id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.817 Rolnummer: A. 131119/XIV-13210 Zaak: Arrest 167817 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 14/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 15:59 Fiche Arrest nr 167.817 van 14 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.817 van 14 februari 2007 in de zaak A. 131.119/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. VANHEUSDEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Rijnkaai 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 27 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. GABRIELS, die loco advocaat E. VANHEUSDEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché XIV-13.210-1/5 B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 juli 2000 en zich vluchteling verklaart op 17 juli 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 8 augustus 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 27 november 2002 deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 21 oktober 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u het bevel om het grondgebied te verlaten, zoals eerder gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde op te volgen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het zorgvuldigheidsbeginsel, de hoorplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de “kennelijke beoordelingsfout” opwerpt; dat zij aanvoert dat zij om een geldige reden geen gevolg aan de oproeping en de vraag om inlichtingen van 21 oktober 2002 heeft gegeven, dat de verzoekende partij en haar gezin een woning aan de Handelsstraat 93 in Antwerpen delen met de winkel van de verhuurder, dat die oproeping op het juiste adres is aangekomen maar dat de verhuurder de uitnodiging voor het afhalen van de brief uit de brievenbus van de verzoekende partij heeft genomen en ze haar niet heeft overgemaakt, dat de verhuurder dit uitdrukkelijk erkent, dat de verzoekende partij dus door overmacht geen gevolg heeft kunnen geven aan de brief van 21 oktober 2002, dat zij dit aan de verwerende partij heeft meegedeeld doch dat die de bestreden beslissing nog niet heeft gewijzigd, dat de verwerende partij een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door geen rekening te houden met de (mogelijkheid van) overmacht, dat de verzoekende partij niet in de mogelijkheid was tijdig een geldige reden XIV-13.210-2/5 mee te delen, dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet zonder voorafgaandelijk na te gaan of er al dan niet een geldige reden was voor het gebrek aan reactie of gevolg vanwege de verzoekende partij, dat de verwerende partij geen rekening met alle relevante omstandigheden heeft gehouden, dat de verwerende partij geen belangenafweging heeft gemaakt en de verzoekende partij niet de kans heeft gegeven om haar gedrag toe te lichten of te verklaren alvorens de bestreden beslissing te nemen en dat aldus ook het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht zijn geschonden; 2.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij op 21 oktober 2002 een oproeping voor een verhoor op 29 oktober 2002 om 08.30u en een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat in die brief wordt gesteld dat de verzoekende partij bij een geval van overmacht om gevolg te geven aan de oproeping, binnen de maand de reden en een bewijs van die overmacht moet opsturen; dat in de brief verder wordt gesteld: “In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.”; Overwegende dat uit die formulering duidelijk blijkt dat het niet enkel om een “oproeping” doch tevens om een “verzoek om inlichtingen” in de zin van het voormelde artikel 52, § 2, 4/ gaat; Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partij op 27 december 2002 een brief aan de verwerende partij heeft gestuurd met in bijlage twee verklaringen van dezelfde datum op naam van L. M., die de verhuurder van de verzoekende partij zou zijn, waarin L. M. meedeelt dat hij op 23 oktober 2002 de voor de verzoekende partij bestemde aangetekende brief zou hebben ontvangen doch kwijt zou zijn gespeeld; XIV-13.210-3/5 dat deze verklaring post factum als voorgehouden geldige reden om geen gevolg aan de oproeping en het verzoek om inlichtingen te hebben gegeven niet ernstig voorkomt; dat de kwestieuze aangetekende brief immers niet in de brievenbus werd achtergelaten doch teruggestuurd werd naar het commissariaat-generaal en zich in het administratief dossier bevindt, zodat L. M. die brief niet kan hebben ontvangen, zoals nochtans wordt voorgehouden in de geschreven verklaringen van 27 december 2002; dat de twee verklaringen van dezelfde datum op naam van L. M. bovendien in een ander geschrift zijn opgesteld en minstens één ervan dus niet door de betrokkene zelf is geschreven; dat dit alles doet vermoeden dat het om een ten dienste van de verzoekende partij opgestelde verklaring gaat, die alleszins geen bewijs van de door de verzoekende partij voorgehouden geldige reden in de zin van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet vormt; dat de verwerende partij de oproeping naar de laatst gekende gekozen woonplaats van de verzoekende partij heeft gestuurd; dat noch het voornoemde artikel 52 van de Vreemdelingenwet noch enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur er de verwerende partij toe verplichten om de verzoekende partij te confronteren met haar afwezigheid of gebrek aan antwoord alvorens een beslissing met toepassing van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet te nemen; dat die wetsbepaling immers uitdrukkelijk de mogelijkheid van een weigeringsbeslissing voorziet; dat nergens een foutieve beoordeling door de verwerende partij uit blijkt; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- XIV-13.210-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.210-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.817 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.