← België

Arrest 167857 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.857 Rolnummer: A. 145886/XIV-18211 Zaak: Arrest 167857 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Fiche Arrest nr 167.857 van 15 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.857 van 15 februari 2007 in de zaak A. 145.886/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. VANNEUVILLE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, De Natie, Vlaamse kaai 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 oktober 1974 en van Macedonische nationaliteit, op 29 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 16 november 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-18.211-1/4 Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. NIJVERSEEL, die loco Advocaat V. VANNEUVILLE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 26 september 2003 en verklaart zich vluchteling op 1 oktober
  4. 1.
  5. Op 21 november 2003 stemt de Duitse overheid in met de overname van de verzoekende partij in het kader van de nog hangende asielaanvraag in Duitsland. 1.
  6. Op 4 december 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat in het Auditoraatsverslag ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid wordt aangevoerd; Overwegende dat de verzoekende partij op 5 december 2005 woonplaats heeft gekozen bij haar huidige advocaat; dat uit een uittreksel uit het rijksregister, door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de Raad van State bezorgd op 3 augustus 2006, blijkt dat de verzoekende partij op 12 juni 2006 van ambtswege werd afgevoerd; dat het Auditoraat op 7 augustus 2006 en op 20 september 2006 een aangetekend schrijven heeft gericht tot de Advocaat van de verzoekende partij, met de vraag of haar cliënt nog belangstelling vertoonde voor huidige procedure; dat de Advocaat van de verzoekende partij deze brieven niet heeft beantwoord; dat het Auditoraat tot de conclusie komt dat de verzoekende partij niet meer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang, omdat zij geen voortdurende en ononderbro- ken belangstelling met betrekking tot het ingediende beroep vertoont; XIV-18.211-2/4 Overwegende dat uit een brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 8 januari 2007 blijkt dat de verzoekende partij nog steeds genoteerd staat als van ambtswege afgevoerd op 12 juni 2006; dat de Advocaat van de verzoekende partij naar aanleiding van de zitting van 24 januari 2007 een schrijven de dato 22 januari 2007 tot de Raad van State heeft gericht, waarin zij vermeldt dat zij nog contact heeft met haar cliënt en dat deze thans te Deurne verblijft; Overwegende dat deze brief van 22 januari 2007 niet volstaat om de voortdurende en ononderbroken belangstelling te hernieuwen; dat wordt vastgesteld dat de Advocaat van de verzoekende partij de twee brieven van het Auditoraat niet heeft beantwoord; dat in de tweede brief uitdrukkelijk werd vermeld dat bij gebrek aan een reactie binnen de dertig dagen, de Auditeur in zijn verslag zou voorstellen om het beroep af te wijzen bij gebrek aan belang; dat de verzoekende partij bijgevolg niet meer doet blijken van een voortdurende en ononderbroken belangstelling in het door haar ingediende beroep; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting van 24 januari 2007 hierover geen opmerkingen heeft gemaakt; dat de verzoekende partij niet meer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij niet meer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-18.211-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-18.211-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.857 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.