← België

Arrest 167887 - Milieuvergunningen - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

7 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening weliswaar de mogelijkheid openen om een tijdelijke vergunning met het oog op herlocalisatie te verlenen, maar dat het in casu niet opportuun is om dat te doen, vermits de aanvraag een uitbreiding van een inrichting betreft en geen gewone hernieuwingsaanvraag van de lopende vergunning. Bovendien heeft de gemeente Schilde niet de intentie om de recreatieve ontwikkelingen in het betrokken gebied te bestendigen in haar structuurplan, dat zich nog in de beginfase bevindt; - op 4 februari 2004 brengt de afdeling Milieuvergunningen een advies uit waarin onder meer staat vermeld wat volgt : VII-36.483-3/21 "Dat, mocht een gunstig advies worden overwogen, een akoestisch onderzoek dient te worden opgelegd; dat exploitant zich bovendien dient te conformeren aan de brandweervoorwaarden; Dat op basis van het in 1988 ingediende aanvraagdossier er strikt milieutech- nisch geen redenen zijn om de vergunning te weigeren; dat op dit ogenblik de ingediende aanvraag als onvoldoende zou worden bestempeld". 1.

  1. In een brief van 23 oktober 2003 deelt de gemeente Schilde aan het provinciebestuur van Antwerpen mee dat de gemeente niet akkoord kan gaan met uitbreidingen in de hoogte of uitbreidingen die de capaciteit van de skipiste verhogen. De n.v. CASABLANCA zit duidelijk op de verkeerde plaats ingeplant. Het bestuur wil onderzoeken of een herlocalisatie binnen of buiten de gemeente kan worden gevonden voor de skipiste zodat het natuurgebied weer haar eigen functie krijgt. 1.
  2. Tijdens de afhandeling van de beroepsprocedure blijkt de verzoekende partij nog een andere milieuvergunningsaanvraag voor de uitbreiding van de skibaan te hebben ingediend. 1.
  3. Met een brief van 2 februari 2005 worden de verzoekende partij en haar raadsman uitgenodigd op een hoorzitting die moet plaatsvinden op 17 februari
  4. Tijdens de hoorzitting rijst de vraag of ook de v.z.w. SCHOTENHOF wel gehoord mag worden, en er wordt verzocht dit eerst te onderzoeken. 1.
  5. Met een brief 13 april 2005 ontvangt de raadsman van de verzoekende partij een nieuwe uitnodiging voor de hoorzitting die moet doorgaan op 21 april
  6. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de raadsman van de verzoekende partij ervoor pleit "om nu nog te wachten op het planologisch attest" waarvoor op 29 april 2004 een aanvraag was ingediend. Hij wijst er tevens op dat in het verleden diverse vergunningen werden afgeleverd door de overheid. Ter gelegenheid van de hoorzitting wordt ook een nota neergelegd door de raadsman van de verzoekende partij. 1.
  7. Op 8 juni 2006 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekend schrijven van 5 juli
  8. VII-36.483-4/21 Het beroep wordt gegrond verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd. De weigeringsbeslissing is ingegeven door volgende motieven : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Antwerpen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : natuurgebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de Raad van State in haar vernietigingsarrest dd. 25 juni 1998 duidelijk stelt dat de afwijkingsmogelijkheden op het gewestplan, voorzien in het decreet van 28/06/1984 enkel gelden ten aanzien van de procedure voor de bouwvergunning en niet kunnen ingeroepen worden voor de beoordeling van een milieuvergunning; Overwegende dat zoals hoger reeds opgemerkt de deputatie bij het nemen van een nieuwe beslissing in beroep met deze overwegingen dient rekening te houden; Overwegende dat een aanvraag tot planologisch attest werd ingediend, doch tot op heden hierin nog steeds geen uitspraak werd gedaan; Overwegende dat bijgevolg in navolging van het advies van de AROHM dient gesteld dat, gelet op de ligging in het natuurgebied, in casu enkel de toepassing van het tweede lid van art. 43, §

§ 7

van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in overweging kan worden genomen; dat dit echter enkel kan voor een maximum termijn van 5 jaar en met het oog op herlocalisatie; dat het bovendien een keuzemogelijkheid betreft in hoofde van de vergunning- verlenende overheid om van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken en geen verplichting; dat in casu dan nog de vraag kan worden gesteld of het wel opportuun is om een vergunning te verlenen voor een beperkte termijn met het oog op herlocalisatie, vermits de voorliggende aanvraag (tot het exploiteren van een nieuwe inrichting) in realiteit een uitbreiding van een inrichting (m.n. de niet- ingedeelde borstelskipiste) betreft en geen gewone hernieuwingsaanvraag van de lopende vergunning; dat de gemeente tenslotte niet de intentie heeft om de recreatieve ontwikkelingen in het betrokken gebied te bestendigen in haar structuurplan; Overwegende dat (

  1. er)op basis van het in 1988 ingediende aanvraagdossier strikt milieutechnisch geen redenen zijn om de vergunning te weigeren; dat er op milieutechnisch vlak wel een aantal knelpunten zijn : zo is er het feit dat de aanvraag op dit ogenblik, dit wil dus zeggen overeenkomstig de huidige regelgeving, als onvoldoende zou worden bestempeld; dat het ook helemaal niet zeker is dat aan de geluidsvoorwaarden van (...) Vlarem II wordt voldaan gelet op de gedeeltelijke ligging in natuurgebied en de inrichting kan ook naar brandveiligheid in vraag worden gesteld; (...)"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; VII-36.483-5/21 2.1.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert wat volgt : "Eerste middel Genomen uit de schending van de redelijke termijn zoals gewaarborgd door art. 6 van het EVRM, en uit de schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de beginselen van behoorlijk bestuur zoals het hoorrecht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids-, rechtszekerheids- en het materieel motiveringsbeginsel. Doordat de aanvraag voor de vergunning werd ingediend in 1988 en aanleiding geeft in 2006 tot een besluit tot weigering zonder dat uitdrukkelijk laat staan afdoende, wordt gemotiveerd : 1.1. waarom er plots aanleiding was om te besluiten, zonder o.m. in te gaan op de mogelijkheid van een tijdige vergunning in het licht van een herlocalisatie conform het advies van Arohm sub 8, zonder hierover zelfs maar een vraag te stellen aan de verzoekende partij, die allerminst zelf aansprakelijk is voor de vertraging bij de behandeling van haar dossier en evenmin aansprakelijk is voor het feit dat zij haar aanvraag indiende onder een reglementering die op het ogenblik van de effectieve besluitvorming totaal achterhaald was, en op het ogenblik van haar aanvraag uiteraard evenmin beroep kon doen op de herlocalisatiemogelijkheid die niet ter sprake was; • waarom bij het overwegen van deze weigering in geen enkele mate rekening werd gehouden met het gunstig advies in het kader van de aanvraag van het planologisch attest vanwege de administratie van natuur over de deelsgewijze ombestemming naar recreatie enerzijds, en de versterking van natuur langsheen de waterloop anderzijds, hoewel dit standpunt aan verwerende partij bekend was sedert begin 2006; • waarom de burger het slachtoffer moet zijn van een regelgeving die op 28 juni 1984 een minidecreet goedkeurt en op 28 juni 1985 een decreet uitvaardigt dat het voorgaande in essentie ongedaan maakt terwijl alle overheden het eerste decreet bleven toepassen en het tweede blijkbaar naast zich neerlegden; • waarom er hoe dan ook een weigering voor de hand lag, hoewel aan verzoekende partij geen enkele vraag werd gesteld, laat staan ze werd gehoord in welke zin zij gevolg verhoopte te geven aan de door de nieuwe regelgeving ontstane knelpunten op milieutechnisch vlak, zoals o.m. de geluidsvoorwaarden en de brandveiligheid; zodat zij zodoende de aangehaalde bepalingen en rechtsbeginselen schendt. Toelichting van het middel. A T.A.V. DE REDELIJKE TERMIJN. 73. De redelijke aard van de duurtijd van een procedure wordt geëvalueerd volgens de omstandigheden van de zaak, die in casu een globale evaluatie vereisen, rekening houdend met de criteria die gehanteerd worden door de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de complexiteit van de zaak, de gedragingen van verzoeker en van de bevoegde overheden. 74. De toepassing van art. 6 van het EVRM vereist dat de verdragsluitende Staten hun juridisch systeem op zodanige wijze organiseren dat hun rechtbanken aan eenieder het recht kunnen waarborgen binnen een redelijke termijn een eindbeslissing op hun betwistingen met betrekking tot hun rechten en plichten van burgerlijke aard te verkrijgen. 75. In redelijkheid kan niet verantwoord worden waarom 18 jaar moet gewacht worden op een weigering die dan uiteindelijk zelfs geen antwoord geeft op de VII-36.483-6/21 vraag waarom ze precies wordt geweigerd, tenzij m.b.t. de bestemming waarvoor het antwoord evenwel via de procedure van het planologisch attest in het verschiet ligt. Bovendien zonder dat verzoekende partij gehoord werd m.b.t. de knelpunten die ontstonden tijdens de nieuwe procedure ingevolge gewijzigde reglementering. 76. Door het verloop van de termijn is er ondertussen nieuwe reglementering tot stand gekomen waarop de aanvraag uiteraard geen antwoord voorzag. Dat kon ook niet. Er werd evenmin mogelijkheid gegeven er een antwoord op te geven. 77. De redelijke termijn is geschonden. B T.A.V. HET HOORPLICHT. 78. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State kan tegen niemand een ernstige maatregel worden getroffen die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid gegeven wordt om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. 79. De hoorplicht moet toegepast worden ongeacht of deze al dan niet in een wettelijke bepaling is verankerd. Zo overwoog de Raad van State in zijn arrest nr. 50.287 het volgende : 'dat het beginsel van behoorlijk bestuur volgens hetwelk de overheid die voornemens is een beslissing te nemen welke een rechtsonderhorige ernstig in zijn belangen schaadt, hem in beginsel vooraf de mogelijkheid moet verlenen om nuttig voor zijn belangen op te komen, ook geldt zonder dat het uitdrukkelijk in een tekst is verwoord'. 80. De betrokkene moet de gelegenheid hebben om op nuttige wijze zijn standpunt naar voor te brengen. Dit veronderstelt onder meer dat voorafgaand aan de beslissing mededeling wordt gedaan van de aard van de maatregel die overwogen wordt en van de motieven en dat een redelijke termijn wordt verleend om het verweer voor te bereiden. 81. Dat de genomen weigerende maatregel de belangen van verzoekende partij schendt, is buiten betwisting. Door de lange behandelingstermijn wordt verzoekende partij in feite afgewezen op rechtsgronden die onbestaande waren op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Dat niet gehoord werd over mogelijkheden tot herlocalisatie, noch over geluidsnormering en brandveiligheidnormering die ondertussen nu van toepassing is en niet van toepassing was ten tijde van de aanvraag, houdt duidelijk een schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur die werden vermeld in het middel. Er is teveel tijd verstreken sedert de hoorzitting. Toen werd overigens in geen enkele zin gewezen op de gewijzigde reglementering. Verzoekster werd niet op 'nuttige wijze' gehoord. Het was niet mogelijk te verwijzen naar ongelijke behandeling van vergelijkbare inrichtingen (zie tweede middel voor zoveel als nodig hier herhaald). C T.A.V. HET RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL. 82. Eenmaal de overheid in een bepaalde zaak tot een opportuniteitsoordeel is gekomen, kan ze niet zomaar in een latere beslissing in een zelfde zaak, een tegenovergestelde opvatting als grondslag voor die nieuwe beslissing nemen, tenzij precieze concrete elementen worden vermeld waaruit blijkt waarom de overheid van opvatting is veranderd, én die elementen redelijk (...) proportioneel zijn. 83. Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt duidelijk dat de overheid herhaaldelijk opportuniteitsbeoordelingen heeft gemaakt en i.f. daarvan ook heeft vergund. Even zo duidelijk wordt er door aangetoond dat de overheid de bestemming van het gebied niet op de plaats van de uitbating van de inrichting wenste ten uitvoer te leggen. 84. Een beslissing die afwijkt van de normale beleidslijn zal omstandig worden gemotiveerd. 85. De overheid kan weliswaar haar vroegere beoordeling wijzigen, maar dan moet uit de motivering van de beslissing blijken dat dit resulteert uit een nieuw VII-36.483-7/21 onderzoek van feitelijke gegevens van de zaak en niet berust op onjuiste gronden. Dit is niet het geval. 86. Het beginsel is geschonden. D T.A.V. HET MOTIVERINGSBEGINSEL. D.1 Formeel 87. De motivering van een bestuurshandeling moet afdoende zijn. Afdoende betekent dat de beslissing haar doel moet bereiken, in die zin dat de bestuurde moet begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische elementen de beslissing is genomen. De motivering is draagkrachtig als de betrokken bestuurde de motieven kan aantreffen op grond waarvan de beslissing werd genomen, als ze niet al te faciel of oppervlakkig is, als ze voldoende precies is, voldoende onderbouwd derwijze dat ze het eindbesluit verantwoordt en feitelijk correct is en derhalve een afdoende antwoord geeft op de tijdens de procedure naar voor gebrachte aanspraken en bezwaren. De Raad van State overweegt steevast het volgende : 'Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die afdoende moeten zijn; dat uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden'; 88. De motivering moet ook volledig zijn. Zo schreef de Raad van State in haar arrest van 11 juni 1996 : 'Een motivering die slechts rekening houdt met bepaalde elementen in een dossier (ten nadele van de betrokkene) en niet met andere fundamentele elementen, is niet afdoende'. 89. Het formeel motiveringsbeginsel is geschonden. D.2 Materieel 90. De materiële motiveringsplicht maakt een beginsel van behoorlijk bestuur uit hetwelk vereist dat iedere beslissing van een bestuur berust op motieven die niet enkel in feite en in rechte aanwezig zijn, doch die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden. 91. De uiteenzetting van de feiten en voorgaande onderdelen tonen aan dat noch formeel, noch materieel aan de motiveringsvereiste is voldaan. Het middel is ernstig"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "A. Redelijke termijn 16. Met betrekking tot de redelijke termijn voert verzoekende partij onder meer de schending van artikel 6 van het EVRM aan. Dit artikel heeft echter enkel betrekking op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing tot het verlenen van een milieuvergunning. Wanneer de deputatie over een milieuvergunningsaanvraag in beroep beschikt, treedt zij immers niet op als rechtsprekend orgaan, maar als orgaan van actief bestuur. 17. Verder stelt verzoekende partij dat niet redelijk kan verantwoord worden waarom 18 jaar moet gewacht worden op een weigeringsbeslissing, die volgens verzoeker dan nog niet aangeeft waarom de aanvraag wordt geweigerd, tenzij wat de bestemming betreft. VII-36.483-8/21 De milieuvergunningsaanvraag werd inderdaad ongeveer 18 jaar geleden, op 10 oktober 1988, ingediend bij het schepencollege van Schilde. Op 10 februari 1989 verleende het schepencollege de gevraagde vergunning en in hetzelfde jaar werd hiertegen beroep aangetekend bij de deputatie. De deputatie had bij besluit van 28 maart 1991 reeds uitspraak gedaan over voorliggend beroep. Tegen deze uitspraak werd echter een verzoek tot nietigverklaring ingediend bij (
  2. de)Raad van State. Met arrest van 25 juni 1998 heeft de Raad van State dit besluit vernietigd, zodat de deputatie pas in 1998 opnieuw uitspraak kon doen in voorliggend dossier. Uiteindelijk heeft de deputatie pas recentelijk uitspraak gedaan bij bestreden besluit van 8 juni 2006. Er is wel degelijk sprake van enige vertraging wat de uitspraak in beroep betreft, maar deze is niet volledig toe te schrijven aan de deputatie. 18. In (het) bestreden besluit is duidelijk aangegeven dat de beslissing enige vertraging heeft opgelopen omdat enerzijds het dossier verscheidene keren werd verdaagd om bijkomende aspecten van zowel procedurele als inhoudelijke aard te onderzoeken, en omdat anderzijds de adviezen op zich lieten wachten. Zo werd onder meer bijkomend onderzoek verricht naar : - de te volgen procedure : dit was helemaal niet evident gelet op feit dat hier een aanvraag en beroep betreft dat werd ingediend onder de ARAB- reglementering, terwijl ten tijde van het heropstarten van de beroepsprocedure na vernietiging van de eerste beslissing in beroep door de Raad van State de Vlarem-reglementering reeds van kracht was; - de hoorplicht: dit werd onderzocht naar aanleiding van een aantal bedenkingen opgeworpen door verzoekende partij in de hoorzitting van 17 februari 2005; - de ontvankelijkheid van de ingediende beroepen : deze werd opnieuw in vraag gesteld door verzoekende partij in de hoorzitting van 21 april 2005. Verzoekende partij heeft toen gepleit dat het beroep onontvankelijk zou zijn omdat de exploitant toen niet tijdig op de hoogte zou zijn gebracht. Gelet op de complexiteit van (het) dossier tengevolge van het door elkaar lopen van ARAB- en Vlarem-reglementering, werd verzocht om dit argument nader te onderzoeken; - de (mogelijke) nieuwe ontwikkelingen en elementen met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten van het dossier, zoals het feit of nu al dan niet een aanvraag tot planologisch attest werd ingediend en de stand van zaken in deze procedure, en de intenties (van het) schepencollege van Schilde omtrent een eventuele regularisatie; 19. Uit het voorgaande blijkt dat vaak onder impuls van verzoekende partij bijkomend onderzoek werd verricht, waardoor de behandeling van het dossier extra vertraging heeft opgelopen. Bovendien heeft verzoekende partij in de hoorzitting van 24 april 2005 uiteindelijk zelf om uitstel van een beslissing inzake de milieuvergunning gevraagd, tot een uitspraak zou worden gedaan omtrent het planologisch attest. Op een moment dat verzoekende partij duidelijk op de hoogte was van de vertraging in de besluitvorming , vraagt zij (...) alsnog om de beslissing uit te stellen. De deputatie is hier in willen meegaan, weliswaar slechts tot op het moment dat een aanvraag tot uitbreiding werd ingediend (...), en nu voert verzoekende partij schending van de redelijke termijn aan. Nochtans toont het gedrag van verzoekende partij aan dat zij zelf zeker geen moeite heeft gedaan om enige vertraging in de besluitvorming te vermijden. Meer nog, verzoekende partij heeft in zekere zin als het ware voordeel gehaald uit de vertraging. Hoewel de inrichting van bij de aanvraag van de milieuvergunning planologisch niet verenigbaar was, heeft zij al die tijd verder kunnen exploiteren. De vraag kan dan ook gesteld of verzoekende partij wel over een wettig belang beschikt om de schending van de redelijke termijn in te roepen. VII-36.483-9/21 20. In (
  3. de)bestreden beslissing werd duidelijk aangegeven dat de vergunning werd geweigerd omwille van de onverenigbaarheid van de gevraagde activiteiten met de ligging in natuurgebied. In tegenstelling tot wat verzoekende partij wil doen uitschijnen, volstaat dit om de milieuvergunning te weigeren. Meer zelfs, in geval van planologische onverenigbaarheid is de vergunningverlenende overheid er zelfs toe gehouden de milieuvergunning te weigeren, ook al zou blijken dat de door de inrichting veroorzaakte hinder binnen de aanvaardbare perken blijft. Terzake beschikt de deputatie in (het) kader van de milieuvergunningsprocedure niet over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid (...) 21. Tenslotte merkt verzoekende partij op dat door het verloop van de termijn ondertussen nieuwe reglementering tot stand is gekomen, waarop de aanvraag geen antwoord voorzag en waarop verzoekende partij ook niet de mogelijkheid zou hebben gekregen om een antwoord te formuleren. Het risico dat de oorspronkelijke aanvraag op zich op het einde van de rit niet meer voldoet aan nieuwe reglementering die ondertussen tot stand is gekomen, bestaat altijd. Dit is zeker het geval wanneer er na vernietiging door de Raad van State een nieuwe beslissing dient genomen te worden. Het is nu eenmaal gevestigde rechtspraak dat de vergunningverlenende overheid bij het nemen van een nieuwe beslissing na vernietigingsarrest, rekening dient te houden met de reglementering geldend op het ogenblik van de nieuwe wetgeving na het vernietigingsarrest. Bovendien kan opgemerkt worden dat de inrichting al geruime tijd, sedert de beslissing van het schepencollege dd. 10 februari 1989, in exploitatie is. Er mag dan ook verwacht worden dat de exploitant er over waakt dat zijn inrichting te allen tijde voldoet aan de steeds wijzigende normering aangaande zijn inrichting, of dat hij hiervoor ten minste de nodige inspanningen doet. Verzoekende partij heeft zelfs tot twee maal toe de kans gehad om bij de vergunningverlenende instantie naar eventueel gewijzigde reglementering te informeren, met name op de hoorzitting van 17 februari 2005 en de hoorzitting van 21 april 2005, maar heeft dit nagelaten te doen. Anderzijds was de weigeringsgrond van (
  4. de)bestreden beslissing, de planologische onverenigbaarheid, onverminderd de wijzigende reglementering terzake reeds aanwezig ten tijde van het indienen van het aanvraagdossier. Had de deputatie 8 jaar geleden voldoende zicht gehad op alle aspecten van de aanvraag en het beroep en toen reeds uitspraak gedaan over het ingediende beroep, dan had zij tot dezelfde conclusie moeten komen. B. Hoorplicht 22. Verzoekende partij beweert dat zij niet op nuttige wijze werd gehoord, gezien zij door de lange behandelingstermijn zou afgewezen zijn op rechtsgronden die onbestaande waren op het ogenblik van het indienen van de aanvraag (verzoekende partij verwijst hierbij naar de geluidsnormering en brandveiligheidsnormering) en gezien zij niet zou gehoord zijn over de mogelijkheden tot herlokalisatie. 23. Het is inderdaad zo dat het dossier een lange behandelingstermijn heeft gekend. Dit neemt echter niet weg dat dit in casu geen schending van hoorrecht met zich heeft meegebracht. In dit verband verwijs ik in de eerste plaats naar wat hierboven met betrekking tot de schending van de redelijke termijn reeds werd uiteengezet. (zie randnummer 21) 24. Verder kan (wat de verwijzing naar de gewijzigde geluids- en brandveiligheidsnormering betreft) opnieuw opgemerkt worden dat de inrichting al een gehele tijd in exploitatie is en mag verondersteld worden dat de exploitant er over waakt dat zijn inrichting te allen tijde voldoet aan de steeds wijzigende normering aangaande zijn inrichting, of dat hij hiervoor ten minste de nodige inspanningen doet. Het is tenslotte aan de exploitant om aan te tonen dat hij wel degelijk aan de geldende voorwaarden voldoet en hiertoe heeft verzoekende VII-36.483-10/21 partij wel degelijk de kans gekregen. Zowel op de hoorzitting van 17 februari 2005 als op de hoorzitting van 21 april 2005 heeft verzoekende partij de mogelijkheid gehad om allerlei elementen aan bod te brengen. Verzoekende partij had ook de uitgebrachte adviezen kunnen opvragen. Via het advies van de AMV dd. 4 februari 2005 had verzoekende partij nog voor de hoorzitting van 17 februari 2005 en zeker voor de hoorzitting van 21 april 2005 kunnen te weten (...) komen dat er twijfels waren m.b.t. het al dan niet voldoen aan de geluidsvoorwaarden van Vlarem II en tevens de brandveiligheid in vraag werd gesteld. Op de vergunningverlenende overheid rust geen verplichting om de adviezen uit eigen beweging over te maken. In het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming komt immers geen bepaling voor luidens welke de ingewonnen adviezen die in het kader van de beroepsprocedure door de beroepsinstantie worden ingewonnen voorafgaandelijk aan de uitspraak over het beroep, ter kennis moeten worden gebracht van de exploitant of van andere belanghebbenden. Dit wordt ook bijgetreden door de Raad van State. 25. Uiteindelijk werd de milieuvergunningsaanvraag in se niet afgewezen wegens niet conformiteit met de zogenaamde gewijzigde geluidsnormering en brandveiligheidsnormering die ondertussen van toepassing is. In de overwegenden van de bestreden beslissing werd wel het volgende aangehaald als bijkomende bedenking naar het milieutechnische aspect toe : 'Het is ook helemaal niet zeker dat aan de geluidsvoorwaarden van de Vlarem II wordt voldaan gelet op de gedeeltelijke ligging in natuurgebied en de inrichting kan ook naar brandveiligheid in vraag worden gesteld'; Maar zoals hierboven reeds aangetoond was het besluit van de deputatie los hiervan toch uitgedraaid op een weigering. Ook al kon verzoekende partij aantonen dat de inrichting wel degelijk voldoet aan de gewijzigde regelgeving inzake geluid en brandveiligheid, dan nog had de deputatie de vergunning moeten weigeren gelet op de planologische onverenigbaarheid (van) de inrichting. (...) 26. Wat de mogelijkheid op herlokalisatie betreft is het inderdaad zo dat de AROHM dit in haar advies dd. 23 december 2003 ter sprake brengt, maar tevens blijkt ook uit haar advies dat ook zij er geen voorstander van is. De AROHM stelt terzake meer bepaald het volgende : 'Gelet op de ligging in het natuurgebied kan in casu enkel de toepassing van het tweede lid van art. 43 §

§7

van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in overweging worden genomen. Dit voor een maximum termijn van 5 jaar en met het oog op herlokalisatie. Het gaat uiteraard slechts om een mogelijkheid in hoofde van de vergunningverlenende overheid om van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken en geen verplichting. ... In casu kan bovendien de vraag worden gesteld of het wel opportuun is om een vergunning te verlenen voor een beperkte termijn met het oog op herlokalisatie, vermits de voorliggende aanvraag een uitbreiding van een inrichting betreft en geen gewone hernieuwingsaanvraag van de lopende vergunning. Het structuurplan van de gemeente schilde bevindt zich nog in een beginfase, maar de gemeente heeft niet de intentie om de recreatieve ontwikkelingen in het betrokken gebied te bestendigen in haar structuurplan'. De deputatie is de AROHM hierin gevolgd en beschikte ook hier eigenlijk niet echt over enige appreciatieruimte. De afwijkingsmogelijkheden op het gewestplan voorzien in de stedenbouwkundige wetgeving kunnen immers niet zonder meer worden toegepast in het kader van de milieuvergunningsprocedure (...). Daarnaast is er ook rechtspraak die stelt dat de dwingende kracht van de gewestplanbestemming, zelfs niet tijdelijk, miskend kan worden, om billijkheids-, VII-36.483-11/21 sociale- of economische redenen. Hieruit volgt dat voor een inrichting die niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften ook geen tijdelijke milieuvergunning met het oog op herlokalisatie van de inrichting kan worden afgegeven. Hoe dan ook had verzoekende partij ook het advies van de AROHM kunnen opvragen en dan was zij wel degelijk op de hoogte geweest van de zogenaamde 'mogelijkheid' op herlokalisatie. Zij had dit dan ook nog eens aan bod kunnen brengen op de gehouden hoorzittingen. 27. Volledigheidshalve kan opgemerkt worden dat de deputatie niet verplicht was om verzoekende partij te horen op grond van ARAB. In (het) licht van de hoorplicht als (van) beginsel behoorlijk bestuur achtte zij dit wel wenselijk. Nochtans dient een bestuurde volgens de rechtspraak van de Raad van State slechts gehoord te worden wanneer volgende twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn : • de overheid moet het voornemen hebben een ernstige maatregel te nemen die van aard is om de belangen van de bestuurde zwaar aan te tasten; • deze maatregel moet gebaseerd zijn op een gegeven dat de betrokkene als een tekortkoming wordt aangerekend, m.a.w. een maatregel die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag. 28. Aan deze laatste voorwaarde (...) is in voorliggend geval niet voldaan. De weigering waarvan sprake in (

  1. de)bestreden beslissing vloeit, zoals reeds aangetoond, immers automatisch voort uit de toepassing van de wetgeving en toont dus geen verband met het persoonlijk gedrag van betrokkene. De vergunning werd tenslotte geweigerd wegens strijdigheid met het gewestplan en wat de toetsing aan het gewestplan betreft, beschikt de deputatie in het kader van de milieuvergunningsprocedure niet over een discretionaire maar slechts over een gebonden bevoegdheid. Niettegenstaande werd verzoekende partij toch gehoord en heeft zij de kans gekregen om op nuttige wijze haar standpunten te kennen te geven. Niet alleen heeft verzoekende partij een aanvullende nota neergelegd, er hebben ook 2 hoorzittingen plaatsgevonden waarop verzoekende partij telkens werd uitgenodigd, zodat verzoeker zelfs de mogelijkheid heeft gehad om mondeling voor haar belangen op te komen. In de nota en op de hoorzittingen heeft zij haar standpunt omtrent de planologische onverenigbaarheid uitgebreid te kennen gegeven en dit gegeven vormde tenslotte de doorslaggevende reden om de vergunning te weigeren. C. Rechtszekerheidsbeginsel 29. Verzoekende partij stelt dat uit haar uiteenzetting van de feiten blijkt dat de deputatie in voorliggende zaak herhaaldelijk opportuniteitsbeoordelingen heeft gemaakt in het voordeel van de exploitant en in functie daarvan ook heeft vergund. De deputatie zou volgens verzoekende partij met (
  2. de)bestreden beslissing de rechtszekerheid geschonden hebben door haar vroegere beoordeling te wijzigen, zonder dit omstandig te motiveren op grond van elementen die redelijk en proportioneel zijn. 30. Wat de milieuvergunning(
  3. en)van voorliggende inrichting betreft kan niet echt gesproken worden van een bepaalde aangehouden beleidslijn of 'vroegere' beoordeling. De milieuvergunning die het voorwerp van voorliggend dossier uitmaakt betreft immers de basisvergunning en voor betrokken activiteiten zijn nooit eerder activiteiten (milieu)vergund. De zogenaamde opportuniteitsbeoordelingen waarnaar verzoekende partij verwijst, hebben zoals ook blijkt uit de feiten aangehaald door verzoekende partij enkel plaatsgevonden in het kader van de stedenbouwkundige procedure. Deze konden gewoonweg niet doorgetrokken worden in de milieuvergunnings- procedure. Zoals hoger reeds aangehaald heeft de deputatie zich in het vernietigd besluit van 28 maart 1991, mede onder de verwijzing naar de bouwvergunning terzake, willen beroepen op de afwijkingsmogelijkheid VII-36.483-12/21 voorzien in het minidecreet van 28 juni 1984 om de milieuvergunning afgeleverd door het schepencollege van Schilde in strijd met het gewestplan te bevestigen. Dit werd niet aanvaard door de Raad van State. Het is dus niet omdat men in het kader van de bouwvergunning over bepaalde afwijkingsmogelijkheden beschikt dat men diezelfde afwijkingsmogelijkheden kan toepassen in het kader van de milieuvergunningsprocedure, ook al is het voorwerp van het dossier (zoals in voorliggend geval) dezelfde. 31. De vergunning werd geweigerd omwille van de strijdigheid met het gewestplan en dit werd ook uitdrukkelijk opgenomen in de overwegenden van (het) bestreden besluit. Zoals hoger reeds aangegeven had de deputatie terzake eigenlijk weinig of geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De weigering vloeide als het ware automatisch voort uit de wetgeving. Bestuursorganen worden slechts geacht om door hen bij burger opgewekte verwachtingen te honoreren, binnen de contouren van de hen door het objectieve recht verleende - wettelijke - bevoegdheidsopdracht. Er kan dan ook bezwaarlijk gesteld worden dat de bestreden beslissing op gronden is gesteund die niet redelijk of proportioneel, laat staan onjuist, zouden zijn. D. Motiveringsbeginsel 32. Verzoekende partij haalt ook de schending aan van zowel de formele als de materiële motiveringsplicht. Nochtans vindt verzoekende partij in de aangevochten beslissing maar al te duidelijk de motieven terug waarop zij steunt. Verzoekende partij verliest uit het oog dat het volstaat dat de motieven die ten grondslag van de beslissing liggen voldoende duidelijk zijn en de relevante bezwaren die kennelijk indruisen tegen de genomen beslissing op degelijke wijze worden weerlegd, opdat (
  4. de)beslissing afdoende gemotiveerd zou zijn. Dit is hier zeker het geval. Op pagina 6 van het bestreden besluit worden immers volgende overwegingen weergegeven : 'Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Antwerpen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : natuurgebied; Overwegende dat er kan gesteld worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de Raad van State in haar vernietigingsarrest dd. 25 juni 1998 duidelijk stelt dat de afwijkingsmogelijkheden op het gewestplan, voorzien in het decreet van 28/06/1984 enkel gelden ten aanzien van de procedure voor de bouwvergunning en niet kunnen ingeroepen worden voor de beoordeling van een milieuvergunning; Overwegende dat zoals hoger reeds opgemerkt de deputatie bij het nemen van een nieuwe beslissing in beroep met deze overwegingen rekening dient te houden; Overwegende dat een aanvraag tot planologisch attest werd ingediend, doch tot op heden hierin nog steeds geen (...) uitspraak werd gedaan; Overwegende dat bijgevolg in navolging van het advies van de AROHM dient gesteld dat gelet op de ligging in het natuurgebied in casu enkel de toepassing van het tweede lid van art. 43 §

§7

van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in overweging kan worden genomen; dat dit enkel kan voor een maximumtermijn van 5 jaar en met het oog op herlokalisatie; dat het bovendien een keuzemogelijkheid betreft in hoofde van de vergunningverlenende overheid om van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken en geen verplichting; dat in casu dan nog de vraag kan worden gesteld of het wel opportuun is om een VII-36.483-13/21 vergunning te verlenen voor een beperkte termijn met het oog op herlokalisatie, vermits de voorliggende aanvraag (tot het exploiteren van een nieuwe inrichting) in realiteit een uitbreiding van een inrichting (m.n. de niet -ingedeelde borstelskipiste) betreft en geen gewone hernieuwings- aanvraag van de lopende vergunning; dat de gemeente tenslotte niet de intentie heeft om de recreatieve ontwikkelingen in het betrokken gebied te bestendigen in haar structuurplan'; Hieruit kan duidelijk afgeleid worden dat de milieuvergunning werd geweigerd omwille van de onverenigbaarheid van de activiteiten met de ligging in natuurgebied. Deze planologische onverenigbaarheid was op zich al een afdoende reden om de milieuvergunning te weigeren. Zoals herhaaldelijk opgemerkt is de milieuvergunningverlenende overheid volgens gevestigde rechtspraak er immers toe gehouden de vergunning in dergelijk geval te weigeren, ook al zou blijken dat de door de inrichting veroorzaakte hinder binnen de aanvaardbare perken blijft.(...) Het is niet zo dat in voorliggend dossier tevens andere fundamentele elementen aanwezig zijn die, althans op het tijdstip dat (

  1. de)bestreden beslissing werd genomen, tot een andersluidende beslissing hadden kunnen of moeten leiden. Er was wel reeds een planologisch attest aangevraagd en hoewel een positief planologisch attest tot een andere uitkomst had kunnen leiden, was er hieromtrent nu eenmaal nog geen uitspraak gevallen ten tijde van de bestreden beslissing. (...) 33. Onder randnummer 15, eerste streepje, werd reeds aangegeven dat verzoekende partij de motiveringsplicht ook geschonden acht omdat niet uitdrukkelijk en afdoende werd gemotiveerd waarom (
  2. er)plots aanleiding was om te besluiten. Hoger werd reeds uiteengezet dat bij de deputatie een aanvraag (werd) in(gediend) tot uitbreiding van de bestaande skipiste, waarbij zij nog steeds uitging van het besluit van het schepencollege van Schilde dd. 10 februari 1989 als basisvergunning. Gezien deze aanvraag volgens de Vlarem-procedure verloopt, diende de deputatie in dit dossier binnen de 4 maand na ontvankelijk en volledigheidsverklaring (dit was uiterlijk op 13 augustus 2006) een uitspraak te doen. De deputatie achtte het dan ook wenselijk om eerst uitspraak te doen in voorliggend beroepsdossier, dat tenslotte de basisvergunning van de uitbreidingsaanvraag betrof. (...) Gelet op de vertraging dat het dossier al had opgelopen had de deputatie inderdaad kunnen aangeven waarom een planologisch attest niet langer kon worden afgewacht, maar stellen dat dit een schending inhoudt van de materiële en/of formele motiveringsplicht is toch wat te verregaand. Opdat een beslissing afdoende zou zijn gemotiveerd volstaat het dat de motieven die aan de grondslag van de genomen beslissing liggen voldoende duidelijk zijn en de relevante bezwaren die kennelijk indruisen tegen de genomen beslissing op degelijke wijze worden weerlegd. Dit is zoals hoger aangetoond in casu zeker het geval. Het beginsel van de motiveringsplicht heeft m.a.w. betrekking op de reden waarom een bepaalde beslissing werd genomen, maar niet op het tijdstip waarop. Zij reikt niet zover dat in een beslissing tevens zou moeten aangegeven worden waarom de beslissing op een bepaald tijdstip werd genomen. 34. Met het gunstig advies van de administratie Natuur waarnaar verzoekende partij verwijst, werd geen rekening gehouden omdat ze werd uitgebracht in het kader van de procedure tot het bekomen van een planologisch attest en bovendien geen bindend advies betreft. Derhalve is het ook niet aangewezen rekening te houden met een advies dat in het kader van een andere procedure werd uitgebracht waarin nog geen uitspraak werd gedaan, en waarvan dus nog de mogelijkheid bestond dat ze niet zou worden gevolgd. 35. Gelet op het voorgaande is het eerste middel in al haar onderdelen niet gegrond"; VII-36.483-14/21 2.1.3.1. Overwegende, wat de aangevoerde schending van de redelijke termijn betreft, dat de verzoekende partij zich in de eerste plaats lijkt te beklagen over het feit dat de verwerende partij een beslissing nam zonder de beslissing af te wachten in verband met haar aanvraag tot het bekomen van een planologisch attest; dat indien het middel inderdaad zo zou moeten worden begrepen, er in casu geen sprake kan zijn van een schending van de redelijke termijn, maar er in zekere zin een "te snelle" beslissing voorhanden lijkt te zijn; dat bovendien de verwerende partij een op het eerste gezicht aannemelijke reden opgeeft waarom zij uiteindelijk (na vele jaren) dan toch een beslissing nam, zonder de beslissing in verband met het planologisch attest af te wachten, namelijk : gelet op de nieuwe vergunningsaanvraag ingediend onder het regime van het milieuvergunningsdecreet moest zij wel binnen een bepaalde termijn over die nieuwe aanvraag beslissen, en aangezien die nieuwe aanvraag betrekking had op de uitbreiding van de thans ter discussie staande vergunning, was het noodzakelijk eerst duidelijkheid te scheppen over het lot van deze laatste vergunning die als de basisvergunning zou kunnen worden aanzien; Overwegende dat, ook al kwalificeert men het middel als een middel waarin werkelijk de te lange duur van de beslissingstermijn wordt aang- eklaagd, het middel nog niet als ernstig kan worden gekwalificeerd; dat, vooreerst, de verzoekende partij zich beklaagt over het feit dat het arrest van de Raad van State zo lang op zich liet wachten, hetgeen strijdig zou zijn met artikel 6 van het E.V.R.M.; dat evenwel een eventuele miskenning door de Raad van State van de redelijke termijn-vereiste niet aan de verwerende partij kan worden aangerekend; dat, voorts, niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat de verzoekende partij tijdens de tweede hoorzitting van 21 april 2005 er zelf op aangedrongen heeft om nog niet te beslissen, zodat zij thans slecht geplaatst is om nu aan te voeren dat de overheid te lang talmde met haar beslissing; Overwegende dat het inderdaad zo is dat er een nieuwe reglemen- tering tot stand kwam sedert het indienen van de aanvraag, doch op het essentiële punt waar alles op het eerste gezicht lijkt om te draaien is de reglementering evenwel niet gewijzigd : zowel op het moment van de aanvraag als nu is de inrichting van de verzoekende partij onverenigbaar met het bestemmingsvoorschrift natuurgebied; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; VII-36.483-15/21 2.1.3.2. Overwegende, wat de aangevoerde schending van de hoorplicht betreft, dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur -in casu was er geen reglementaire verplichting tot het horen van de verzoekende partij- impliceert dat het bestuur tegen niemand een ernstige maatregel kan treffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen; dat in casu op het eerste gezicht niet blijkt dat de weigering van de vergunning gegrond is op het persoonlijk gedrag van de verzoekende partij; dat integendeel vooral een stedenbouwkundige reden aanleiding blijkt te hebben gegeven tot het weigeren van de vergunning; dat alleen reeds om die reden de hoorplicht prima facie niet is geschonden; dat bovendien de verzoekende partij tot twee keer toe werd gehoord en dat zij eveneens een nota neerlegde die haar argumentatie bevatte; Overwegende dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 2.1.3.3. Overwegende, wat de aangevoerde schending van het rechtszeker- heidsbeginsel betreft, dat het decisief weigeringsmotief op het eerste gezicht de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de inrichting is, met name de omstandig- heid dat een skipiste onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift natuurgebied; dat ten tijde van de bestreden beslissing er prima facie geen wettelijke mogelijkheid voorlag om, wat de betrokken inrichting betreft, af te wijken van het bestemmings- voorschrift van de vigerende gewestplanbestemming; dat in het verleden eventueel gemaakte "opportuniteitsbeoordelingen" op het eerste gezicht niet toelaten om contra legem af te wijken van de plannen van aanleg; Overwegende dat het derde middelonderdeel niet ernstig is; 2.1.3.4. Overwegende, wat de aangevoerde schending van het "motive- ringsbeginsel" betreft, dat op het eerste gezicht de weigeringsbeslissing berust op een motief dat afdoende is en dat tevens formeel veruitwendigd is, te weten de onverenigbaarheid van de inrichting met het bestemmingsvoorschrift natuurgebied van het gewestplan; dat dit motief niet ondeugdelijk lijkt, vermits de verwerende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing prima facie niet beschikte over de mogelijkheid om af te wijken van het gewestplan; dat het planologisch attest, dat eventueel een mogelijkheid terzake zou kunnen openen, ten tijde van de bestreden beslissing nog niet voorhanden was; dat het "gedeeltelijk positief" planologisch attest, VII-36.483-16/21 dat inmiddels op 28 september 2006 werd afgeleverd, enkel naar de toekomst kan werken; Overwegende dat het vierde middelonderdeel niet ernstig is; 2.1.4. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het eerste middel in geen van zijn onderdelen ernstig is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert wat volgt : "Tweede middel Genomen uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de beginselen van behoorlijk bestuur zoals het redelijkheidsbeginsel, de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, Doordat de aanvraag voor de vergunning werd ingediend in 1988 en aanleiding geeft in 2006 tot een besluit tot weigering zonder dat uitdrukkelijk, laat staan afdoende, wordt gemotiveerd : • waarom een oplossing voor verzoekende partij niet mogelijk is terwijl die wel mogelijk blijkt voor de manege die er oorspronkelijk deel van uitmaakte doch er in 1988 werd van afgesplitst, en terwijl die regularisatie een veelvoud aan hinder veroorzaakt t.o.v. die door verzoekende partij, zodat zij zodoende de aangehaalde reglementering en rechtsbeginselen schendt. Toelichting van het middel. 92. Destijds in de jaren 60-80 van vorige eeuw maakte van de inrichting van Casablanca eveneens een manege deel uit. In 1988 werd die afgesplitst met het akkoord van Casablanca die de manege tot dan in haar uitbating had. De uitbating werd overgedragen aan Hazebroek. 93. Voor de manege werd een sectoraal BPA opgemaakt waarbij voorzien werd dat deze, als recreatieve inrichting, zich mocht vestigen in landbouwgebied en aldaar de gelegenheid kreeg om jumpings te organiseren. Er werd een bouwver- gunning afgeleverd voor een manegegebouw dat in omvang een veelvoud is van wat voorheen bestond. 94. Beide inrichtingen palen aan elkaar. Tussen de gebouwen is er een afstand van een twintigtal meter. Het ene kan. Het andere mag niet. 95. Wat Casablanca betreft werd in hoofdzaak altijd een mobiliteitsproblematiek opgeworpen. In het besluit a quo is daarvan geen sprake. Nu gaat het over geluid en brandveiligheid. Sneeuw is blijkbaar veel meer brandbaar dan hooi en stro ... terwijl de mobiliteit van de manege een veelvoud is van die van Casablanca. 96. Uw Raad onderzoekt of aan het gelijkheidsbeginsel is voldaan in functie van : de objectiviteit, de finaliteit, de algemeenheid, de pertinentie, de wettigheid en de evenredigheid van de bestreden beslissing. Gelijke feitelijke situaties dienen door de wet op dezelfde wijze te worden behandeld (objectiviteitscriterium). Ongelijke situaties kunnen ongelijk behandeld worden indien het objectieve onderscheid tussen de verschillende situaties redelijkerwijze in verband staat met het wettig nagestreefde doel (pertinentiecriterium). Indien de behandeling ongelijk is kan dit slechts voor zover er een geoorloofd doel mee wordt nagestreefd (verbod van willekeur). Het ingebrachte onderscheid moet daarbij nog in verhouding staan tot het beoogde doel (het evenredigheidscriterium). VII-36.483-17/21 97. De grondwettelijke regels van de gelijkheid van de Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt gemaakt wanneer voor het criterium van onderscheid geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm. Het gelijkheidsbeginsel, en artikel 10 van de grondwet, is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenwichtigheid bestaat. 98. De toetsing van wetten en decreten slaat op het objectieve karakter van het onderscheid, het adequaat karakter van de maatregelen ten aanzien van het nagestreefde doel én het bestaan van een redelijke verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het onderscheid mag dan al gebaseerd zijn op een objectief criterium, het criterium moet alleszins ook pertinent zijn. 99. De Bestendige Deputatie heeft zich niet vergewist van de ongelijke behandeling, laat staan er over gemotiveerd. Door het verloop van de tijd van de procedure en m.b.t. dit element, m.b. tussen het horen van verzoekende partij en het nemen van de beslissing 14 maanden later, kon dit element door verzoekende partij zelfs niet op adequate wijze worden voorgelegd. Het toont andermaal het belang aan van de behandelingstermijn zoals in het eerste middel werd aangevoerd. De hoorplicht is niet op adequate wijze uitgevoerd. 100. Het handelen van de overheden is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en wijst op willekeur. 101. Het middel is ernstig"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota volgende repliek geeft : "37. De elementen die verzoekende partij aanhaalt om de schending van bovenvermelde beginselen aan te tonen zijn hier echter niet aan de orde. Het vormen misschien wel argumenten die kunnen aangevoerd worden tot het bekomen van een positief planologisch attest, maar gezien dit niet het voorwerp van voorliggend dossier betreft horen ze ook niet thuis in deze procedure. Het betreft hier de milieuvergunning en niet het planologisch attest, en het is niet in (het) kader van de milieuvergunning dat over deze elementen dient uitspraak te worden gedaan. 38. In het kader van de milieuvergunningsprocedure dient evenwel een zekere stedenbouwkundige beoordeling plaats te vinden, maar hierbij beschikt de milieuvergunningverlenende overheid slechts over een gebonden bevoegdheid. Zo dient nagegaan te worden of de betrokken inrichting al dan niet in strijd is met het gewestplan, RUP's of BPA's e.d.m. Het feit dat voor een bepaalde inrichting een BPA zou zijn opgemaakt en voor een andere inrichting niet, daar kan de milieuvergunningverlenende overheid zich niet over uitspreken. Zij dient enkel te toetsen aan de van kracht zijnde plannen. Ten opzichte van de voorschriften van deze plannen zelf beschikt zij niet over enige beoordelings- ruimte. De vergunningverlenende overheid moet het stellen met de plannen die er zijn. Is er geen sectoraal BPA of dergelijke opgemaakt die toelaat af te wijken van het gewestplan, dan kan de vergunningverlenende overheid niet anders dan de milieuvergunning te weigeren wanneer het in strijd is met het gewestplan. Zoals reeds opgemerkt volgt uit art. 2, par. 1 Stedenbouwdecreet 1996 dat de milieuvergunningverlenende overheid ertoe gehouden is de verordenende en derhalve dwingende stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften toe te VII-36.483-18/21 passen, ook als zou vaststaan dat de door een inrichting veroorzaakte hinder binnen de aanvaardbare perken blijft. Geen milieuvergunning kan worden verleend wanneer het voorwerp van de aanvraag strijdig is met de bestemming van het gebied. In casu, weigert de deputatie de vergunning omwille van strijdigheid van de activiteiten met de ligging in natuurgebied. Deze beoordeling houdt geen schending in van het redelijkheids- of het zorgvuldigheidsbeginsel. Schending van het redelijkheidsbeginsel impliceert dat de (...) deputatie over enige discretionaire bevoegdheid terzake zou beschikken en uit hetgeen voorafgaat blijkt duidelijk dat dit in casu niet het geval was. De oplossing die verzoekende partij aanvoert voor betrokken inrichting kan niet geleverd in het kader van de milieuvergunning, maar is iets dat in het kader van het planologisch attest dient bekeken te worden. 39. Het lijkt dus weinig waarschijnlijk dat het gelijkheidsbeginsel door het weigeren van de milieuvergunning ten aanzien van betrokken inrichting werd geschonden. Het bestuur dient bij het nemen van een besluit verwachtingen te honoreren die in eenzelfde situatie omtrent dat besluit zijn gewekt, maar het betreft in casu (...) niet echt eenzelfde situatie. De zogenaamde verwachtingen werden opgewekt in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedu- re terwijl (
  3. de)bestreden beslissing de milieuvergunning betreft. Bovendien kon er wat de milieuvergunning betreft ook nog niet echt sprake zijn van opgewekte verwachtingen gezien het de eerste aanvraag tot milieuvergunning betreft. 40. Tenslotte kan ook nog in het algemeen worden opgemerkt dat de vergelij- king met Hazebroek niet opgaat. Niet alleen betreft het een andere activiteit, Hazebroek betreft een manege terwijl NV Casablanca een skipiste uitbaat, beide inrichtingen liggen dan nog eens in een verschillend bestemmingsgebied. De skipiste van de NV Casablanca ligt in natuurgebied en de manege zou in agrarisch gebied liggen. 41. Op de uitdrukkelijke motiveringsplicht en de hoorplicht wordt hier niet meer ingegaan, gezien deze beginselen hoger reeds uitgebreid aan bod zijn gekomen. 42. Het tweede middel is in al haar onderdelen niet gegrond"; 2.2.3. Overwegende dat de overheid die een beslissing moet nemen over een exploitatievergunningsaanvraag dient te onderzoeken of de betrokken inrichting vanuit stedenbouwkundig en milieuhygiënisch oogpunt kan worden vergund; dat het niet tot haar taak behoort te motiveren waarom voor andere vergunningen desgevallend een vergunning werd verleend; dat het volstaat om duidelijk en afdoende te motiveren waarom de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij niet kon worden ingewilligd; dat die motiveringsplicht dan ook niet op grond van de grief van de verzoekende partij lijkt te zijn geschonden; Overwegende, voorts, dat opdat er sprake zou kunnen zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel er sprake moet zijn van gelijke, of op zijn minst vergelijkbare situaties die ongelijk werden behandeld; dat dit in casu op het eerste gezicht niet het geval is; dat uit de stedenbouwkundige vergunning die op 8 november 2004 werd afgeleverd aan Mike HAZEBROEK voor het bouwen van een paardenfokkerij immers blijkt wat volgt : VII-36.483-19/21 - de bouwvergunning heeft betrekking op een paardenfokkerij, wat qua aard en impact niet hetzelfde is als een skipiste; - de paardenfokkerij ligt volgens het gewestplan deels in agrarisch gebied, deels in bosgebied, deels in natuurgebied, terwijl de skipiste volledig in natuurgebied ligt. Voor het gedeelte in bosgebied gaat het prima facie om een sloping van gebouwen, en voor het perceelsgedeelte in bosgebied is er terug bosaanplant. De nieuwe bebouwing is volledig in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied gesitueerd. Er treedt geen verdere aantasting van het gebied op en er is bovendien een herstel van het bosgebied. Voorts wordt een ruime groenbuffer rondom de bebouwing voorzien; 2.2.4. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 2.3. Overwegende dat derhalve aan de eerste voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. VII-36.483-20/21 De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.483-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.887 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.