← België

Arrest 167885 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.885 Rolnummer: A. 179189/XII-4944 Zaak: Arrest 167885 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-20 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 16:00 Fiche Arrest nr 167.885 van 15 februari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.885 van 15 februari 2007 in de zaak A. 179.189/XII-

  1. PROVINCIERAADS-, GEMEENTERAADS- EN DISTRICTRAADS- VERKIEZING VAN 8 OKTOBER 2006 TE ANTWERPEN. In zake : Eduard VERLINDEN wonende te Antwerpen, Italiëlei 35/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift waarmee Eduard Verlinden op 6 december 2006 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 27 november 2006 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van Antwerpen waarbij het bezwaar dat hij heeft ingediend tegen de provincieraads-, districtraads- en gemeenteraads- verkiezingen van 8 oktober 2006 te Antwerpen wordt verworpen; Gelet op het bericht voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet; Gezien het administratief dossier; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 6 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2007; Gelet op de kennisgeving aan partijen van de beschikking tot vaststelling en van het auditoraatsverslag; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4944-1/8 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De relevante antecedenten van de zaak
  3. Voor de gelijktijdig op 8 oktober 2006 gehouden provincieraadsverkiezing, gemeenteraadsverkiezing en districtraadsverkiezing is verzoeker in Antwerpen kandidaat op de lijst “Nieuwe Partij”, die bij die verkiezingen geen enkele zetel heeft behaald. Op 16 november 2006 dient verzoeker bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen klacht in “tegen de officieel gepubliceerde verkiezings- resultaten”, waarbij hij vijf grieven formuleert. Diezelfde dag stuurt hij aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen met een tweede brief nog een -zesde- aanvulling van zijn bezwaren. Met een op 22 november 2006 ter post aangetekend verzonden brief, waarvan een afschrift tevens met de gewone post wordt verstuurd, wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij inzage kan nemen van het dossier en dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zijn bezwaar zal behandelen in openbare zitting op 27 november
  4. Op 27 november 2006 neemt de Raad voor Verkiezings- betwistingen de thans bestreden beslissing om het bezwaar van verzoeker te verwerpen. Met een aangetekende brief van 28 november 2006 deelt verzoeker aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen mee dat hij “heden, omstreeks 11 uur”, in het bezit werd gesteld van de brieven van 22 november 2006 met de melding dat zijn zaak zou voorkomen in openbare zitting op 27 november 2006; vermits het hem onmogelijk was aanwezig te zijn op een zitting die reeds voorbij is, verzoekt hij om onmiddellijk een nieuwe openbare zitting met dezelfde agendapunten te organiseren. XII-4944-2/8 Met een brief van 4 december 2006 deelt de arrondissements- commissaris namens het secretariaat van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen aan verzoeker mee dat hem, zoals hem reeds telefonisch werd toegelicht, niet alleen een gewone, maar ook een aangetekende uitnodiging werd toegestuurd, dat, als ook die aangetekende uitnodiging laattijdig zou aangeboden zijn, dit een spijtig voorval is, maar dat het een feit blijft dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zijn klacht heeft behandeld en daarmee zijn bevoegdheid heeft uitgeput. Het onderzoek van het beroep
  5. In het voorliggend verzoekschrift protesteert verzoeker vooreerst tegen de behandeling van zijn bezwaar door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen buiten zijn aanwezigheid. Hij zet uiteen dat hij hierdoor niet in staat was alsnog “met onweerlegbare en aantoonbare feiten” toelichting te geven bij zijn klacht. Hij laakt voorts de motivering van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, omdat deze geen bijkomend onderzoek heeft verricht en volgens hem ook de afwijzing van zijn grieven niet afdoende motiveert of zelfs “de bal totaal mis [slaat]”. Dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zich niet bevoegd verklaart om wettelijke bepalingen te beoordelen, is volgens verzoeker “een leemte en een droevige zaak”. Om die redenen vraagt hij dat de Raad van State de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zou vernietigen of herzien.
  6. De Raad van State doet uitspraak als rechter in hoger beroep inzake beroepen ingesteld tegen de beslissing van de Raad voor Verkiezings- betwistingen, en heeft terzake een bevoegdheid van volle rechtsmacht. Ingevolge het devolutief karakter van het hoger beroep bij de Raad van State, moet dan ook geen acht worden geslagen op beweerde onregelmatigheden in de rechtsgang voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, vermits eventuele gebreken in de procedure in eerste aanleg gedekt worden door de beslissing in beroep. Bijgevolg moet, in zoverre verzoeker aanvoert dat de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen de motiveringsplicht schendt en die Raad verzoeker geen of onvoldoende mogelijkheid heeft gegeven om zich te verdedigen, die kritiek als onontvankelijk worden verworpen. XII-4944-3/8
  7. Op 27 november 2006 heeft de Raad voor Verkiezingsbetwistingen de middelen onderzocht die verzoeker in zijn bezwaar van 16 november 2006 aanvoerde tegen “de officieel gepubliceerde verkiezingsresultaten dd. 08.10.2006”. Verzoeker schrijft in het bij de Raad van State voorliggende verzoekschrift “nogmaals naar de inhoud [te verwijzen] van ons schrijven dd. 28.11.2006, die wij bij deze volledig herhalen, handhaven en herbevestigen aan de Raad van State”. Hieruit kan, mits enige goede wil, worden afgeleid dat verzoeker zijn oorspronkelijke middelen thans voor de Raad van State wenst aan te voeren. 5.
  8. Als eerste middel voerde verzoeker aan dat er door zijn politieke formatie nauwelijks of geen controlemogelijkheid was om de uitslag via computerresultaten te kunnen bevestigen. In zijn huidige verzoekschrift werpt verzoeker op dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen niet bewijst dat de computerresultaten juist zijn of volledig gewaarborgd, dat die Raad de zaken omdraait door op te werpen dat verzoeker met betrekking tot de computergegevens iets dient te bewijzen, hetgeen “door gebrek aan materiaal overhandigd door het kiessysteem in het algemeen en/of door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in alle omstandigheden onmogelijk is”, en dat, “hoe dan ook, de computergegevens inzake de verkiezingen op 08.10.2006 op zijn minst betwistbare en mistige aangelegenheden zijn, waarop geen enkel antwoord noch bewijs geleverd werd voor hun juistheid”. 5.
  9. De naleving van het geheel van de reglementair ingestelde waarborgen inzake geautomatiseerde stemming is van die aard dat ze het vermoeden rechtvaardigt dat kiesverrichtingen die dienovereenkomstig worden gehouden correct verlopen. Door louter aan te voeren dat zijn politieke formatie geen of nauwelijks controle heeft kunnen uitoefenen op de kiesverrichtingen door middel van de geautomatiseerde stemming, voert verzoeker -aan wie die bewijslast wel degelijk toevalt- geen concrete en overtuigende gegevens aan die dit vermoeden, dat de verkiezingen waartegen hij bezwaar indient regelmatig zijn verlopen, aan het wankelen kunnen brengen. Nog minder toont hij een onregelmatigheid aan die de verdeling van de zetels onder de lijsten kan beïnvloeden. Vermits luidens artikel 85quater, § 1, van de gemeentekieswet de verkiezingen door zowel de Raad voor XII-4944-4/8 Verkiezingsbetwistingen als door de Raad van State alleen ongeldig kunnen worden verklaard op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de onderscheiden lijsten kunnen beïnvloeden, wordt het eerste middel, in het licht van voornoemd artikel, dan ook niet aanvaard. 6.
  10. Als tweede middel voerde en voert verzoeker aan dat het hem “bijzonder verdacht” voorkomt dat de verkiezingsresultaten uitzonderlijk lang op zich lieten wachten, en dat “mogelijk alle tijd werd gelaten om tot vervalsingen te kunnen opgeven”. 6.
  11. De enkele mogelijkheid dat bedrog kan worden gepleegd, is niet voldoende om een grond tot vernietiging van de verkiezing te vormen, omdat het bedrog moet worden aangetoond. Het tweede middel, waarvan tot staving geen enkel bewijs wordt aangevoerd, kan dan ook niet in aanmerking genomen worden. 7.
  12. Als derde middel voerde en voert verzoeker aan dat uit een door hem gevoerd onderzoek blijkt dat “de bekomen resultaten anders [...] zijn dan deze die officieel werden gepubliceerd”. In zijn voorliggend verzoekschrift schrijft verzoeker dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen met dat middel klaarblijkelijk totaal geen rekening wenst te houden. 7.
  13. Vooreerst valt niet goed in te zien hoe het derde middel inpasbaar is in hetgeen verzoeker betoogt bij zijn eerste middel, met name dat het hem onmogelijk is om iets te controleren of te bewijzen met betrekking tot de computergegevens. Afgezien van die vaststelling, verduidelijkt verzoeker in zijn verzoekschrift nergens wat er dan wel precies uit het door hem gevoerd onderzoek zou gebleken zijn, en wordt die verduidelijking al evenmin gegeven in enigerlei bij het verzoekschrift gevoegd document. De door niets gestaafde bewering “dat de bekomen resultaten anders zijn dan deze die officieel werden gepubliceerd” vormt dan ook geen middel dat kan worden aangenomen. 8.
  14. Als vierde middel voerde en voert verzoeker aan in het bezit te zijn van “overduidelijke en ontegensprekelijke bewijsstukken dat de stad Antwerpen meer XII-4944-5/8 bepaald de sp.a via haar netwerk van vzw’s en andere satellietverenigingen tot zeer grote beïnvloeding en manipulatie van kiezers is overgegaan”; om “de feiten te verduidelijken” vernoemde verzoeker het “voorval uitgaande van ANTWERK en Osei Charles”, feit waartegen verzoeker “ten volle protesteerde”. In huidig verzoekschrift voegt verzoeker hieraan toe dat het zijn bedoeling was en is om “deze aangelegenheid in openbare zitting met onweerlegbare en aantoonbare feiten voor te leggen en toelichtingen te verstrekken, en dat “deze feiten van grote beïnvloeding en manipulatie van kiezers én lijstkandidaten” naar zijn inzien “bewezen zijn”. 8.
  15. Naar luid van artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956, worden bij het verzoekschrift vier gewaarmerkte afschriften van het verzoekschrift en van elk van de erbij gevoegde documenten waarnaar het verwijst gevoegd. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker blijkbaar meent, kon en kan hij er zich dan ook niet toe beperken in zijn verzoekschrift te verwijzen naar “overduidelijke en ontegensprekelijke bewijsstukken” en te verklaren “bereid te zijn tot het overhandigen en het verstrekken van bijkomende stukken, gegevens en toelichtingen, en dit op uw verzoek,” maar diende hij, opdat de Raad van State zijn bewijsmateriaal in overweging zou kunnen nemen, die bewijsstukken in één origineel en vier gewaarmerkte afschriften bij zijn verzoekschrift te voegen. De door niets gestaafde bewering dat meer bepaald de sp.a “tot zeer grote beïnvloeding en manipulatie van kiezers is overgegaan” vormt dan ook geen ontvankelijk middel. 9.
  16. Als vijfde middel voerde verzoeker aan dat hij “zware bedenkingen [maakt]” en protesteert “tegen de actuele toestand met betrekking tot a) de informatieplicht van de media, b) de opgedrongen verhouding man/vrouw en c) de toegepaste criteria verdeling der verkozenen”. Als zesde middel voerde verzoeker ten slotte aan dat op de dag van de verkiezingen bij de joodse gemeenschap het “Soekkot”-feest plaatsgreep, waardoor het voor de joodse gemeenschap niet mogelijk was aan de verkiezingen deel te nemen, zodat de verkiezingsuitslagen geen juiste weergave zijn van de wil van XII-4944-6/8 de ganse bevolking; uit respect voor de godsdienst, de verkiezingen en de volkswil, eiste verzoeker dat de verkiezingen onmiddellijk zouden herdaan worden. In zijn onderhavig verzoekschrift werpt verzoeker met betrekking tot zijn vijfde middel op dat hij inderdaad zware kritiek levert “op bepaalde wettelijke bepalingen en feitelijke omstandigheden die de wil van het volk, de vrijheid, gelijkheid en objectiviteit van de verkiezingen niet ten goede komen”. Met betrekking tot zijn zesde middel werpt hij op dat het een leemte en een droevige zaak is dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen zich niet bevoegd verklaart om wettelijke bepalingen te beoordelen. 9.
  17. De Raad van State sluit zich aan bij de bedenking van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn beslissing van 27 november 2006, dat in het geheel niet duidelijk is wat verzoeker bedoelt met “de actuele toestand met betrekking tot de informatieplicht van de media”. Voor het overige oefent verzoeker in zijn vijfde en zesde middel kritiek uit op wettelijke bepalingen, kritiek waarop de Raad van State net zo min als de Raad voor Verkiezingsbetwistingen vermag in te gaan, ook al vindt verzoeker zulks een leemte en een droevige zaak. Het vijfde en het zesde middel zijn niet ontvankelijk.
  18. Nu blijkt dat geen enkel der aangevoerde middelen wordt aanvaard, dient het verzoekschrift te worden afgewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Enig Artikel. Het beroep wordt verworpen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-4944-7/8 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4944-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.885 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.