id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.854 Rolnummer: A. 139950/XIV-16200 Zaak: Arrest 167854 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Fiche Arrest nr 167.854 van 15 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.854 van 15 februari 2007 in de zaak A. 139.950/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 oktober 1975 en van Afghaanse nationaliteit, op 4 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 11 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 3 juli 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.200-1/21 Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RENDERS, die loco Advocaat T. HERMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. BETTENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 2 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 8 augustus
- 1.
- Op 8 mei 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 4 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde dat u een Afghaans staatsburger bent van Hindu religie, dat u afkomstig bent uit Kaboel en dat u getrouwd bent met XXX. Toen de Mujdaheddin aan de macht waren in Afghanistan in de periode 1371-1375 (volgens de Afghaanse kalender, stemt overeen met 1992-96 in de Gregoriaanse kalender) werd de winkel van uw vader geplunderd door de Mudjaheddin. Zelf had u geen persoonlijke problemen met de Mudjaheddin omdat u steeds thuis bleef. Toen de Taliban aan de macht kwamen in Afghanistan in 1375
(1996), kreeg uw man problemen met hen. Uw man werd tweemaal lastiggevallen door de Taliban: ze braken zijn arm en plunderden zijn winkel. Omwille van deze problemen, vluchtte u in maart 1999 met uw man naar de Hindu tempel in Jalalabad. Daar trouwde u met uw man en leefde u ondergedoken tot aan uw vertrek. Uiteindelijk hebt u samen met uw man Afghanistan verlaten op 26 juli
- Volgens uw verklaringen kwam u op 08 augustus 2000 in België aan, waar u dezelfde dag asiel heeft aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Actueel vreest u in Afghanistan te zullen worden vervolgd omwille van het feit dat u tot de Hindu-minderheid behoort. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot. Zowel uw man als u verklaarden immers voor het Commissariaat-generaal (CGVS) Afghanistan te zijn ontvlucht omwille van zijn problemen (gehoorverslag CGVS p. 3 en gehoorverslag CGVS man p. 3). Wat betreft zijn asielaanvraag werd een bevestigende beslising van weigering van verblijf genomen, daar zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Derhalve dient ook voor u besloten te worden tot de kennelijke ongegrondheid van deze problemen. XIV-16.200-2/21 Aangaande de persoonlijke problemen die u aanbrengt ter staving van uw asielrelaas, dient te worden opgemerkt dat deze onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Er dient immers te worden vastgesteld dat u in uw asielrelaas geen ernstige concrete en persoonlijke vervolging door de Mudjaheddin aanhaalt. Hierdoor kan niet worden gesteld dat u een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren ten aanzien van het huidige Mudjaheddinregime, dat nu aan de macht is sinds het verdrijven van de Taliban. U verklaarde weliswaar voor het Commissariaat-generaal (CGVS) dat de winkel van uw vader geplunderd werd door de Mudjaheddin (zie gehoorverslag CGVS p. 2), maar deze problemen kunnen niet worden beschouwd als een persoonsgerichte vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Bovendien verklaarde u zelf dat u geen persoonlijke problemen had met de Mudjaheddin in de periode 1992-96 omdat u steeds thuis bleef (gehoorverslag CGVS p. 2). Er kan dan ook worden besloten dat u niet aannemelijk kan maken waarom u nu wel het slachtoffer zou worden van een persoonsgerichte vervolging door de Mudjaheddin. Aangaande uw actuele vrees voor vervolging door de Afghaanse autoriteiten omwille van uw Hindu religie, dient te worden opgemerkt dat uit de informatie waarover het Commissari- aat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat er in Afghanistan in het algemeen tolerantie bestaat tegenover religieuze minderheden zoals Hindoes en dat zij in de gegeven omstandigheden het recht hebben om hun godsdienst te belijden. Evenmin zijn er berichten dat Hindoes in Afghanistan omwille van hun geloofsovertui- ging worden lastiggevallen. U heeft verder geen persoonlijke, noch concrete elementen of motieven aangehaald waaruit zou blijken dat u actueel om redenen vermeld in de Conventie van Genève door de Afghaanse autoriteiten zou worden geviseerd met het oog op vervolging. Tenslotte is het door u voorgelegde document, uw identiteitskaart, niet van die aard dat het bovenstaande appreciatie van uw dossier kan wijzigen. Dit document betreft enkel identiteitsge- gevens, waar hier niet wordt aan getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken. (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “EERSTE MIDDEL : SCHENDING VAN HET RECHT VAN VERDEDIGING DOOR EEN GEBREK, ONDUIDELIJKHEID EN DUBBELZINNIGHEID IN DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze heeft geantwoord op het verzoekschrift tot dringend beroep dat verzoekende partij had laten geworden aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, en waarin duidelijk gesteld werd dat verzoekende partij wel degelijk gegronde reden had voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en vooral afdoende motivering van een dergelijke beslissing vereisen. Zodat de kwestieuze beslissing derhalve niet ten genoege van rechte heeft aangetoond dat er onvoldoende vrees zou bestaan voor vervolging. Toelichting : XIV-16.200-3/21 Volgens verzoekende partij volstaat het niet om louter te verwijzen naar de beslissing dd. 8 mei 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken teneinde haar de hoedanigheid van vluchteling te weigeren. Dat geen van de aangewende motieven klemmen, nu geen van hen voorzien is als een reden tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en dat de vermelde redenen niet volstaan. Het Commissariaat-Generaal beperkt zich bij haar argumentatie in hoofdzaak tot de stelling dat uit de door verzoekende partij aangehaalde feiten niet zou blijken dat zij haar land van herkomst verlaten heeft uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie. Verzoekende partij kan zich hier niet akkoord mee verklaren, omdat zij tijdens haar beide interviews steeds zeer duidelijk heeft aangegeven dat er wel degelijk een politiek en religieus aspect gelegen is aan de problematiek die haar treft. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder ‘Feiten’ reeds omstandig uiteenzette en is van mening dat de stelling van het Commissariaat-Generaal slechts haar onwil aantoont om zich een waarheidsgetrouw beeld te vormen van de concrete situatie waar verzoekende partij zich in bevond. Een aantal gegevens worden door het Commissariaat-Generaal duidelijk verkeerd begrepen en/of geïnterpreteerd : Het Commissariaat-Generaal stelt vooreerst dat verzoekende partij geen gegevens van ernstige, concrete en persoonlijke vervolging door de Mudjaheddin aan zou brengen. Verzoekende partij kan hiermee niet akkoord gaan, en wel omdat men dient rekening te houden met de feitelijke situatie in Afghanistan, waarbij Hindoes manifest gediscrimineerd worden en constant lastiggevallen, dikwijls gepaard met beledigingen en vernederingen maar eveneens zeer regelmatig met zware mishandelingen en moord. Deze problematiek is zodanig ingebakken in de Afghaanse maatschappij dat ze continu blijft bestaan, ook tijdens en na de diverse regimewisselingen van de laatste twintig jaar (van Communistische Partij naar Mujaheddin, van Mujaheddin naar Taliban, en nu weer naar hoofdzakelijk Mudjaheddin). Tijdens al deze regimes zijn Hindoes altijd al zwaar gediscrimineerd geweest en beladen met de zonden van de wereld. Hun situatie is eigenlijk perfect vergelijkbaar met die van de Joden in de jaren dertig en veertig van vorige eeuw. : S Hindoes in Afghanistan zijn ondernemend en actief als zelfstandige winkeliers, hetgeen afgunst opwekt net zoals dat bij ons ook het geval was met de Joden. S Hindoes zijn verplicht om zich aan bepaalde kledingvoorschriften te houden, op straffe van vervolging. Wat is het verschil met de beruchte oranje ster die Joden moesten dragen opdat iedereen hen zou herkennen ? Heeft de internationale gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog dit feit op zich niet altijd verworpen als uiterst vernederend, manifest discriminerend en absoluut onaanvaardbaar ? Verzoekende partij vraagt zich af waarom het CommissariaatGeneraal nu dan blijkbaar geen probleem heeft met het feit dat de Hindoes nog veel rigoureuzere kledingvoorschriften dienen na te leven. S In de Afghaanse maatschappij lijkt het de gewoonste zaak van de wereld dat Hindoes mogen beschimpt, beledigd en mishandeld worden, dat hun handelszaken en woningen mogen geplunderd worden en hun vrouwen aangerand en verkracht ... allemaal omdat het ongelovigen en afvalligen zijn. De slachtoffers staan bovendien compleet machteloos omdat het neerleggen van een klacht met 100% zekerheid nooit tot een onderzoek, laat staan dat de daders vervolgd worden. Dit wordt overigens bevestigd door de vaststellingen van internationale mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International. Weerom is er sprake van een perfecte gelijkenis met de situatie van de Joden voor en tijdens de tweede wereldoorlog : de hele wereldgemeenschap heeft deze Jodenvervolging nadien in de meest krachtige termen veroordeeld en gezworen dat dergelijke feiten zich nooit meer mogen herhalen, ten aanzien van eender welke bevolkingsgroep in de wereld. Verzoekende partij stelt echter vast dat het Commissariaat-Generaal in haar beslissing compleet voorbijgaat aan deze manifeste discriminaties ten aanzien van Hindoes in Afghanistan, en de problemen van verzoekende partij minimaliseert en uit hun context rukt, waardoor zij scrupuleus een beslissing tot weigering van verblijf kan afleveren. Het bij een raketaanval doelbewust vernielen van de handelszaken van verzoekende partij en andere Hindoes door de Mudjaheddin wordt afgedaan als een toevallig incident : pech gehad. Het feit dat verzoekende partij bij wijze van voorbeeld vermeld dat hij op straat werd aangesproken door Mudjaheddin omdat hij de kledingvoorschriften niet zou naleven, wordt beperkend geïnterpreteerd alsof dat de enige keer zou zijn, terwijl verzoekende partij dagelijks (!) met dat soort discriminerende daden geconfronteerd werd. Verzoekende partij heeft de stellige indruk dat haar verklaringen op de meest rigoureuze wijze worden uitgevlooid, op zoek naar het kleinste element om zijn asielaanvraag toch maar te kunnen afwijzen, en waarbij haar verhaal op een volkomen ongeoorloofde en subjectieve wijze wordt geïnterpreteerd en op een verkeerde manier wordt gereproduceerd, terwijl XIV-16.200-4/21 anderzijds gewoon wordt voorbijgegaan aan een aantal zeer manifeste feiten die duidelijk aantonen dat er wel degelijk sprake is van een politiek probleem ! Het politieke aspect is hier overduidelijk : de huidige Afghaanse overheid handhaaft een aantal discriminerende wetten en ongeschreven regels ten aanzien van Hindoes, alsook haar lakse optreden tegen de daders van misdrijven tegen Hindoes en hun eigendommen. Daarmee geeft zij overduidelijk te kennen dat de Hindoes een bevolkingsgroep zijn die blijkbaar niet gelijk is aan de andere etnische groepen van het land. Dergelijke discriminatie en de manifeste weigering om de Hindoes te beschermen tegen hun agressors (die dikwijls ook overheidsfunctionarissen zijn) is voldoende om te spreken van een vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen voert als tweede argument aan dat er in hoofde van verzoekende partij geen actuele vrees zou bestaan voor de Afghaanse autoriteiten omwille van haar Hindoe afkomst en religie. Het Commissariaat-Generaal verwijst daarvoor naar ‘informatie’ waaruit zou blijken dat Afghanistan in het algemeen tolerant zou zijn ten aanzien van religieuze minderheden zoals Hindoes, en dat zij in de gegeven omstandigheden het recht hebben om hun godsdienst te belijden. Het Commissariaat-Generaal stelt verder dat zij geen berichten heeft die stellen dat Hindoes omwille van hun geloofsovertuiging worden lastiggevallen. Verzoekende partij is van mening dat dergelijk argument getuigt van het cynisme en het absolute onbegrip waarmee zijn asielaanvraag behandeld wordt. Verzoekende partij heeft de stellige indruk dat het Commissariaat-Generaal de zaken lijkt de willen manipuleren door doelbewust enkel die informatie te gebruiken die haar het best uitkomt. Men kan zich daarom terecht de vraag stellen in hoeverre dergelijke behandeling van een asieldossier nog correct, objectief en rechtvaardig kan zijn ! Verzoekende partij verwijst immers naar een aantal zeer recente, objectieve artikelen uit de internationale media en van Amnesty International waaruit blijkt dat de situatie in Afghanistan ten aanzien van etnische en religieuze minderheden zeer precair is. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen zij hiervoor reeds vermeldde en waaruit onmiskenbaar blijkt dat er wel degelijk sprake is van discriminatie ten aanzien van de Hindoes, dat de ganse Afghaanse samenleving er van hoog tot laag van doordrongen is, dat er zelfs zeer betwistbare gerechtelijke uitspraken bekend zijn die de misdrijven ten aanzien van Hindoes bijna goedkeuren, en dat overheid en politie in het algemeen manifest weigeren om enige bescherming te bieden aan mensen die er het slachtoffer van worden. Agressie op Hindoes is met andere woorden dagelijkse kost in Afghanistan !! Verzoekende partij merkt overigens op dat men met stukken eender wat kan bewijzen : Hiervoor werd reeds duidelijk dat de Afghaanse overheid het probleem in de doofpot steekt, zelfs weigert te erkennen dat er een probleem is. Het is dan nogal voorspelbaar dat er in geen enkel officieel document melding zal gemaakt worden van een probleem terzake, hetgeen echter niet betekent dat er geen probleem bestaat ! Men hoeft er de onafhankelijke kranten en mensenrechtenrapporten maar eens op na te lezen en men weet genoeg ... Bovendien, zelfs indien uit de stukken zou blijken dat de Hindoe gemeenschap in Afghanistan niet zou lastig gevallen worden (quod non), dan betekent dit nog niet dat verzoekende partij persoonlijk geen probleem zouden gehad hebben. Het gaat niet op dat de Commissaris-Generaal zich in zijn argumentatie beperkt tot de verwijzing naar een algemeen document : als van verzoekende partijen uitdrukkelijk gevraagd wordt om hun verhaal in concreto te vertellen, met weglating van de algemene problematiek van hun land, dan mag ook het Commissariaat-Generaal geen argumenten in globo gebruiken om het verhaal van verzoekende partijen in twijfel te trekken ! Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet- beschermeling in de zin van de Conventie van Genève. Verzoekende partij verwijst overigens naar de rapporten van het OCIV, waar men elk jaar opnieuw zware kritiek uit op de kwaliteit van de interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Telkens komt het erop neer dat de kandidaat-asielzoekers weinig of niet geïnformeerd worden met betrekking tot de procedure. Zo bijvoorbeeld wordt aan de kandidaat-vluchteling in veel gevallen niet eens gemeld dat zijn asielaanvraag zal beoordeeld worden aan de hand van het verhaal dat hij vertelt tijdens het interview dat men van hem afneemt. Bovendien worden betrokkenen meestal dringend aangemaand om enkel te antwoorden op de vragen, zonder uit te weiden. Anderzijds wordt ook kritiek geuit op het feit dat slechts een fractie van hetgeen verteld wordt, ook effectief wordt neergeschreven. Op die manier kan het ‘interview’ natuurlijk gemakkelijk gemanipuleerd worden, en is het niet moeilijk om ervoor te zorgen dat bepaalde passages uit het verhaal van de kandi- daat-asielzoekers compleet worden overgeslagen. Verzoekende partij merkt op dat zij over haar problemen in Afghanistan uren en dagen non stop zouden kunnen vertellen. Dit betekent dat zelfs een interview van enkele uren slechts een XIV-16.200-5/21 beperkte weergave kan geven van de gebeurtenissen waar verzoekende partij mee geconfron- teerd werd. Gelet op het beperkte tijdsbestek (één voor- of namiddag voor twee interviews) zien zij zich verplicht om een selectie te maken, waardoor altijd en onvermijdelijk een aantal gebeurtenissen noodgedwongen onbesproken blijven of slechts zeer zijdelings worden aangehaald. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. In casu is dit het geval : verzoekende partij kreeg niet de kans om over haar problemen en lotgevallen uitgebreid te vertellen omdat er werd gefocust op andere - minder belangrijke elementen. Verzoekende partij werd aangemaand om slechts op de vragen te antwoorden, en beperkte haar antwoorden derhalve beleefdheidshalve tot de vragen die haar gesteld werden. Het feit dat aan verzoekende partij bij het einde van het interview gevraagd wordt of zij nog iets aan haar verklaringen wil toevoegen, is de facto eigenlijk een vraag pro forma : verzoekende partij zal misschien nog één en ander zeggen over de tijdens het interview besproken zaken, doch zal zelden beginnen vertellen over nieuwe, nog onbesproken elementen. Overigens blijkt meestal uit de lichaamstaal van de interviewer dat het inmiddels hoog tijd is om af te ronden, zodat de kandidaat-asielzoeker zijn eventuele antwoord kort houdt, uit beleefdheid en uit vrees om een slechte indruk te maken. Verzoekende partij heeft de indruk dat het Commissariaat-Generaal niet snel tevreden is, en haar verklaring tot in de kleinste details heeft uitgevlooid op zoek naar een element dat kan aangewend worden voor afwijzing van de asielaanvraag. Betekent dit daarom dat aan de inhoud van haar verklaring geen geloof kan worden gehecht ? Betekent dit dat in casu geen geloof kan worden gehecht aan het feit dat verzoekende partij vervolgd wordt door de overheid van haar land om zuiver etnische en religieuze redenen ? Betekent dat in casu geen geloof kan worden gehecht aan het feit dat zij omwille van haar etnische afkomst continu slecht behandeld wordt, zowel door de burgerbevolking alsook door de overheidsfunctionarissen, en waarbij de autoriteiten manifest weigeren om haar op zijn minst de nodige bescherming te geven, laat staan de daders te berechten en te straffen. Verzoekende partij meent van niet. Aangezien uit de verklaringen van verzoekende partij duidelijk gebleken is, minstens voldoende ernstig naar voor gekomen is, dat zij voldoende redenen had en heeft om minstens te vermoeden dat haar leven en/of vrijheid in gevaar is in het land van herkomst. Dat een algemene sfeer van bedreiging en onveiligheid in het land van herkomst inderdaad niet als een voldoende voorwaarde geldt om het vluchtelingenstatuut te verkrijgen, maar dat er integendeel sprake moet zijn van ‘gegronde vrees’ en ‘vervolging’. Vervolging hoeft echter niet noodzakelijk te betekenen dat de overheid een politiek van actieve vervolging voert of steunt; Het kan ook verwijzen naar de onwil of de onbekwaamheid van de overheid om bescherming te bieden en maatschappelijke dreigingen te bestrijden. In het geval van Afghanistan is er zelfs sprake van actieve vervolging van Hindoes. De onwil om bescherming te bieden vloeit daar noodzakelijkerwijze uit voort. Het verhaal van verzoekende partij toont dit glashelder aan. Overigens hebben diverse rapporten van internationale mensenrechtenorganisaties en instanties dit als een feitelijk gegeven erkend. Ook het bewijzen van gegronde vrees is vaak een moeilijke zaak. Het wantrouwen van de asielzoekers tegenover administratieve beslissingen in eigen land nemen ze vaak mee naar de asielinstanties in de landen waar ze terechtkomen. Het nauwkeurig navertellen van de incidenten die ze hebben meegemaakt, zowat het belangrijkste onderdeel in de erkenningsprocedure, wordt dan ook vaak problematisch. Sommige details worden uitvergroot, terwijl andere aspecten (zoals de onwil van de nationale of lokale overheid om hen te beschermen) over het hoofd worden gezien. Daardoor worden de verklaringen van vluchtelingen sterk afhankelijk van de kwaliteit van het interview, en vooral van de gevoeligheid van de interviewer voor de sociale context waaruit zij komen. Het gaat niet op, te doen alsof het grote aantal weigeringen van asielaanvragen van kandidaatvluchtelingen bewijst dat hun toestand in de landen van herkomst uiteindelijk niet zo dramatisch is. Wat voor de meeste vluchtelingen geldt, geldt zeker voor deze mensen : men ontvlucht zijn land niet zomaar. Er zijn ondertussen aanwijzingen en getuigenissen genoeg die de verregaande politieke vervolgingen in Angola aantonen. Het is niet aanvaardbaar mensen terug te sturen naar zo'n mensonterende situatie. Ook Amnesty International en Human Rights Watch uitten reeds hun bezorgdheid over wat de asielzoekers te wachten staat bij hun terugkeer naar Afghanistan. De bestreden beslissing kon niet op rechtmatige wijze zomaar terugvallen op de verklaringen afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De bestreden beslissing is dan ook uiterst onduidelijk en zeer karig wat haar motivering betreft. XIV-16.200-6/21 De beslissing werd dan ook niet op afdoende wijze gemotiveerd. Het middel is gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- In hun eerste middel beroepen verzoekers zich op een schending van het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissingen. Artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen zouden geschonden zijn doordat in de bestreden beslissingen niet voldoende wordt geantwoord op de verzoekschriften tot dringend beroep waarin duidelijk wordt gesteld dat verzoekers wel degelijk reden had voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. 2.1.
- Met betrekking tot de rechten van verdediging merkt verweerder vooreerst op dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal een administratief en geen jurisdictioneel beroep is. De rechten van verdediging zoals ze van toepassing zijn voor rechtscolleges kunnen dus niet zomaar worden getransponeerd naar de administratieve beroepen zoals het dringend beroep bij de Commissaris-generaal (R.v.St., nr. 92.450, 19 januari 2001). 2.1.
- Met betrekking tot de formele motivering merkt verweerder op dat de bestreden beslissingen op correcte wijze zijn gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoekers zelf aangevoerd tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal, bevatten de bevestigende beslissingen gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. 2.1.
- Wat betreft de materiële motivering antwoordt verweerder dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de Commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Als onontvankelijkheidsgrond wordt de ‘kennelijke ongegrondheid’ in de wet vernoemd. Een aanvraag is volgens artikel 52, paragraaf 1, 7de van de Vreemdelingenwet kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem/haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een persoonlijke en systematische vrees voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag van Genéve. Verweerder stipt verder aan dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid inzake het ontvankelijkheidsonderzoek van verzoekers asielaanvraag correct heeft uitgeoefend. Artikel 6313 van Vreemdelingenwet biedt aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid hetzij een asielaanvraag niet ontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren. In de wet wordt echter niet uitdrukkelijk bepaald op grond van welke criteria de Commissaris-generaal kan besluiten tot de onontvankelijkheid van een asielaanvraag. De verschillende onontvankelijksheidsgronden waarop de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde zich kan beroepen worden opgesomd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Aangezien de Commissaris-generaal de weigering van verblijf, genomen door de Minister of zijn gemachtigde kan bevestigen is het logisch dat hij dit eveneens doet op basis van dezelfde onontvankelijkheidsgronden. 2.1.
- Verzoekers voeren aan dat de Commissaris-generaal slechts haar onwil aantoont om zich een waarheidsgetrouw beeld te vormen van de concrete situatie waarin verzoekende partij zich bevindt. 2.1.4.
- In casu oordeelde en verduidelijkte de Commissaris-generaal dat verzoekers geen concrete en persoonlijke vervolging door de Mudjaheddin aanhalen, zodat niet kan gesteld worden dat verzoekers een gegronde vrees voor vervolging dienen te koesteren ten aanzien van het huidige Mudjaheddinregime, dat nu aan de macht is sinds het verdrijven van de Taliban. Verweerder benadrukt dat verzoeker, in tegenstelling tot wat hij beweert in voorliggend verzoekschrift, uitdrukkelijk verklaarde éénmaal persoonlijke problemen te hebben gehad met de Mudjaheddin toen hij op straat werd aangesproken omdat hij niet in orde was met de kledingvoorschriften (p. 4 gehoorverslag CGVS verzoeker). Verzoekster verklaarde verder dat de winkel van haar vader geplunderd werd door de Mudjaheddin, doch deze problemen kunnen niet worden beschouwd als een persoonsgerichte vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie (p. 2 gehoorverslag CGVS verzoekster). Aangezien verzoekers geen andere persoonlijke problemen hadden met de Mudjaheddin in de periode 1992-96, kan worden besloten dat verzoekers niet aannemelijk maken waarom zij nu wel het slachtoffer van een persoonlijke vervolging door de Mudjaheddin zouden worden. De bestreden beslissingen stellen verder omstandig vast dat wat verzoekers actuele vrees voor vervolging door de Afghaanse autoriteiten betreft omwille van hun Hindu religie, uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er in Afghanistan in het algemeen tolerantie bestaat tegenover religieuze minderheden zoals Hindoes en dat zij in de XIV-16.200-7/21 gegeven omstandigheden het recht hebben om hun godsdienst te belijden. Evenmin zijn er berichten dat Hindoes in Afghanistan omwille van hun geloofsovertuiging worden lastiggeval- len. Dat verzoekers geen bescherming zouden krijgen van de Afghaanse autoriteiten omwille van hun Hindoe religie, kan dan ook niet worden volgehouden. 2.1.4.
- Verweerder merkt verder op dat aan de Commissaris-generaal geen appreciatiefout kan worden verweten daar waar hij de door verzoekers afgelegde verklaringen toetst aan recente informatie betreffende de toestand van Hindoes in Afghanistan. Bovendien blijkt dat de informatie in het administratief dossier afkomstig is van verschillende onafhankelijke bronnen, die allen bevestigen dat er in Afghanistan in het algemeen tolerantie bestaat tegenover religieuze minderheden zoals Hindoes en dat zij in de gegeven omstandigheden het recht hebben om hun godsdienst te belijden. Er kan in alle redelijkheid niet worden getwijfeld aan de geloofwaardig- heid van de in het antwoorddocument vervatte informatie. Verzoekers maken in voorliggende verzoekschriften nog een vage verwijzing naar internationale mensenrechtenrapporten en artikelen uit de internationale media, doch slagen ze er geenszins in om de overwegingen, zoals opgenomen in de bestreden beslissingen, met relevante en concrete gegevens te weerleggen. Verzoekers blijven steken in een loutere bewering en brengen geen concrete elementen aan die toelaten hun beweringen te staven. Verweerder wijst er op dat het louter aanhalen van een vrees voor vervolging op zich niet volstaat om te kunnen besluiten dat deze vrees reëel is. Deze dient immers ook steeds getoetst te worden aan enkele objectieve vaststellingen. Verzoekers halen geen persoonlijke, noch concrete elementen of motieven aan waaruit zou blijken dat zij actueel om redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie door de Afghaanse autoriteiten zouden worden geviseerd met het oog op vervolging. 2.1.4.
- Verzoekende partij verwijst naar de rapporten van het OCIV, waar men eik jaar opnieuw zware kritiek uit op de kwaliteit van de interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. Verweerder antwoordt vooreerst dat er redelijkerwijze mag aangenomen worden dat verzoekers, die beweren te vrezen voor hun vrijheid en leven en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vragen, van bij de aanvang van de asielprocedure in België, alle elementen ter ondersteuning van hun asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengen, zeker de elementen die de directe aanleiding van hun vertrek of vlucht uit hun land van herkomst vormden. Verder wijst verweerder erop dat vraag 42 van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken een zeer algemene vraag betreft, waarbij verzoekers uitgebreid de kans krijgen om haar asielmotieven uiteen te zetten. Ook op het Comissariaat-generaal werden precieze en gedetailleerde gegevens van het asielrelaas weergegeven en er zijn geen aanwijzingen dat er zich moeilijkheden zouden hebben voorgedaan. Alhoewel verzoekers op het einde van hun gehoor de kans kregen om toevoegingen te doen, haalden zij noch persoonlijke, noch concrete elementen of motieven aan waaruit zou blijken dat zij actueel om redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie zouden worden geviseerd met het oog op vervolging (p. 6 gehoorverslag CGVS verzoeker, p. 3 gehoorverslag verzoekster). Verweerder stelt vast dat verzoekers enkel loze beweringen maken over de wijze waarop gehoor zou verlopen, zonder deze bewering van enige vorm van staving te voorzien. 2.1.
- Volledigheidshalve wijst verwerende partij erop dat elke asielaanvraag door de Commissaris-generaal afzonderlijk wordt onderzocht. Alvorens een beslissing te nemen, bestudeert hij alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. Elke asielaanvraag wordt individueel benaderd. De Commissaris-generaal houdt bij het nemen van een beslissing, zowel in de ontvankelijkheidsfase als bij de procedure ten gronde, steeds rekening met de concrete situatie in het land van herkomst. Bovendien gaat het steeds om de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land gebeurt in eik stadium van de procedure. Feiten en elementen eigen aan elke concrete asielaanvraag zijn bepalend bij de beoordeling van het dossier door de Commissaris-generaal. De bestreden beslissingen zijn afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen werden kenbaar gemaakt. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze heeft geantwoord op het verzoekschrift tot dringend beroep waarin volgens haar werd aangetoond dat zij “wel degelijk gegronde XIV-16.200-8/21 reden had voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève”, en dit terwijl volgens de verzoekende partij de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en afdoende motivering vereisen; 2.1.
- Overwegende dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat de rechten van verdediging werden geschonden, vaststaat dat de procedure voor de Commissaris- generaal geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve procedure; dat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn op beslissingen die worden genomen in het kader van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 97 van de Grondwet bepaalt dat alleen Belgen minister kunnen zijn; dat niet wordt ingezien hoe de bestreden beslissing deze bepaling zou kunnen hebben geschonden; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - uit de verklaringen van de verzoekende partij blijkt dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar echtgenoot; dat zowel haar echtgenoot als XIV-16.200-9/21 zijzelf voor het Commissariaat-generaal verklaarden Afghanistan te zijn ontvlucht omwille van problemen van de echtgenoot van de verzoekende partij; dat, wat betreft de asielaan- vraag van de echtgenoot van de verzoekende partij, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, daar zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat derhalve ook voor de verzoekende partij dient te worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van haar asielrelaas; - aangaande de persoonlijke problemen die de verzoekende partij aanbrengt ter staving van haar asielrelaas, dient te worden opgemerkt dat deze onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; dat er immers dient te worden vastgesteld dat zij in haar asielrelaas geen ernstige concrete en persoonlijke vervolging door de Mudjaheddin aanhaalt; - hierdoor niet kan worden gesteld dat zij een gegronde vrees voor vervolging dient te hebben ten aanzien van het huidige Mudjaheddinregime, dat aan de macht is sinds het verdrijven van de Taliban; dat de verzoekende partij voor het Commissariaat-generaal weliswaar verklaarde dat de winkel van haar vader werd geplunderd werd door de Mudjaheddin, maar deze problemen niet kunnen worden beschouwd als een persoonsgerichte vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partij bovendien zelf verklaarde dat zij geen persoonlijke problemen had met de Mudjaheddin in de periode 1992-96 omdat zij steeds thuis bleef; dat de verzoekende partij het derhalve niet aannemelijk maakt waarom zij nu wel het slachtoffer zou worden van een persoonsgerichte vervolging door de Mudjaheddin; - aangaande de actuele vrees van de verzoekende partij voor vervolging door de Afghaanse autoriteiten omwille van haar Hindu-religie, dient te worden opgemerkt dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat er in Afghanistan in het algemeen tolerantie bestaat tegenover religieuze minderheden zoals Hindoes en dat zij in de gegeven omstandigheden het recht hebben om hun godsdienst te belijden; dat er evenmin berichten zijn dat Hindoes in Afghanistan omwille van hun geloofsovertuiging worden lastiggevallen; dat de verzoekende partij verder geen persoonlijke, noch concrete elementen of motieven heeft aangehaald waaruit zou blijken dat zij actueel om redenen vermeld in de Vluchtelingencon- ventie door de Afghaanse autoriteiten zou worden geviseerd met het oog op vervolging; Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de verzoekende partij zich beperkt tot een aantal feitelijke beweringen welke in wezen neerkomen op een herhaling van haar asielrelaas teneinde aan te tonen dat het wel degelijk voldoet aan de criteria van de Vluchtelingencon- ventie; dat de verzoekende partij bijgevolg wil aantonen dat de Commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats de taak is van de bevoegde overheid; dat het evenwel niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn XIV-16.200-10/21 wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen; dat de verzoekende partij dit aan de hand van haar feitelijke uiteenzetting niet aannemelijk maakt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij omdat de elementen die zij aanbrengt in haar asielrelaas onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen worden beschouwd als een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar de verzoekende partij bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, zij een verklaring post factum geeft die voormelde overwegingen evenwel niet ontkracht; dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen aflegt, en dat hij de feiten die de aanleiding vormden voor zijn vlucht uit zijn land van herkomst, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielrelaas, op een zorgvuldige, nauwkeurige, coherente en geloofwaardige wijze weergeeft in iedere fase van het onderzoek, zodat op grond ervan kan worden nagegaan of er met betrekking tot de asielzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van ernstige aanwijzingen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchteling- enconventie; dat de verzoekende partij het enkel aan zichzelf heeft te wijten indien zij bepaalde gegevens niet heeft vermeld; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat het verhoorverslag voor het Commissariaat-generaal geen authentieke akte of proces-verbaal uitmaakt; dat het niettemin, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet; dat de verzoekende partij mag bewijzen dat hetgeen in het verhoorver- slag werd neergeschreven, op een andere manier door haar werd gezegd; dat de verzoekende partij haar beweringen evenwel dient te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens; dat, gelet op het feit dat de verzoekende partij zich in casu beperkt tot loutere beweringen die zij niet uitwerkt aan de hand van concrete gegevens, geen afbreuk wordt gedaan aan het vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid van het verhoorverslag voor het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij geen opmerkingen heeft gemaakt over het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat zij evenmin concrete elementen aanduidt die in het verhoorverslag verkeerd zouden zijn weergegeven; dat de verzoekende partij derhalve niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat haar vluchtrelaas op een volkomen ongeoorloofde en subjectieve wijze werd geïnterpreteerd en op een verkeerde manier werd gereproduceerd; dat de verzoekende partij evenmin kan worden gevolgd waar zij stelt dat de XIV-16.200-11/21 raketaanval waarbij de winkel van haar vader werd vernield, er doelbewust toe strekte de handelszaken van de verzoekende partij en andere Hindoes te vernielen, noch waar zij, met betrekking tot de kledingsvoorschriften, stelde dat haar echtgenoot dagelijks met dergelijke vormen van discriminatie werd geconfronteerd; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat rekening dient te worden gehouden met de feitelijke situatie in Afghanistan waarbij Hindoes manifest gediscrimineerd en lastig gevallen worden, en verwijst naar een aantal vaststellingen van internationale mensenrechtenorganisaties; dat de situatieschets van de verzoekende partij betreffende de Hindoes in Afghanistan gebaseerd is op loutere beweringen van de verzoekende partij zelf, die zij geenszins tracht te staven; dat de verzoekende partij weliswaar verwijst naar de vaststellingen van internationale mensenrechtenorganisaties, doch niet uitdrukkelijk vermeldt om welke vaststellingen het precies gaat; dat het bovendien een algemene verwijzing betreft naar de volgens de verzoekende partij bestaande situatie in haar land van herkomst en een algemene verwijzing naar een aantal vaststellingen van internationale mensenrechtenorganisaties die zij niet betrekt op haar individuele en persoonlijke situatie; dat de verzoekende partij er als dusdanig niet in slaagt de vaststellingen van de Commissaris-generaal te weerleggen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij in haar verzoekschrift verwijst naar “OCIV”-rapporten om haar kritiek op het verloop van het verhoor op het Commissariaat- generaal te onderbouwen, vermits zij nalaat om concrete fouten of onvolkomendheden in de verhoorverslagen aan te duiden; dat de verzoekende partij evenmin kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat slechts een fractie van hetgeen zij heeft verteld ook daadwerkelijk zou zijn neergeschreven, vermits zij in haar uiteenzetting niet toelicht welke elementen van haar relaas niet in de verhoorverslagen van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal zouden zijn opgenomen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij, met betrekking tot het tweede motief van de bestreden beslissing, met name dat in hoofde van de verzoekende partij geen actuele vrees voor vervolging door de Afghaanse autoriteiten bestaat en waarvoor de Commissaris-generaal verwijst naar informatie waarover hij beschikt, stelt dat de Commissaris-generaal de zaken lijkt te willen manipuleren door doelbewust enkel die informatie te gebruiken die hem het best uitkomt, noch waar zij twijfelt aan de correctheid, objectiviteit en rechtvaardigheid van een dergelijke behandeling van een asieldossier, noch waar zij verwijst naar een aantal artikelen uit de internationale media en van Amnesty International, noch waar zij beweert dat men met stukken eender wat kan bewijzen en dat in geen enkel officieel document melding zal worden gemaakt van een probleem terzake; dat de Commissaris-generaal zich met betrekking tot voormeld motief heeft gesteund op informatie afkomstig van CEDOCA, een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst; dat deze informatie afkomstig is van o.m. Amnesty International, Human Rights Watch, de “International Crisis Group”, en van de “Danish Immigration Service”; dat uit deze informatie blijkt dat er geen indicaties zijn van een geïnstitutionaliseerd beleid van vervolging van de Hindoes en Sikhs op religieuze gronden door de interim- en overgangsregering in Kabul, alsook dat de religieuze minderheden hun geloof vrijelijk kunnen beleven; dat de Commissaris-generaal hieruit XIV-16.200-12/21 redelijkerwijze kon afleiden dat de verzoekende partij geen gegronde vrees voor vervolging door de Afghaanse autoriteiten aannemelijk maakt; dat de verzoekende partij deze overweging niet weerlegt aan de hand van een algemene verwijzing naar artikelen uit de internationale media en van Amnesty International; dat de verzoekende partij de inhoud van het CEDOCA-rapport evenmin weerlegt; dat de verzoekende partij, waar zij aanvoert dat, indien uit de stukken zou blijken dat de Hindoe-gemeenschap in Afghanistan niet zou worden lastiggevallen, dit nog niet betekent dat zij persoonlijk geen problemen zou hebben gehad, de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene en vage bewering, doch nalaat deze te staven met een begin van bewijs; dat zij zich voor het overige beperkt tot het herhalen van haar asielmotieven, en tot het formuleren van algemene en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op haar persoonlijke situatie; dat de verzoekende partij niet uitlegt waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat de verzoekende partij haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van de verzoekende partij grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 33 VAN DE CONVENTIE VAN GENEVE MET BETREKKING TOT DE STATUS VAN VLUCHTELING VAN 8 JULI 1951 Doordat de bestreden beslissing bepaalt dat verzoekende partij dient te worden teruggeleid naar Afghanistan. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Zodat de Commissaris-Generaal in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekende partij bij een terugkeer naar Afghanistan. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. Toelichting : Doordat de Commissaris-Generaal zonder meer de vaststellingen van de Dienst Vreemde- lingenzaken overnam. Daarbij werd gewoon voorbijgegaan aan het gedetailleerde verhaal dat verzoekende partij bij het tweede interview voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft gedaan. Men moet correct en eerlijk zijn : een interview waar men altijd het antwoord op de vraag kent, en daarbij nog eens zonder fouten, bestaat niet. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dient men zich dus te richten naar het totaalbeeld dat men zich kan vormen bij lezing van interview. XIV-16.200-13/21 Indien fundamentele vragen niet of fout beantwoord worden, of indien geen details kunnen verstrekt worden omtrent de geclaimde gebeurtenissen, dan kan men de geloofwaardigheid van de verklaring gaan aanvechten. Ingeval van enkele mineure foutjes, die dan bovendien nog eenvoudig kunnen verklaard worden, kan men redelijkerwijze de geloofwaardigheid niet betwisten. Verzoekende partij heeft steeds getracht om een correct en gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die haar gesteld worden. Verzoekende partij zou hierover urenlang kunnen vertellen, doch werd uitdrukkelijk verzocht om kort te zijn, hetgeen nochtans niet evident is gezien hetgeen zij heeft meegemaakt. Hierboven bleek reeds dat de argumenten die de Commissaris-Generaal aanhaalt, niet ernstig zijn en zeker niet van aard om de geloofwaardigheid van het verhaal van verzoekende partij in twijfel te trekken. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 'Feiten' reeds zeer omstandig uiteenzette, en waarbij duidelijk is dat er wel degelijk sprake is van een politiek probleem. Dit vormt de reden waarom voor verzoekende partij geen bescherming mogelijk is tegen de problemen waarmee zij geconfronteerd wordt. In Afghanistan hoeft verzoekende partij op geen enkele hulp te rekenen : bij een eventuele gedwongen terugkeer zal zij onmiddellijk weer geconfronteerd worden met dezelfde problemen. Verzoekende partij is ervan overtuigd dat zij bij een gedwongen terugkeer met zekerheid geconfronteerd zal worden met aanslagen op haar leven, zonder dat zij de bescherming van de Afghaanse overheid zal krijgen. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. Door op geen van de door verzoekende partij aangevoerde elementen in te gaan werd de verplichting om de verklaringen van verzoekende partij te toetsen aan hun waarachtigheid geschonden, en kon de Commissaris-Generaal zonder enig verder onderzoek de aanvraag van verzoekende partij afwijzen. Dat verzoekende partij tot op heden bevreesd is voor haar terugkeer naar Afghanistan is begrijpelijk. Uit de verklaring van verzoekende partij blijkt zeer duidelijk dat zij in dit land om zuiver etnische en religieuze redenen problemen ondervindt, en dat zij wel degelijk gegronde vrees heeft voor haar fysieke integriteit bij terugkeer naar Afghanistan (cfr. ook de rapporten van diverse mensenrechtenorganisaties en internationale instellingen). Gelet op deze situatie is het geenszins aangewezen verzoekende partij terug te sturen naar haar land van herkomst. De vrees voor een terugkeer is derhalve gerechtvaardigd, zodat verzoekende partij zich terecht vluchteling verklaarde en het bevel tot terugkeer ten onrechte werd genomen. Minstens kon het gevoerde onderzoek niet tot de genomen beslissing leiden. Het middel is gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- Verzoekers putten hun tweede middel uit een schending van artikel 33 van de Conventie van Genève doordat de bestreden beslissingen tot gevolg hebben dat de verzoekende partij dient te worden teruggeleid naar Afghanistan. 2.2.
- Verweerder merkt op dat artikel 33 van de Conventie van Genève één van de belangrijkste gevolgen van het statuut van vluchteling betreft. Nu de Commissaris-generaal besloot tot de onontvankelijkheid van de aanvraag van verzoekers, kan uiteraard niet gesteld worden dat dit artikel op hen van toepassing zou zijn. 2.2.
- Verweerder merkt op dat verzoekers in voorliggende verzoekschriften ten onrechte stellen dat de geloofwaardigheid van hun asielrelaas in twijfel wordt getrokken. Verweerder antwoordt dat de Commissaris-generaal een ruime appreciatiebevoegdheid heeft gekregen om te oordelen over het dringend beroep dat verzoekers hebben ingesteld op 10 mei
- Op basis van de verklaringen die verzoekers hebben afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken èn op het Commissariaat-generaal kwam verweerder tot de conclusie, om de redenen die in de bestreden beslissingen worden vermeld, dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is omwille van het kennelijk ongegrond karakter ervan. Verweerder wijst erop dat de beoordeling niet onredelijk is en bijgevolg binnen het kader van de marginale toetsing door de Raad niet vatbaar is voor schorsing. 2.2.
- Wat de opmerkingen van verzoekers betreft met betrekking tot de kwaliteit van de interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal, verwijst verweerder naar hetgeen uiteengezet wordt in het eerste middel. Het tweede middel is niet gegrond.”; XIV-16.200-14/21 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.2.
- Overwegende dat, wat de schending van artikel 33 van de Vluchteling- enconventie betreft, deze verdragsbepaling een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die als vluchteling is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat dit artikel niet toepasselijk is op de verzoekende partij, en bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “DERDE MIDDEL: SCHENDING VAN DE ARTIKELEN 2, 3 EN 5 LID 1 VAN HET EUROPEES VERDRAG VAN 4 NOVEMBER 1950 TER VRIJWARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN (E.V.R.M.). Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Afganistan terug te keren. Terwijl artikel 2 van voormeld verdrag het recht op leven beschermt. Dat artikel 3 de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat artikel 5, lid 1 aan iedereen het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toekent. De schending van artikel 3 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de rechtstreekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr. 161 Zodat verzoekende partij op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens. Toelichting : Voor de redenen van zijn vlucht verwijst verzoekende partij naar het feitenrelaas dat hiervoor reeds uitgebreid werd uitgewerkt. Dat het feitenrelaas van de verzoekende partij niet uit de lucht gegrepen is, blijkt uit meerdere mensenrechtenverslagen. Verzoekende partij wenst niet aan de hoger beschreven risico's blootgesteld te worden. Verzoekende partij is van mening dat het Commissariaat-Generaal in de bestreden beslissing geen rekening houdt met de vluchtredenen en de mensenrechtensituatie in Afghanistan. Van deze situatie wordt in de bestreden beslissing niet eens melding gemaakt. Het middel is gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- Verzoekers werpen in hun derde middel een schending op van de artikelen 2, 3 en 5 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamente- le vrijheden doordat de bestreden beslissingen de verzoekende partij de facto verplichten naar Afghanistan terug te keren. 2.
- l. Verweerder wijst erop dat ten aanzien van verzoekers werd geoordeeld dat er in hun hoofde geen vrees bestaat in de zin van de Conventie van Genève. Evenmin brengen verzoekers elementen aan om te geloven dat zij een reëel risico lopen op foltering of onmenselijke en vernederende behandeling. Verweerder merkt trouwens op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een hoge bewijslast oplegt ten aanzien van personen die zich willen beroepen op artikel 3 van het het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (arrest EHRM, Soering versus Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, EHRM, 1989, 439, § 91). Bij een schending van artikel 3 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens moet de kandidaat-vluchteling doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden XIV-16.200-15/21 aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat-vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Een eventualiteit dat artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens kan worden geschonden, volstaat op zich niet. Ook met betrekking tot de andere opgeworpen artikels van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens merkt verweerder op dat verzoekers geen concrete elementen aanbrengen die aantonen dat deze rechten bij een terugkeer naar hun land van herkomst geschonden zouden worden. De elementen die verzoekers aanbrengen zijn loutere beweringen en uit de verzoekschriften blijkt geenszins op welke bronnen deze beweringen gebaseerd zijn en of deze beweringen gebaseerd zijn op feiten, dan wel vermoedens. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3 en 5, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij een schending aanvoert van artikel 2 van het E.V.R.M.; dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij, blijkens de bestreden beslissing, onontvankelijk heeft verklaard op grond van het kennelijke ongegrond karakter ervan; dat uit de analyse van het eerste en het tweede middel blijkt dat de verzoekende partij deze vaststelling niet heeft weerlegd; dat zij voor het overige geen andere elementen aanvoert die wijzen op een mogelijke schending van artikel 2 van het E.V.R.M.: Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. vereist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat ze in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een loutere bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op voornoemd artikel; dat de verzoekende partij zich in het middel beperkt tot een algemene verwijzing naar de feiten van haar asielrelaas; dat de verzoekende partij echter niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij een schending aanvoert van artikel 5 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij slechts op algemene wijze stelt dat haar recht op persoonlijke vrijheid, zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 5 van het E.V.R.M., bij de uitvoering van de bestreden beslissing zou worden XIV-16.200-16/21 geschonden; dat de verzoekende partij deze bewering echter niet met concrete gegevens aannemelijk maakt; dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “VIERDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL Doordat het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden. Terwijl de bestreden beslissing zomaar besluit tot de weigering van erkenning van het statuut van vluchteling aan verzoekende partij, om reden dat haar aanvraag kennelijk ongegrond zou zijn. Meerbepaald wordt verwezen naar het feit dat de aangehaalde feiten niet zouden aantonen dat verzoekende partij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou hebben. Zodat de bestreden beslissing geenszins op redelijke wijze werd genomen. Toelichting : Verzoekende partij heeft steeds haar motieven om een asielaanvraag in te dienen, klaar en duidelijk gesteld. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt daarentegen dat de asielaanvraag van verzoekende partij kennelijk ongegrond is. Bovendien heeft het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gesteld dat er in hoofde van verzoekende partij geen vermoeden bestaat van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Dat verzoekende partij dit met de meeste klem ontkent, te meer daar uit haar diverse verklaringen is komen vast te staan dat een en ander op het tegendeel wijst. Dat nochtans verzoekende partij bepaalde stukken en documenten ter hand heeft gesteld van de alhier onderzoekende overheden en steeds op een volledig onderzoek heeft aangedrongen. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen zij hiervoor reeds uiteenzette, nl. dat een interview waar men altijd het antwoord op de vraag kent, en daarbij nog eens zonder fouten, niet bestaat. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dient men zich dus te richten naar het totaalbeeld dat men zich kan vormen bij lezing van interview. Verzoekende partij heeft steeds een antwoord gegeven op alle vragen die haar gesteld worden. Verzoekende partij heeft in haar interview tevens veelvuldige en gedetailleerde informatie verstrekt omtrent de verschillende problemen die zij heeft moeten ondergaan. Elke vraag hieromtrent werd nauwkeurig beantwoord. Indien er een zorgvuldig onderzoek was voorafgegaan aan de bestreden beslissing, rekening houdend met de uitgebreide en correcte informatie die verzoekende partij heeft verstrekt, dan zou redelijkerwijze nooit tot de weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling in hoofde van verzoekende partij zijn besloten, zeker niet omwille van de door het Commissariaat-Generaal aangehaalde argumenten. Men zou hiertoe niet zijn overgegaan omdat uit een mogelijk ernstig onderzoek in het land van herkomst zou zijn gebleken en zou kunnen worden bevestigd wat er met verzoekende partij werkelijk was gebeurd en dat zij nog steeds alle redenen had en heeft om te geloven in het feit dat er gevaar bestaat dat de regels zoals vervat in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 aldaar geschonden werden en worden. Ondanks het feit dat verzoekende partij heeft aangedrongen op een aanvullend onderzoek bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, blijkt dat deze hieraan geen gevolg heeft gegeven. Dat verzoekende partij daarenboven nooit in kennis werd gesteld van het feit hoe een onderzoek ten gronde zou verlopen en door wie of door wat dit zou worden geëvalueerd. Het middel is gegrond.”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- In een vierde middel beroepen verzoekers zich op een schending van het redelijkheids- beginsel omdat de genomen beslissingen dienen voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en beslissingen moeten zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zouden XIV-16.200-17/21 kunnen worden genomen en die men als redelijk verantwoorde beslissingen zouden kunnen zien en aanvaarden. 2.4.
- In verband met het zorgvuldigheidsbeginsel wenst verweerder op te merken dat het desbetreffende beginsel hem oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal. Tijdens het interview kregen zij de mogelijkheid hun asielmotieven uiteen te zetten, hun argumenten kracht bij te zetten, konden zij (nieuwe en/of aanvullende) stukken neerleggen en zich laten bijstaan door een advocaat of door een andere persoon van hun keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Dari taal machtig is. Dat niet zorgvuldig zou zijn tewerk gegaan, kan niet worden weerhouden. Evenmin kan een schending van het redelijkheidsbeginsel worden volgehouden. De beslissingen staan immers geenszins in wanverhouding tot de motieven waarop ze zijn gebaseerd. Verweerder merkt verder op dat verzoekers op geen enkele manier aantonen welk nut een eventueel aanvullend onderzoek zou kunnen hebben gehad. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel; dat het redelijkheidsbeginsel volgens de verzoekende partij veronderstelt dat “de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden.”; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissing zou hebben genomen zonder een voorafgaandelijk zorgvuldig onderzoek; dat voor de analyse van dit middel wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waarin uitvoerig werd uiteengezet dat de Commissaris-generaal zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak en van het administratief dossier; dat het eerste deel van de bestreden beslissing een nauwkeurige neerslag van de feiten bevat, die resulteren uit de verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal; dat in een tweede deel de motieven worden uiteengezet op grond waarvan de Commissaris-generaal heeft besloten de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond te verklaren; dat deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal heeft doen besluiten dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond was; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij met betrekking tot de door de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing aangehaalde motieven op grond waarvan hij de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond heeft verklaard, stelt dat een interview waar men altijd het antwoord op de vraag kent zonder fouten niet bestaat; dat de verzoekende partij aanvoert dat men zich voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dient te richten naar het totaalbeeld dat men zich kan vormen bij de lezing van het interview, en stelt een antwoord te hebben gegeven op alle vragen die haar werden gesteld; dat, zoals blijkt uit de bespreking van het eerste middel, de verzoekende partij er niet in slaagt de motieven van de bestreden beslissing te weerleggen; dat zij er geenszins in slaagt aannemelijk te maken dat de motivering van de Commissaris-generaal niet correct of kennelijk onredelijk zou zijn; dat de verzoekende partij evenmin kan worden gevolgd waar zij meent dat de Commissaris-generaal zonder verder onderzoek heeft besloten tot de XIV-16.200-18/21 weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en dat uit een dergelijk onderzoek zou zijn gebleken wat er werkelijk met haar is gebeurd en dat zij nog steeds alle redenen heeft om te geloven in het feit dat er gevaar bestaat dat de regels zoals vervat in de Vluchtelingenconventie werden en worden geschonden; dat de Commissaris-generaal, in de bestreden beslissing van 4 juli 2003 de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvank- elijk heeft verklaard op grond van het kennelijke ongegrond karakter ervan; dat derhalve geen verder onderzoek diende te gebeuren; dat de verzoekende partij om deze reden dan ook niet verder in kennis diende te worden gesteld van het feit hoe een onderzoek over de gegrondheid zou verlopen en door wie of door wat dit zou worden geëvalueerd; dat de verzoekende partij er niet in slaagt een schending van het redelijkheidsbeginsel aannemelijk te maken; dat het vierde middel ongegrond is; 2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “VIJFDE MIDDEL: MACHTSAFWENDING Doordat de bestreden beslissing werd ingegeven om andere dan wettelijke motieven door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, nu deze de eerste beslissing dd. 8 mei 2001 van de gevolmachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken volkomen heeft gevolgd. Terwijl het verbod van machtsafwending verbiedt dat eender welk overheidsorgaan zijn wettelijk voorziene macht om de rechtsmiddelen die verzoekende partij heeft aangewend, zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen. Zodat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zich schuldig maakte aan machtsafwending. Toelichting : Verzoekende partij verwijt het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat zij haar taak niet naar behoren heeft uitgevoerd, doordat zij heeft nagelaten in het land van herkomst alle beschikbare informatie te vergaren aangaande de toestand van verzoekende partij, terwijl zij net hiertoe het best geplaatst is. Het Commissariaat-Generaal heeft dit duidelijk niet gedaan. Het is duidelijk dat zij hiervoor haar macht heeft afgewend om de volgehouden stellingen van verzoekende partij niet te moeten onderzoeken, althans niet op een manier die wettelijk van het Commissariaat-Generaal mocht worden verwacht. Het middel is gegrond.”; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- Verzoekers beroepen zich in hun vijfde middel op machtsafwending doordat de beslissingen gebaseerd zouden zijn op andere motieven dan wettelijke motieven nu de Commissaris-generaal de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken volledig heeft gevolgd. 2.
- l. Verweerder merkt op dat verzoekers op geen enkele manier zelfs maar een poging ondernemen om op het even welke manier aan te tonen dat de Commissaris-generaal werkelijk de beslissingen zou hebben gemotiveerd op andere dan wettelijke motieven, zodat niet gesteld kan worden dat verzoekers aantonen dat de beslissingen kennelijk onredelijk zouden zijn. Voorts merkt verweerder op dat uit de verklaringen van verzoekers duidelijk blijkt dat er in hun hoofde geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het vijfde middel is niet gegrond.”; 2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de machtsafwending aanvoert; XIV-16.200-19/21 2.5.
- Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij het op geen enkel ogenblik aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid zou hebben afgewend van het doel waarvoor deze bevoegdheid hem is gegeven, zijnde het controleren van het asielrelaas van de verzoekende partij op haar geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de verzoekende partij zich beperkt tot algemene en vage beweringen, doch nalaat deze te staven met een begin van bewijs; dat het vijfde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.200-20/21 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-16.200-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div