id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.847 Rolnummer: A. 133973/XIV-14148 Zaak: Arrest 167847 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Fiche Arrest nr 167.847 van 15 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.847 van 15 februari 2007 in de zaak A. 133.973/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 oktober 1972 en van Kroatische nationaliteit, op 24 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2003 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 januari 2003; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-14.148-1/15 Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Op 19 februari 2001 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 14 januari 2003 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 19/02/2001 bij de burgemeester van Antwerpen door XXX geboren te Zagreb op 07/10/1972, onderdaan van Croatië (Rep.), verblijvende, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: langdurig verblijf in België, is de taal machtig, heeft werk, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Het verhindert haar niet om een aanvraag in het land van herkomst in te dienen. Bijgevolg dient de vreemdeling: (...) gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend. (...).”. 1.
- Op 23 januari 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) - art 7 al 1 - 2de ‘verblijft langer in het Rijk dan overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn - regelmatig verblijf verstreken sedert 09/04/2000 (...).”. XIV-14.148-2/15
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “2.1 BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR RECHTEN VAN VERDEDIGING, ZORGVULDIGHEID .... ). Dat de beslissing van de Minister van 14 januari 2003 en het bevel om het grondgebied te verlaten , allebei betekend op 23 januari 2003 niet op een correcte zorgvuldige wijze werd genomen en wel om de volgende redenen; Dat men dus geoordeeld heeft zonder verzoekster te horen ( alhoewel de uitdrukkelijke vraag) en de stukken niet heeft aangenomen waarnaar gerefereerd werd Dat de motivering geen rekening houdt met de brieven en. Faxen verstuurd door de raadsman en de gemeente Dat de minister de aangehaalde bindingen niet als voldoende beschouwd.. het feit dat ze werk zou kunnen vinden , dat ze Nederlands spreekt. Dat zij echter samenwoont met haar echtgenoot de heer XXX en hun in Belgie geboren kind.. Dat verzoeker en verzoekster werk hadden., dat mevrouw onmiddellijk vast werk zou krijgen net als haar man indien hun dokumenten in orde zijn. Dat de bijzondere omstandigheid waarom zij de aanvraag hier indient de fout van haar raadsman betreft die haar heeft verhindert de aanvraag tot regularisatie in te dier en waardoor ze nu verplicht is om dit via deze weg in te dienen. Dat zij immers aan alle voorwaarden voldeed gesteld in deze wet. Als men op deze wijze over één aanvraag zo gaat oordelen terwijl alle andere gevallen die minder lang hier zijn en aan minder voorwaarden beantwoorden wel de regularisatie bekomen, dan kan men nog moeilijk stellen dat de aanvraag op een grondige en gelijkwaardige wijze door het bestuur werd behandeld. Dat men dus de aanvraag beoordeeld heeft zonder rekening te houden met de aangebrachte argumenten noch stukken. Dat men verzoekster niet kan verwijten geen stukken te hebben neergelegd,. Dat haar identiteit en nationaliteit hieruit blijkt . Dat het openbaar bestuur dan ook niet kan stellen dat een grondig onderzoek werd gevoerd om tot de huidige negatieve beslissing te komen , dat er zelfs geen onderzoek werd gevoerd om te komen tot de huidige beslissing van 23 januari 2003, dat verzoeker zich nooit heeft kunnen verdedigen op de huidige beslissing. . Dat er geen redenen waren van openbare orde of veiligheid. Dat daarom ook huidig verzoek wordt ingediend. Dat men bovendien verzoekster een bevel heeft gegeven om het grondgebied te verlaten zonder rekening te houden met haar gezin en haar kind. Zij dient immers het grondgebied te verlaten terwijl haar man en kind nog in de procedure zitten en helemaal geen uitsluitsel gekregen hebben.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoeksters eerste middel: ‘Beginselen van behoorlijk bestuur, rechten van verdediging, zorgvuldigheid’. Betreffende de vermeende schending van ‘de rechten van verdediging’ In haar eerste middel beroept verzoekster zich op de vermeende schending van ‘de rechten van verdediging’. Verzoekster acht deze kennelijk geschonden omdat de Minister van Binnenlandse Zaken betrokkene niet zou hebben gehoord alvorens het nemen van de in casu bestreden beslissing. De verwerende partij merkt op dat de vereiste van eerbiediging van de hoorplicht te dezen niet relevant is. De betrokken bestreden beslissing is immers geen ‘maatregel’ die door het bestuur is getroffen uit hoofde van ‘tekortkomingen’ die aan verzoeker ‘ten laste’ worden gelegd of uit hoofde van ‘feiten (die) tot de maatregel nopen’. Zij houdt integendeel slechts een beoordeling in van verzoeksters verblijfstoestand en van haar aanvraag om desbetreffend een bepaalde beslissing (machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden) te treffen. XIV-14.148-3/15 Niet een bepaalde vorm van persoonlijk gedrag of de vereiste van de goede werking van een openbare dienst ligt dus aan de betrokken bestreden beslissing ten grondslag (cf. bv. R.v.St. nr. 39.156, 3.4.1992, Arr. R.v.St. 1992, z.p.), maar wel een bepaalde vaststelling aangaande een situatie waaromtrent het bestuur uit hoofde van zijn bevoegdheid, die het verzocht is uit te oefenen, beslissingen dient te nemen. Bij deze vorm van bestuurlijke bevoegdheidsuitoefening geldt de hoorplicht niet (R.v.St. nr. 39.155, 2.4.1992). De verwerende partij is dan ook de mening toegedaan dat verzoeksters onderdeel van haar eerste middel niet kan aangenomen worden. Betreffende de vermeende ‘schending van de zorgvuldigheidsverplichting’. Verzoekster beroept verzoekster eveneens zich op een vermeende schending van ‘de zorgvuldigheid’. De verwerende partij merkt op dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken geheel terecht, en binnen de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid, oordeelde dat verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf diende te worden verworpen, nu betrokkene geen uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk kon maken, die haar verhinderen de aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen via de gewonen procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Verwerende partij wijst erop dat elke aanvraag ingediend in het kader van artikel 9,3/ individueel wordt bekeken en grondig onderzocht op basis van de bij de aanvraag gevoegde stukken. Echter kunnen de elementen vervat in de door verzoekster voorgelegde stukken, noch in het schrijven van haar raadsman aan de gemeente niet beschouwd worden als buitengewone omstandigheden in de zin van de artikel 9,3/ van de wet van 15.12.
- Het loutere feit dat verzoeksters vorige raadsman in de fout zou zijn gegaan, kan niet beschouwd worden als een buitengewone omstandigheid. In de mate waarin verzoekster hiervan uitgaat, faalt haar middel in rechte en kan de bestreden beslissing niet aangetast of bestreden worden door het eventueel in gebreke blijven van verzoeksters vorige raadsman. Verwerende partij herhaalt dat enkel kunnen beschouwd worden als een buitengewone omstandigheid die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen deze zijn die verzoekster dienen te verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Bovendien is verzoekster minstens in 1998, 1999, 2000 telkens voor korte periodes teruggekeerd naar haar familie en huwde zij daar in
- Er staat aldus verzoekster niets in de weg om via de gewone procedure een aanvraag in te dienen bij de bevoegde diplomatieke diensten in haar land van herkomst. Uit het voorgaande blijkt dat verzoeksters eerste middel niet kan aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het hiernavolgende stelt: “Verzoekster verwijst voor het overgrote deel van haar argumentatie naar het inleidende verzoekschrift wenst het nog het volgende toe te voegen in antwoord op de memorie van tegenpartij. Verzoekster heeft in totaal meer dan 10 jaar in België verbleven. Zij is tijdens de oorlog als asielzoekster gekomen en heeft hier haar eigen leven verder ingericht samen met haar echtgenoot en kind. Zij heeft haar aanvraag tot regularisatie ingediend op grond van artikel 9 ten derde van de wet van 15/12/
- Zij heeft zich samen met haar man en kind volledig geïntegreerd. Het kind is hier geboren en gaat hier naar school. Dat men bij de weergave van het feitenrelaas steeds terugkomt op haar asielaanvraag op zich. Dat dit echter niet aan bod komt bij de huidige aanvraag tot regularisatie dat deze immers gebaseerd is op humanitaire redenen en duurzame bindingen. Dat het een uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt dat verzoekster meer dan tien jaar ononderbroken in België verblijft. Dat het onredelijk is na zulke lange tijd van integratie en het aangaan van duurzame bindingen dat een dergelijke beslissing wordt genomen. Dat moest zij de regularisatie conform de wet van 22 december 1999 hebben ingediend dat zij volledig conform de voorwaarden zou geregulariseerd zijn. XIV-14.148-4/15 Dat dit niet gebeurd is om redenen onafhankelijk van haar wil aangezien haar advokaat van wie zij toch mocht aannemen dat hij de wet kende of kon interpreteren, haar adviseerde van dit niet in te dienen. Dat dit volkomen onterecht was. Dit wegwimpelen als zijnde niet uitzonderlijk is een stereotiepe uitdrukking die niet verder gespecifieerd wordt, zodat men moeilijk dan van enige relevante motivering kan spreken. Dat verzoekster dan ook meent dat men hier willekeurig te werk is gegaan. Dat effectief elk dossier apart dient bekeken en beoordeeld te worden. Dat er echter toch instructies zijn en dat indien bier meer dan tien jaar hier verblijft dit toch minstens een reden moet zijn om de aanvraag in overweging te nemen en aan te nemen dat het onmogelijk is om terug te keren om de aanvraag via diplomatieke vertegenwoordiging te doen en op deze manier het vast werk en de duurzame bindingen opnieuw te verliezen door lang te moeten verblijven in een land waarmee bijna alle bindingen werden afgesloten. Dat verzoekster dan ook meent dat haar aanvraag ten onrechte werd afgewezen. Maar dat er bij deze afwijzing ook manifeste fouten zijn gemaakt. Ten eerste had men kennis van het feit dat zij ondertussen gehuwd was en dat ook haar man een aanvraag had ingediend. Tot op den dag van vandaag is hierin nog geen beslissing genomen. Het is nochtans een element dat genoegzaam gekend was bij DVZ , dat trouwens erkend wordt in de memorie. van tegenpartij. Bovendien hebben zij een kind dat ondertussen schoolgaand is. Dat er dan ook een duidelijke schending is van artikel 8 van het EVRM. Dat mevrouw een bevel krijgt doch over haar kind met geen woord gerept wordt terwijl men er wel kennis van heeft. Dat ook men weet heeft van het huwelijk tussen partijen. Dat ook hiermee niet in het minst rekening werd gehouden. Dat verzoekster inderdaad een paar maal zeer kort is teruggekeerd naar Kroatie doch dit alleen in het kader van een bezoek aan de familie en om een huwelijk mogelijk te maken aangezien zij de nodige dokumenten ginder moesten gaan halen en bovendien zij hier illegaal waren en niet konden huwen. Dat dit echter niet betekent dat ze er konden verblijven. Dat de aanvraag aldaar dan ook een onredelijke lange scheiding zou meebrengen van haar man en kind en dat dit niet opweegt tegen het openbaar belang. Dat immers verzoekster nooit enig crimineel feit heeft gepleegd of enige inbreuk op de openbare orde. Dat het dan ook niet in het algemeen belang kan zijn dat zij terugkeert . Dat het dan ook niet opweegt om te stellen dat zij haar man en zeer jonge kind zou moeten achterlaten om de aanvraag in het land van herkomst te doen. Dat er dus wel degelijk een schending van artikel 8 van het EVRM is en dat om deze reden de beslissing dient vernietigd te worden.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de eerste bestreden beslissing een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, de rechten van verdediging en het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; Overwegende dat waar de verzoekende partij de schending van de rechten van verdediging aanvoert, het vaststaat dat de behandeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) vooralsnog volgens een administratieve en niet volgens een jurisdictionele procedure verloopt; dat het volstaat te stellen dat de rechten van verdediging op het administratief-rechtelijke vlak alleen in tuchtzaken bestaan; dat derhalve XIV-14.148-5/15 de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken vervolgens verwijt dat hij geoordeeld heeft zonder haar te horen; Overwegende dat in zoverre de verzoekende partij hiermee een schending van de hoorplicht zou aanvoeren haar betoog niet kan worden bijgetreden; dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur immers inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat in casu de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken niet als zulk een maatregel kan worden gezien aangezien deze beslissing voortvloeit uit artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet en niet is gestoeld op het persoonlijk gedrag van de verzoekende partij zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve is niet voldaan aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht; Overwegende dat waar door de verzoekende partij een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd, vooreerst dient te worden opgemerkt dat het zorgvuldigheidsbeginsel voor de minister van Binnenlandse Zaken de verplichting inhoudt zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; Overwegende dat waar de verzoekende partij binnen deze context aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken geen rekening zou hebben gehouden met stukken “waarnaar gerefereerd werd” en met “brieven en faxen verstuurd door de raadsman en de gemeente”, evenwel nalaat duidelijk te omschrijven om welke stukken het precies zou gaan; dat het loutere feit dat in de bestreden beslissing niet expliciet naar de door de verzoekende partij neergelegde stukken wordt verwezen, niet inhoudt dat de minister van Binnenlandse Zaken met deze stukken geen rekening zou hebben gehouden; dat waar de verzoekende partij opwerpt dat de minister van Binnenlandse Zaken “de aangehaalde bindingen”, haar tewerkstelling en haar taalkennis “niet als voldoende beschouwt”, dient te worden opgemerkt dat deze argumenten betrekking hebben op de gegrondheid van de aanvraag terwijl de minister van Binnenlandse Zaken zich in de bestreden beslissing enkel uitspreekt over de (on)ontvankelijkheid van de aanvraag; dat waar de verzoekende partij tenslotte betoogt dat zij samenwonend is met de Heer B. en hun in België geboren kind, en dat zij door een fout van haar vorige raadsman geen aanvraag kon indienen met toepassing van de regularisatiewet van 22 december 1999, de vaststelling volstaat dat de verzoekende partij betreffende elementen in haar aanvraag niet als buitengewone omstandigheden heeft aangehaald, zodat de minister van Binnenlandse Zaken niet kan worden verweten hierop niet XIV-14.148-6/15 te zijn ingegaan; dat de verzoekende partij evenmin een schending van het zorgvuldigheids- beginsel aannemelijk maakt; Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar kritiek ten aanzien van de tweede bestreden beslissing (bevel om het grondgebied te verlaten van 23 januari 2003) enkel in het eerste middel beperkt tot de loutere bewering dat betreffende beslissing werd genomen “zonder rekening te houden met haar gezin en haar kind” en dat “haar man en kind nog in de procedure zitten”; dat de verzoekende partij geenszins uiteenzet op welke wijze de tweede bestreden beslissing een schending zou uitmaken van de in het middel aangehaalde rechtsregels en beginselen; dat het beroep tot nietigverklaring dan ook onontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing aangezien het niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 2, §1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “2.
- DE MOTIVERINGSVERPLICHTING De overheid en dus ook de MINISTER heeft de verplichting om zijn beslissingen uitdrukkelijk te motiveren. Dat hieraan zeker niet voldaan werd bij het nemen van de huidige beslissing. Dat verzoekster immers een duidelijk bijzondere omstandigheid heeft aangehaald waarom zij de aanvraag in België indiende; Dat hiervan niets is terug te vinden. Dat haar kind hier geboren is . Dat zij hier de periode dat ze mocht gewerkt heeft en zich volledig heeft geïntegreerd. Haar man de heer B. die in een zelfde schuitje zit met betrekking tot zijn aanvraag en de bijzondere omstandigheid , daarvoor is nog geen enkele beslissing genomen. Op de totale feitelijke problematiek van dit dossier , wordt niet ingegaan. Zij verblijft hier ondertussen ongeveer tien jaar. Op al deze elementen wordt niet voldoende ingegaan verzoekster kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van haar aanvraag. Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoekster meent dat de motivering dan ook zeer oppervlakkig is aangezien men haar dossier niet heeft onderzocht en dat er voor haar belangrijke redenen onbeantwoord zijn gebleven. Waarom wordt met de door haar aangebrachte bijzondere omstandigheid geen rekening gehouden , deze wordt zelfs in de motivering niet vermeld. Waarom wordt over haar kind met geen woord gerept, een kind dal hier geboren is. Waarom reageert men niet over het rapport meegegeven door de gemeenten. Hierop wordt geen antwoord gegeven. Dat verzoekster dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering en de hiermee gepaard gaande oppervlakkige benadering van het probleem.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoekers tweede middel: ‘Motiveringsverplichting’, In haar tweede middel beroept verzoekster zich op de ‘motiveringsverplichting’ van de bestreden beslissing. Verweerder merkt op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, XIV-14.148-7/15 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 9 1, p. 4 8 ; Les Novelles Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. In casu merkt verweerder op dat betreffende verzoeksters tweede middel voor ogen dient gehouden te worden dat het onontvankelijk is, daar het geen duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregel die geschonden wordt geacht. (cf. naar analogie de rechtspraak van de Raad van State i.v.m. het begrip ‘middelen’ in de zin van art. 20, lid 1, 2/ van het KB van 09.06.2000 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals bv. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A. CE. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere verwijzing naar ‘motiveringsverplichting’. Er bestaan namelijk diverse types van motiveringsplicht, beheerst door onderscheiden rechtsregels en met eigen kenmerken. Verwerende partij is van oordeel dat het tweede middel van verzoekster niet voldoende duidelijk is omschreven en dat het voorgaande toelaat te stellen dat dit middel van verzoekende partij, in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Verwerende partij merkt geheel ten overvloede en bijkomend op dat de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991 en het artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van toepassing zijn op de bestreden beslissing. Betreffende de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 en het art. 62 van de Vreemde- lingenwet dd. 15.12.1980 dient er op te worden gewezen dat wetsartikelen verband houden met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en als zodanig tot doel hebben om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v. St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoekster kennelijk als gebrekkig beschouwde gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekster immers toe om te achterhalen om welke redenen haar aanvraag tot verblijfsmachtiging door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk wordt geacht, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Immers, nu zij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat de door haar in het kader van haar aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte gegevens door het bestuur niet als uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de daarin vermelde wetsbepaling worden aangezien, en dat dit aan de basis ligt van het als onontvankelijk beschouwen van die aanvraag, moet verzoekster worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat zij tegen de te haren opzichte genomen beslissing kan opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan, wat in casu concreet wil zeggen, door aan te tonen dat het niet opgaat de voormelde omstandigheden niet te beschouwen als zijnde uitzonderlijk als bedoeld in de laatstvermelde wetsbepaling. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoekster in het kader van haar aanvraag tot verblijfsmachtiging voorgelegde elementen door in de bestreden beslissing te vermelden dat verzoeker met deze elementen geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangehaald als bedoeld in art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeksters kritiek (welke feitelijke grondslag mist, nu in de in casu bestreden beslissing wel degelijk is uiteengezet waarom de verblijfsduur, de tewerkstelling en haar integratie,... niet kunnen worden aanzien als uitzonderlijke omstandigheden) kan aan bovenstaande geen afbreuk doen. Dienaangaande kan bovendien worden opgemerkt dat bij lezing van verzoeksters inleidend verzoekschrift blijkt dat zij daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, maar er ook in slaagt de motieven vervat in de beslissing dd. 03.06.2002 van de gemachtigde van de Minister van XIV-14.148-8/15 Binnenlandse Zaken uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Verzoekster tweede middel is onontvankelijk, kan minstens niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het hiernavolgende stelt: “Verzoekster verwijst voor het overgrote deel van haar argumentatie naar het inleidende verzoekschrift wenst het nog het volgende toe te voegen in antwoord op de memorie van tegenpartij. Verzoekster heeft in totaal meer dan 10 jaar in België verbleven. Zij is tijdens de oorlog als asielzoekster gekomen en heeft hier haar eigen leven verder ingericht samen met haar echtgenoot en kind. Zij heeft haar aanvraag tot regularisatie ingediend op grond van artikel 9 ten derde van de wet van 15/12/
- Zij heeft zich samen met haar man en kind volledig geïntegreerd. Het kind is hier geboren en gaat hier naar school. Dat men bij de weergave van het feitenrelaas steeds terugkomt op haar asielaanvraag op zich. Dat dit echter niet aan bod komt bij de huidige aanvraag tot regularisatie dat deze immers gebaseerd is op humanitaire redenen en duurzame bindingen. Dat het een uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt dat verzoekster meer dan tien jaar ononderbroken in België verblijft. Dat het onredelijk is na zulke lange tijd van integratie en het aangaan van duurzame bindingen dat een dergelijke beslissing wordt genomen. Dat moest zij de regularisatie conform de wet van 22 december 1999 hebben ingediend dat zij volledig conform de voorwaarden zou geregulariseerd zijn. Dat dit niet gebeurd is om redenen onafhankelijk van haar wil aangezien haar advokaat van wie zij toch mocht aannemen dat hij de wet kende of kon interpreteren, haar adviseerde van dit niet in te dienen. Dat dit volkomen onterecht was. Dit wegwimpelen als zijnde niet uitzonderlijk is een stereotiepe uitdrukking die niet verder gespecifieerd wordt, zodat men moeilijk dan van enige relevante motivering kan spreken. Dat verzoekster dan ook meent dat men hier willekeurig te werk is gegaan. Dat effectief elk dossier apart dient bekeken en beoordeeld te worden. Dat er echter toch instructies zijn en dat indien bier meer dan tien jaar hier verblijft dit toch minstens een reden moet zijn om de aanvraag in overweging te nemen en aan te nemen dat het onmogelijk is om terug te keren om de aanvraag via diplomatieke vertegenwoordiging te doen en op deze manier het vast werk en de duurzame bindingen opnieuw te verliezen door lang te moeten verblijven in een land waarmee bijna alle bindingen werden afgesloten. Dat verzoekster dan ook meent dat haar aanvraag ten onrechte werd afgewezen. Maar dat er bij deze afwijzing ook manifeste fouten zijn gemaakt. Ten eerste had men kennis van het feit dat zij ondertussen gehuwd was en dat ook haar man een aanvraag had ingediend. Tot op den dag van vandaag is hierin nog geen beslissing genomen. Het is nochtans een element dat genoegzaam gekend was bij DVZ , dat trouwens erkend wordt in de memorie van tegenpartij. Bovendien hebben zij een kind dat ondertussen schoolgaand is. Dat er dan ook een duidelijke schending is van artikel 8 van het EVRM. Dat mevrouw een bevel krijgt doch over haar kind met geen woord gerept wordt terwijl men er wel kennis van heeft. Dat ook men weet heeft van het huwelijk tussen partijen. Dat ook hiermee niet in het minst rekening werd gehouden. Dat verzoekster inderdaad een paar maal zeer kort is teruggekeerd naar Kroatie doch dit alleen in het kader van een bezoek aan de familie en om een huwelijk mogelijk te maken aangezien zij de nodige dokumenten ginder moesten gaan halen en bovendien zij hier illegaal waren en niet konden huwen. Dat dit echter niet betekent dat ze er konden verblijven. Dat de aanvraag aldaar dan ook een onredelijke lange scheiding zou meebrengen van haar man en kind en dat dit niet opweegt tegen het openbaar belang. Dat immers verzoekster nooit enig crimineel feit heeft gepleegd of enige inbreuk op de openbare orde. Dat het dan ook niet in het algemeen belang kan zijn dat zij terugkeert . XIV-14.148-9/15 Dat het dan ook niet opweegt om te stellen dat zij haar man en zeer jonge kind zou moeten achterlaten om de aanvraag in het land van herkomst te doen. Dat er dus wel degelijk een schending van artikel 8 van het EVRM is en dat om deze reden de beslissing dient vernietigd te worden.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van “de motiveringsverplichting”; 2.2.
- Overwegende dat het hoofdmotief van de eerste bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke XIV-14.148-10/15 buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werd aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - de motieven die betrokkene inroept, te weten, langdurig verblijf in België, is de taal machtig, heeft werk, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; - het verhindert haar niet om een aanvraag in het land van herkomst in te dienen; Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst aanvoert dat in de bestreden beslissing niets terug te vinden is over het feit dat haar kind in België geboren is; dat, zoals hierboven reeds werd opgemerkt, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij betreffend element in haar aanvraag niet heeft aangehaald als buitengewone omstandigheid, zodat de minister van Binnenlandse Zaken niet kan worden verweten hierop niet te zijn ingegaan; dat waar de verzoekende partij haar kritiek herneemt dat de minister van Binnenlandse Zaken onvoldoende is ingegaan op de door haar aangevoerde elementen dat ze hier gewerkt heeft en werkwillig is, dat ze langdurig verblijft in België en dat ze volledig geïntegreerd is, de minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent in de bestreden beslissing stelt dat “de motieven die betrokkene inroept, te weten: langdurig verblijf in België, is de taal machtig, heeft werk, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Het verhindert haar niet om een aanvraag in het land van herkomst in te dienen”; dat betreffende argumenten betrekking hebben op de gegrondheid van de aanvraag terwijl de minister van Binnenlandse Zaken zich in de bestreden beslissing enkel uitspreekt over de (on)ontvankelijkheid van de aanvraag; dat de bestreden beslissing duidelijk de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan tot XIV-14.148-11/15 de onontvankelijkheid van de aanvraag wordt besloten; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het feit dat de door de verzoekende partij ingeroepen redenen geen buitengewone omstandigheden zijn; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is gestoeld; dat de verzoekende partij geenszins een schending van de motiveringsverplichting aannemelijk maakt; dat waar de verzoekende partij tot slot in haar memorie van wederantwoord verder ingaat op de in het verzoekschrift aangevoerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M., kan worden verwezen naar de bespreking van het derde middel; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “3.
- SCHENDING VAN ARTIKEL 8 VAN HET EVRM EN DE RECHTEN VAN HET KIND. Dat door een dergelijke niet afdoende gemotiveerde beslissing het gezin volledig uit mekaar getrokken wordt en artikel 8 van het EVRM en de rechten van het kind door een dergelijke wijze van oordelen worden geschonden Dat de Minister een volledig verkeerde interpretatie heeft gegeven aan de aanvraag op zich. Dat dit duidelijk blijkt dat immers het kind niet wordt vermeld noch de echtgenoot in de genomen beslissing. Dat verzoekster dan ook meent dat er in haar dossier verschillende redenen zijn om te stellen dat er een foute beoordeling door de overheid is gemaakt. Dat het kind recht heeft op hulp en bijstand en onderhoud en opvoeding van de beide ouders, en dit op grond van de rechten van het kind door België geratificeerd. Dat zij recht heeft verder bij haar kind te verblijven dat in België is geboren. Dat zij recht heeft samen met haar man met wie zij gehuwd is en waarvan zij de bewijzen heeft neergelegd in de procedure zowel met betrekking tot de geboorte van haar kind als van het huwelijk met de heer B. . Dat dit een dossier een geheel vormt en ook als dusdanig diende behandeld te worden. Het feit dat men dit ondanks ons aandringen en het verduidelijken van de situatie gewoon onvermeld laat . Dat over deze situatie niets wordt vermeld in de beslissing. Dat hieruit alleen kan afgeleid worden dat met deze familiale situatie niet de minste rekening gehouden werd en dat dit een daadwerkelijke schending van de vernoemde artikels uitmaakt.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoekers derde middel: ‘Schending van artikel 8 en de rechten van het kind’ De in artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten verhinderen niet dat verzoekster, die geen als buitengewone omstandigheden zoals bepaald in artikel 9,3/ van de wet van 15.12.1980 beschouwde motieven aanbrengt, zich tijdelijk naar haar land van herkomst dient te begeven om aldaar bij de bevoegde diplomatieke diensten een aanvraag om machtiging tot verblijf overeenkomstig artikel 9 van de wet van 15.12.1980 in te dienen. Deze verwijdering die slechts tijdelijk is kan niet geacht worden strijdig te zijn met artikel 8 EVRM dat de eerbiediging van het gezinsleven waarborgt. Bijkomend merkt verwerende partij op dat verzoekster in Kroatië gehuwd is met haar echtgenoot en daar reeds verschillende malen bij haar familie op vakantie is geweest. Tevens werd verzoeksters asielaanvraag definitief afgewezen bij beslissing van 12.01.1996 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waardoor verzoekster niet kan beschouwd worden als een vluchteling in de zin van de Conventie ven Genève en zodoende over de nodige documenten, voor een regelmatige binnenkomst en verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, dient te beschikken. Tenslotte merkt de verwerende partij op dat de aanvraag op basis van artikel 9,3/ van de wet van 15.12.1980 geen gewag maakt van haar echtgenoot, noch van haar kind en enkel en alleen in verzoeksters naam werd ingediend. XIV-14.148-12/15 In een schrijven van 21.11.2002 van verzoeksters raadman wordt wel melding gemaakt van de echtgenoot en het kind van verzoekster. Met deze gegevens werd dan ook rekening gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing. Dit neemt echter niet weg dat de bestreden beslissing enkel een beslissing is ten aanzien van verzoekster en deze enkel haar verblijfssituatie betreft. Verzoekster derde middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; Overwegende dat voor de memorie van wederantwoord wordt verwezen naar punt 2.2.1.; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) en van “de rechten van het kind”; 2.3.
- Overwegende dat wat de beweerde schending van “de rechten van het kind” betreft, de vaststelling volstaat dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt welke rechtsregels of beginselen zij geschonden acht; dat het middel dan ook in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de vermeende schending van artikel 8 van het E.V.R.M. aanvoert dat “ door een dergelijke (...) beslissing het gezin volledig uit mekaar getrokken wordt (...)”; Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. luidt als volgt: “
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”; Overwegende dat het begrip “gezinsleven” in het voormeld artikel 8, eerste lid, van het E.V.R.M. een autonoom begrip is dat onafhankelijk van het nationale recht dient te worden geïnterpreteerd; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij gehuwd is en samenwoont met Senad Borogovac in de Vandepeereboomstraat 2 te Antwerpen en dat zij samen een kind hebben, Borogovac Melissa, verblijvend op ditzelfde adres; dat hieruit afgeleid kan worden dat de verzoekende partij, haar echtgenoot en hun kind beschouwd dienen te worden als een “gezin” in de zin van artikel 8 E.V.R.M.; Overwegende dat bijgevolg artikel 8, tweede lid, van het E.V.R.M. in ogenschouw dient te worden genomen; dat wat de eerste voorwaarde van artikel 8, tweede XIV-14.148-13/15 lid van het E.V.R.M. betreft, dient te worden opgemerkt dat de “inmenging van het openbaar gezag” inderdaad bij de wet is voorzien, met name in de Vreemdelingenwet; dat wat de tweede voorwaarde betreft, dan weer dient te worden vastgesteld dat deze inmenging in casu minstens één van de in artikel 8, tweede lid van het E.V.R.M. opgesomde doelen nastreeft: de handhaving van de verblijfsreglementering door de overheid is immers een middel ter vrijwaring van ‘s lands openbare orde; dat inzake de derde voorwaarde eveneens als uitgangspunt geldt dat het volgens een vaststaand principe van internationaal recht aan de Verdragsluitende Staten toekomt de openbare orde te verzekeren door, meer in het bijzonder, de toegang en het verblijf van niet-onderdanen te regelen; dat hierbij echter dient te worden nagegaan of bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van de verzoekende partij in het kader van de eerbied voor haar gezinsleven enerzijds en de belangen van de Belgische staat in het kader van de bescherming van de openbare orde anderzijds; Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet in buitengewone omstandigheden het hem evenwel toegestaan wordt die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat de eerste bestreden beslissing er bijgevolg niet toe strekt het gezinsleven van de verzoekende partij te verhinderen of te bemoeilijken; dat betreffende beslissing enkel inhoudt dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden doet gelden die haar vrijstellen om haar aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit haar land van herkomst, in te dienen; dat betreffende beslissing dienvolgens geen absoluut verbod inhoudt voor de verzoekende partij om het Belgische grondgebied binnen te komen en er te verblijven, doch louter haar aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaart; Overwegende dat sinds het beëindigen van de asielprocedure van de verzoekende partij op 12 januari 1996 met de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris-generaal, de verzoekende partij illegaal in België verblijft; dat ze op 15 mei 1999 te Zagreb in het huwelijk trad met B. S. en beweert een paar keer naar Kroatië te zijn teruggekeerd voor een bezoek aan de familie; dat de verzoekende partij op 19 XIV-14.148-14/15 februari 2001 een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet indiende, met de bedoeling aldus haar verblijfstoestand in België te regulariseren; dat in het licht van deze feitelijke en juridische situatie, en gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid die artikel 8 van het E.V.R.M. biedt aan de minister van Binnenlandse Zaken, dan ook in alle redelijkheid dient te worden besloten dat zelfs indien er van een inmenging in haar gezinsleven sprake zou zijn, deze in casu niet als onrechtmatig kan worden beschouwd; dat de verzoekende partij dan ook geenszins een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het derde middel evenmin gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-14.148-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.