← België

Arrest 167888 - Milieuvergunningen - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.888 Rolnummer: A. 177539/VII-36635 Zaak: Arrest 167888 - Milieuvergunningen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 16:01 Fiche Arrest nr 167.888 van 15 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.888 van 15 februari 2007 in de zaak A. 177.539/VII-36.635. In zake : Tommy VAN DEN BROECK, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partijen : 1. Louis ANTHONISSEN, 2. Raf VERHEYEN, die woonplaats kiezen bij advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tommy VAN DEN BROECK op 9 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 13 juli 2006 waarbij deze de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas van 21 maart 2006, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Louis ANTHONISSEN voor de exploitatie van een inrichting voor vleeskalveren, gelegen aan de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas, ongegrond verklaart en de beroepen beslissing -mits aanpassing- bevestigt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; VII-36.635-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. SACREAS die, loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat N. THYSEN die, loco advocaat J. SURMONT verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 30 oktober 2006 Louis ANTHONISSEN en Raf VERHEYEN, begunstigden van het bestreden besluit, vragen om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Verzoeker woont te Merksplas, Steenweg op Turnhout 154. 2.2. Op 12 december 2005 dient Louis ANTHONISSEN een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van een inrichting voor runderen naar een inrichting voor vleeskalveren, tezamen met de verplaatsing van de inrichting van de Kerkstraat 2 in Kalmthout naar de Steenweg op Turnhout 150 te Merksplas. De aanvraag wordt op 20 december 2005 ontvankelijk en volledig verklaard door de gemeente Merksplas. VII-36.635-2/11 Er worden vier bezwaarschriften ingediend, onder meer door verzoeker, die alleen maar zegt dat hij bezwaar aantekent maar geen argumenten naar voor brengt. De Vlaamse Landmaatschappij geeft een ongunstig advies. Zij stelt dat, aangezien de verplaatsing in feite niet tot de oprichting van een nieuwe inrichting leidt maar wel tot de samenvoeging van twee inrichtingen, de te verplaatsen vergunde mestproductie met 25% moet worden verminderd en daardoor de aanvraag ten opzichte van de aldus verminderde vergunde mestproductie een stijging van deze productie behelst. De gemeentelijke vergunningendienst geeft een gunstig advies. Op 21 maart 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas de gevraagde vergunning. Het college weerlegt het negatief advies van de Vlaamse Landmaatschappij als volgt : "- Het ongunstige advies van VLM is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvraag een samenvoeging betreft met het bestaande bedrijf, gelegen Steenweg op Turnhout 150 en dat bijgevolg slechts 75% van de vergunning van de te verplaatsen inrichting in aanmerking kan genomen worden. - Het bestaande bedrijf, gelegen Steenweg op Turnhout 150 is een melkveebedrijf, vergund op naam van Verheyen Raf en Ben. Het bedrijf beschikt over een vergunning, voor 236 runderen, het stallen van 10 voertuigen, 3000 l mazoutopslag en 1438 m³ mestopslag. - Voorliggende aanvraag voorziet in de bouw van een mestkalverstal met bedrijfswoning achter het bestaande bedrijf. Op termijn zal deze woning met bijhorende stal dus een afzonderlijk adres krijgen. - Hierdoor werd reeds een gunstig stedenbouwkundig attest verkregen. - Uit navraag blijkt dat het de bedoeling is dat op termijn het mestkalverbedrijf en het melkveebedrijf als twee afzonderlijke inrichtingen zullen worden uitgebaat (afzonderlijke uitbaters, adres en bedrijfsvoering). - Uit aangehaalde argumenten kan besloten worden dat de aanvraag wel degelijk een verplaatsing en geen samenvoeging betreft". 2.3. Op 29 maart 2006 tekent verzoeker tegen deze beslissing beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Zijn beroep steunt op de volgende elementen : "- de inplanting: het uitzicht van de woningen gelegen langs de Steenweg op Turnhout wordt belemmerd door de inplanting van de stallen evenwijdig met de weg. Volgens mijn inlichtingen komen deze stallen te liggen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en betekent de inplanting van deze stallen een aantasting van dit gebied. - te verwachten milieu overlast zoals vliegen, ongedierte, geurhinder en lawaai". VII-36.635-3/11 Op 24 april 2006 tekent ook de Vlaamse Landmaatschappij beroep aan tegen deze beslissing bij de verwerende partij. De Vlaamse Landmaatschappij herhaalt de argumentatie die zij reeds liet gelden in haar eerder advies. In haar advies aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie stelt zij dat het weliswaar correct is dat de inrichting wordt verplaatst naar een nieuw kadastraal perceel dat gelegen is achter de percelen van het bestaande bedrijf, maar dat dit logisch is daar de percelen waarop het bestaande bedrijf is gelegen volgebouwd zijn, zodat de aanvraag als een feitelijke samenvoeging moet worden beschouwd. Dientengevolge betreft de aanvraag een klasse 1-bedrijf en moet de milieuvergunningsaanvraag bij de bestendige deputatie worden ingediend. De afdeling ROHM geeft een gunstig advies. De afdeling Milieuvergunningen adviseert het beroep ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij gegrond te verklaren en het beroep ingediend door verzoeker ongegrond omdat de hinder kan worden opgevangen door naleving van de opgelegde voorwaarden. De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert op 20 juni 2006 ongunstig. Ook zij is van mening dat het wel degelijk gaat om een samenvoeging van bedrijven en dat bijgevolg niet voldaan is aan de voorwaarden van het meststoffendecreet. 2.4. Op 13 juli 2006 besluit de verwerende partij dat de beide beroepen ongegrond zijn en bevestigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, mits aanpassing van artikel 1 van deze beslissing als volgt : "Aan Anthonissen Louis, Kerkstraat 2, 2920 Kalmthout, wordt onder voorwaarden vergunning verleend voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, gelegen te Steenweg op Turnhout z/n, é0 Merksplas met kadastraal nr. sectie E, nr. 236 a, zodat de inrichting omvat: - 466 vleeskalveren (9.4.2.c.1) - 4200 m³ dierlijke mestopslag (28.2.c.1) i.k.v. de stopzetting van een bestaande inrichting, gelegen te Kerkstraat 2 te 2920 Kalmthout". Het bestreden besluit is uitgebreid gemotiveerd als volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de vergunning tot hernieuwing en verplaatsing werd aangevraagd door de heer L. Anthonissen; dat het naastgelegen melkveebedrijf wordt geëxploiteerd door en is vergund op naam van de gebroeders Verheyen; VII-36.635-4/11 dat hieruit blijkt dat het 2 verschillende exploitanten betreft en dat de aanvraag derhalve niet kan beschouwd worden als een uitbreiding van het bestaande bedrijf op naam van de gebroeders Verheyen; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier en uit de verklaringen afgelegd door betrokkene (in de PMVC) voldoende blijkt dat in de toekomst, de heer Raf Verheyen, na overname deze inrichting zal exploiteren en dat de heer Ben Verheyen het bestaande melkveebedrijf alleen zal blijven verder exploiteren; dat de PMVC er derhalve ten onrechte van uit gaat dat het een samenvoeging betreft; Overwegende dat de bedrijven elk een aparte toegang hebben; dat het melkveebedrijf, vergund op naam van Ben Verheyen, gelegen is aan de Steenweg op Turnhout; dat het mestkalverenbedrijf, gelegen achter het bestaande bedrijf, toegankelijk zal zijn via een servitudeweg; dat deze weg in de toekomst verhard wordt en er thans een voorlopige verharding met steenslag is; dat het hier dus duidelijk twee afzonderlijke exploitaties betreft; Overwegende dat uit het verleende stedenbouwkundig attest blijkt dat het hier twee leefbare bedrijven zijn; dat het stedenbouwkundig attest werd gevraagd en verleend op naam van Ben Verheyen (de enige exploitant van het bestaande melkveebedrijf) geen enkele belemmering vormt voor een latere exploitatie door diens broer, de heer Raf Verheyen; dat het evenwel aangeeft dat beide broers inderdaad de intentie hebben en hadden om ieder een bedrijf zelfstandig uit te baten; dat het feit dat nu Raf Verheyen het kalverenbedrijf wenst over te nemen van L. Anthonissen en niet Ben Verheyen aan deze vaststelling geen afbreuk doet; Overwegende dat bij het melkveebedrijf een woning werd gebouwd en ook bij het nieuwe bedrijf een bedrijfswoning wordt voorzien; dat de stedenbouwwetgeving de inplanting van andere dan bedrijfsgebouwen in agrarisch gebied enkel toelaat onder de dubbele voorwaarde dat het een exploitantenwoning betreft en dat ze ruimtelijk geïntegreerd is in het bedrijf; dat het aantal bedrijfswoningen bovendien dient te worden beperkt tot 1 per bedrijf; dat uit het feit dat voor beide bedrijven de toelating werd (melkveebedrijf) of kan worden verleend (mestkalverenbedrijf o.b.v. stedenbouwkundig attest) nogmaals blijkt dat de bedrijven als afzonderlijke entiteiten dienen te worden beschouwd; Overwegende dat het melkveebedrijf en kalverenbedrijf zouden kunnen uitgebaat worden als één bedrijf, doch uit bekomen informatie blijkt dat dit niet de intentie is van de heer L. Anthonissen of de gebroeders Verheyen, zodat de aanvraag ook niet als dusdanig kan beschouwd worden, maar dient geëvalueerd in functie van de exploitatie van een nieuwe inrichting zoals aangevraagd in het dossier; Overwegende dat de vergunning werd aangevraagd voor de exploitatie van een nieuwe inrichting én tevens voor de vroegtijdige hernieuwing en verandering van de inrichting door omvorming van rundvee door vleeskalveren; dat aangezien het evenwel de exploitatie van een nieuwe inrichting betreft, er helemaal geen vroegtijdige hernieuwing of verandering van de vergunning aangevraagd kan worden; dat tevens, behoudens een uitdrukkelijke motivering, voor de exploitatie van een nieuwe inrichting steeds een vergunning dient verleend te worden voor een termijn van 20 jaar; Overwegende dat een vergunning derhalve niet verleend kan worden voor de vroegtijdige hernieuwing of verplaatsing van een inrichting, maar enkel voor de exploitatie van een nieuwe inrichting of desgevallend voor het veranderen of hernieuwen van een vergunning van een bestaande inrichting (eventueel i.k.v. de volledige stopzetting van een andere bestaande veeteeltinrichting); dat een vergunning immers gebonden is aan een exploitatieplaats en bijgevolg niet verplaatst kan worden; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur VII-36.635-5/11 en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat op basis van de bovenvermelde argumenten, de ingediende beroepen ongegrond worden verklaard en het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Merksplas van 21 maart 2006 wordt bevestigd, evenwel mits wijziging van de omschrijving van het voorwerp van de vergunning"; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker samengevat doet gelden wat volgt : "De vergunde inrichting is gelegen vlak achter het perceel van de verzoeker (perceel 237

  1. s)en is slechts toegankelijk via een erfdienstbaarheid die loopt over het perceel (perceel 238
  2. y)dat gelegen is vlak naast het perceel van de verzoeker. Mede gelet op het feit dat de overheersende 'windrichting N' is (het perceel van de verzoeker is gelegen ten noorden van de vergunde inrichting) is het duidelijk dat de concrete inplanting van het mestkalverenbedrijf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen aan verzoeker door middel van vliegen, ongedierte, geurhinder en lawaai. Deze hinder strekt zich uit over de tuin van de verzoeker en zal zich ook voordoen in de keuken die achteraan de woning ingeplant is. Op de eerste verdieping zijn er aan de achterzijde ook slaapkamers. Het is dan ook duidelijk dat het woongenot ernstig zal worden beknot. Een inrichting van zoveel dieren, het laden en lossen van de dieren, voeders en mest op zo’n korte afstand van de tuin en de woning brengt mee dat de specifieke hinder, geur, geluid, insecten en ongedierte onredelijk groot zal zijn voor verzoeker en zijn gezin. Er zal ook zichtschade zijn. Het zicht dat in het bijzonder vanuit de achterliggende slaapkamer kan genomen worden op het open agrarisch gebied is juist rustgevend. Dat aspect wordt volledig ontnomen. Het groenscherm dat wordt voorzien kan daarbij niet alle hinder neutraliseren en zal bovendien zelf het uitzicht vanuit perceel 237 s en de achtergelegen open, ongeschonden ruimte belemmeren. Het genot van de woonfunctie van het perceel van de verzoekende partij dreigt hierdoor over een langere periode ernstig in het gedrang te komen. Deze schade kan niet hersteld worden in natura"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota vooreerst opmerkt dat verzoeker zich in agrarisch gebied heeft gevestigd en dat in een dergelijk gebied een beperkte hinder afkomstig van een veebedrijf niet als abnormale burenhinder kan worden beschouwd, dat, ten tweede, verzoeker niet aantoont dat de door hem opgesomde nadelen -gesteld dat ze ernstig zouden zijn- ook moeilijk te VII-36.635-6/11 herstellen zijn, en dat, ten derde, verzoeker ook geen feitelijke uiteenzetting aanbrengt die zijn nadeel moet ondersteunen en dat hij zich beperkt tot algemeenheden waarvan niet het minste bewijs wordt geleverd; 3.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partijen in eerste instantie stellen dat verzoekers uiteenzetting vaag en algemeen blijft en dat hij zijn nadeel niet op een voldoende concrete wijze beschrijft; dat zij opmerken dat verzoekers perceel in agrarisch gebied is gelegen en dat toen hij acht jaar geleden het perceel kocht waarop hij in 2002 een woning bouwde, er twee percelen verder reeds een melkveebedrijf was gevestigd; dat zij betogen dat verzoeker uitgaat van een aantal feitelijke onjuistheden, en vervolgens een reeks feitelijke elementen aanbrengen die dit volgens hen aantonen : - Het is onjuist dat het nieuw op te richten bedrijf vlak achter verzoekers woning is gelegen : verzoekers woning ligt vlak aan de Steenweg op Turnhout en zijn achtertuin is ongeveer 50 meter diep. Tussen zijn perceel en de grens van het perceel waarop de stal is vergund ligt nog een weide van 50 meter breedte. Tussen de achtergevel van verzoekers woning en het dichtste punt van de vergunde stal ligt ongeveer 125 meter. - Verzoeker heeft ook geen vrij zicht op het "open agrarisch landschap". Uit de bij het verzoekschrift tot tussenkomst gevoegde foto’s blijkt dat er geen sprake is van een vrij zicht naar achteren : op de achterste grens van verzoekers perceel bevindt zich over de volledige breedte een hoge en dichtgegroeide haag met klimop. Daarachter staat een rij hoge bomen zodat het zicht naar achteren quasi volledig wordt belemmerd. Ook aan de zijkant van het perceel is elk zicht ontnomen. - Verzoeker toont ook niet concreet aan dat er vanuit de slaapkamer aan de achterkant zicht naar achteren zou zijn : er zijn slechts twee veluxramen in het dak waarvan men bezwaarlijk kan argumenteren dat deze gebruikt worden om een zicht naar achteren te hebben. Een slaapkamer is overigens geen woonkamer waar men in verblijft om zicht op de omgeving te hebben. Bovendien zullen de stallen nagenoeg aan het zicht worden onttrokken door het voorziene en aan te brengen hoge en dichte groenscherm. - Het is onjuist dat het nieuwe bedrijf enkel toegankelijk zou zijn via een erfdienstbaarheid die loopt over het perceel 238y dat vlak naast verzoekers perceel loopt. Deze toegang zal verlopen over een servitudeweg die loopt over het perceel 238x dat twee percelen verder is gelegen dan dat van verzoeker en loopt over het perceel waarop het bestaande melkveebedrijf is gevestigd. De toegang tot dat VII-36.635-7/11 melkveebedrijf is dichter bij verzoekers woning gelegen dan deze van het nieuwe bedrijf; Overwegende dat de tussenkomende partijen voorts stellen dat wanneer verzoeker in agrarisch gebied wil wonen, hij de normale en aanvaardbare hinder die voorkomt in zulke gebieden moet verdragen, dat hij zich nooit heeft beklaagd over hinder door het bestaande melkveebedrijf dat dichter bij zijn woning is gelegen dan het nieuwe vergunde bedrijf, dat het laden en lossen van de dieren van dat nieuwe bedrijf zal gebeuren langs de servitudeweg en op circa 180 meter afstand van verzoekers woning, dat hij daarop geen zicht kan hebben, dat slechts enkele weken per jaar er transport is van dieren, dat eens de dieren in de stallen zijn aangekomen ze er zes maanden blijven, dat het laden en lossen van de dieren slechts een half uur duurt, en dat inzake de voeders er slechts één transport per week is te verwachten; dat de tussenkomende partijen nog doen gelden dat verzoeker geen enkel concreet element naar voor brengt in verband met de beweerde geurhinder en/of ongedierte, laat staan dat hij het aannemelijk maakt dat hij meer zulkdanige hinder zou ondervinden dan in agrarisch gebied aanvaardbaar is, dat hij wat dit betreft ten onrechte stelt dat de overheersende windrichting noordelijk zou zijn, dat deze noordoostelijk is tengevolge waarvan de eventuele geurhinder achter het perceel van verzoeker in oostelijke richting zal wegtrekken, dat verzoeker ten slotte ook niet aantoont dat de schade die hij zou ondervinden niet kan worden hersteld, dat hij zich desgevallend altijd kan richten tot de burgerlijke rechtbanken waar hij desgevallend aanspraak kan maken op een financiële vergoeding, maar in eerste instantie ook herstel in natura kan vragen, en dat hij tussentijds ook voor de burgerlijke rechter met toepassing van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek in kort geding voorlopige maatregelen kan vragen, dit alles hangende de annulatieprocedure; 3.4. Overwegende dat zowel het vergunde bedrijf als verzoekers woning zich volgens de stukken van het dossier blijken te bevinden in agrarisch gebied; dat de tolerantiedrempel voor hinder veroorzaakt door de exploitatie van agrarische bedrijven hoger ligt voor de personen die zelf beslissen om zich in agrarisch gebied te vestigen; Overwegende dat, zoals reeds uit de feitelijke gegevens van de zaak is gebleken, verzoeker in zijn initieel bezwaarschrift ingediend bij het college van burgemeester en schepenen geen enkel argument liet gelden; dat in zijn beroepschrift ingediend bij de verwerende partij hij wel enkele argumenten liet gelden VII-36.635-8/11 maar dat deze zeer algemeen bleven (zie punt 2.3.); dat ook in zijn onderhavig beroep verzoeker bij een vrij algemene argumentatie blijft die bovendien gedeeltelijk op onjuiste feitelijke gegevens blijkt te steunen; Overwegende dat met name uit het door verzoeker bijgevoegde kadasterplan blijkt dat, zoals de tussenkomende partijen terecht opmerken, achter verzoekers woning nog een tuin van minstens 50 meter diep ligt en dat er tussen die tuin en het perceel waarop het nieuwe bedrijf zal worden gevestigd nog een weide ligt met een diepte van eveneens 50 meter; dat er aldus minimum 100 meter ligt tussen de achtergevel van verzoekers woning en de grens van het perceel waarop het nieuwe bedrijf zou komen; dat uit dat plan en uit de bespreking van de aanvraag op de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie tevens blijkt dat de toegang tot het nieuwe bedrijf zou gebeuren via een servitudeweg die loopt over het terrein van het reeds bestaande melkveebedrijf en dat dit het perceel 238x is dat niet het naast verzoeker gelegen perceel is; dat, voorts, de overheersende windrichting in België -en dus ook in Merksplas- zuid-west is, waardoor deze naar het noord-oosten blaast, terwijl verzoekers perceel op het eerste gezicht bijna pal ten noorden van het vergunde bedrijf is gelegen; Overwegende dat tevens uit de milieuvergunningsaanvraag blijkt dat de kalveren op het nieuwe bedrijf maar om de ongeveer zes maanden worden vernieuwd, zodat de hinder van laden en lossen van dieren prima facie relatief beperkt kan worden genoemd; dat de tussenkomende partijen daarenboven stellen dat verzoeker zich nooit heeft beklaagd over hinder uit het bestaande melkveebedrijf; dat verzoeker in zijn verzoekschrift inderdaad op generlei wijze hinder uit dat bedrijf in zijn uiteenzetting betrekt, terwijl dit dichter bij zijn woning is gelegen dan het vergunde bedrijf; dat eveneens wordt vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas op 5 september 2006 aan de tweede tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning heeft afgeleverd voor de bouw van het nieuwe bedrijf en dat er tijdens het openbaar onderzoek van die aanvraag geen bezwaarschriften werden ingediend, ook niet door verzoeker; Overwegende dat, wat de door verzoeker ingeroepen zichtschade betreft, deze niet het gevolg is van de milieuvergunning maar wel van de gebouwen die er zullen worden gezet en dus van de bouwvergunning waartegen -zoals hierboven gesteld- hij blijkbaar geen bezwaar heeft aangetekend; dat daarenboven uit de door de tussenkomende partijen voorgelegde foto’s blijkt dat verzoekers tuin van VII-36.635-9/11 het achterliggende landschap lijkt te zijn afgescheiden door een dicht groenscherm bestaande uit een met klimop begroeide afsluiting en een rij bomen met dichte ondergroei; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting nog verwijst naar de ernst van het tweede middel; dat evenwel om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte te kunnen bevelen er cumulatief aan twee grondvoorwaarden moet zijn voldaan, namelijk het aanvoeren van een ernstig middel dat tot vernietiging van de aangevochten akte kan leiden en het berokkenen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte; dat het in casu gaat om twee onderscheiden voorwaarden; dat de afwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen zonder dat de ernst van de middelen moet worden onderzocht; dat verzoeker dan ook niet nuttig naar het ernstig karakter van de middelen kan verwijzen ter adstructie van het aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, verzoeker niet voldoende aanneembaar maakt dat in de gegeven omstandigheden de bestreden milieuvergunning hem een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel riskeert toe te brengen dat de nadelen die verbonden zijn aan het wonen in of aan de rand van agrarisch gebied overschrijdt; 3.5. Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, zonder dat moet worden ingegaan op de door de tussenkomende partijen opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering, BESLUIT: VII-36.635-10/11 Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Louis ANTHONISSEN en Raf VERHEYEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.635-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.888 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.