← België

Arrest 167848 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.848 Rolnummer: A. 144656/XIV-17787 Zaak: Arrest 167848 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Fiche Arrest nr 167.848 van 15 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.848 van 15 februari 2007 in de zaak A. 144.656/XIV-17.787. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. POUMAY, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Kleine Zavel 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 december 1968 en van Congolese nationaliteit, op 28 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 30 oktober 2003 houdende de niet-inoverwegingneming van de door haar op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 22 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-17.787-1/9 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. HALKIN, die loco Advocaat M. POUMAY verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 16 september 2003 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.2. Op 13 oktober 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Tegen betreffend bevel werd door de verzoekende partij een vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State (zaak gekend onder nr. G/A 144.659/XIV-17.788). 1.3. Op 30 oktober 2003 neemt de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw een beslissing houdende de niet-inoverwegingneming van de door de verzoekende partij ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) De vreemdeling XXX, van Congo nationaliteit, geboren te Kinshasa op (

  1. in)23DECE1968 heeft zich op 19SEPT2003 bij het gemeentebestuur aangemeld om met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan 3 maanden in het Rijk in te dienen. Genoemde vreemdeling gaf te kennen te verblijven op het volgende adres:. Uit de controle op 20OKTO2003 blijkt echter dat deze vreemdeling niet werkelijk op dit adres woont. Bijgevolg kan de aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, niet in overweging worden genomen. (...).”. XIV-17.787-2/9 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “EERSTE MIDDEL Genomen uit de schending van artikel 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dd 29 juli 199 1, uit de manifeste vergissing in hoofde van de Burgemeester van de Gemeente Sint-Pieters-Leeuw, in de beoordeling ; DOORDAT De beslissing van de Burgemeester van de Gemeente Sint-Pieters-Leeuw, tot niet- inoverwegingneming van de aanvraag tot het bekomen door verzoeker van een machtiging om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, in toepassing van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, uitsluitend rust op de controle dat op 20 oktober 2003 zou worden uitgevoerd en waaruit zou blijken dat verzoeker niet werkelijk op zijn verblijfadres zou wonen ; TERWIJL Artikel 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen voorziet dat de motivering aan een dubbel vereiste moet voldoen; Dat in artikel 3 van deze wet immers wordt bedongen dat: de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen zij moet afdoende zijn; Dat, rekening houdend met deze voorwaarden, kan worden voorgehouden dat de Burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw, terwijl hij alleen naar de beweerde afwezigheid van verzoeker op zijn woonplaats op 20 oktober 2003 verwijst, geen afdoende motivering, zowel in rechte als in feite, heeft verschaft om zijn beslissing, conform de vereisten van artikel 3 van de wet van 29 juli 199 1, te gronden ; Dat bovendien opgemerkt moet worden dat de bestreden beslissing geen betwisting, noch antwoord, inhoudt aangaande de buitengewone omstandigheden die door verzoeker in zijn aanvraag op grond van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980, had ingeroepen; HET MIDDEL IS GEGROND.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel: ‘Genomen uit de schending van artikel 3 van de wet van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, uit de manifeste vergissing in hoofde de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw.’ Verzoeker stelt dat de burgemeester zich niet kon baseren op de vaststelling dat verzoeker afwezig was op 20 oktober 2003. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden door te verwijzen naar het verslag d.d. 20 oktober 2003 van de inspecteur van politie van de bewuste gemeente die vaststelde dat verzoeker niet werd aangetroffen op het adres en dat het buurtonderzoek negatief was. Nadat de advocaat van verzoeker en zijn moeder volhielden dat verzoeker er wel verblijft, meldde de politie d.d. 26 november 2003 dat ze verschillende keren controle hebben willen uitvoeren, maar dat verzoeker niet kon worden aangetroffen. ( stuk 20) Daaruit blijkt nogmaals dat de feitelijke gegevens de bestreden beslissing onderbouwen. Het middel is niet ernstig.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; XIV-17.787-3/9 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd waar deze louter is gebaseerd op zijn “beweerde afwezigheid (...) op zijn woonplaats op 20 oktober 2003”. Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan zij is genomen; dat in de bestreden beslissing zowel wordt verwezen naar de juridische grond (artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet), als naar de feiten (uit een controle d.d. 20 oktober 2003 blijkt dat de verzoekende partij niet verblijft op het door haar opgegeven adres) waarop zij is gesteund; dat in casu de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met voornoemde wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat die motivering draagkrachtig en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welke wijze deze motivering niet afdoende zou zijn in de zin dat zij hiermee niet zou voldoen aan de in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vervatte motiveringsplicht; Overwegende dat waar de verzoekende partij voorts nog aanvoert dat in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op de door haar in haar aanvraag aangehaalde buitengewone omstandigheden, de vaststelling volstaat dat zulks evident is, aangezien de bestreden beslissing net inhoudt dat de door de verzoekende partij ingediende aanvraag niet in overweging wordt genomen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-17.787-4/9 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “TWEEDE MIDDEL Genomen uit de schending van het toepassingsgebied en / of van de toepassingsvoorwaarden van de ministeriele omzendbrief van 19 februari 2003; DOORDAT De beslissing van de Burgemeester van de Gemeente Sint-Pieters-Leeuw, tot niet- inoverwegingneming van de aanvraag tot het bekomen door verzoeker van een machtiging om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, in toepassing van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, uitsluitend rust op de controle dat op 20 oktober 2003 zou worden uitgevoerd en waaruit zou blijken dat verzoeker niet werkelijk op zijn verblijfadres zou wonen; TERWIJL De Burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw, zelfs indien het niet uitdrukkelijk in de bestreden beslissing wordt vermeld, zijn beslissing blijkt te hebben genomen in overeenstemming met het voorschrift van de ministeriele omzendbrief van 19 februari 2003 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 ; Dat deze omzendbrief immers onder het punt D ‘Rol van de gemeentebestuur’ voorziet : ‘Binnen tien dagen na het indienen van de aanvraag dient de burgemeester of zijn gemachtigde de werkelijke verblijfplaats van de betrokkene te controleren. Deze controle is een gevolg van het feit dat de gemeenten alleen bevoegd zijn voor de personen die werkelijk op hun grondgebied verblijven. Indien blijkt dat de aanvrager niet in de gemeente verblijft, neemt de burgemeester of zijn gemachtigde de aanvraag niet in overweging en wordt de aanvrager ervan verwittigd dat hij zijn aanvraag moet indienen bij de burgemeester van de gemeente waar hij verblijft. Dit betekent dat de aanvraag niet naar de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gestuurd. De gemeente bezorgt de Dienst Vreemdelingenzaken een kopie van deze beslissing. Verblijft de aanvrager wel in de gemeente, dan wordt de aanvraag, samen met een rapport van de controle van de verblijfplaats, onverwijld naar de Dienst Vreemdelingenzaken gestuurd. Alleen de Minister van de Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde hebben het recht om zich over de grond van de aanvraag uit te spreken. De Gemeente dienen bijgevolg de voorgelegde bewijzen niet te onderzoeken. Het staat de burgemeester of diens gemachtigde evenwel vrij om bij het overhandigen van de aanvraag een advies ( bij voorbeeld een sociaal onderzoek ) toe te voegen, eventueel aangevuld met opmerkingen over de aanvrager.’; Dat deze omzendbrief is nochtans niet toepasselijk in casu; Dat immers reeds geoordeeld werd dat, aangaande de toepassing van een ministeriele omzendbrief dd 15 december 1998, een beslissing van verwerping van een aanvraag tot machtiging van verblijf, uitsluitend gegrond op deze omzendbrief, ‘niet gepast gemotiveerd is indien tegenpartij haar beoordelingsmacht niet correcte uitgevoerd heeft. Immers, indien deze omzendbrief alleen zuivere richtlijnen bevat, bestemd om de administratieve overheid in haar discretionaire toetsingsmacht te leiden, deze omzendbrief, in dit geval, zonder reglementaire kracht is en de administratieve overheid toepassing ervan niet van rechtswege mocht doen. Indien, in tegendeel, een reglementair kenmerk eraan moest toegekend worden, zij onwettig zou zijn bij gebreke eraan aan het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van Staat te zijn onderworpen en de Raad van Staat de toepassing ervan zou moeten verwerpen en de wettigheid van een bestuurshandeling niet kunnen nazien op grond van dergelijk reglement omdat het zou met een wijze van toepassing ervan gelijk zijn.’; (Vrije vertaling van RvS, 25.04.2000, arrest nr 86.873 ; in dezelfde zin : RvS, 05.12.2000, arrest nr 9 1.326, RvS, 13.03.200 1, arrest nr 93.929 ) ; Dat, in dezelfde zin, geen controle van de wettigheid van de beslissing van niet-inoverwe- gingneming van de aanvraag van verzoeker op grond van de ministeriele omzendbrief dd 19 februari 2003 mag uitgeoefend worden; Dat zelfs indien de bovengemelde omzendbrief van toepassing ter zake zou zijn, nochtans opgeworpen moet worden dat verzoeker nooit op de hoogte werd gebracht dat hij zich naar de Burgemeester van de gemeente waar hij effectief zou verblijven, moest richten om daar haar aanvraag geldig in te dienen; Dat het derhalve past vast te stellen dat de bestreden beslissing niet gepast gemotiveerd werd in de mate waarin de Burgemeester van Sint-Pieters-Leeuw zijn toetsingmacht niet correct uitgeoefend heeft; HET MIDDEL IS GEGROND.”; XIV-17.787-5/9 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Tweede middel: ‘Genomen uit de schending van het toepassingsgebied en/of van de toepassingsvoorwaarden van de ministeriële omzendbrief van 19 februari 2003.’ Enerzijds stelt verzoeker dat die omzendbrief niet toepasselijk is en anderzijds bouwt hij er een middel uit. Die vaststelling volstaat reeds om te besluiten tot het gebrek aan ernst van het middel. Daarenboven is de woonstcontrole een praktijk die bestaat van voor de invoering van de omzendbrief van 19 februari 2003 en vloeit die voort uit artikel 9 lid 3 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat stelt dat de aanvraag moet worden ingediend bij de burgemeester van de plaats van verblijf. Iedere aanvraag die wordt toegezonden in toepassing van het derde lid van artikel 9 voormeld, wordt het voorwerp van een woonstonderzoek. Het middel is niet ernstig.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de ministeriële omzendbrief van 19 februari 2003; Overwegende dat de verzoekende partij meer bepaald aanvoert dat de bestreden beslissing ten onrechte is gebaseerd op de hierboven vermelde omzendbrief, terwijl deze omzendbrief volgens haar in casu niet kon worden toegepast; Overwegende dat de door de verzoekende partij aangebrachte kritiek niet kan worden aangenomen; dat in tegenstelling tot hetgeen zij stelt, dient te worden opgemerkt dat de bestreden beslissing niet is gebaseerd op enige omzendbrief, doch wel op artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet immers als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid van voormelde wet evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het betrokkene wordt toegestaan die aanvraag te richten tot “de burgemees- ter van de plaats waar hij (in België) verblijft”; dat bijgevolg uit de ratio legis van dit artikel zelf kan worden afgeleid dat een aanvraag om machtiging tot verblijf niet in overweging zal worden genomen, indien zou blijken dat de aanvrager niet verblijft in de stad of gemeente waar hij zijn aanvraag heeft ingediend; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “DERDE MIDDEL Genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die het recht op rechtszekerheid insluiten, wat onder andere impliceert dat de burger moet kunnen XIV-17.787-6/9 vertrouwen op de openbare diensten en erop moet kunnen rekenen dat zij de regels in acht nemen en van het algemeen beginsel van de naleving van de rechten van de verdediging DOORDAT De Burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw klaarblijkelijk zijn beslissing tot niet- inoverwegingneming van de aanvraag van verzoeker genomen heeft klaarblijkelijk uitsluitend ten gevolge van de afwezigheid van verzoeker bij een Politiecontrole, uitgevoerd op 20 oktober 2003 op het adres waarop verzoeker gemeld had, hetzij te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, dat hij zijn woonplaats had; TERWIJL Redelijkerwijze niet zou kunnen worden geëist dat verzoeker de hele dag door thuis blijft; Dat hij het feit niet betwist dat hij bij de controle van 20 oktober 2003 (waarvan hij precies het ogenblik niet kent) niet op het bovengemelde adres was; Dat hij nochtans eraan houdt te benadrukken dat hij op dit adres effectief verblijft; Dat hij, zoals hoger vermeld, taalcursussen volgt; Dat hij zich trouwens op 20 oktober 2003 bij het ‘Centrum Basiseducatie Halle-Pajottenland’, gevestigd te 1501 Halle Buizingen, bevond; Dat het derhalve onbegrijpelijk is vast te stellen dat de Burgemeester niet nuttig heeft geacht verzoeker bijeen te roepen en zijn verklaringen te horen aangaande zijn afwezigheid op 20 oktober 2003; Dat de Burgemeester, daarentegen, evenals spoedig dan verkeerd, ervan besloten heeft dat verzoeker gelogen had en dat hij in werkelijkheid niet daar woonde; Dat de Burgemeester, zo doende, klaarblijkelijk de rechten van de verdediging van verzoeker geschonden heeft; Dat verzoeker, voor zover als nodig, hier nuttig vindt te onderstrepen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen worden ingeroepen worden indien die leiden tot een beleid dat tegen wettelijke bepalingen ingaat; HET MIDDEL IS GEGROND.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Derde middel: ‘Genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die het recht op rechtszekerheid insluiten, wat onder andere impliceert dat de burger moet kunnen vertrouwen op de openbare diensten en erop moet kunnen rekenen dat zij de regels in acht nemen en van het algemeen beginsel van de naleving van de rechten van de verdediging.’ De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de politiediensten bevestigden dat verzoeker niet aan te treffen was, ook nadat een bijkomend onderzoek werd gevoerd na de bestreden beslissing. Het middel is niet ernstig.”; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die het recht op rechtszekerheid insluiten, (...) (
  2. en)van de rechten van de verdediging”; Overwegende dat de verzoekende partij meer bepaald kritiek voert ten aanzien van de overweging waarbij de burgemeester stelt dat uit de op 20 oktober 2003 uitgevoerde controle blijkt dat zij niet woont op het door haar opgegeven adres; dat de verzoekende partij in casu stelt zij weliswaar afwezig was op het ogenblik dat de controle werd uitgevoerd - ze stelt dat zij op dat ogenblik een taalcursus aan het volgen was - doch meent dat op haar niet de verplichting kan rusten de hele dag thuis te blijven; dat ze ten slotte nog aanvoert dat de burgemeester haar in ieder geval de kans had dienen te geven omtrent haar afwezigheid op 20 oktober 2003 enige uitleg te verschaffen; XIV-17.787-7/9 Overwegende dat waar de verzoekende partij de schending van de rechten van verdediging aanvoert, het vaststaat dat de behandeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet vooralsnog volgens een administratieve en niet volgens een jurisdictionele procedure verloopt; dat het volstaat te stellen dat de rechten van verdediging op het administratief- rechtelijke vlak alleen in tuchtzaken bestaan; dat derhalve de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat voor zover de verzoekende partij voorts in feite ingaat op de motieven van de bestreden beslissing, dient te worden opgemerkt dat ze zich beperkt tot een kritiek op de vaststelling dat zij niet thuis was op het ogenblik dat de politie van Sint-Pieters-Leeuw op 20 oktober 2003 een woonstcontrole uitvoerde; dat uit stuk 20 - p. 2 van het administratief dossier echter blijkt dat de politie niet alleen tot de vaststelling kwam dat de verzoekende partij “niet (kon worden) aangetroffen op bovenstaand adres”, doch tevens opmerkte dat ook het buurtonderzoek een negatief resultaat opleverde; dat de verzoekende partij in casu niet de minste kritiek aanvoert ten aanzien van deze laatste vaststelling en bijgevolg een schending van de materiële motiveringsplicht geenszins aannemelijk maakt; dat het derde middel evenmin gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-17.787-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-17.787-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.