van het voormelde decreet van 5 april 1995. 4) De luchtverontreiniging werd onvoldoende beoordeeld (schending van artikel 4.3.7, §1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). VII-36.325-9/27 Er werd geen concreet onderzoek naar de luchtverontreiniging t.a.v. de stad Tongeren uitgevoerd.. De Europese Ozonrichtlijn 2002/3/EG voorziet een informatie- en alarmdrempel. Om de ernst van de ozonvervuiling gedurende een jaar in te schatten wordt echter beter gebruik gemaakt van de AOT-indicator. In de Ozonrichtlijn worden twee parameters gebruikt om de streefwaarden en langetermijndoelstellingen voor ozon te kwantificeren. Uit een studie betreffende de luchtverontreiniging door ozon tijdens de zomer van 2004 in België blijkt dat in het gebied waar het Plinius-project zich situeert een verhoogde concentratie aan ozon werd vastgesteld. Nergens werd echter een concrete analyse gemaakt van de luchtverontreiniging in Tongeren zelf. Bovendien zijn de gebruikte gegevens aanzienlijk gedateerd. Er is dus een gebrek aan kennis en analyse i.v.m. de te verwachten luchtverontreiniging die het project zal meebrengen, terwijl in het MER zelf wordt aangegeven dat er een verslechtering van de luchtkwaliteit te verwachten is door de toename van de verkeersdrukte. In die omstandigheden kan niet worden aanvaard dat er geen verdere concrete studies werden opgemaakt met betrekking tot de luchtverontreiniging en de overschrijding van de ozondrempelwaarden. De nood aan een grondige studie en analyse van de te verwachten luchtverontreiniging kan worden afgeleid uit het besluit i.v.m. deze discipline in het MER zelf. De verzoekende partij verwijst voorts naar de leemten in de kennis, zoals opgenomen in hoofdstuk 10 bij het MER. Het gebrek aan gegevens in het MER kon worden verholpen door het aanwerven van een expert in de discipline “lucht”. 5) Er is een onvoldoende beoordeling van de hinder, inzonderheid van de verkeershinder. De verzoekende partij tracht aan te tonen dat het inplanten van het Pliniusproject op de weerhouden locatie aanzienlijke en ondraaglijke hinder zal genereren, dat deze te verwachten hinder niet op een afdoende wijze werd geanalyseerd in het MER en niet concreet wordt aangegeven hoe aan die hinder zal worden tegemoet gekomen, hetgeen een schending van artikel 4.3.7, §1, 2/, c, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid uitmaakt. Door het recreatiepark zal er een grote overbelasting van het verkeersnet om en rond de site zijn, zodat de rust wordt verstoord en de verkeersveiligheid niet langer gegarandeerd blijft. De verzoekende partij somt een aantal cijfers op m.b.t. de te verwachten bezoekersaantallen en het daarmee gepaard gaande verkeer, en zij betoogt verder dat het MER enkel een opsom- ming van mogelijke alternatieven bevat zonder dat een duidelijke evaluatie van VII-36.325-10/27 die alternatieven wordt opgenomen of een optimale oplossing wordt aangereikt ten einde de verkeershinder tot een minimum te herleiden. 6) Er zijn ontoereikende garanties met betrekking tot de op te richten buffer en de ontsluiting van het park (schending van art. 4.3.7, §1, 2/, b, juncto artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet). Teneinde de hinder te beperken is een afdoende buffering noodzakelijk. Bovendien dient, op grond van artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet, de exploitant de hinder zo beperkt mogelijk te houden. De verzoekende partij haalt een aantal situaties aan waaruit de nood aan afdoende buffering volgens haar zou moeten blijken, terwijl deze nergens wordt gegarandeerd. De voorgestelde buffering zal geenszins het verstorend effect die de inplanting van het project, en in het bijzonder van de Romeinse villa met zich brengt, kunnen opvangen. Bovendien is er geen afdoende buffering voorzien ten aanzien van het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone; dat de verzoekende partij in de toelichting bij het tweede onderdeel van het middel in essentie betoogt dat door het niet aanwezig zijn van een afdoende project-MER bij het verlenen van de vergunning, het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden, dat er evenmin voldaan werd aan het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, aangezien met het bestreden besluit geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden door het gebrek aan een afdoende project-MER, en dat gelet op het feit dat het bestreden besluit geen afdoende beoordeling en afweging bevat van de te verwachten geluidshinder, verkeershinder, visuele hinder en luchtverontreiniging moet gesteld worden dat de materiële en de formele motiveringsplicht werden geschonden; 4.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota betoogt dat het middel onontvankelijk is; dat zij stelt dat het eerste middel de onwettigheid van de milieuvergunning afleidt uit leemten die het MER zou bevatten, en dan ook enkel schendingen opwerpt met betrekking tot de MER-plicht, terwijl in het bestreden besluit duidelijk is aangegeven dat voor geen van de hinderlijke inrichtingen waarvoor de milieuvergunning werd gevraagd een MER vereist is en voor geen van de inrichtingen die zijn opgenomen onder categorie 12 van bijlage II van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 een milieuvergunning wordt gevraagd; dat zij verder stelt dat het middel onontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing geen beslissing is ter goedkeuring van het MER, en de werkelijke goedkeuringsbeslis- VII-36.325-11/27 sing van 3 november 2005 niet door de verzoekende partij werd aangevochten; dat de verwerende partij nog betoogt dat zij bij het nemen van haar beslissing gebonden is aan het definitief geworden MER zodat argumenten omtrent de inhoud ervan dan ook geen invloed kunnen hebben op de verleende vergunning; dat zij voorts repliceert dat het middel feitelijke grondslag mist en daartoe de leemtes naar dewelke de verzoekende partij verwijst, overloopt : 1) Op dit ogenblik is enkel de eerste fase van het project aangevraagd, en het is onzeker of de tweede fase zal worden aangevraagd. De verzoekende partij geeft aan artikel 4.3.7, §1, 1/, c, 1, van het decreet van 5 april 1995 een veel grotere draagwijdte dan ze in werkelijkheid heeft. In deze bepaling spreekt men immers telkens van een voorgenomen project. De verzoekende partij toont evenwel niet aan dat de tweede fase van het project een voorgenomen project is. Uit de definitie van artikel 4.1.1, §1, 5/, van het meervermelde decreet volgt dat, om te worden gekwalificeerd als project, het voornemen voldoende concreet en zeker moet zijn, wat voor fase 2 van het project niet het geval is. Als beslist wordt fase 2 te ontwikkelen, zal deze fase ook aan een MER moeten worden onderworpen. Bovendien bevat het MER reeds veel informatie omtrent de tweede fase. 2) Wat betreft het onderzoek van de alternatieven voldoet het MER aan de wettelijke bepalingen. De verzoekende partij toont niet aan dat de informatie die krachtens het decreet van 5 april 1995 vereist is, ontbreekt. Het MER geeft achtereenvolgens aan welke types alternatieven kunnen onderzocht worden en op basis van welke criteria deze beschikbare alternatieven kunnen worden onderzocht, alsook de analyse ervan. De feitelijke kritieken van de verzoekende partij missen elke grondslag. De inplanting van het hoofdgebouw is duidelijk bestudeerd in het MER. Omtrent de afstemming van de capaciteit van de gebouwen op het bezoekersaantal gaat de verzoekende partij uit van het dagelijks gemiddelde van de bezoekers, terwijl moet worden uitgegaan van de theoretische maximumcapaciteit. De gehanteerde waardenschaal blijkt voldoende uit de quoteringen en de samenvattende tabel. De redenen waarom bepaalde zones geselecteerd werden en binnen welk gebied deze zones zijn geselecteerd werden duidelijk vermeld en houden verband met de beleidsdoelstellingen van het project. VII-36.325-12/27 3) Inzake de milderende maatregelen voldoet het MER aan de wettelijke bepaling- en. De milderende maatregelen moeten immers slechts betrekking hebben op de aanzienlijke milieu-effecten van het project. Het MER vervult deze verplichting op zeer uitvoerige wijze. In deel 8 wordt immers voor elk milieu-onderdeel onderzocht welke de milderende maatregelen zijn. De feitelijke kritieken van de verzoekende partij missen elke feitelijke grondslag. Het is voor de verwerende partij onduidelijk hoe de kritiek inzake de visuele hinder te pas komt bij de milieuvergunning. Onder meer de geplande bufferzones zorgen voor een gepaste overgang. 4) De argumentatie inzake de luchtverontreiniging gaat niet op. Ook op dit punt voldoet het MER aan de wettelijke bepalingen. In deel 7 van het MER worden de effecten beoordeeld wat betreft de lucht. De verzoekende partij beklaagt zich over een beweerd mankement in de gegevens. Voor de beschrijving van de referentiesituatie gelden geen wettelijke voorschriften, en de opstellers van het MER kunnen zich enkel behelpen met gegevens van een gespecialiseerde administratie (VMM), hetgeen ook is gebeurd. De feitelijke beweringen van de verzoekende partij zijn onjuist of niet aangetoond. Het Pliniusproject ligt ver verwijderd van de gebieden waar de hoogste ozonoverlast werd genoteerd. Uit het MER blijkt helemaal niet dat een verhoogde ozonconcentratie te vrezen is. Bij het beoordelen van de effecten van het bijkomend verkeer komt de parameter ozon zelfs niet aan de orde. 5) Het MER besteedt veel aandacht aan het verkeer en de verkeershinder: de referentiesituatie en de verkeerseffecten van de geplande situatie worden uitvoerig beschreven, de alternatieven worden onderzocht op hun verkeersim- pact en er worden milderende maatregelen onderzocht. 6) Het argument inzake de ontoereikende garanties m.b.t. de op te richten buffer en de ontsluiting van het park is onbegrijpelijk. Er wordt voortdurend verwezen naar stukken die zich niet in het dossier bevinden; dat de verwerende partij verder betoogt dat het tweede onderdeel van het middel evenmin gegrond is, dat immers het uitgangspunt, met name dat het MER gebreken zou vertonen, niet correct is, dat bovendien daaruit geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur zou kunnen worden afgeleid, dat de verwerende partij het MER immers niet zelf heeft opgesteld, en men haar hoogstens zou kunnen verwijten VII-36.325-13/27 dat zij redelijkerwijze de beweerde leemten in het MER had moeten ontdekken, dat echter, gelet op het feit dat het MER werd opgesteld door milieudeskundigen volgens een geijkte procedure, derden de kans kregen het MER te beoordelen, en het rapport tenslotte werd goedgekeurd door de daarin gespecialiseerde instantie, met name de cel MER van AMINAL, de verwerende partij redelijkerwijze niet verweten kan worden dat zij ervan uitging dat het MER geen gebreken vertoonde; 4.1.1.3. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in het verzoek- schrift tot tussenkomst eveneens aanvoert dat voor de afgifte van de milieuvergun- ning geen MER vereist was, en dat het MER geen deel uitmaakt van het bestreden besluit, zodat argumenten omtrent de inhoud ervan niet kunnen leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing; dat ook zij vervolgens ingaat op de argumenten die de verzoekende partij aanvoert; dat zij grotendeels de argumentatie van de verwerende partij herneemt en zij, inzake het argument dat het MER onvoldoende is omtrent de tweede fase van het project, nog toevoegt dat zelfs nog geen milieuvergunning voor fase twee kon worden aangevraagd, vermits zo’n vergunning binnen de drie jaar in gebruik moet worden genomen, en fase twee slechts over zes à zeven jaar gepland is; dat zij verder nog doet gelden dat, gelet op de goedkeuring van het MER door de administratie, geoordeeld kan worden dat de uitwerking ervan voldoet aan de MER-verplichtingen, dat tevens werd besloten door de cel MER om het zogenaamde integratiespoor of integraal spoor te volgen voor de opmaak van het PRUP “Plinius” en dat dit mits de uitbreiding van het project- MER met een aantal aspecten, toereikend zou zijn als milieubeoordeling van het PRUP “Plinius”, dat de koppeling tussen het opgemaakte project-MER en het PRUP meermaals wordt geduid in het goedkeuringsbesluit van het project-MER door de cel MER van 3 november 2005, dat de milieuvergunningverlenende overheid de beoordeling van de cel MER niet moet overdoen, dat een recreatiepark niet op de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen voorkomt en bijgevolg niet vergunningsplichtig is en dat voor wat betreft de aangevraagde hinderlijke inrichtingen geen MER-plicht geldt; dat zij vervolgt dat de effecten van het project op de fauna en flora in het Habitatrichtlijngebied zijn onderzocht in het MER en er een passende beoordeling was, dat een zorgvuldige belangenafweging plaatsvond en dat een volledig onderzoek naar de repercussies van de exploitatie op de omgeving wel degelijk plaatsvond, en dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend; dat, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, de eerste tussenkomende partij meent dat het uitgangspunt van dit middelonderdeel, met name dat het MER gebreken zou vertonen, niet correct is en daaruit alleszins geen VII-36.325-14/27 schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in hoofde van de verwerende partij kan worden afgeleid; 4.1.1.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aangaande het eerste middel aanvoert wat volgt : "In een eerste onderdeel meent verzoekster dat het voorliggende MER inhoudelijk niet voldoet om te kunnen aanzien als MER. Meer bepaald bevat het voorliggende MER geen :
  4. a)evaluatie van fase 2 van het project;
  5. b)analyse van de alternatieven;
  6. c)voldoende milderende maatregelen;
  7. d)concreet onderzoek naar de luchtverontreiniging;
  8. e)afdoende analyse van mogelijke hinder;
  9. f)uniforme buffering (...). Het eerste onderdeel van het eerste middel bevat bijgevolg kritieken op de inhoud van het voorliggende MER. Antwoord van de NV PLINIUS De NV PLINIUS meent dat dit eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is. De grieven zijn immers gericht tegen het MER terwijl dit MER geen deel uitmaakt van de bestreden beslissing doch het voorwerp uitmaakt van een bijzondere procedure die zijn beslag kent in de al dan niet goedkeuring van het rapport door de Cel MER. Deze goedkeuringsbeslissing, die rechtsgevolgen doet ressorteren, dient te worden aanzien als een voor vernietiging door de Raad van State vatbare rechtshandeling, waarbij meteen moet vastgesteld worden dat verzoekster heeft nagelaten om de goedkeuringsbe- slissing van de Cel MER aan te vechten. In het kader van huidige procedure, die de aanvechting op het oog heeft van de definitieve vaststelling van een PRUP (sic) en niet van de goedkeuring van een MER, dient dan ook enkel te worden nagegaan of de bestreden beslissing is genomen met inachtname van het bepaalde in artikel 4.1.7 DABM. Deze bepaling behandelt de doorwerking van het MER in de besluitvorming en is de enige relevante wettelijke bepaling aangaande de MER-problematiek inzake huidige procedure. De NV PLINIUS dient evenwel vast te stellen dat verzoekster er weliswaar in slaagt om in een schorsingsprocedure een verzoekschrift van meer dan 50 bladzijden te produceren, doch nalaat om nog maar allusie te maken op de toepassing van artikel 4.1.7 DABM. Volledigheidshalve en slechts indien Uw Raad per impossibile zou oordelen dat het eerste onderdeel van het eerste middel ontvankelijk is, wenst de NV PLINIUS nog te onderlijnen dat het MER, de goedkeuringsbeslissing van de Cel MER en volgens de logica van verzoekster de bestreden beslissing slechts zouden aangetast zijn indien er sprake is van een kennelijke onredelijkheid, waarbij Uw Raad slechts beschikt over een marginale toetsing. In casu vraagt verzoekster dat Uw Raad in de plaats zou treden, niet van de eerste of verwerende partij (sic) maar van de cel MER die zelfs geen partij is in huidige procedure. Een dergelijke beoordeling staat evenwel veraf van een marginale toetsing. Het eerste onderdeel van het eerste middel is dan ook niet ernstig. Tweede onderdeel In een tweede onderdeel stelt verzoekster dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van zowel het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbe- VII-36.325-15/27 ginsel, het vertrouwensbeginsel als de materiële en formele motiveringsplicht wegens het gebrek aan een voorafgaand afdoend project-MER. Hierboven werd door de NV PLINIUS reeds genoegzaam aangetoond dat het verlenen van de milieuvergunning wel degelijk werd voorafgegaan door een afdoend project-MER, zodat ook het tweede onderdeel van het eerste middel elke ernst mist"; 4.1.2. Overwegende dat prima facie dient te worden vastgesteld dat een recreatiepark als dusdanig niet voorkomt op de lijst van de hinderlijke inrichtingen opgenomen in bijlage 1 bij Vlarem I en dus niet milieuvergunningsplichtig lijkt te zijn; dat bijgevolg de gebeurlijke verplichting tot het opstellen en indienen van een project- MER voor dergelijk themapark niet aan de milieuvergunningsaanvraag die betrekking heeft op twee klasse 2-inrichtingen (nl. een feestzaal en diverse stookinstallaties) en voor het overige op slechts meldingsplichtige inrichtingen van klasse 3, kan worden gekoppeld; dat de kritiek van de verzoekende partij op het project-MER dan ook niet dienstig lijkt te zijn; dat hierbij nog dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij die kritiek niet lijkt te hebben geformuleerd, noch bij de totstandkoming van het MER, noch tijdens het openbaar onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag; dat zij dan ook slecht geplaatst is om thans, in het kader van een kort geding, dergelijke kritiek, die de Raad van State dwingt tot een "prima facie"-onderzoek van de intrinsieke degelijkheid van een MER opgesteld door een team van onafhankelijke deskundigen, te formuleren; dat het middel niet ernstig is; 4.2.1.1. Overwegende dat het tweede middel luidt als volgt : "Genomen uit de schending van artikel 4.1 en artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Richtlijn 92/43/EU dd. 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora; Doordat artikel 4.1 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat de Lid-Staten op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens een lijst van gebieden voorstelt waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen en artikel 6 voorziet in de communautaire bescherming van de door de Commissie, op basis van de door de Lid-Staten ogv artikel 4 van de Habitatrichtlijn aangemelde gebieden, uiteindelijke aangewezen beschermingszo- nes; Terwijl de niet aanmelding van het project-gebied door het Vlaamse Gewest conform artikel 4.1 van de Habitatrichtlijn tot gevolg heeft dat het betrokken project-gebied werd onttrokken aan de communautaire rechtsbescherming zoals geformuleerd in artikel 6 van de Habitatrichtlijn mib van de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling; dat aldus aan de Habitatrichtlijn directe werking dient te worden toegekend en de bestreden beslissing bijgevolg een schending uitmaakt van artikel 6, 3de lid van de Habitatrichtlijn daar er geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden bij het opmaken van het MER"; VII-36.325-16/27 dat de verzoekende partij in de toelichting bij het middel, kort samengevat, betoogt dat op een afstand van 500 meter van het projectgebied een Grote Eenheid Natuur (GEN) volgens het VEN is gesitueerd, met name de Mombeek op een afstand van 500 meter en een habitatrichtlijngebied, zijnde bossen en kalkgraslanden, dat bovendien bepaalde delen binnen het recreatiegebied zijn aangeduid als biologisch waardevol, enerzijds aansluitend op het parkgebied van het kasteel van Betho, anderzijds in het verlengde van het natuurpark van het kasteel van Rooi, dat in het MER wordt gesteld dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het projectgebied enerzijds en het studiegebied, dat globaal wordt gedefinieerd als de projectzone met een eventueel ruimer invloedsgebied voor elk van de disciplines anderzijds, dat, voor wat betreft de discipline “fauna en flora” wordt gesteld dat de projectzone op 500 meter van een habitatrichtlijngebied ligt en dat dit gebied dus behoort tot het studiegebied, dat in het MER wordt erkend dat de kamsalamander strikte bescherming geniet en dat voor zijn instandhouding de aanwijzing van een speciale beschermingszone vereist is, reden waarom het nabijgelegen habitatrichtlijng- ebied "Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw" werd afgebakend als speciale beschermingszone, dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszo- ne gesitueerd ligt in het open gebied waar het project zal worden opgericht en dat hiervoor geen beoordeling werd doorgevoerd wat de impact zal zijn op dit gebied en dat de afdeling Natuur Limburg in haar advies van oordeel was dat een duidelijke aanduiding moet plaatsvinden van het habitatrichtlijngebied dat zich op 500 meter van het park bevindt; dat zij verder stelt dat het Vlaamse gewest naliet om de plaats waarin het project-gebied zich situeert bij de Europese Commissie aan te melden, hoewel deze verplichting, gelet op de feitelijke situatie, bestond, dat de lidstaten nochtans een uitputtende lijst van mogelijke sites aan de commissie dienen aan te melden en dat zij bij die aanmelding niet op voorhand reeds een eigen selectie kunnen uitvoeren, dat de afbakening van speciale beschermingszones de verwezenlijking van het netwerk Natura 2000 mogelijk moet maken, dat de Europese Commissie een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang moet kunnen uitwerken die tot de vorming van dit netwerk moet leiden en dat zij daartoe moet beschikken over de volledige lijst van gebieden, dat een lidstaat niet op eigen gezag gebieden kan uitsluiten die op nationaal niveau van relevant ecologisch belang zijn, dat in casu het Vlaamse gewest evenwel economische motieven voor ogen had om de aanmelding niet te doen, hetgeen blijkt uit verschillende feitelijke gegevens, dat de niet-melding door het Vlaamse gewest bij de Europese Commissie van het projectgebied, dat alle kenmerken heeft van een speciale beschermingszone conform de communautaire bepalingen terzake, onmiskenbaar artikel 4 van de habitatrichtlijn schendt, dat dit VII-36.325-17/27 verzuim het Vlaamse gewest er niet van ontslaat de schikkingen van de richtlijn na te leven welke, eenmaal de implementatietermijn verstreken is, rechtstreeks tegen haar inroepbaar zijn, dat een en ander voor gevolg heeft dat de verzoekende partij zich mag beroepen op de rechtstreeks werking van artikel 6 van de richtlijn, dat de bestreden beslissing artikel 6 van de habitatrichtlijn schendt daar deze bepaling voorziet in de communautaire bescherming van de beschermingszones en de niet- aanmelding van het project-gebied door het Vlaamse gewest conform artikel 4.1 van de habitatrichtlijn tot gevolg heeft dat het betrokken project-gebied werd onttrokken aan de communautaire rechtsbescherming zoals geformuleerd in artikel 6 van de habitatrichtlijn, m.i.v. de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling; dat zij vervolgt dat de bestreden beslissing artikel 6, tweede lid van de habitatrichtlijn schendt, daar zij voor het betrokken project-gebied zal leiden tot biotoopverlies en biotoopontwikkeling, verlies aan erfgoedwaarde, historisch landgebruik en archeologie, visuele en auditieve verstoring van de perceptie en landschapsbeleving en geluidsbelasting naar de omliggende woningen aan de Mulkerweg toe en aan de oude Fonteinweg, dat ook artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt geschonden daar er geen passende beoordeling plaatsvond bij het opmaken van het MER, evenals artikel 6, vierde lid, van dezelfde richtlijn aangezien er enerzijds voldoende alternatieve projectplaatsen voorhanden zijn voor het realiseren van het Pliniusproject en het Vlaamse gewest daarenboven geen dwingende redenen van groot openbaar belang kan aantonen ter rechtvaardiging van haar bestreden beslissing; 4.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota, kort samengevat, betoogt dat niet wordt bewezen dat het projectgebied voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 4 van de habitatrichtlijn, dat het nabijgelegen habitatrichtlijngebied geen deel uitmaakt van het projectgebied, “zodat het geen argumenten kan opleveren dat het projectgebied voldoet aan de criteria uit de bijlage III van de habitatrichtlijn”, dat het studiegebied voor het opmaken van een MER evenmin gelijk te schakelen is met het projectgebied, dat de verzoekende partij geen bewijs voorlegt van haar bewering dat het projectgebied niet is aangemeld en zij evenmin enig bewijs bijbrengt van de beweerde aantasting van het gebied, dat voorts geen bewijs wordt bijgebracht van de schending van artikel 6.2 van de habitatrichtlijn, nu de meeste door de verzoekende partij aangevoerde aantastingen geen betrekking hebben op de bescherming van natuurwaarden, en zij niet bewijst dat de aantastingen een significant effect zouden kunnen hebben op de doelstellingen van de richtlijn voor de soorten waarvoor de zone aangewezen is, dat tenslotte de verzoekende partij ook VII-36.325-18/27 geen enkel bewijs levert omtrent de schending van artikel 6.3 en 6.4 van de habitatrichtlijn, dat het MER immers zeer duidelijk het bestaan van het habitatricht- lijngebied en het VEN-gebied heeft aangegeven en de gevolgen van het project voor deze gebieden werden ingeschat, dat uit het MER voldoende blijkt dat een passende beoordeling plaatsvond, dat meer specifiek aangaande artikel 6.4 moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij louter beweert dat dit artikel geschonden zou zijn, doch zij niet aanduidt waarom; 4.2.1.3. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst een argumentatie ontwikkelt die in zeer ruime mate parallel is aan deze die werd uiteengezet in de nota van de verwerende partij; 4.2.1.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst doet gelden wat volgt : "Het door verzoekster ingeroepen middel komt neer op de volgende redenering : - Premisse 1: het projectgebied diende op basis van artikel 4.1 van de Habitatrichtlijn te worden aangemeld als beschermingsgebied; - Premisse 2 : beschermingsgebieden genieten de communautaire rechtsbe- scherming in de zin van artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn; - Premisse 3 : de bepalingen van de Habitatrichtlijn hebben een directe werking; - Conclusie : bijgevolg dienden de bestreden beslissingen toepassing te maken van de communautaire rechtsbescherming zoals voorzien in artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn; De NV PLINIUS kan zich aansluiten bij de tweede en derde premisse van de redenering van verzoekster. Wat betreft de eerste premisse daarentegen, is de nV PLINIUS de mening toegedaan dat deze verkeerdelijk is gesteld, waardoor de gehele redenering van verzoekster mangelt. Meer bepaald was er in hoofde van het Vlaamse gewest geen wettelijke verplichting om het projectgebied van het Pliniusproject aan te melden als beschermingsgebied, minstens wordt zulks door verzoekster in haar verzoekschrift voor Uw Raad allerminst aannemelijk gemaakt. Verzoekster haalt drie argumenten aan waarom er in hoofde van het Vlaamse gewest een aanmeldingsplicht aangaande het projectgebied bestond :

(1)Op een afstand van 500 m van het projectgebied is een GEN volgens het VEN gesitueerd en een Habitatrichtlijngebied. Bovendien zijn bepaalde delen van het projectgebied op de biologische waarderingskaarten aangeduid als biologisch waardevol;
(2)In het Habitatrichtlijngebied bevindt zich de kamsalamander, zijnde een beschermde diersoort;
(3)Het rust-en foerageergebied van de speciale beschermingszone is gesitueerd in het open gebied waar het project zal worden opgericht;
(4)In het advies van de afdeling Natuur Limburg wordt gesteld dat er een duidelijke aanduiding moet plaatsvinden van het Habitatrichtlijngebied dat zich op 500 m van het park bevindt. VII-36.325-19/27 Al deze stellingen zijn op zich genomen juist en niet voor betwisting vatbaar, maar kunnen niet aangewend worden als argument om te stellen dat het projectgebied diende aangemeld te worden als projectgebied, louter op basis van artikel 4.1 van de Habitatrichtlijn. Immers, het feit dat op 500 m afstand van het projectgebied een GEN en een Habitatrichtlijngebied gelegen zijn, maakt nog niet dat het projectgebied zelf diende aangemeld te worden. Er anders over oordelen zou de facto (betekenen) dat gans het grondgebied van het Vlaamse gewest dient aangemeld te worden als beschermingszone. Elk gebied dat in de nabijheid ligt van een Habitatrichtlijn zou moeten aangemeld worden, waardoor (e)en gebied dat nabij dit gebied ligt volgens de logica van verzoekster op haar beurt ook weer moet aangemeld worden, ... Het feit dat de kamsalamander zich in het Habitatrichtlijngebied (bevindt), is op zich genomen wel waar maar maakt nog niet dat de gebieden in een straal van honderden meters van dit Habitatrichtlijngebied meteen ook moet aanzien worden als beschermingszone. Verzoekster maakt evenwel niet aannemelijk dat deze kamsalamander zich ook in het projectgebied (te onderscheiden van het Habitatrichtlijngebied) bevindt. (Z)ij verwijst wel naar het MER, maar ook het MER vermeldt nergens dat de kamsalamander zich in het projectgebied bevindt. Het MER stelt op blz. 158 daarentegen wel dat de kamsalamander zich precies in het Habitatrichtlijn gebied bevindt, reden waarom dit gebied als dusdanig is afgebakend en aangemeld. Met betrekking tot de derde stelling laat verzoekster na aan te geven waarom het gegeven dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone is gesitueerd in het open gebied waar het project zal worden opgericht, meteen ook betekent dat dit gebied moet aangemeld worden als beschermingsgebied. Van een verzoekende partij die een verzoekschrift indient van meer dan 50 blz mag verwacht worden dat zij zich niet beperkt tot het lanceren van boude stellingen. Tenslotte kan uit het advies van de afdeling Natuur Limburg al evenmin worden afgeleid dat het projectgebied moest aangemeld worden als bescher- mingszone. Conclusie : vermits het projectgebied allerminst diende aangemeld te worden als beschermingsgebied en bijgevolg ook niet als beschermingsgebied kan worden beschouwd, faalt de redenering van verzoekster wanneer zij stelt dat het (...) projectgebied diende aangemeld te worden met zich meebrengt dat de bestreden beslissingen rekening hadden moeten houden met de communautaire rechtsbe- scherming zoals voorzien in artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn. Er dient in het kader van huidige procedure en de door verzoekster aangebrachte argumentatie dan ook niet verder onderzocht te worden of de bestreden beslissingen daadwerkelijk rekening hebben gehouden met deze communautaire rechtsbescherming, vermits het uitgangspunt van verzoekster reeds faalt in rechte en in feite. Het tweede middel is dan ook niet ernstig"; 4.2.2. Overwegende dat artikel 4 van de habitatrichtlijn van 21 mei 1992 luidt als volgt : "1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, VII-36.325-20/27 binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lidstaten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. 2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, letter
  1. c)onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lidstaten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen. De Lidstaten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast. De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21. 3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld. 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lidstaat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging. 5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4"; dat bijlage III bij de habitatrichtlijn een reeks "criteria voor de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones" omvat; dat blijkens de punten A en B van fase 1 van deze bijlage het gaat om "criteria voor de beoordeling" van gebieden; dat, zoals het Hof van Justitie in zijn arresten van 11 september 2001, in de zaken C-67/99, Co mmissie/Ierland, C-71/99, Commissie/Duitsland, en C-220/99, Commissie/Frankrijk, heeft overwogen, de lidstaten bij het voorstellen van gebieden die voor aanwijzing als speciale beschermingszone in aanmerking komen, over "een VII-36.325-21/27 zekere beoordelingsmarge" beschikken, ook al dienen zij daarbij de in de richtlijn bepaalde criteria in acht te nemen; Overwegende dat de verzoekende partij het niet-aanmelden van het gebied waarop de milieuvergunning betrekking heeft als gebied dat in aanmerking komt voor aanwijzing als speciale beschermingszone betwist, gelet op de criteria bepaald in bijlage I van de habitatrichtlijn; dat zij niet specifiek verwijst naar een bepaald type van natuurlijke habitat, vermeld in die bijlage I, noch naar een bepaald daarmee verband houdend criterium, vermeld in bijlage III, fase 1, punt A; dat zij zich beperkt tot de algemene opmerking dat in de toelichtingsnota bij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) wordt vastgesteld dat bepaalde delen "binnen het recreatiepark (zijn) aangeduid als biologisch waardevol, enerzijds aansluitend op het parkgebied van het kasteel van Betho, anderzijds in het verlengde van het natuurpark van het kasteel van Rooi"; dat zij ook nog aanvoert dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone "Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw" gesitueerd ligt in het open gebied waar het project zal worden uitgevoerd; Overwegende dat de door de verzoekende partij aangevoerde gegevens prima facie geenszins aannemelijk maken dat de Vlaamse regering haar beoordelingsmarge overschreden heeft door het plangebied niet op te nemen in de opsomming van gebieden in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 4.3.1.1. Overwegende dat een derde middel wordt aangevoerd dat luidt als volgt : "Genomen uit de schending van 1) artikel 5 § 2, 11/ e van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I) 2) de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel Doordat door de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van de bestreden beslissing geen behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en toepasselijke rechtsregels heeft plaatsgevonden en in de vergunning geen weerslag is te vinden over de mogelijke repercussies die de exploitatie van een recreatiepark heeft op de omgeving en de bewoners in de onmiddellijke nabijheid en ter ondervanging hiervan geen afdoende voorwaarden werden opgelegd aan de exploitant. Terwijl artikel 5 § 2 11/ e VLAREM I bepaalt dat, op basis van de beste beschikbare technieken voorziene maatregelen en/of installaties, de vergunningsaanvraag de gegevens dient te bevatten om het algemene effect van VII-36.325-22/27 de emissies en de risico’s op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken en dit zowel voor geluid, trillingen, stralingen, lucht, bodem- en waterverontreiniging, als voor het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu. En terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen. En terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist. En terwijl het voorzorgsbeginsel veronderstelt dat de vergunningverlenende overheid - bij het bepalen en het uitvoeren van haar beleid - de onzekerheid voor wat betreft de mogelijke milieugevolgen die gepaard gaan met bepaalde activiteiten in aanmerking neemt en de betrokken activiteit reguleert"; dat de verzoekende partij opmerkt dat in de vergunning geen weerslag te vinden is van de mogelijke repercussies die de exploitatie van een recreatiepark heeft op de omgeving en de bewoners in de onmiddellijke nabijheid; dat zij stilstaat bij de juridische kenmerken van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel en concreet stelt dat er niet kan worden volstaan met een verwijzing ten illustratieve titel naar de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden uit Vlarem II, dat niet wordt voldaan aan de milieuvoorwaarden opgenomen in Vlarem II, met name deze met betrekking tot de beheersing van de luchtverontreiniging en deze met betrekking tot de beheersing van de geluidshinder; dat zij vervolgens doet gelden dat de milieuvergunning zeer voorbarig werd verleend, omdat de definitieve goedkeuring door de Vlaamse regering van het PRUP “Plinius” pas werd gepubliceerd op 8 juni 2006, datum waarop ook al de bestreden beslissing werd genomen, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en met een afdoende ruimtelijke inpasbaarheid, dat enkel een project-MER werd opgesteld en een plan-MER ontbrak, dat in het project-MER via het zogenaamde "integraal spoor" werd getracht het project-MER aan te vullen met een aantal aspecten om op die manier als een MER voor het plan te kunnen gelden (in casu het PRUP), terwijl de bepaling met betrekking tot dit te volgen integratiespoor geenszins toepassing kan vinden, gelet op het ontbreken van de in artikel 4.2.2, §3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vermelde lijst, dat bovendien bij het verlenen van de milieuvergunning geen afdoende beoordeling kon gebeuren aan de hand van het voorliggende MER en desgevallend passende milieuvergunningsvoorwaarden opgelegd, dat er een schending is van artikel 14 en 16, §1, van het natuurbehouddecreet, vermits er geen concrete invulling werd gegeven aan de zorgplicht en het standstillbeginsel die in deze bepalingen liggen VII-36.325-23/27 vervat, en dat er geen afdoende analyse is van de ruimtelijke impact en de gevolgen voor het leefmilieu; 4.3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota, kort samen- gevat, betoogt dat de verzoekende partij niet verduidelijkt hoe een voorschrift omtrent de vergunningsaanvraag (artikel 5, §2, 11/, e, van Vlarem I) kan leiden tot een onwettigheid betreffende de vergunning zelf, dat de vergunningsaanvraag wel degelijk alle gegevens bevatte die de zo-even genoemde bepaling vereist, dat het MER deel uitmaakte van de vergunningsaanvraag en een volledige uiteenzetting van de milieueffecten van het project omvatte, dat het advies van de AMV werd overgenomen, dat in het besluit uitdrukkelijk overwegingen worden gewijd aan de effecten t.o.v. bijzondere gebieden: afvalwaters, opslag van stookolie, emissies, afvalstoffen en geluidshinder, en erin wordt gesteld dat geen bijkomende maatregelen noodzakelijk zijn; dat zij stelt dat bovendien de feitelijke beweringen van de verzoekende partij falen, dat immers zij niet aangeeft welke milieuvergunningsvoorwaarde concreet zou ontbreken en de algemene en sectorale milieuvoorwaarden hoe dan ook van kracht zijn, dat de aanwezigheid van het PRUP niet nodig was om de bestreden beslissing te nemen, en op het ogenblik van de bestreden beslissing het PRUP reeds was goedgekeurd en de verwerende partij kennis had van deze ministeriële goedkeuring, dat noch een PRUP noch een project- MER nodig waren voor de bestreden beslissing, dat de verzoekende partij niet aangeeft waarom voor het PRUP een plan-MER noodzakelijk zou zijn en het project- MER voldoende informatie bevat om als plan-MER te kunnen dienen, dat de argumentatie inzake het decreet natuurbehoud inhoudelijk dezelfde is als deze inzake het ontbreken van een passende beoordeling en de eventuele noodzaak om bijkomende maatregelen op te leggen en de verzoekende partij terzake geen argumenten hard kan maken, dat het argument inzake de beweerde afwezigheid van een passende beoordeling reeds werd weerlegd, dat de aspecten luchtverontreiniging en verkeershinder, en ook de buffering, voldoende werden geëvalueerd; 4.3.1.3. Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst van de eerste tussenkomende partij in wezen een korte samenvatting wordt gemaakt van de uiteenzetting van de verwerende partij; 4.3.1.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst doet gelden wat volgt : VII-36.325-24/27
  2. a)aangaande het beweerde ontbreken van de weerslag van de mogelijke repercussies van de exploitatie van het Pliniusproject op de onmiddellijke omgeving De door verzoekster aangevoerde argumentatie gaat regelrecht in tegen de aangevochten beslissing en haar inhoud. Immers, de bestreden beslissing heeft wel degelijk een afweging gemaakt van de mogelijke repercussies van het Pliniusproject op de onmiddellijke omgeving. Maar bovenal dringen de volgende bemerkingen zich op. Verzoekster beroept zich op de schending van artikel 5, § 2, 11/
  3. e)van VLAREM I, dat betrekking heeft op de inhoud van de milieuvergunningsaanvraag. Welnu, de aanvraag zoals ingediend door de NV Dea Dia gaat uitgebreid in op de maatregelen en installaties die voorzien worden op basis van de best beschikbare technieken om : - het verbruik van energie, water, grondstoffen en hulpstoffen te beperken; - de gasvormige effluenten, afvalstoffen en afvalwaters te voorkomen en/of te beperken; - de hinder van lawaai, trillingen en stralingen te voorkomen en/of te beperken; - lucht-, bodem- en waterverontreiniging alsmede het gevaar voor de mens buiten de inrichting te voorkomen en/of te beperken; - te voldoen aan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting. Er moet vastgesteld worden dat verzoekster op geen enkele wijze aantoont in welke mate de milieuvergunningsaanvraag niet voldoet aan genoemde bepaling van Vlarem I, zodat niet valt in te zien in welke mate deze bepaling zou kunnen geschonden zijn. In die zin wordt in de bestreden beslissing niet louter verwezen naar de algemene en sectorale milieuvoorwaarden. Integendeel, de vergunning baseert zich op een gefundeerde en gestoffeerde aanvraag, waarover verzoekster evenwel met geen woord rept teneinde misleiding in de hand te werken.
  4. b)aangaande de voorbarigheid van het indienen van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning (sic) Het is onjuist te beweren dat de betreffende vergunningsaanvraag voorbarig is ingediend en slechts had kunnen ingediend worden na de definitieve vaststelling van het PRUP en dat, door deze vroegtijdige indiening, de bestreden beslissing geen rekening heeft kunnen houden met een aantal elementen uit het PRUP-dossier. Vooreerst werd de betreffende aanvraag ingediend nadat het openbaar onderzoek in het kader van de vaststellingsprocedure van het PRUP was afgerond. Zodoende had de Bestendige Deputatie bij de beoordeling van het dossier kennis van zowel het voorlopig vastgesteld PRUP, de resultaten van het openbaar onderzoek in de PRUP-procedure als het MER waarvan de Cel MER reeds had gesteld dat dit MER voldoende elementen (bevatten) om te dienen als project-MER én als plan-MER. In die zin heeft de Bestendige Deputatie bij de beoordeling van de aanvraag tot het verkrijgen van een milieuvergunning alle vereiste en noodzakelijke documenten ter beschikking. Dit laatste is des te meer het geval nu het definitief vastgesteld PRUP niet afwijkt van het voorlopig vastgesteld PRUP. Bijgevolg heeft verzoekster geen enkel belang bij dit middel omdat zij in geen enkel opzicht gegriefd is door de beweerde onwettigheid. Dit laatste is des te meer het geval nu moet vastgesteld worden dat de milieuvergunning dateert van NA de definitieve vaststelling van het PRUP. Zodoende had de bestreden beslissing wel degelijk rekening kunnen houden met de wijzigingen aan het definitieve PRUP ten opzichte van het voorlopig vastgestelde PRUP voor zover deze zich zouden hebben voorgedaan. Bovendien toont verzoekster niet aan in welke mate de bestreden beslissing in strijd zou zijn met enig ruimtelijk uitvoeringsplan. VII-36.325-25/27
  5. c)het ontbreken van een plan-MER Verzoekster meent dat de betreffende vergunningsaanvraag voorbarig werd ingediend en behandeld omdat er op het moment van de behandeling geen plan-MER ter beschikking was. Deze stelling is volkomen onjuist. Vooreerst is er geen enkele wettelijke bepaling voorhanden die voorschrijft dat een milieuvergunning voor een inrichting, zelfs indien (die) inrichting dient onderworpen te worden aan een project-MER, quod non in casu, slechts kan aangevraagd en verleend worden indien en voor zover een (conform verklaard) plan-MER voorhanden is. Indien evenwel per impossibile zou geoordeeld worden dat kwestieuze vergunningsaanvraag slechts kon ingediend en behandeld worden van zodra een plan-MER voor handen was, dan dient geoordeeld te worden dat zelfs aan deze, door verzoekster in het leven geroepen voorwaarde was voldaan, vermits de Cel MER op 3 november 2005 in niet mis te verstane bewoordingen heeft gesteld dat het voorliggende MER tevens voldoet aan de voorwaarden van een plan-MER. Zodoende was op het moment van het indienen van de vergunningsaanvraag een MER voor handen dat kon gelden als project-MER én als plan-MER. Het door verzoekster aangehaalde argument is bijgevolg niet ernstig.
  6. d)schending van artikel 14 en 16 Decreet Natuurbehoud en het ontbreken van een analyse van de ruimtelijke impact Verzoekster meent dat bij het verlenen van de bestreden beslissing onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijke schade die zou kunnen toegebracht worden aan de natuurelementen. Nochtans is deze problematiek ruimschoots aan bod gekomen in het kader van het MER,waarbij werd voorzien in milderende maatregelen. Het zal hierbij Uw Raad niet ontgaan dat verzoekster bij de uiteenzetting van dit onderdeel van haar derde middel uitblinkt in vaagheid en haar uiteenzetting op geen enkel ogenblik concretiseert. Het onderdeel is dan ook niet ernstig"; 4.3.2. Overwegende dat artikel 5, § 2, 11/, e, van Vlarem I bepaalt dat de vergunningsaanvraag volgende gegevens dient te bevatten : "11/ de op basis van de beste beschikbare technieken voorziene maatregelen en/of installaties om: (...)
  7. e)het algemene effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken en dit zowel voor geluid, trillingen, stralingen, lucht-, bodem- en waterverontreiniging als voor het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu"; Overwegende dat een eenvoudige lezing van de aanhef van de bestreden beslissing prima facie tot de conclusie noopt dat de verzoekende partij niet op goede gronden aanvoert dat in die beslissing de repercussies van de vergunning op de omwonenden en de omgeving niet worden onderzocht; dat de verzoekende partij met haar betoog op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat de bestreden milieuvergunning voor een feestzaal, stookinstallaties en louter meldingplichtige inrichtingen, kennelijk onredelijk is en/of het zorgvuldigheids- of het VII-36.325-26/27 voorzorgsbeginsel schendt, of de ingeroepen bepaling van Vlarem I schendt; dat het middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. DEA DIA en de n.v. PLINIUS in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten , bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en zeven, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-36.325-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.