← België

Arrest 167651 - Dienst Vreemdelingenzaken - 09/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.651 Rolnummer: A. 180827/XIV-28279 Zaak: Arrest 167651 - Dienst Vreemdelingenzaken - 09/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 15:36 Fiche Arrest nr 167.651 van 9 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 167.651 van 9 februari 2007 in de zaak A. 180.827/XIV-28.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S.M. MANESSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Galerij Naamse Poort 23/b 2 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 februari 1973 en van Kongolese nationaliteit, op 6 februari 2007 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 januari 2007 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 januari 2007 tot weigering van toegang; Gelet op de beschikking van 7 februari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 7 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 9 februari 2007 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-28.279-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S.M. MANESSE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché E. VISSERS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat L. BRACKE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, dat overeenkomstig artikel 3, lid 2, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochte akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo dient te worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij tengevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat zij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; Overwegende dat de verzoekende partij het volgende uiteenzet wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel: “BETREFFENDE DE UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID EN HET RISICO VAN ERNSTIG MOEILIJK TE HERSTELLEN SCHADE: Overwegend dat uit deze beslissing voortvloeit dat verzoeker geen toegang tot het Belgisch grondgebied krijgt en dat een maatregel van terugdrijving naar zijn land van herkomst in uitvoering is; XIV-28.279-2/5 Dat verzoeker ter ondersteuning van dit verzoekschrift, behalve de andere overtuigende stukken bij zijn aanvraag voorgelegd, een opsporingsbericht voegt afgeleverd door de Nationale Kongolese politie. Dat bijgevolg in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst het risico groot is dat verzoeker opnieuw mensonwaardige, vernederende en degraderende behandelingen al ondergaan, hetgeen tegenstrijdige is met de beschikking inzake asiel en met de Europese Conventie van de Bescherming van de Rechten van de Mens; Dat als deze maatregel toegepast wordt verzoeker zonder twijfel het risico loopt onmenselijke behandelingen te ondergaan waaraan hij bij mirakel aan ontsnapt is; Overwegend dat door het bestaan van dit reëel permanent gevaar voor verzoeker, het risico van ernstig en moeilijk te herstellen schade bewezen is;”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota als volgt repliceert: “Verweerder stelt vast dat het verzoekschrift geen afdoende uiteenzetting betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) bevat, zoals wordt vereist door artikel 3, lid 2, 5` van het koninklijk besluit van 9 juli
  4. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, doch hij laat na in concreto het door hem ingeroepen nadeel verder uit te werken. Verzoeker beperkt zich tot het neerleggen van een opsporingsbericht van de Nationale Congolese Politie, zonder op enige wijze uiteen te zetten hoe dit document een ander licht op de bestreden beslissing kan werpen. Deze uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vaag en algemeen en wordt niet met concrete gegevens of overtuigende elementen gesteund (R.v.St., nr. 163.293 van 09 oktober 2006; R.v.St., nr. 154.417 van 01 februari 2006). Het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel wordt hiermee niet aangetoond.”; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota als volgt repliceert: “B. Er is geen moeilijk-te herstellen ernstig nadeel aangetoond. Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Verzoeker poneert ter zake zeer vaag en summier dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst risico loopt om opnieuw mensonwaardige, vernederende en degraderende behandelingen te ondergaan. Verzoekers vage en summiere beschouwingen volstaan uiteraard niet opdat deze aan de d van concrete elementen aan zou tonen dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Het voormelde temeer nu door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, alsook door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de Staatlozen werd geoordeeld dat: het asielrelaas - houdende de beweerde problemen in het land van herkomst - werd verworpen, zijn verklaringen tegenstrijdig zijn, geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers asielrelaas, de asielaanvraag bedrieglijk is. Terwijl verzoekers beschouwingen, alsook het door hem voorgelegde 'opsporingsbericht', geen afbreuk kunnen doen aan de bevindingen van deze gespecialiseerde instanties, en de vaststelling dat verzoeker in gebreke blijft om aan de hand van concrete gegevens en stukken het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen.”; Overwegende dat, wat deze voorwaarde betreft, vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij deze loutere beweringen geenszins staaft met enig concreet gegeven of overtuigend argument waaruit blijkt dat de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen; XIV-28.279-3/5 Overwegende dat waar de verzoekende partij thans bij de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel refereert aan een opsporingsbericht afgeleverd door de Nationale Kongolese Politie, ze op generlei wijze aan de hand van dit stuk met precieze aanduidingen haar vermeende nadeel aannemelijk maakt; dat tevens uit de gegevens van het dossier kan worden vastgesteld dat betreffend stuk niet werd meegedeeld aan het Commissariaat-generaal, zodat de Commissaris-generaal het niet kon betrekken bij zijn oordeelsvorming; dat in zoverre de verzoekende partij zich baseert op betreffend stuk ter ondersteuning van haar vermeende nadeel, het in casu haar bedoeling lijkt te zijn aan de hand ervan de Raad van State, binnen de context van de beoordeling van het door haar aangevoerde nadeel, de kwestieuze feiten te laten heronderzoeken; dat het evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat uit de voorgaande analyse dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij haar grief geenszins heeft ondersteund met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een ernstig, laat staan een moeilijk te herstellen nadeel zal veroorzaken; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-28.279-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-28.279-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.