← België

Arrest 167674 - Varia (economische zaken) - 12/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.674 Rolnummer: Zaak: Arrest 167674 - Varia (economische zaken) - 12/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 15:39 Fiche Arrest nr 167.674 van 12 februari 2007 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.674 van 12 februari 2007 in de zaak A. 70.492/IX-1752 70.493/IX-1753 70.494/IX-1754 70.495/IX-1755 70.496/IX-1756 70.497/IX-1757 70.498/IX-1758 70.499/IX-1710 In zake : de S.A. COMPAGNIE CONTINENTALE (FRANCE), vennootschap naar Frans recht, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Brusselsestraat 59 tegen : het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 118.402 BEF (zaak A.70.492/IX-1752); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTI- NENTALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 791.456 BEF (zaak A.70.493/IX-1753); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 2.224.281 BEF (zaak A.70.494/IX-1754); IX-1752-1/8 Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 4.130.420 BEF (zaak A.70.495/IX-1755); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 3.343.866 BEF (zaak A.70.496/IX-1756); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 5.342.631 BEF (zaak A.70.497/IX-1757); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 645.411 BEF (zaak A.70.498/IX-1758); Gezien het verzoekschrift dat de S.A. COMPAGNIE CONTINEN- TALE (FRANCE) op 26 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1996 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot terugvordering van 183.463 BEF (zaak A.70.499/IX-1710); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 14 juni 1999 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van dezelfde datum die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; IX-1752-2/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. COEN die, loco advocaat E. VERVAEKE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  2. Verzoekster is een vennootschap naar Frans recht die in de periode 1992-1993 exportverrichtingen van granen naar derde landen gedaan heeft en daarvoor aanspraak gemaakt heeft op EG-uitvoerrestituties. Aldus heeft verzoekster uitvoercertificaten en uitvoerrestituties aangevraagd voor : - dossier nr. 29301200002 : de uitvoer van 25.450 kg zachte tarwe naar Oekraïne met het schip Agia Philotheï; - dossier nr. 29201200239 : de uitvoer van 46.694.234 kg tarwe naar Oekraïne met het schip Akademik Bakulev; - dossier nr. 29201200221 : de uitvoer van 19.960.000 kg zachte tarwe naar Mauretanië met het schip Arcadia; - dossier nr. 29201200089 : de uitvoer van 15.466.830 kg zachte tarwe naar Mauretanië met het schip Evangelistra; IX-1752-3/8 - dossier nr. 29301200142 : de uitvoer van 16.777.708 kg zachte tarwe naar Mauretanië met het schip Exoni; - dossier nr. 29301200113 : de uitvoer van 20.955.060 kg zachte tarwe naar Mauretanië met het schip Rio Madeira; - dossier nr. 29101200255 : de uitvoer van 19.782.408 kg zachte tarwe naar Mauretanië met het schip Sea Happy; - dossier nr. 29101200256 : de uitvoer van 199.520 kg gerst naar Mauretanië met het schip Sea Happy. Voor die dossiers verkreeg verzoekster vooruitbetaling van de gevraagde uitvoerrestituties. 1.
  3. Op 10 november 1994 meldt de Franse douane aan haar Belgische collega’s, naar aanleiding van een onderzoek van verzoeksters boekhouding en verzekeringsdossiers, dat er inzake de uitvoer naar Mauretanië en Oekraïne verschillen gebleken zijn tussen de goederen vermeld in de vervoersdocumenten en de werkelijk afgezette goederen en dat verzoekster voor die verschillen een vergoeding heeft gekregen van de transportverzekeringsmaatschappij, zonder evenwel die verschillen gesignaleerd te hebben aan het bestuur belast met de uitbetaling van de restituties. 1.
  4. Op 6 september 1995 maakt de administratie der Douane en Accijnzen aan het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (hierna: het BIRB) de resultaten over van een onderzoek dat naar aanleiding van voornoemde informatie werd uitgevoerd. Er blijkt onder meer dat bij aankomst van de Akademik Bakulev 343.534 kg tarwe ontbrak, dat bij aankomst van de Agia Philoteï 86.000 kg tarwe ontbrak, dat bij aankomst van de Arcadia 306.520 kg tarwe ontbrak of beschadigd was, dat bij aankomst van de Evangelistra 468.535 kg tarwe ontbrak of beschadigd was, dat bij aankomst van de Sea Happy 75.850 kg tarwe en 28.400 kg gerst ontbrak en dat bij aankomst van de Rio Madeira 697.700 kg tarwe ontbrak of beschadigd was. 1.
  5. Als gevolg van dit niet afleveren van de voorgenomen hoeveel- heden, vordert het BIRB van verzoekster, met afzonderlijke brieven van 26 juni 1996 de volgende bedragen terug : IX-1752-4/8 - in het dossier nr. 29301200002 : 118.402 BEF, - in het dossier nr. 29201200239 : 791.456 BEF, - in het dossier nr. 29201200221 : 2.224.281 BEF, - in het dossier nr. 29201200089 : 4.130.420 BEF, - in het dossier nr. 29301200142 : 3.343.866 BEF, - in het dossier nr. 29301200113 : 5.342.631 BEF, - in het dossier nr. 29101200255 : 645.411 BEF en - in het dossier nr. 29101200256 : 183.463 BEF. Het voorliggend beroep strekt tot de vernietiging van de beslissing tot terugvordering van de genoemde bedragen. 1.
  6. Met een gerechtsdeurwaardersexploot van 18 december 1996 dagvaardt het BIRB verzoekster voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen teneinde haar te horen veroordelen tot betaling van 16.839.928 BEF. 2.
  7. Overwegende, wat de bevoegdheid van de Raad van State betreft, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat volgens artikel 144 van de Grondwet de gewone rechtbanken exclusief bevoegd zijn inzake geschillen over burgerlijke rechten, dat het voorwerp van de onderhavige beroepen de erkenning is van verzoeksters recht op uitvoerrestituties, wat volgens de verwerende partij een burgerlijk recht is, zodat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van de geschillen; dat zij voorts betoogt dat het feit dat de bestreden beslissingen de mogelijkheid vermelden om beroep in te stellen “bij de Raad van State of bij de gewone rechtsmachten”, geenszins betekent dat de Raad van State of de gewone rechtbanken bevoegd zijn voor elk geschil met betrekking tot de bestreden beslissingen, maar wel dat beide instanties bevoegd zijn naargelang de aard van het geschil; dat zij besluit dat het voorwerp van het beroep “louter een burgerlijk geschil is”, dat de brieven van 26 juni 1996 duidelijk vermelden dat verzoekster zich tot de gewone rechtbanken kan wenden, en dat de verwerende partij verzoekster ook daadwerkelijk bij de gewone rechtbank gedagvaard heeft; 2.
  8. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord erop wijst dat de bestreden beslissingen uitdrukkelijk stellen dat: “Een procedure ingeleid kan worden bij de gewone rechtbanken, alsmede een beroep tot nietigverklaring (kan) worden aangetekend bij de Raad van State”; IX-1752-5/8 dat zij betoogt dat, voor de bevoegdheidsafbakening tussen de Raad van State en de gewone rechtbanken, de leer van het werkelijk voorwerp van het beroep een goed criterium is, maar dat de toepassing in de praktijk problemen stelt, en dat de beoordeling van de bevoegdheid uiteindelijk zal afhangen van de wijze waarop de vordering geformuleerd is; dat zij te dien aanzien stelt de nietigverklaring te vorderen van een beslissing om teveel betaalde restituties terug te vorderen, dat de gelanceerde dagvaarding voor de gewone rechtbank niet betekent dat de Raad van State plots niet meer bevoegd zou zijn en dat de omstandigheid dat de beslissing gevolgen heeft voor subjectieve rechten niet betekent dat het werkelijk voorwerp van het beroep op subjectieve rechten betrekking heeft; dat zij daar nog aan toevoegt dat, in geval de Raad van State tot zijn onbevoegdheid zou besluiten, de kosten van het geding in ieder geval ten laste van de verwerende partij gelegd zouden moeten worden wegens de vermelding in de kennisgeving; 2.
  9. Overwegende dat verzoekster in haar verzoek tot voortzetting niet meer gereageerd heeft op het auditoraatsverslag waarin besloten is tot de onbevoegd- heid van de Raad van State; dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanstipt dat zij met de vermelding in de brieven van 26 juni 1996 dat de beslissingen konden aangevochten worden bij de gewone rechtbanken of bij de Raad van State, verzoekster niet op een dwaalspoor gebracht heeft omdat de Raad van State wel degelijk bevoegd is wanneer het beroep “betrekking heeft op objectieve rechten”; dat volgens haar de vorderingen zijn ingediend om “de terugvordering van restituties procedureel te bemoeilijken”; 2.4.
  10. Overwegende dat de Raad van State overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet onbevoegd is om van een geding kennis te nemen wanneer het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil betrekking heeft op subjectieve rechten; dat om te bepalen of particulieren tegenover de overheid over subjectieve rechten beschikken, nagegaan moet worden of er rechtsregels bestaan die aan de particulier het recht toekennen om van de overheid een bepaalde handeling of een prestatie te eisen, wat enkel het geval is wanneer een rechtsregel de overheid ertoe verplicht een voor de particulier gunstige beslissing te nemen wanneer de reglementaire voorwaarden daartoe vervuld zijn; dat aldus de bevoegdheid van de Raad van State afhangt van de vraag of wat bestreden wordt een constitutieve beslissing is waarbij de overheid gebruik gemaakt heeft van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, dan wel een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de IX-1752-6/8 betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden die welbepaalde rechtsgevolgen met zich brengen; Overwegende dat verzoekster de nietigverklaring vordert van beslissingen van het BIRB waarbij de terugbetaling gevorderd wordt van EG- restituties die zij volgens het BIRB ten onrechte vooruitbetaald gekregen heeft; dat zij van oordeel is dat zij aan alle reglementaire voorwaarden voor het toekennen van de uitvoerrestituties voldaan heeft en dat zij dus een recht heeft op deze bedragen; dat zij in ondergeschikte orde ook aanvoert dat ten onrechte het volledig bedrag van de restitutie wordt teruggevorderd en dat haar evenzeer ten onrechte een verhoging en de betaling van intresten worden aangerekend; 2.4.
  11. Overwegende dat de partijen niet betwisten dat de Europese regeling inzake uitvoerrestituties, zoals die opgenomen is in de Verordening (EEG) nr. 3665/87 van 17 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbe- palingen van het stelsel van restituties bij uitvoer van landbouwproducten en de daarbij aansluitende regeling met betrekking tot de betaling, vóór de uitvoer, van een aan de uitvoerrestitutie gelijk bedrag -geregeld door de Verordening (EEG) nr. 565/80 van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten- de voorwaarden vaststelt en de bedragen bepaalt waaronder de subsidies worden toegekend en uitbetaald en dat de lidstaten terzake over geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat hun rol aldus beperkt is tot de controle van de voorwaarden van toekenning en uitbetaling van de subsidie, zonder dat zij daarbij over enige beleidsvrijheid beschikken; dat de uitvoerder een subjectief recht heeft op de subsidie wanneer hij de gestelde voorwaarden vervult; Overwegende dat verzoekster met de onderhavige beroepen, die op zich betrekking hebben op de terugbetaling van ten onrechte vooruitbetaalde subsidies, de vraag aan de orde stelt of zij voldoet aan de voorwaarden om subsidies te krijgen; dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep betrekking heeft op de erkenning en de omvang van het subjectief recht van verzoekster op subsidies; dat de gewone rechtbanken bevoegd zijn om van dergelijk geschil kennis te nemen; dat zulks de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit; dat de exceptie van onbevoegdheid gegrond is; IX-1752-7/8 2.4.
  12. Overwegende dat de vraag van de verzoekende partij om de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen ingewilligd wordt; dat immers de verwerende partij, door in haar brieven van 26 juni 1996 melding te maken van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State, de indruk gewekt heeft dat de Raad van State terzake wel degelijk bevoegd was, BESLUIT: Artikel
  13. De beroepen worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 793,28 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-1752-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.674 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.