id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.754 Rolnummer: A. 180793/XIV-28245 Zaak: Arrest 167754 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 15:48 Fiche Arrest nr 167.754 van 13 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 167.754 van 13 februari 2007 in de zaak A. 180.793/XIV-28.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. SCHOUTEN, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 juli 1979 en van Afghaanse nationaliteit, op 5 februari 2007 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 januari 2007 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2007 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij per drager ter kennis gebracht op 31 januari 2007; Gelet op de beschikking van 6 februari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 6 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 9 februari 2007 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-28.245-1/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché E. VISSERS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat L. BRACKE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de eerste asielprocedure van de verzoekende partij werd afgesloten op 16 februari 2006 met een bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal tot weigering van verblijf; dat de verzoekende partij een beroep heeft ingediend bij de Raad van State tegen deze beslissing, dat is gekend onder het nr. 171.316/XIV-25.065; dat deze zaak nog hangende is; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede asielaanvraag indiende, die werd afgesloten met een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 2006 tot weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring; dat de verzoekende partij bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indiende tegen deze beslissing, die werd afgesloten met het arrest nr. 165.108 van 24 november 2006 waarin deze vordering werd verworpen; dat het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing nog hangende is en gekend is onder het nr. 179.063/XIV-27.552; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich op 19 december 2006 voor de derde maal vluchteling verklaarde; dat deze asielaanvraag op 29 januari 2007 werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dit de huidige bestreden beslissing is;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat artikel 8, §1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-28.245-2/12 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het volgende bepaalt: “Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn teruggebracht, moet de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing duidelijk worden aangetoond, dit wil zeggen dat ze klaarblijkelijk, en op het eerste gezicht onbetwistbaar, moet zijn; dat om te voldoen aan die voorwaarde feiten en gegevens moeten worden aangebracht die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk bevolen moet worden; dat de verzoekende partij dienvolgens de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; 2.1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij het volgende aanvoert: “IV UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID Verzoeker vordert de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangezien hij momenteel van zijn vrijheid beroofd is en opgesloten werd in het Centrum voor Illegalen te Brugge teneinde naar Afghanistan te worden teruggestuurd. De bestreden beslissing bevestigt het bevel om het land te verlaten samen met een beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Uit hoger aangehaalde recente informatie over Afghanistan blijkt duidelijk dat verzoeker in de onmogelijkheid verkeert naar zijn land van herkomst terug te keren. Verzoeker werd aldus nodeloos van zijn vrijheid beroofd. Er doet zich een uiterst onrechtvaardige situatie voor, die uiterst dringend dient rechtgezet te worden. Het indienen van een gewone schorsingsprocedure zou niet tijdig, hetzij voor zijn uitwijzing naar Afghanistan, kunnen tussenkomen, zodat verzoeker het huidig verzoekschrift in uiterst dringende noodzakelijkheid moest indienen. Het indienen van een verzoekschrift in uiterst dringende noodzakelijkheid is voor verzoeker het enige middel om tegen de bestreden beslissing een daadwerkelijk rechtsmiddel te kunnen uitoefenen. Verzoeker heeft ook met de nodige alertheid gereageerd aangezien het verzoekschrift amper vijf dagen na de betekening van de bestreden beslissing ingediend wordt.” Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota hieromtrent geen verweer uiteenzet; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota hieromtrent als volgt repliceert: “Er is geen uiterst dringende noodzakelijkheid. XIV-28.245-3/12 De vordering wordt ingeleid met uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 8 §1 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dient in geval van vordering tot schorsing met uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting van de feiten worden weergegeven die de uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden. Het door verzoeker ingediende verzoekschrift bevat niet de feiten die worden bedoeld door de wet, ‘De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid beperkt de rechten van de verwerende en tussenkomende partijen alsook de onderzoeksmogelijkheden van de Raad tot het minimum. De verzoeker dient dan ook duidelijk feiten en gegevens aan te brengen die het direct aannemelijk maken dat de schorsing van de bestreden beslissing onmiddellijk dient te worden bevolen’. ( De procedure voor de Raad van State - Stephan De Taeye - Klaus Van Houtte met voetnoot verwijzing naar rechtspraak) Dat standpunt werd bevestigd in de rechtspraak, met als gevolg dat in de daarop volgende uitgave van ‘Procedures voor de Raad van State’, Stephan De Taeye en Werner Weymeersch, omtrent het instellen van een vordering met uiterst dringende noodzakelijkheid, het volgende vermelden: ( nrs 261 en 262) ‘De toepassing van de procedure wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort op een ernstige manier het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad Bovendien worden de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang gebracht. Zij dwingt de Raad van State er ook toe, onverwijld, een definitieve uitspraak over de schorsingsvordering te doen, wat onmiskenbaar inhoudt dat de Raad slechts een zeer beperkt onderzoek kan wijden aan de rechtsvragen die worden aangevoerd Die verstoring van de normale rechtsstrijd en het zoeken naar evenwicht tussen de mogelijkheden die aan de partijen in het geding ter beschikking staan, heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts ontvankelijk is in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak ofwel voor iedereen duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij duidelijk wordt aangetoond aan de hand van precieze en concrete gegevens, (RvS, nr. 75.555, 6 augustus 1998, Portier, C.D.P.K 1998, n/4, P, 576 (verkort)’ ‘Het gegeven dat het nadeel of het risico van dit nadeel langer blijft voortbestaan wanneer de gewone schorsingsprocedure wordt gevolgd, is op zich nog geen reden om te besluiten dat de uiterst dringende noodzakelijkheid aanwezig is. Daar anders over oordelen zou, volgens de Raad, betekenen dat alle schorsingsprocedures volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zouden kunnen behandeld worden, wat de negatie zelve van de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en van het zeer uitzonderlijk karakter van die schorsingsprocedure zou betekenen,’ (zelfde arrest als hierboven) Verzoeker toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. Verzoeker voert geen enkele reden aan om de door hem gehanteerde uitzonderlijke procedure te rechtvaardigen. Daarenboven merkt de verwerende partij op dat tot op heden nog geen datum van terugleiding werd voorzien en nog geen enkele uitvoeringsmaatregel getroffen. Desbetreffend kan worden verwezen naar het arrest nr. 141.510 van 2 maart 2005 van de Verenigde Kamers van de Raad van State, waarin werd geoordeeld: ‘ ... que la seule crainte que l'exécution de la décision attaquée pourrait survenir à tout moment n'autorise pas à tenir pour établi qu'une suspension de l'exécution de celle-ci selon la procédure ordinaire surviendra après l'éloignement effect du requérant’. Verwerende partij is de mening toegedaan dat verzoeker op geen enkele wijze aantoont of aannemelijk maakt dat de gewone schorsingsprocedure niet tijdig zou tussenkomen. De vordering met uiterst dringende noodzakelijkheid die een uitzonderlijke procedure vertegenwoordigt kan slechts worden toegelaten voor zover er sluitende argumenten worden aangehaald om ze te verantwoorden. De vordering is niet ontvankelijk bij gebrek aan hoogdringendheid.”; 2.1.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 31 januari 2007 aan de verzoekende partij per drager ter kennis werd gebracht; dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op 5 februari 2007 is ingediend; dat de verzoekende partij kan worden geacht diligent en alert te hebben gereageerd; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op dit ogenblik verblijft in het gesloten centrum voor illegalen van Brugge om een XIV-28.245-4/12 “effectieve verwijdering uit het grondgebied te waarborgen”; dat in dit verband ervan kan worden uitgegaan dat een dwangmaatregel met het oog op een daadwerkelijke verwijdering in het vooruitzicht wordt gesteld en een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure in casu te laat zal komen; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij wat betreft de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, in haar tweede middel het volgende uiteenzet: “Tweede middel: schending van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name van de materiële motiveringsverplichting: Artikel 3 de Wet van 29 juli 1991 van bepaalt : ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn’. Eerste onderdeel. Bij het lezen van de beslissing valt niet te begrijpen om welke redenen de tegenpartij de aanvraag van verzoeker onontvankelijk heeft verklaard, nadat er groot aantal incidenten wordt opgesomd, waarbij tegenpartij zelf toegeeft dat er burgerslachtoffers vallen: ‘Er zijn enkele gevallen waarbij specifieke groepen van Afghaanse burgers slachtoffer werden (bijvoorbeeld een targeted killing). In enkele gevallen ( road side bombing, aanvallen, bomaanslag) waren het burgers zonder meer die slachtoffer werden. Ook bij CPANA zoekoperaties werden twee burgers gedood en viel één burgergewonde.’ Deze motivatie van de bestreden beslissing had integendeel in alle redelijkheid moeten leiden tot de conclusie dat er ernstige aanwijzingen bestonden in de zin van artikel 52 en 48/4 van de Wet van 15 december
- De wet van 29 juli 1991 voorziet dat een administratieve beslissing een motivatie dient te bevatten die ‘adequaat’ is. Dit betekent dat de motivatie pertinent en ernstig moet zijn. Men kan in casu niet stellen dat de motivatie ernstig is, met name dat de aangevoerde redenen voldoende zijn om de beslissing te rechtvaardigen. Immers, al de elementen die aangehaald worden door de tegenpartij spreken van burgerslachtoffers in een gewapend conflict. Deze elementen hadden logischerwijs én in alle redelijkheid moeten leiden tot een positieve beslissing inzake subsidiaire bescherming. Ook hier moet men verwijzen naar de opdracht van de Raad van State tijdens de uitoefening van het wettigheidstoezicht. De Raad van State dient na te gaan of de overheid bij het nemen van haar beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of op zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen (R.v.St., arr. Nr. 103.505 van 12 februari 2002). In casu is het besluit van de tegenpartij tegenstrijdig aan de feiten in de motivatie zoals hernomen in de bestreden beslissing. Bovendien werd door verzoeker de rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie, hierboven geciteerd, neergelegd tijdens het gehoor in de ontvankelijkheidsfase. Dit stuk maakte dus reeds deel uit van het administratief dossier nog voor een beslissing werd genomen. Zoals reeds aangehaald, baseert de Vaste Beroepscommissie haar beslissing, op een lijst van het UNHCR met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district om een subsidiair statuut toe te kennen aan een Afghaanse onderdaan. Deze lijsten van het UNHCR werd door verzoeker neergelegd bij het indienen van zijn derde asielaanvraag. De beslissing van de Vaste beroepscommissie werd neergelegd bij het verhoor in de ontvankelijkheidsfase. De bestreden beslissing negeert de informatie gegeven door het UNHCR en dit zonder enige motivatie. De bestreden beslissing gaat bovendien volledig in tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie en dit ook zonder enige motivatie. Bijgevolg is de motivering van de bestreden beslissing noch adequaat, noch volledig. Hierdoor wordt de materiële motiveringsverplichting geschonden. Tweede onderdeel: Bij het lezen van de bestreden beslissing, dient men vast te stellen dat de tegenpartij spreekt van allerlei gewelddadige incidenten, zonder dat de bronnen die hiervoor geconsulteerd werden vermeld worden. De wet van 29 juli 1991 verplicht de tegenpartij nochtans in de beslissing zelf te vermelden op welke elementen zij zich baseert. Dit is een onderdeel van de motiveringsverplichting, XIV-28.245-5/12 verzoeker kan immers niet weten op basis van de motivering, op welke bronnen de tegenpartij zich gebaseerd heeft om tot het besluit van de huidige beslissing te komen. Hierbij kan verwezen worden naar een arrest van de Raad van State, van 13 juli 2001, nr. 88.953, waar het volgende gesteld wordt: ‘ ... dat de geraadpleegde bronnen in de bestreden beslissing vermeld werden zodat deze informatie verifieerbaar is...’ A contrario kan hieruit afgeleid worden dat op het moment dat de bronnen niet vermeld worden in de motivering van de beslissing, de informatie niet verifieerbaar is, hetgeen een schending is van de materiële motiveringsverplichting. Verzoeker, daarentegen, heeft nochtans de documenten waarop hij zich baseert om het statuut van subsidiaire bescherming aan te vragen, neergelegd tijdens het gehoor in de ontvankelijkheidsfase.”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota het volgende stelt: “3.2 Verzoeker put zijn tweede middel uit een schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de beginselen van behoorlijk bestuur alsook van de materiële motiveringsverplichting. 3.2.1 Vooreerst merkt verweerder op dat men onmogelijk tegelijkertijd een schending van de formele én de materiële motiveringsplicht kan aanvoeren. Een gebrek aan deugdelijk formele motivering zou het verzoeker immers onmogelijk maken om te onderzoeken of de materiële motiveringsplicht geschonden is. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. 3.2.2 In tegenstelling tot wat verzoeker in voorliggend verzoekschrift beweert, kon hij wel degelijk kennis nemen van deze informatie. Immers, verzoekers administratief dossier bevat een kopie van deze informatie. Het inzagerecht laat verzoeker toe om zijn dossier op het Commissariaat-generaal in te komen kijken en kennis te nemen van de inhoud ervan. 3.2.3 Verweerder verwijst verder naar het antwoord op het eerste middel. De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het tweede middel is niet gegrond.”; Overwegende dat de tweede verwerende partij hierop als volgt repliceert: “ Er worden geen ernstige middelen aangevoerd. Overeenkomstig de wet van 19.7.1991 ter invoering van de procedure van het administratief kort geding, dient de verzoekende partij een ernstig middel tot schorsing aan te tonen. alsmede een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingeval van uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing (art. 17 par. 1 en 2) De verwerende partij benadrukt nogmaals dat de Commissaris-generaal, auteur van de bestreden beslissing, vertegenwoordigd is ter zitting en bij uitsluiting van iedere andere overheid bevoegd is om het verweer te voeren. Terwijl het door de Minister van Binnenlandse zaken gevoerde verweer slechts noodzakelijk is voor zover de vermeldingen in verband met het bevel het grondgebied te verlaten/ de beslissing tot terugdrijving worden aangevochten. Echter, in casu zijn de middelen enkel gericht tegen de beslissing van weigering van toegang dd. 30.01.2007 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, en worden er aldus geen middelen gericht tegen de beslissing tot terugdrijving. Bovendien ontwikkelt verzoeker geen ernstig middel. Om die redenen is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke XIV-28.245-6/12 motivering van de bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiële motiveringsverplichting; 2.2.
- Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze; dat het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat nagaan of de motieven pertinent of afdoende zijn, immers de materiële motiveringsplicht betreft; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, wat de schending van de materiële motivering betreft, het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel in essentie aanvoert dat bij het lezen van de beslissing niet valt te begrijpen om welke redenen de tegenpartij haar aanvraag onontvankelijk heeft verklaard, nadat er een groot aantal incidenten wordt opgesomd, waarbij de tegenpartij zelf toegeeft dat er burgerslachtoffers vallen; dat al de elementen die aangehaald worden door de tegenpartij spreken van burgerslachtoffers in een gewapend conflict en deze elementen logischerwijze én in alle redelijkheid hadden moeten leiden tot een positieve beslissing inzake subsidiaire bescherming; dat in casu het besluit van de tegenpartij tegenstrijdig is aan de feiten in de motivatie zoals hernomen in de bestreden beslissing; dat ze de rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie, waarbij deze bij beslissing van 13 december 2006 het statuut van subsidiaire bescherming aan een Afghaanse onderdaan heeft toegekend, heeft neergelegd tijdens het gehoor in de ontvankelijkheidsfase; dat betreffend stuk dus reeds deel uitmaakte van het administratief dossier nog voor een beslissing werd genomen; dat de Vaste Beroepscommissie haar beslissing baseert op een lijst van het UNHCR met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district om een subsidiair beschermingsstatuut toe XIV-28.245-7/12 te kennen aan een Afghaanse onderdaan; dat deze lijsten van het UNHCR door haar werden neergelegd bij het indienen van haar derde asielaanvraag; dat de beslissing van de Vaste beroepscommissie werd neergelegd bij het verhoor in de ontvankelijkheidsfase; dat de bestreden beslissing evenwel zonder enige motivering de informatie gegeven door het UNHCR negeert; dat de motivering van de bestreden beslissing bijgevolg noch adequaat, noch volledig is, zodat de materiële motiveringsverplichting wordt geschonden; Overwegende dat de bestreden beslissing met betrekking tot de toekenning van het statuut van subsidiaire bescherming het hiernavolgende overweegt: “Uw advocaat haalt echter aan dat u op basis van de veiligheidssituaties in uw provincie Nangarhar in aanmerking dient te komen voor het statuut van subsidiaire bescherming. Ter staving hiervan legt ze een aantal documenten voor (Raad van State, Vaste Beroepscommissie en VN-veiligheidsraad). Uit grondige analyse van de actuele situatie in Afghanistan blijkt de situatie in Nangarhar op dit ogenblik niet van die aard dat er voor burgers sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade in de zin van art.48/4 § 2c van de Vreemdelingenwet. Het is niet mogelijk om de veiligheidssituatie in de provincie Nangarhar tot in alle details volledig weer te geven; toch is er voldoende objectieve en betrouwbare informatie over Nangarhar beschikbaar om de frequentio en intensiteit van de insurgency en de gevolgen voor de burgers correct te kunnen evalueren. De berichten tonen aan dat er in verschillende districten - in het bijzonder de districten in het zuiden van de provincie die grenzen aan Pakistan - incidenten tussen AGE’s en Afghaanse/buitenlandse troepen plaats vinden en dat militaire operaties tegen AGE’s worden uitgevoerd, waarbij beide partijen vooreerst elkaar viseren. Ook in andere districten komen raketaanvallen en/of bomaanslagen voor. De slachtoffers van aan de insurgency gerelateerd geweld in Nangarhar vallen vooreerst aan de zijnde van de AGE’s en de Afghaanse politieagenten en soldaten. Er zijn enkele gevallen waarbij specifieke groepen van Afghaanse burgers slachtoffer werden (bijvoorbeeld een targeted killing). In enkele gevallen (road side bombing, aanvallen, bomaanslag) waren het burgers zonder meer die slachtoffer werden. Ook bij CF/ANA zoekoperaties werden twee burgers gedood en viel één burgergewonde het aantal burgerslachtoffers blijkt in de provincie Nangarhar dus relatief beperkt te blijven. In ieder geval vallen de meeste burgerslachtoffers ten gevolge van aan de insurgency gerelateerd geweld in de eerste plaats in het epicentrum van de insurgency (Kandahar, Uruzgan, Helmand) waar de frequentie en intensiteit van het geweld tot nader orde veel grotere vormen aanneemt dan in de provincie Nangarhar het geval is. ‘Vergissen’ tijden Afghaanse en/of buitenlandse militaire operaties waarbij burgerslachtoffers vallen -zoals het bovenvermelde incident in Chaparhar op 31 december 2006 - worden uiteindelijk na verloop van tijd door onafhankelijke waarnemers en de media gerapporteerd. Uit bovenstaande analyse blijkt dus dat dit soort incidenten vooralsnog beperkt blijft in de provincie Nangarhar. Voor de provincie Nangarhar zijn geen migratiestromen ten gevolge van de insurgency bekend. Op basis van bovenstaande analyse blijkt actueel in de provincie Nangarhar geen sprake te zijn van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van burgers als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.” Overwegende dat waar de verzoekende partij ondermeer verwijst naar een lijst van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de VN, die zij bij het indienen van haar derde asielaanvraag heeft neergelegd, uit betreffend document expliciet blijkt dat er in de provincie van de verzoekende partij militaire operaties aan de gang zijn en dat burgers er onrechtsreeks en zelfs rechtstreeks door geraakt worden; dat bovendien uit de landeninformatie van Cedoca, waarop de Commissaris-generaal zich heeft gebaseerd, blijkt dat er in haar provincie vele incidenten zijn geweest en dat er reeds verschillende burgerslachtoffers vielen; dat betreffende informatie melding maakt van een burger als slachtoffer van een targetted killing, een gewonde burger bij een search operation, drie gewonden en een dode burger bij een aanslag op een auto, twee dode burgers bij een huiszoeking, twee gewonde veiligheidsbeambten en een tolk bij een aanval op de XIV-28.245-8/12 luchthaven, een gewonde burger bij de bomaanslag op de hindoetempel, een gewonde kok bij een aanval op een hoofdkwartier, een dode Afghaanse politieman, een gewonde burger bij een bomaanslag op een markt, een dode en twee gewonden bij een aanslag op een tankwagen; dat deze opsomming van incidenten in de landeninformatie van Cedoca, aldus in wezen de informatie van het Hoog Commissariaat bevestigt; dat de Commissaris-generaal in zijn beslissing evenwel overweegt dat dit soort incidenten beperkt blijft en hieruit besluit dat er in de provincie van de verzoekende partij geen sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van burgers als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict; dat gelet op de aangehaalde informatie van Cedoca en van het Hoog Commissariaat, dit enige motief op het eerste gezicht de beslissing tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus, niet in alle redelijkheid lijkt te kunnen schragen; dat een schending van de materiële motivering kan worden aangenomen; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ernstig is; 2.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, artikel 3, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo dient te worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij tengevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat zij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; 2.3.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij het volgende uiteenzet: “III MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL De bestreden beslissing is begeleid van een bevel om het grondgebied te verlaten, samen met een beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. De bestreden beslissing heeft als gevolg een risico op een gedwongen terugkeer naar Afghanistan, terwijl in dit land het leven en de veiligheid van verzoeker in gevaar zijn. Dit aspect wordt onder andere versterkt door de humanitaire clausule die toegevoegd werd aan de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Afghanistan is een land in oorlog. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker afkomstig is van de provincie Nangarhar, en meer bepaald het dorp Dareh Nour. Volgens de kaart in bijlage, afkomstig van en samengesteld door het UNHCR, ondergaat deze provincie militaire activiteiten. XIV-28.245-9/12 Het UNHCR heeft hierbij een aantal overwegingen gevoegd, daterend van juni 2005, die nog steeds gelden (stuk 5). Verzoeker heeft geen kennis van een andere evaluatie die sindsdien gepubliceerd zou zijn. Er is zelfs een verslechtering van de situatie in het land. De grensgebieden met Pakistan, waarvan verzoeker afkomstig is, zijn het doelwit van ononderbroken aanvallen door de Taliban. Al deze elementen zijn gekend door verwerende partij. De bestreden beslissing heeft ook als gevolg een gedwongen terugkeer van verzoeker naar een land én een regio die in staat van oorlog zijn en waarvan internationale organisaties, zoals het UNHCR, zeggen dat men geen personen mag terugsturen naar deze gebieden en dat men deze personen bescherming moet toekennen. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat aan een kandidaat vluchteling door een bevestigende beslissing van weigering van verblijf berokkend werd, heeft in toepassing van art. 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de algemene vergadering in een arrest nummer 67.236 van 30 juni 1997 besloten dat ‘indien het middel ernstig is, wordt meteen aangenomen dat de tweede voorwaarde om een schorsing te bekomen, namelijk het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ook aanwezig is daar uit de omstandigheden dat het middel ernstig is ook afgeleid kan worden dat betrokkene een vluchteling is en dat bijgevolg de uitvoering van de verwijderingsmaatregel als gevolg kan hebben dat betrokkene naar zijn land van herkomst moet teruggaan waar hem, daar zijn hoedanigheid van vluchteling niet uitgesloten is, ernstige problemen kunnen te wachten staan’. Dezelfde redenering moet voor een kandidaat voor de subsidiaire bescherming gelden. De vordering tot schorsing is aldus gegrond.”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota het volgende stelt: “II. Niet-ontvankelijkheid van de vordering Verweerder merkt op dat krachtens artikel 17 §§1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat er ernstige middelen worden aangevoerd en dat wordt aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt. Verweerder stelt vast dat het verzoekschrift geen afdoende uiteenzetting betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) bevat, zoals wordt vereist door artikel 3, lid 2, 50 van het koninklijk besluit van 9 juli
- Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, doch hij laat na in concreto het door hem ingeroepen nadeel verder uit te werken. Verzoeker beperkt zich tot de loutere stelling dat hij gedwongen teruggestuurd zal worden naar een land én een regio die in staat van oorlog zijn. Verzoeker voert aan dat hij afkomstig is van het dorp Dareh Nour in de provincie Nangarhar, dewelke militaire activiteiten zou ondergaan. Verder haalt verzoeker aan dat de grensgebieden met Pakistan, waarvan hij afkomstig is, het doelwit zijn van ononderbroken aanvallen door de Taliban. Deze uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vaag en algemeen en wordt niet met concrete gegevens of overtuigende elementen gesteund (R.v.St., nr. 163.293 van 09 oktober 2006; R.v.St., nr. 154.417 van 01 februari 2006). Het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel wordt hiermee niet aangetoond. Verder merkt verweerder met betrekking tot de verwijzing naar het arrest van de Raad van State op dat het aanvoeren van ernstige middelen en het MTHEN twee afzonderlijke cumulatieve voorwaarden zijn (R.v.St., nr. 100.903 van 19 november 2001). De vordering is bijgevolg onontvankelijk.”; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota hieromtrent als volgt repliceert: “B. Er is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond. gebrek aan hoogdringendheid. Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing, Ter ondersteuning van het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoekende partij aan dat hij vreest voor vervolging in geval van terugkeer. XIV-28.245-10/12 Uiteraard volstaan verzoekers vage en naakte beschouwingen niet opdat deze ook maar enigszins aannemelijk zou maken/ aan zou tonen dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou ondervinden bij de onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Verzoeker beperkt zich immers tot het uiten van vage en ongestaafde beschouwingen aangaande beweerde problemen in het land van herkomst. Terwijl: de beweerde problemen in het land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van verzoekers asielaanvraag, werd beslist dat de vermeende problemen niet kunnen worden weerhouden, werd vastgesteld dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers relaas, verzoekers beschouwingen aan het voorgaande geen afbreuk kunnen doen. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, als gespecialiseerde instantie ter zake, na grondig onderzoek, oordeelde dat betrokkene zijn relaas ongeloofwaardig is. Verzoeker laat na voldoende concrete, duidelijk en specifieke gegevens aan te voeren die de Raad van State in de mogelijkheid moet stellen de 'ernst' met kennis van zaken en objectief te appreciëren. Om die redenen is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk.”; 2.3.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar uiteenzetting voldoende concrete gegevens en overtuigende argumenten bijbrengt waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat aldus is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing dient te worden bevolen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 januari 2007 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2007 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. XIV-28.245-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-28.245-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.