← België

Arrest 167732 - Diploma’s - 13/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.732 Rolnummer: A. 178272/XII-4914 Zaak: Arrest 167732 - Diploma's - 13/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-19 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 15:47 Fiche Arrest nr 167.732 van 13 februari 2007 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.732 van 13 februari 2007 in de zaak A. 178.272/XII-

  1. In zake : Koen VAN MONTFORT, die woonplaats kiest bij advocaat G. Baeten, kantoor houdende te Sterrebeek, Burchtstraat 18 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep Midden-Brabant, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift da t Koen Van Montfort op 6 november 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “
  3. De beslissing d.d. 31 augustus 2006 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum Zaventem om verzoeker een C-attest toe te kennen voor het tweede jaar van de derde graad ASO Moderne Talen-Wiskunde;
  4. De beslissing d.d. 8 september 2006 van de algemeen directeur van de Scholeng- roep Midden-Brabant (ref. SGR 10/RS/ev/06.358), waarbij deze laatste in het beroep van verzoeker tegen de voormelde beslissing van de klassenraad d.d. 31 augustus 2006 beslist heeft het advies van de beroepscommissie te volgen om de delibererende klassenraad niet opnieuw bijeen te roepen, hetgeen betekent dat de beslissing genomen door de klassenraad op 31.08.2006 gehandhaafd bleef”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4914-1\10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 30 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Baeten, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : Relevante feitelijke gegevens van de zaak
  5. Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2005-2006 de lessen van het tweede jaar van de derde graad ASO, moderne talen-wetenschappen, aan het koninklijk atheneum te Zaventem. Nadat de delibererende klassenraad een beslissing over verzoeker heeft uitgesteld tot na het afleggen van bijkomende examens wiskunde en chemie, beslist de klassenraad op 31 augustus 2006 verzoeker een oriënteringsattest C te verlenen. Volgens verzoeker wordt hem op 1 september 2006 “een C-attest overhandigd, zonder motivering van de beslissing van de delibererende klassenraad van 31 augustus 2006”. Nadat verzoeker de interne beroepsprocedure van overleg en beroep bij de beroepscommissie heeft doorlopen, wordt hem door de algemeen XII-4914-2\10 directeur van de scholengroep met een brief van 8 september 2006 meegedeeld dat de delibererende klassenraad overeenkomstig het advies van de beroepscommissie niet opnieuw wordt samengeroepen zodat het C-attest gehandhaafd blijft. Het advies van de beroepscommissie wordt ook aan verzoeker ter kennis gebracht. Voorwerp van de vordering 2.
  6. Verwerende partij werpt op dat, om de redenen die de Raad van State reeds eerder, onder meer in het arrest nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, heeft uiteengezet, de beslissing waarmee de beroepsprocedure wordt afgesloten de eindbeslissing is die vatbaar is voor beroep bij de Raad van State, zodat de vordering niet ontvankelijk is voor zover ze is gericht tegen de beslissing van de delibererende klassenraad van 31 augustus
  7. 2.
  8. De Raad van State bevestigt ook voor deze zaak de redengeving die is ontwikkeld in de genoemde rechtspraak en valt dienvolgens de exceptie bij. Zoals hij in dat arrest nr. 103.155 overigens ook heeft opgemerkt, kunnen de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft echter wel in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden eindbeslissing : wanneer immers de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld -in de huidige stand van de rechtspleging: lijkt te hebben gehandeld- moest zulks voor het schoolbestuur een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 4.
  10. Verzoeker voert in een eerste middel aan dat de beslissing van de delibererende klassenraad van 31 augustus 2006 gebrekkig gemotiveerd is. XII-4914-3\10 In een eerste onderdeel betoogt hij dat de formele motiverings- plicht, opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, niet is nageleefd in zoverre hem de motieven van de klassenraad zelfs nooit zijn meegedeeld en hem enkel het C-attest werd afgeleverd. In een tweede onderdeel verwijst hij vervolgens naar het advies van de beroepscommissie. Bij lezing van dat advies “blijkt evenwel, dat in het uittreksel van de notulen van de delibererende klassenraad blijkbaar de toekenning van het C- attest geargumenteerd wordt als : ‘niet geslaagd in 1 van beide herexamens’”. Dit element kan volgens verzoeker niet volstaan: hij is -voor het overige- vak voor vak geslaagd met voldoende tot goede cijfers, hij behaalt een vakkengemiddelde van 69,6% tegenover het klasgemiddelde van 66,1%, de klasgemiddelden voor de vakken wiskunde en chemie waren laag, volgens artikel 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : “organisatiebesluit”) is het met vrucht beëindigen van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming zodat de klassenraad “toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet”, in de door hem gevolgde richting Moderne Talen-Wetenschappen is het vak wiskunde niet te onderschatten, maar dient er evenmin een overdreven belang aan te worden gehecht voor de finaliteit van de opleiding, het enkele falen voor dit vak levert alleszins niet zonder meer het bewijs dat hij niet heeft voldaan voor het geheel van de vorming. Verzoeker argumenteert ook dat de beslissing om een diploma te weigeren dermate gewichtig is dat evenredig eisen moeten worden gesteld aan de daartoe opgegeven motieven. Verwerende partij antwoordt in de nota als volgt op het middel : “Verzoeker verwijst naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker betwist niet dat de examenvragen van de bijkomende proef in overeenstemming zijn met de geziene leerstof, hij betwist niet het cijfermatig resultaat van het examen, 40/
  11. Verzoeker betwist evenmin dat om te slagen voor het examen hij minstens 50% had dienen te behalen. Bij de inzage van het dossier en het herexamen was verzoeker trouwens vergezeld van zijn privé raadgever, een leraar wiskunde. Verzoeker stelt wel dat de motieven in de beslissing zelf moeten worden opgenomen en dat zij de beslissing in rechte moeten dragen ‘met inbegrip van het beginsel van de redelijkheid’. Het gaat hier om een kennisexamen wiskunde. De juridische grondslag van de beslissing is het slagen voor het vak, namelijk het behalen van 50%. Een XII-4914-4\10 formele vermelding van de reglementaire basis van de norm van 50% voegt weinig of niets toe aan de informatie waarover de studenten reeds beschikken (Cfr. Verstegen, R., ‘De motivering van bestuurshandelingen in het onderwijs, TORB, 1994-95, nr. 19). De motieven voor een examenbeslissing zijn vervat in de punten zelf; het cijfer bevat in zichzelf de verantwoording van de gemaakte beoordeling. De behaalde punten werden aan verzoeker medegedeeld, samen met het resultaat : niet geslaagd. Hierbij dient geen verdere motivering te worden gegeven. Wanneer de leerling voor alle vakken geslaagd is, heeft het bestuur een gebonden bevoegdheid. Wanneer een leerling niet voor alle vakken geslaagd is, heeft het bestuur een discretionaire bevoegdheid. ‘In examenaangelegenheden is het evenwel constante rechtspraak van de Raad van State dat wanneer iemand niet het vereiste globale gemiddelde heeft behaald, en/of niet geslaagd is voor een of meerdere vakken, een loutere verwijzing naar de punten in beginsel volstaat om een beslissing niet-geslaagd te nemen’ R.v.St., Dubart, nr. 38.273, 6 december 1991; R.v.St., Devaux, nr. 40.130, 21 augustus 1992; R.v.St., lvansky, nr. 40.131, 21 augustus 1992; R.v.St., De Smaele, nr. 41.472, 22 december 1992; R.v.St., Devaux, nr. 45.141, 3 december 1993, A.P.T.1992-93, met verslag auditeur D. BATSELE; R.v.St., Pacquet, nr. 68.951, 21 oktober 1997; R.v.St., Deneumostier, nr. 68.953, 21 oktober 1997, I. Opdebeek, A. Coolsaet, Formele motivering van Bestuurshandelingen, Administratieve Rechtsbibliotheek, Algemene Reeks, nr. 7, nr.
  12. Verzoeker neemt in dit verband het woord ‘willekeur’ in de mond. Het weze herhaald dat verzoeker voor wiskunde op het dagelijks werk bedroevende resultaten behaalde, gemiddeld 4,25/10 en voor het examen in december 34,5% en voor het examen in juni 27%. Desalniettemin werd verzoeker de gelegenheid geboden om opnieuw examen af te leggen op het einde van de maand augustus. Het is absoluut niet onredelijk om bij een opnieuw duidelijk niet-slagen in dit herexamen (slechts 40%), de beslissing niet geslaagd wordt getroffen en een C-attest wordt toegekend. Met een resultaat van slechts 40% kan men moeilijk van een ‘grensgeval’ spreken dat voor een deliberatie in aanmerking zou komen. Het is aangetoond dat verzoeker de leerstof voor het belangrijke vak wiskunde absoluut niet beheerst. Aan de ene kant wil verzoeker zijn resultaat plaatsen naast het klasgemiddelde, maar aan de andere kant weigert hij dezelfde logica toe te passen en zijn resultaat behaald op het herexamen wiskunde, te plaatsen in het geheel van zijn resultaten, zowel op dagelijks werk als op de examenperiodes voor het vak wiskunde. Verzoeker stelt dat de Raad van State reeds eerder heeft geoordeeld dat het essentieel is dat de beslissing gesteund wordt op verantwoorde examencijfers, waarop de delibererende klassenraad redelijke deliberatiecriteria toepast. Dit is in casu ook gebeurd. Verzoeker behaalde voor het eerste examen 34,5%, voor het tweede examen 27%, deze resultaten op zich konden als voldoende motivering beschouwd worden om verzoeker reeds in juni een C-attest toe te kennen. De klassenraad besliste echter om zijn beslissing uit te stellen en verzoeker nog de kans te bieden een herexamen af te leggen. Het resultaat van dit herexamen was 40%, opnieuw een zwaar tekort. Men kan dan ook niet voorhouden dat de deliberatiecriteria niet in alle redelijkheid toegepast werden”. XII-4914-5\10 4.
  13. De formele motiveringsverplichting strekt ertoe de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. Te deze heeft verzoeker, zo erkent hij blijkens zijn uiteenzetting van het tweede middelonderdeel, wel degelijk kennis gekregen van de formele motivering van de delibererende klassenraad, nu die is geciteerd door de beroepscommissie in haar advies - advies dat verzoeker is aangezegd. Verzoeker heeft dan ook met voldoende kennis van zaken zijn vordering tot schorsing kunnen opstellen. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. 4.
  14. Verwerende partij argumenteert enigszins naast de kwestie. verzoeker trekt in het tweede middelonderdeel immers niet de punten voor wiskunde in twijfel. Hij betoogt wel dat die enkele onvoldoende niet mag volstaan als motief om hem een C-attest te geven. Er wordt niet betwist dat de delibererende klassenraad op 31 augustus 2006 zijn beslissing om het C-attest uit te reiken slechts motiveert als volgt : “niet geslaagd in 1 van beide herexamens”. Terecht herinnert verzoeker aan artikel 57 van het organisatiebesluit. Luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, is “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”. Die bepaling leert de Raad van State prima facie dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet. Te dezen blijken die motieven niet uit de bestreden beslissing van de delibererende klassenraad, die met de formulering “niet geslaagd in 1 van XII-4914-6\10 beide herexamens” integendeel de indruk geeft een blinde toepassing te maken van een regel waarbij het niet slagen in een uitgestelde proef ipso facto moet leiden tot een beslissing tot niet slagen, wat precies op gespannen voet staat met genoemd artikel 57 van het organisatiebesluit. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit schrijft voor dat de delibererende klassenraad, bij zijn beslissingen over het al dan niet slagen van een leerling, zich laat leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling, dat minstens bevat de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen alsmede de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Ook die bepaling lijkt er op te wijzen dat het niet slagen op een uitgesteld examen niet zonder meer voldoende is als motief om een C-attest af te geven. De bestreden beslissing geeft veeleer de indruk dat de delibererende klassenraad na vaststelling van die onvoldoende, afstand heeft gedaan van zijn taak om autonoom te beraadslagen over het geheel van de relevante gegevens. Zelfs aangenomen dat er al situaties denkbaar zijn, waar een niet slagen op één vak zo evident is, dat uit de onderliggende stukken van het dossier blijkt dat met een verwijzing hiernaar mag worden volstaan, dan is die evidentie er te dezen voor de Raad niet: vooreerst zijn er de meerdere elementen die verzoeker doet gelden, voorts is er het gegeven dat verzoeker op de andere uitgestelde proef wel is geslaagd en voor wiskunde toch ook vooruitgegaan is, zij het zonder de helft van de punten te behalen. Alles bij elkaar genomen neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat het veruitwendigd motief niet volstaat en dat, zo er volgens de klassenraad nog andere motieven waren, hij nagelaten heeft die kenbaar te maken. Ten overvloede weze opgemerkt dat het de Raad van State niet is ontgaan dat de beroepscommissie, om te adviseren dat de delibererende klassenraad niet meer hoeft samen te komen, een omstandig advies heeft gegeven aan het schoolbestuur met een resem argumenten, geput uit de cijfers die verzoeker heeft behaald voor diverse vakken, het belang van het vak wiskunde, het totaal cijfer voor de vakken, en nog meer. Het probleem met dit advies, waarbij het schoolbestuur zich heeft aangesloten, is evenwel dat niet de beroepscommissie, maar wel de delibererende klassenraad overeenkomstig artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 autonoom oordeelt over verzoekers slagen. De beroepscommissie mag dus geen eigen argumenten in de plaats stellen van de delibererende klassenraad en de Raad van State mag enkel rekening houden met de door de delibererende klassenraad tot uiting gebrachte motieven. XII-4914-7\10 4.
  15. Het tweede middelonderdeel is ernstig. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 5.
  16. Verzoeker doet als nadeel in het inleidend verzoekschrift het verlies van een schooljaar gelden en verklaart dat hij “bovendien de vaste wil heeft om verder te studeren”. Verwerende partij verwijt verzoeker dat hij heeft gewacht tot het einde van de verjaringstermijn om zijn vordering tot schorsing in te stellen en dat hij daarbij gekozen heeft voor de gewone schorsingsprocedure en niet de schorsing heeft gevorderd bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zodat de Raad van State verzoeker niet meer kan behoeden voor het aangevoerde nadeel. 5.
  17. Het dreigend verlies van een schooljaar wordt in beginsel erkend als het moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel dat, inderdaad, bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering tot schorsing is in het onderwijscontentieux dan ook de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een vermeend onwettige examenbeslissing. Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. Verwerende partij stelt dan ook terecht, nu een schorsing enkel voor de toekomst uitwerking heeft, dat dan wel is vereist dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing dit nadeel nog nuttig kan worden geweerd. Daarenboven moet een verzoeker die de Raad van State bij deze uitzonderingsprocedure er wil toe brengen een schorsing te bevelen omwille van de ernstige en moeilijk herstelbare benadeling die uitgaat van een onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit nadeel te minimaliseren. XII-4914-8\10 Het een en het ander impliceert dat, opdat het schoolbestuur nog nuttig tot een heroverweging zou worden aangespoord en het verlies van een schooljaar wordt vermeden, de schorsing van de tenuitvoerlegging in beginsel bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden gevorderd. Te dezen blijkt evenwel dat verzoeker wel degelijk redenen had om de Raad van State niet te overvallen met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid : hij heeft immers inderdaad “de vaste wil [...] om verder te studeren” en heeft de nodige inspanningen geleverd om zich in te schrijven aan een universiteit, wat hem is toegestaan en waar hij thans de lessen volgt en aan de examens kan deelnemen. In die specifieke omstandigheden mocht verzoeker menen het verloop van de gewone schorsingsprocedure te kunnen afwachten, en mocht hij veronderstellen dat het thans uit te spreken arrest nog tijdig is om het gevreesde nadeel te weren. De Raad van State ziet geen reden waarom te dezen van zijn vaste rechtspraak omtrent het verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou moeten worden afgeweken.
  18. Overwegende dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE: Artikel
  19. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 8 september 2006 waarbij de algemeen directeur van de scholengroep Midden-Brabant weigert om de over Koen Van Montfort delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen voor het overige. XII-4914-9\10 Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4914-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.732 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.480 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.