id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.851 Rolnummer: A. 148718/XIV-18938 Zaak: Arrest 167851 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-03 08:27 Fiche Arrest nr 167.851 van 15 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.851 van 15 februari 2007 in de zaak A. 148.718/XIV-18.938. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 juni 1981 en van Slowaakse nationaliteit, op 25 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 januari 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 27 januari 2004; Gelet op de beschikking van 16 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-18.938-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 23 december 1999 en verklaart zich vluchteling op 27 december 1999. 1.2. Op 20 maart 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 19 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Tegen betreffende beslissing werd door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 147.889 van 28 juli 2005 werd door de Raad van State de afstand van geding ingewilligd. 1.4. Op 6 februari 2002 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.5. Op 20 januari 2004 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX R.R. Nr. 081060447581 nationaliteit: Slovaakse Republiek geboren te Kosice op 04/06/1981 ex-kandidaat vluchteling adres: in toepassing van art.9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden worden aanvaard en verantwoorden niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. XIV-18.938-2/10 Dat betrokkene nog een procedure hangende heeft bij de Raad van State aangaande zijn asielaanvraag op het moment van de aanvraag artikel 9§3 is op zich niet uitzonderlijk en verhindert hen niet terug te keren naar zijn land van herkomst om aldaar een aanvraag in te dienen. De bewering dat betrokkene geen verblijfsmachtiging kan aanvragen bij de Belgische diplomatieke post in het land van herkomst wordt niet concreet gestaafd met een document waaruit zou moeten blijken dat dit specifiek voor betrokkene het geval is. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 19/09/2001 en ter kennis gebracht op 21/09/2001, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Wat het ingeroepen medisch probleem betreft: uit het expertiseverslag van onze controlegeneesheer blijkt dat, gezien de aard van het gezondheidsprobleem, betrokkene niet beter kan verzorgd worden in België dan in zijn land van herkomst. Betrokkene kan, nog steeds volgens het verslag, begeleid reizen. Gezien het feit dat de nodige behandeling evengoed voorhanden is in het land van herkomst als in België en gezien ook het feit dat de aanvraag o.b.v. art 9§3 van de ouders van betrokkene ook onontvankelijk werd verklaard, kan de terugkeer gebeuren. Betrokkene dient contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Slowaakse vertegenwoordiging in België ten einde zijn terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dient betrokkene dringen het Belgisch grondgebied te verlaten en gevolg te geven aan het Bevel om het Grondgebied te Verlaten (bijlage 13 quater) die aan hem op 25/09/2002 wordt betekend. (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Overwegende dat door de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid wordt aangevoerd die luidt als volgt: “In hoofdorde: exceptie van onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring omwille van het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 20 van het K.B. dd. 09.07.2000 houdende de bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffen de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ‘Overeenkomstig artikel 20, lid 2, 2/ en 3/ van het KB van 09.07.2000 dient het verzoek- schrift tot nietigverklaring het volgende te bevatten: 2/ het onderwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen; 3 / de naam en het adres van de verwerende partij;’ Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid noch de naam en het adres van de verwerende partij, noch een uiteenzetting van de feiten bevat. Derhalve is het genoemde beroep tot nietigverklaring naar het oordeel van de verwerende partij onontvankelijk.”; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord hierop repliceert als volgt: “Wat de onontvankelijkheid van de door verzoeker aangevoerde middelen betreft, is een verwijzing naar de wet van 15 december 1980, in het bijzonder art. 9,3/ van deze wet, de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het zorgvuldigheidsbeginsel, art. 3 E.V.R.M., en de motiveringsplicht voldoende als omschrijving van de geschonden geachte rechtsregels. Door op te werpen dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van art. 9,3/ van de wet van 15 december 1980 ten onrechte onontvankelijk werd verklaard en met name te betwisten dat de aangehaalde omstandigheden niet uitzonderlijk zouden zijn, geeft verzoeker minstens impliciet te kennen voornoemd artikel van de wet geschonden acht. Bovendien worden volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State ook de zgn. algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een bron van het Belgisch administratief recht beschouwd: een verwijzing naar deze beginselen is dus ook een verwijzing naar geschonden XIV-18.938-3/10 geachte rechtsregels; in casu heeft verzoeker zelfs expliciet verweren naar het zorgvuldigheidsbeginsel. Tenslotte is ook de motiveringsplicht één van de bedoelde beginselen van behoorlijk bestuur: deze plicht tot uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen werd vastgesteld in de wet van 29.07.1991.”; Overwegende dat krachtens artikel 20, 2/van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het beroep tot nietigverklaring een uiteenzetting van “de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk een middel uiteenzet; dat de verzoekende partij uitdrukkelijk de schending aanvoert van de Vreemdelingenwet, de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3 van het E.V.R.M.; dat in tegenstelling tot hetgeen wordt opgeworpen door de verwerende partij, de verzoekende partij - weliswaar op niet al te uitgebreide wijze - in ieder geval uiteenzet op welke wijze volgens haar de door haar aangevoerde bepalingen en beginselen werden geschonden; dat daarnaast het verzoekschrift, hoewel uitermate summier, wel degelijk een uiteenzetting van de feitelijkheden van de zaak bevat; dat de exceptie dan ook dient te worden verworpen; 3. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1 Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Dat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de wet van 15 december 1980 en de ter uitvoering van deze wet genomen besluiten, de beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en art. 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden; dat een gedwongen verwijdering met mogelijke vrijheidsberoving in de concrete omstandigheden van verzoeker als een onmenselijke of vernederende behandeling dient te worden beschouwd; dat verzoeker een Roma-zigeuner is en als zodanig in zijn land van herkomst gediscrimineerd wordt; dat de bestreden beslissing niet onderzocht heeft in welke mate de Slovaakse autoriteiten tegen deze discriminatie bescherming bieden; dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar de omstandigheden van de zaak.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “In ondergeschikte orde: repliek op verzoekers ‘enige’ middel. Verzoeker beroept zich in zijn enige middel op een ‘schending van de wet van 15 december 1980 en ter uitvoering van deze wet genomen besluiten, de beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en art. 3 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.’ Betreffende de wet van 15 december 1980 en ter uitvoering van deze wet genomen besluiten. De verwerende partij acht dit middel niet ontvankelijk. Immers, er werd terecht reeds geoordeeld dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een verplicht te motiveren beslissing een motiveringsgebrek aanvoert, maar hiervoor geen wetsbepaling als geschonden aanduidt (cf naar analogie: Cass. AR C.94.0369.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2, 9.5.1997, Arr. Cass. 1997, 53 l). XIV-18.938-4/10 Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere vermelding van een motiveringsgebrek in termen van een schending van ‘de wet van 15 december 1980 en ter uitvoering van deze wet genomen besluiten’. Een dergelijke algemene verwijzing, zonder dat één of meer bepalingen binnen de bedoelde wet als geschonden worden aangeduid, maakt volgens de verwerende partij niet de voldoende duidelijke en precieze omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel(
- s)uit die is vereist opdat er sprake zou kunnen zijn van een middel als bedoeld in art. 20, lid 2, 2/ van het Koninklijk besluit dd. 9.7.2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het enig middel van verzoeker in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Betreffende de motiveringsplicht Verzoeker beroept zich in een tweede onderdeel van zijn enig middel op een vermeende ‘schending van de motiveringsplicht’. Verwerende partij merkt op dat de in casu bestreden beslissing geenszins kan bestreden worden met een dergelijk omschreven middel. Immers, wat de vermelding betreft door verzoeker van de ‘schending van de motiverings- plicht’, merkt de verwerende partij op dat de voormelde omschrijving kan worden beschouwd als onvoldoende duidelijk en niet precies omschreven, alsook dat geen geschonden geachte rechtsregel (de aard van de rechtsbron - (Grond)wet, algemeen rechtsbeginsel, rechtsregel van inter- of supranationale oorsprong - wordt immers niet vermeld) wordt aangeduid. Deze omschrijving is bij elk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State noodzakelijk opdat er sprake zou kunnen zijn van een ‘middel’ in de zin van art. 20, lid 1, 2/ van het KB van 9 juli 2000 ( cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.). Wanneer een bepaalde rechtstoestand in verband kan worden gebracht met meerdere rechtsregels, quod est in casu met ‘schending van de motiveringsplicht’, dient de verzoekende partij in zijn inleidend verzoekschrift de door hem geschonden geachte rechtsregel(
- s)specifiek aan te duiden. Verzoeker blijft in gebreke aan deze vereiste te voldoen Verwerende partij is dan ook van oordeel dat het voorgaande toe laat te stellen dat dit onderdeel van het enig middel van verzoekende partij, in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Betreffende de vermeende schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en het zorgvuldigheidsbeginsel. Met betrekking tot de vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel laat de verwerende partij gelden dat dit onderdeel van het enig middel van verzoeker niet voldoende duidelijk is omschreven. Terwijl de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux ; H. LENAERTS : Administra- tieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles : Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is van oordeel dat verzoeker in gebreke blijft om in zijn beroepschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting van dit onderdeel van zijn enig middel te geven. Betrokkene beperkt er zich immers toe te vermelden dat er volgens hem sprake is van een ‘schending van het zorgvuldigheidsbeginsel’, zonder dat hij in zijn middel verder toelicht hoe de bestreden beslissing dit beginsel zou miskennen. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van dit onderdeel van het enig middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijkheid van het beroep betreffende dit onderdeel van het enig middel tot gevolg heeft. Geheel ten overvloede stelt verwerende partij dat uit de stukken van het dossier, waaronder deze m.b.t. de aanstelling van een medisch deskundige, duidelijk blijkt dat de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, gelet op de specifieke elementen die verzoekers concrete situatie kenmerken en geheel conform de ter zake relevante rechtsregels, het zorgvuldigheidsbeginsel incluis, terecht heeft geoordeeld dat geen uitzonderlijke omstandighe- den werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag niet kunnen indienen via de gewone procedure. Dit onderdeel van verzoekers enig middel kan niet aangenomen worden. XIV-18.938-5/10 Betreffende het art. 3 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Deze schending zou er concreet in bestaan dat de overheid zich door de uitzetting schuldig zou maken aan het onderwerpen van betrokkene aan een ‘onmenselijke en vernederende behandeling’. De verwerende partij merkt vooreerst op dat aan het door verzoeker kennelijk bedoelde verdragsvoorschrift is voldaan wanneer de bestreden beslissing tot stand is gekomen met eerbiediging ervan, daar de verwerende partij de uit dit voorschrift voortvloeiende verplichting- en slechts kan waarborgen binnen het eigen grondgebied (R.v.St. nr. 38.363, 19.12.199 1, Arr. R. v. St. 199 1, z.p.). Het terugleiden van een vreemdeling zou ten aanzien van het art. 3 EVRM een probleem kunnen doen rijzen wanneer er ernstige en duidelijke redenen zijn om te geloven dat de betrokkene een risico loopt op folteringen, onmenselijke of vernederende handelingen, doch deze bepaling impliceert geenszins dat een vreemdeling zondermeer het recht heeft het grondgebied van een bepaalde staat binnen te komen of er te verblijven. Er wordt in de bestreden beslissing terecht gesteld dat de problemen in verzoekers land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van verzoekers asielaanvraag, dewelke definitief werd verworpen. Verzoekers uiterst summiere en vage argumentatie overigens weinig geloofwaardig over en kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing. Ook dit onderdeel van verzoekers enige middel kan niet aangenomen worden.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het hiernavolgende stelt: “Wat de grond van de vordering betreft, handhaaft verzoeker de grieven van het inleidend verzoekschrift. De bestreden beslissing is niet logisch en coherent gemotiveerd en schendt aldus de motiveringsplicht: de bestreden beslissing verduidelijkt niet waarom de verblijfplaats van verzoeker als Roma-zigeuner niet uitzonderlijk of buitengewoon zou zijn, gelet op de vaststaande en algemeen bekende feiten dat de Slovaakse overheid tegen discriminatie van Roma-zigeuners weinig of geen bescherming biedt; de loutere stelling dat de situatie in de Slovaakse republiek verbeterd zou zijn, is in dat opzicht volstrekt onvoldoende. Door na te laten een volledig onderzoek uit te voeren naar de omstandigheden van de zaak, schendt te bestreden beslissing ook het zorgvuldigheidsbeginsel. Een gedwongen verwijdering met mogelijke vrijheidsberoving zou in de concrete omstandigheden van verzoeker als een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van art. 3 E.V.R.M. dienen te worden beschouwd.”; 3.2. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van “de wet van 15 december 1980 en de ter uitvoering van deze wet genomen besluiten, de beginselen van behoorlijk en de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en art. 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden”; Overwegende dat waar de verzoekende partij een inbreuk op artikel 3 van het E.V.R.M. aanvoert, dient te worden opgemerkt dat deze bepaling eist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat immers de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit XIV-18.938-6/10 te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar betoog beperkt tot een blote bewering; dat zij evenwel verzuimt enige concrete, op haar persoonlijke situatie betrokken feiten aan te brengen ter adstruering van haar bewering; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; 3.3. Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; XIV-18.938-7/10 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werd aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: -dat betrokkene nog een procedure hangende heeft bij de Raad van State aangaande zijn asielaanvraag op het moment van de aanvraag op basis van artikel 9§3 van de Vreemdelingenwet, is op zich niet uitzonderlijk en verhindert hem niet terug te keren naar zijn land van herkomst om aldaar een aanvraag in te dienen; - de bewering dat betrokkene geen verblijfsmachtiging kan aanvragen bij de Belgische diplomatieke post in het land van herkomst wordt niet concreet gestaafd met documenten waaruit zou moeten blijken dat dit specifiek voor betrokkene het geval is; - de problemen in zijn land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag; deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 19/09/2001 en ter kennis gebracht op 21/09/2001, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen; - wat het ingeroepen medisch probleem betreft: uit het expertiseverslag van onze controlegeneesheer blijkt dat, gezien de aard van het gezondheidsprobleem, betrokkene niet beter kan verzorgd worden in België dan in zijn land van herkomst; betrokkene kan, nog steeds volgens het verslag, begeleid reizen; gezien het feit dat de nodige behandeling evengoed voorhanden is in het land van herkomst als in België en gezien ook het feit dat de aanvraag op basis van artikel 9§3 van de ouders van betrokkene ook onontvankelijk werd verklaard, kan de terugkeer gebeuren; XIV-18.938-8/10 - betrokkene dient contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Slowaakse vertegenwoordiging in België ten einde zijn terugkeer voor te bereiden; Overwegende dat waar de verzoekende partij in haar enig middel vooreerst aanvoert dat “een gedwongen verwijdering (...) in de concrete omstandigheden (...) als een onmenselijke of vernederende behandeling dient te worden beschouwd”, de vaststelling volstaat dat deze eventuele “gedwongen verwijdering” niet het gevolg kan zijn van de thans bestreden beslissing, doch louter kan voortvloeien uit het reeds eerder uitgevaardigde bevel om het grondgebied te verlaten van 20 maart 2000, dat “herleefde” door de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal van 19 september 2001 en dat definitief is geworden sinds het arrest nr. 147.889 van 28 juli 2005 van de Raad van State; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens aanvoert dat ze als Roma-zigeuner in haar land van herkomst wordt gediscrimineerd en dat ze de minister van Binnenlandse Zaken verwijt niet te hebben “onderzocht (...) in welke mate de Slowaakse autoriteiten tegen deze discriminatie bescherming bieden”; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent in de bestreden beslissing verwijst naar de bevestigende beslissing van weigering van verblijf die de Commissaris-generaal heeft genomen in het kader van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat gelet op het feit dat haar asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard onder meer op grond van het kennelijk ongegronde karakter ervan, voormelde verwijzing door de minister van Binnenlandse Zaken niet als kennelijk onredelijk overkomt; Overwegende dat de verzoekende partij er geenszins in slaagt de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen of beginselen aannemelijk te maken; dat het enig middel ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-18.938-9/10 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-18.938-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.851 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div