id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.799 Rolnummer: A. 171776/XIV-25201 Zaak: Arrest 167799 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 14/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-26 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 15:59 Fiche Arrest nr 167.799 van 14 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 167.799 van 14 februari 2007 in de zaak A. 171.776/XIV-25.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. POKORNY, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10/002 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 27 februari 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 januari 2006 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 november 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 7 april 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-25.201-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. POKORNY, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché K. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 oktober 2005 en zich vluchteling verklaart op 20 oktober 2005; dat op 18 november 2005 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 januari 2006 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde een Roma-zigeunerin uit Çungur (gemeente Pejë), Kosovo, te zijn. U zou in 2005 uit Kosovo gevlucht zijn nadat vier etnische Albanezen naar uw woning kwamen. Uw echtgenoot zou de deur hebben geopend, waarop hij werd geslagen. Toen uw zoon Kujtim (O.V. 5.829.564) wou tussenbeiden komen, zou hij ook geslagen zijn. Vervolgens zouden uw echtgenoot en uw zoon zijn vastgebonden. U zou toen ook geslagen zijn en u zou gedurende drie uren buiten bewustzijn zijn geweest. Achteraf zou uw schoondochter u verteld hebben dat ze misbruikt werd door de Albanezen. Uw zoon zou daar niet van op de hoogte zijn. Uw echtgenoot zou door de etnische Albanezen bij hun vertrek zijn meegenomen. Sedertdien zou u in het ongewisse zijn over zijn lot. Vervolgens zou u naar de buren gegaan zijn, die u te voet naar Gani Toska, de voorzitter van de Roma-vereniging van Kosovo, in Pejë brachten. Uw zoon zou er naar de politie zijn gegaan. U zou slechts één nacht bij Gani Toska verbleven hebben omdat u schrik had van de Albanezen. Vervolgens zouden u, uw zoon, uw schoondochter en hun kinderen verder gereisd zijn naar België. U kwam hier op 17 oktober 2005 aan en vroeg op 20 oktober 2005 asiel. U was in het bezit van een kaart van de Roma- vereniging van Kosovo, uitgereikt te Pejë. Ter ondersteuning van uw asielrelaas legde u een medisch attest neer, uitgereikt in Nakell (Pejë) op 30 juni
- B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid ervan wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat twee gewapende en gemaskerde etnische Albanezen na het feest van Shen Gjergi uw woning rond 17 uur binnenvielen. Twee andere etnische Albanezen hielden buiten de wacht (gehoorverslag DVZ vraag 41). Op het Commissariaat-generaal beweerde u echter niet te weten of de mannen tijdens de inval gemaskerd en/of gewapend waren. Het voorval gebeurde immers tijdens de nacht, wanneer er geen elektriciteit was en u dus niet kon zien hoe uw belagers eruit zagen (gehoorverslag CGVS p. 6). Evenmin kon u tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal de inval van de Albanezen in de tijd situeren (gehoor CGVS p. 8). Verder zijn er eveneens tegenstrijdigheden te vinden tussen uw verklaringen en die van uw zoon en schoondochter,XXX en XXX (O.V. 5.829.564). Zo verklaarde u dat u na de inval in uw woning naar de Roma-vertegenwoordiger, Gani Toska, in Pejë ging, waar u één nacht verbleef. Vandaaruit reisden jullie verder naar België (gehoorverslag CGVS p. 7). Uw zoon en schoondochter beweerden echter dat u na uw verblijf bij Gani Toska nog terugkeerde naar Çungur en er nog enkele maanden verbleef, vooraleer naar België te reizen (gehoorverslag CGVS zoon p. 8 en schoondochter p. 4). Gelet op de veelvuldige tegenstrijdigheden die de kern van uw asielrelaas omvatten, kan er dan ook geen geloof gehecht worden aan uw asielrelaas. De door u neergelegde lidkaart van de Roma-vereniging in Pejë doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Deze kaart kan enkel uw lidmaatschap van deze vereniging aantonen, maar kan uw beweringen over het incident met de etnische Albanezen niet XIV-25.201-2/5 ondersteunen. Betreffende het medische attest dient te worden toegevoegd dat medische problemen op zich niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteren. Ten slotte dient hieraan te worden toegevoegd dat ik in het kader van de asielaanvragen van uw zoon en schoondochter, XXX en XXX (O.V. 5.829.564), eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen evenwel dat, gezien de situatie in uw land van herkomst, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Servië en Montenegro zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981: artikel 113 quater §2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt en aanvoert dat de motivering de feitelijke en juridische overwegingen moet vermelden en “afdoende” moet zijn, dit wil zeggen de beslissing moet kunnen dragen, dat de bestreden beslissing echter het resultaat is van een verkeerde interpretatie van de woorden van de verzoekende partij met een tolk die haar dialect niet machtig was, dat de vastgestelde tegenstrijdigheden het resultaat zijn van communicatiestoornissen tussen de verzoekende partij en de tolk, hetgeen werd meegedeeld doch terzijde werd geschoven, dat de verzoekende partij bovendien heeft verklaard omwille van haar psychische toestand geen verklaringen te kunnen afleggen, dat zij een medisch attest heeft neergelegd, dat de verwerende partij dit heeft miskend en dat met de bestreden beslissing aldus artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zijn geschonden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en ze inhoudelijk aanvecht, dat derhalve aan het doel van de uitdrukkelijke motivering is voldaan, dat de verzoekende partij bij het begin van de asielprocedure een tolk Albanees heeft gevraagd die haar op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal heeft bijgestaan, dat zij telkens heeft verklaard de tolk goed te begrijpen en nooit melding heeft gemaakt van enig vertaalprobleem, dat de tegenstrijdigheden niet van aard zijn om door een verkeerde vertaling te worden verklaard, dat de verzoekende partij een medisch attest van juni 2005 heeft voorgelegd terwijl zij in januari 2006 werd gehoord, dat nergens een medische behandeling sedert oktober 2005 uit blijkt, dat het relaas van de verzoekende partij precieze en gedetailleerde gegevens bevat, dat de verzoekende partij geen specifieke opmerkingen over psychologische problemen heeft gemaakt waardoor zij zich bepaalde feiten niet zou hebben kunnen herinneren en dat een causaal verband tussen de mogelijke gezondheidsproblemen van de verzoekende partij en de talrijke tegenstrijdigheden in het asielrelaas niet is aangetoond; XIV-25.201-3/5 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herneemt; 2.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht, waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft, tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er nader in zijn ontwikkeld, met name tegenstrijdigheden over de gebeurtenissen bij de inval door de etnische Albanezen en achteraf; dat aldus aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat de verzoekende partij op geen enkele concrete tegenstrijdigheid ingaat doch die slechts op algemene wijze wijt aan vertaalproblemen met de tolk, die haar dialect niet machtig zou zijn geweest; dat de verzoekende partij effectief een tolk Albanees heeft gevraagd en door die tolk werd bijgestaan, dat zij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken zonder enige opmerking heeft ondertekend, dat uit de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal geen enkel probleem met de tolk blijkt en dat de verzoekende partij bevestigend heeft geantwoord op de vraag of zij alles goed had begrepen, dat de verzoekende partij alleszins uitgebreide en gedetailleerde verklaringen heeft kunnen afleggen, dat uit het medische attest van de verzoekende partij van 30 juni 2005 slechts blijkt dat toen een behandeling voor een depressie en voor gastroduodenitis werd voorgeschreven doch niet dat de verzoekende partij achteraf in België niet zou kunnen worden gehoord; dat geen causaal verband tussen enige ziekte of aandoening van de verzoekende partij en de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden aannemelijk wordt gemaakt; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- XIV-25.201-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-25.201-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.799 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.