id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.889 Rolnummer: A. 176852/VII-36522 Zaak: Arrest 167889 - Milieuvergunningen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:02 Fiche Arrest nr 167.889 van 15 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.889 van 15 februari 2007 in de zaak A. 176.852/VII-36.
- In zake : de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- tussenkomende partijen (in de schorsingsprocedure) :
- Jan DE CUBBER,
- François DE CUBBER, die woonplaats kiezen bij advocaat R. VERHOFSTÉ, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Pr. Jos. Charlottelaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ op 18 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van :
- het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juni 2006 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 december 2005 tot het verlenen aan Jan en François DE CUBBER van een milieuvergunning voor het opvullen met niet-verontrei- nigde bodem van een groeve, gelegen aan de Zuidlaan in Zwalm (Roborst), en van :
- het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen van 15 december 2005 houdende het verlenen aan Jan en François VII-36.522-1/13 DE CUBBER van een milieuvergunning voor het opvullen met niet-verontrei- nigde bodem van een groeve, gelegen aan de Zuidlaan in Zwalm (Roborst); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde partij op dezelfde datum heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van voormelde besluiten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van de artikelen 94 en 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 13 november 2006, houdende bevel tot neerlegging van de verslagen en oproeping van de partijen om te verschijnen op 14 december 2006; Gelet op de mededeling van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SROKA die, loco advocaat G. VERMEIRE verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. VERHOFSTÉ, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, doch enkel in de schorsingsprocedure; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.522-2/13
- Over het beroep tot nietigverklaring 1.
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De betwisting betreft een terrein aan de Zuidlaan in Zwalm, deelgemeente Roborst. In het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 heeft het terrein de bestemming ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied gekregen. Op 11 december 1987 verleent de Gemeenschapsminister voor Economie en Werkgelegenheid aan de p.v.b.a. STEENBAKKERIJ VAN RO- BORST een vergunning (gedeeltelijk ter regularisatie) voor de ontginning van leem op het terrein. Er worden onder meer voorwaarden opgelegd voor de opvulling en afwerking na de ontginning. Op 25 maart 1991 wordt een bouwvergunning verleend voor een deel van het kwestieuze terrein. Blijkbaar wordt jarenlang geëxploiteerd zonder dat er enige opvulling van het ontgonnen gedeelte gebeurt. Op 29 oktober 1999 wordt besloten tot de definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde. Het kwestieuze terrein krijgt als nieuwe nabestemming groengebied : "Overwegende dat voor punt B71, de steenbakkerij te Zwalm-Roborst, een groene nabestemming aangewezen is gelet op de reeds aanwezige natuurwaar- den en de potenties voor natuurontwikkeling na beëindiging van de ontginnings- activiteiten (...)". Op 15 juli 2005 dienen Jan en François DE CUBBER een milieuvergunningsaanvraag in, voor rubriek 60.2/ van de indelingslijst (geheel of gedeeltelijk opvullen met nietverontreinigde uitgegraven bodem en niet verontreinig- de bagger- en ruimingsspecie van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers met een capaciteit van meer dan 10.000 m3). Na correctie van een aanvankelijke vergissing in de aanvraag gaat het, wat de hoofdzaak betreft, om een 210.000 m3 niet-verontreinigde bodem over een oppervlakte van ongeveer 7,5 ha. Van die 7,5 ha is 6,5 ha reeds ontgonnen, en blijft 1 ha nog te ontginnen. VII-36.522-3/13 De aanvragers zijn vreemd aan de ontginning, maar zoeken een plaats om elders uitgegraven overtollige bodem te storten. Op 15 december 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen vergunning voor : - het opvullen met 210.000 m3 niet-verontreinigde bodem op een oppervlakte van 7 ha 49 a 54 ca; - het tussentijds opslaan van 10.000 m3 niet-verontreinigde uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing overeenkomstig hoofdstuk X van Vlarebo; - het stallen van vijf voertuigen andere dan personenwagens; - het opslaan van 2.000 liter stookolie in een dubbelwandige bovengrondse houder; - een verdeelslang voor stookolie. Dit is de tweede bestreden beslissing. De verzoekende partij tekent administratief beroep aan. Onder meer wordt verwezen naar de motivering om in 1999 de nabestemming te wijzigen naar groengebied, en wordt er gesteld : "De 'aanwezige natuurwaarden' en 'de potenties voor natuurontwikkeling na beëindiging van de ontginningsactiviteiten' waren aanleiding om een groene nabestemming te geven aan het gebied. De reeds aanwezige en ontwikkelde natuurwaarden vormen derhalve een aanknopingspunt om het gebied verder te ontwikkelen als natuurgebied. A contrario kan het niet de bedoeling zijn geweest van de minister om de aanwezige natuurwaarden eerst volledig te vernietigen (door de put vol te storten) en nadien het weer te laten ontwikkelen vanaf natuurwaarde nul". Volgende adviezen worden gegeven : - de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie adviseert gunstig, en schrijft onder meer : "Het spreekt verder voor zich dat de opvullingsactiviteiten moeten gebeuren in het licht van de realisatie van de nabestemming groengebied. Het kan niet de bedoeling zijn dat elke onafgewerkte of deels ontgonnen groeve met spontane natuurontwikkeling onafgewerkt blijft. Enerzijds wordt in de beroepschriften geen vergelijking gemaakt met de natuurwaarden vóór de ontginnings- activiteiten. Anderzijds neemt het feit dat er momenteel bepaalde natuurwaarden aanwezig zijn niet weg dat er mits betere, doordachte inrichting en natuurontwikkeling en natuurgericht beheer, nog hogere natuurwaarden zouden kunnen gerealiseerd worden"; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert als volgt ongunstig : "Gezien de stopzetting van de exploitatie, kan de opvulling vanuit ruimtelijk ordeningsstandpunt enkel gunstig worden geadviseerd indien ze werkelijk noodzakelijk blijkt om de nabestemming groengebied te realiseren. Uit het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 1999 valt echter duidelijk af te VII-36.522-4/13 leiden dat de doorgevoerde gewestplanwijziging voor de nabestemming uitdrukkelijk werd gemotiveerd vanuit de reeds aanwezige natuurwaarden. Ook uit consultatie van de biologische waarderingskaarten blijkt dat een groot deel van het betrokken ontginningsgebied is aangeduid als complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen (donkergroen op de kaart). Het terug opvullen van de ontginningsput zou de reeds aanwezige natuurwaarden vernietigen en is hierdoor niet in overeenstemming met de bedoeling van het gewestplan"; - de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest adviseert gunstig, maar stelt tegelijk : "Wat betreft de opportuniteit en wijze van opvulling in functie van de nabestemming groen, sluit de OVAM zich aan bij het advies van de afdeling Natuur"; - de afdeling Natuur adviseert als volgt ongunstig : "Door de ontginning zijn de bovenliggende lagen weggehaald, zodat onderliggende lagen zijn vrijgekomen. Deze lagen zijn nooit aangerijkt met meststoffen, arme gronden komen hier aan de oppervlakte. Gezien de nabestemming groengebied is, heeft men er baat bij om de natuur spontaan te laten ontwikkelen op deze eerder arme bodem. Heel snel zal een ruderale vegetatie (Ku) met struikopslag (Sz en Sf) zich ontwikkelen. De eigenaar wenst de groeve opnieuw op te vullen. Met welke gronden zal dit gebeuren? De kans is groot dat de opvulling wordt afgewerkt met een laag teelaarde. Teelaarde is aangerijkte grond zodat de beginsituatie voor natuurontwikkeling veel minder gunstig is, dan als de groeve onaangeroerd blijft. Natuur die kan ontwikkelen op armere gronden zal veel waardevoller zijn. In deze groeve zijn de geelgors, de rietgors en de grauwe gors waargenomen. Deze 3 vogelsoorten staan alle drie vermeld als bedreigde soorten op de vernieuwde rode lijst (zie www.inbo.be) van
- Deze verstoorde gronden zijn eveneens een geschikte locatie voor meerdere amfibieën zoals de bruine kikker en salamanders. Het gewestplan geeft aan dat de nabestemming van deze groeve groengebied is en geen agrarisch gebied, zoals in de omgeving. Men moet die nabestemming dan ook zo goed mogelijk invullen. Eens de groeve weer opgevuld en geëffend is met (teelaarde), zal de uitgangssituatie veel rijker zijn en zal men nooit dezelfde ecologische waarde verkrijgen. (...) ADVIES De groeve mag niet opnieuw opgevuld worden gezien de aparte uitgangssituatie van dit gebied en de reeds aanwezige zeldzame fauna"; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig én overweegt wat volgt : "Overwegende dat het realiseren van een nabestemming groengebied zowel met als zonder (gedeeltelijke?) opvulling kan gebeuren; dat uit het subadvies van de afdeling Natuur toch wel blijkt dat het van belang is om dit doordacht te doen; dat het aangewezen lijkt om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de exploitant zijn opvulplan, welke hij blijkbaar reeds voorzien heeft, te bespreken met de afdeling Natuur (buitendienst Oost-Vlaanderen) en desnoods VII-36.522-5/13 bij te sturen waar nodig; dat dit binnen de 3 maanden na uitspraak over deze vergunning dient [te] gebeuren; dat deze voorwaarde ook tegemoet komt aan de bezwaren die werden geuit in het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen (...)". Op 27 juni 2006 wordt de eerste bestreden beslissing genomen : de vergunning wordt verleend zoals gevraagd, behalve voor de mobiele zeefinstallatie en met toevoeging van volgende vergunningsvoorwaarde : "Er wordt door de exploitant een 'opvulplan' opgesteld, met als doel weer te geven hoe de nabestemming groengebied zal worden gerealiseerd. Dit plan wordt ten laatste drie maanden na het nemen van deze beslissing besproken met het agentschap Natuur en Bos Oost-Vlaanderen. Indien nodig wordt de opvulling van de groeve hieraan aangepast"; 1.
- De ontvankelijkheid van het annulatieberoep 1.2.
- Het belang 1.2.1.
- Overwegende dat in haar verzoekschrift de verzoekende partij op zeer uitgebreide wijze haar belang bij het annulatieberoep uiteenzet; dat zij verwijst naar het in haar statuten omschreven maatschappelijk doel, dat onder meer specifiek gericht is op "het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden" binnen haar werkingsgebied dat 21 gemeenten omvat, die samen de Vlaamse Ardennen vormen; dat de meest relevante passages de volgende zijn : "I.c. is er in concreto sprake van een schending van de mogelijkheid tot realisatie van de eerste doelstelling, nl. het behoud, het herstel, de ontwikkeling... van de natuur en natuurwaarden. Door de opvulling wordt immers reeds bestaande zeer waardevolle natuur vernietigd. Bewijzen : - de biologische waarderingskaart (zie bundel); - het GNOP van de gemeente Zwalm (copies zijn slechts beschikbaar vanaf 20.09.06); - de uitleg in het besluit tot herziening van het gewestplan Oudenaarde op 29 oktober 1999 : 'Overwegende dat voor punt B71, de steenbakkerij te Zwalm-Roborst, een groene nabestemming aangewezen is gelet op de reeds aanwezige natuurwaarden en de potenties voor natuurontwikkeling na beëindiging van de ontginningsactiviteiten; ...' (zie bundel) - het advies van de afdeling Natuur (zie bundel); - de rode lijst van de broedvogels op www.inbo.be en waaruit blijkt dat de populatie van zangvogels zoals rietgors en grauwe gors kwetsbaar geworden is; - de relatief grote oppervlakte van het gebied: 7 à 8 ha; - de rustige omgeving van de site (landbouwgebieden, natuurgebieden naar de Zwalmvallei toe te Roborst, Munkzwalm, ...). VII-36.522-6/13 (...) VZW MOW streeft welomschreven milieudoelstellingen na binnen een beperkt geografisch werkgebied. Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bv. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van (externe) vervuiling, en niet in een oneindig ruim gebied. Dit rekening houdend met haar ledenaantal, ong. 670 leden, waaronder ook een 18 tal leden te Zwalm. (...) (...) Milieufront Omer Wattez vzw streeft aldus geen algemeen belang na, noch het louter persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet met deze statuten aan het specialiteitsbeginsel, en a fortiori voldoet zij aan dit beginsel wanneer men de rechtsvordering tegen de bestreden beslissingen toetst aan de hiervoor vermelde deeldoelstellingen. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een specifiek en persoonlijk belang, nl. als milieuvereniging, die een groep van burgers vormt. Uiteraard komt deze verdediging ook de belangen van haar leden ten goede. De leden sluiten zich immers aan bij VZW M.O.W. opdat deze de milieubelangen in hun streek zou behartigen. Bijkomend heeft de verzoekende partij dan ook een rechtmatig belang om dit gebied van de groeve van Roborst als natuurgebied mede ten behoeve van haar leden te laten evolueren"; 1.2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekende partij het vereiste belang ontbeert, dat zij met name als nadeel de milieuschade die zij vreest als gevolg van de bestreden beslissing aanduidt, dat uit haar statuten blijkt dat haar maatschappelijk doel erin bestaat de menselijke leefomgeving, het landschap en de natuurlijke en cultuurhistorische waarden te beschermen, dat zij weliswaar een regionale natuur- en milieuvereniging betreft en haar doelstelling zodoende wel beperkt is tot een bepaald werkgebied, doch dat dit niet wegneemt dat deze doelstelling een dermate algemene draagwijdte heeft dat het optreden van de vereniging gelijkstaat met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte doch een specifieke strekking heeft; dat de verwerende partij daarbij verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 161.909 van 22 augustus 2006, waarbij volgens haar om dezelfde reden de afwezigheid van belang in hoofde van de verzoekende partij werd vastgesteld in een verzoek tot annulatie van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning; dat de verwerende partij betoogt dat ook in casu men enkel kan vaststellen dat de bestreden beslissing een specifieke strekking heeft, met name een beslissing tot verlening van een milieuvergunning tot opvulling van een groeve, en dat daarentegen het statutaire doel van de verzoekende partij een erg algemene draagwijdte heeft; VII-36.522-7/13 1.2.1.
- Overwegende dat in artikel 1, § 4, van haar statuten het werkingsgebied van de verzoekende partij wordt omschreven; dat het werkingsgebied bestaat uit 21 gemeenten omvattend de Vlaamse Ardennen, waaronder de gemeente Zwalm; dat de doelstellingen van de verzoekende partij zijn omschreven in artikel 2 van de statuten; dat artikel 2, § 1, en § 2,
(1), luidt als volgt: "Artikel 2, §
- De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §
- Deze doelstelling omvat :
(1)- het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden"; dat in het advies van de afdeling Natuur wordt uiteengezet dat door de ontginning van het gebied armere grondlagen zijn bloot gekomen, waarop een geheel eigen vegetatie is tot stand gekomen; dat in datzelfde advies ook melding wordt gemaakt van het voorkomen van drie bedreigde vogelsoorten en van de geschiktheid van het terrein als biotoop voor verschillende soorten amfibieën; dat ze adviseerde de groeve niet opnieuw te laten vullen "gezien de aparte uitgangssituatie van dit gebied en de reeds aanwezige zeldzame fauna"; dat nergens uit blijkt dat binnen het vrij beperkt werkingsgebied van de verzoekende partij meerdere van dergelijke locaties voorkomen, waaruit eventueel zou kunnen worden besloten dat het voor evengeciteerde doelstelling weinig of niets zou uitmaken wat er met de aanwezige natuurelementen gebeurt; dat dienvolgens de verzoekende partij een voldoende specifiek belang heeft bij haar annulatieberoep; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 1.2.
- De kennelijke onontvankelijkheid van het annulatieberoep tegen de tweede bestreden beslissing Overwegende dat het beroep kennelijk onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 december 2005; dat immers tegen die beslissing een georganiseerd administratief beroep openstond en de in laatste aanleg genomen beslissing van 27 juni 2006, die eveneens met het onderhavig beroep wordt bestreden, in de plaats is gekomen van eerstgenoemde beslissing; VII-36.522-8/13 1.
- De kennelijke gegrondheid van het annulatieberoep tegen de eerste bestreden beslissing 1.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van het gewestplan Oudenaarde, van de artikelen 13 en 17 van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972, van het redelijkheidsbeginsel en van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985; dat zij bij de toelichting van het middel volgende uiteenzetting geeft : "(...)
- Art. 17.6.3 van het K.B. 28 december 1972 is geschonden omdat volgens die bepaling 'na de stopzetting van de ontginningen' de oorspronkelijke of toekomstige bestemming moet worden geëerbiedigd. Voorwaarden voor de sanering van de plaats moeten worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd. Dit betekent dat na de ontginning de oorspronkelijke of de toekomstige bestemming moet worden gerealiseerd. I.c. heeft het enkel zin te spreken over de nabestemming als groengebied, vermits dit de enige nu van kracht zijnde bestemming is. Bijgevolg dient als de huidige, en a fortiori als toekomstige bestemming rekening gehouden met de huidige nabestemming, nl. 'groengebied', dus een gebied bestemd voor de natuur.
- Ook art. 13.4.3 en art. 13.4.3.1 van het toepassingsbesluit van 28.12.72 zijn geschonden. Art. 13.4.
- 'De groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Art. 13.4.3.
- De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonbedrijf, al ware het maar tijdelijk'. Hierbij is het van belang dat in het BVLR 29 oktober 1999 reeds gewezen werd op het volgende : 'Overwegende dat voor punt B71, de steenbakkerij te Zwalm-Roborst, een groene nabestemming aangewezen is gelet op de reeds aanwezige natuurwaarden en de potenties voor natuurontwikkeling na beëindiging van de ontginningsactiviteiten; dat een uitbreiding van het ontginningsgebied geen voorwerp uitmaakt van voorliggende gewestplanwijziging'. (...) In casu blijkt noch uit de (materiële) milieuvergunningsvoorwaarden noch uit de voormelde motivering dat deze vergunning werd toegestaan als middel om het natuurlijk milieu te behouden, te beschermen, of te herstellen. Integendeel, men wil gans het gebied terug opvullen. Hoe kan dit nu in alle redelijkheid gelijkgesteld worden met natuurbehoud in een groengebied? De vergunde exploitaties zijn allesbehalve gericht op de verwezenlijking van deze bestemming. Dit blijkt duidelijk uit de aanvraag, waar van natuur en groengebied totaal geen sprake is. Dit blijkt evenzeer uit de adviezen, waarin hooguit voor de situatie en de tijd na de opvulling, sprake is van de nabestemming op het terrein te laten doorwerken. Maar eerst laat men nog toe om alle bestaande natuurwaarden te vernietigen. VII-36.522-9/13
- De motivering is ook duidelijk niet afdoende om overeen te stemmen met de nabestemming. De beslissing laat nl. uitschijnen dat mits de gronden voldoen aan de vereisten van bijlagen 7 en/of 8 van het Vlarebo, de opvulling kan en zelfs moet gebeuren om de nabestemming te realiseren. Dit is onzinnig: omdat de gronden voldoen aan Vlarebo, kan in het groengebied gestort worden? Het Vlarebo is geen reglementering om van het gewestplan af te wijken. Het Vlarebo heeft een andere finaliteit. Ook wordt als milderende maatregel verwezen naar het opvulplan en het overleg dienaangaande met de afdeling natuur, wat even nonconform is met het gewestplan, vermits ook uit niets blijkt dat het opvulplan dient om de bestaande natuur te beschermen. Het blijkt zelfs niet dat het ABN zal ingaan op het overleg over dergelijk opvulplan. Bijgevolg deugt de motivering niet. (...)"; 1.3.
- Overwegende dat ter terechtzitting de verwerende partij betoogt dat de minister op een bijzonder voorzichtige wijze is overgegaan tot het verlenen van de vergunning voor de opvulling van de groeve, dit door de volgende clausule in de (eerste) bestreden beslissing op te nemen : "Overwegende dat het realiseren van een nabestemming groengebied zowel met als zonder (gedeeltelijke?) opvulling kan gebeuren; dat uit het subadvies van de afdeling Natuur toch wel blijkt dat het van belang is om dit doordacht te doen; dat het aangewezen is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de exploitant zijn opvulplan, welke hij blijkbaar reeds voorzien heeft, te bespreken met het agentschap Natuur en Bos (buitendienst Oost-Vlaanderen) en desnoods bij te sturen daar waar nodig; dat dit binnen de 3 maanden na uitspraak over deze vergunning dient te gebeuren (...)"; 1.3.3.
- Overwegende dat artikel 17.6.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (inrichtingsbesluit) voor de ontginningsgebieden onder meer bepaalt wat volgt : "Na de stopzetting van de ontginningen dient de oorspronkelijke of toekomstige bestemming, die door de grondkleur op het plan is aangegeven, te worden geëerbiedigd. Voorwaarden voor de sanering van de plaats moeten worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd"; dat bij het verlenen van de vergunning voor de ontginning de opvulling van het ontgonnen gebied werd opgelegd, opdat de toenmalige toekomstige bestemming, zijnde agrarisch gebied, zou kunnen worden gerealiseerd; dat evenwel, nu de nabestemming is gewijzigd naar groengebied, de opvulling enkel nog in overeenstemming kan zijn met de nieuwe bestemming wanneer ze nodig zou zijn om die bestemming te realiseren; dat daarbij voor ogen dient te worden gehouden dat de VII-36.522-10/13 bestemming niet zomaar werd gewijzigd, maar omwille van specifieke omstandigheden, met name "gelet op de reeds aanwezige natuurwaarden en de potenties voor natuurontwikkeling na beëindiging van de ontginningsactiviteiten"; dat aldus het de reeds aanwezige, spontaan tot stand gekomen, natuurwaarden zijn die er toe geleid hebben de bestemming te wijzigen, en dat de verdere natuurontwikkeling moet gebeuren met die bestaande situatie als uitgangspunt; dat bij iedere milieuvergunningsaanvraag voor een activiteit in het gebied daarom de vraag moet worden gesteld of de activiteit wel degelijk bijdraagt tot die dubbele doelstelling van behoud en verdere ontwikkeling; 1.3.3.
- Overwegende dat in de (eerste) bestreden beslissing wordt overwogen "dat het realiseren van een nabestemming groengebied zowel met als zonder (gedeeltelijke ?) opvulling kon gebeuren", waarbij wordt aan toegevoegd "dat uit het subadvies van de afdeling Natuur toch wel blijkt dat het van belang is om dit doordacht te doen"; dat evenwel het advies van de afdeling Natuur anders luidde; dat immers zij als conclusie heeft gesteld : "De groeve mag niet opnieuw opgevuld worden gezien de aparte uitgangssituatie van dit gebied en de reeds aanwezige zeldzame fauna"; dat in casu tussen het niet opvullen en het doordacht opvullen een verschil ligt tussen 0 en 210.000 m³; dat niet omheen het feit kan worden gegaan dat met de bestreden beslissing een vergunning wordt verleend voor de opvulling met 210.000 m³ grond; dat het dan ook ten zeerste de vraag is of en hoe het agentschap Natuur en Bos de uitvoering van een bijgestuurd opvulplan, dat zou neerkomen op het bergen van een lagere hoeveelheid grond dan vergund, zou kunnen afdwingen; dat bovendien er ook geen enkel criterium wordt opgegeven voor wat de doelstelling van de opvulling moet zijn; dat zich alzo onder meer de vraag stelt of de bestaande soort vegetatie behouden moet blijven, of er daarentegen een andere soort vegetatie moet komen, wat met de bedreigde fauna...; dat het middel in de besproken mate kennelijk gegrond is;
- Over de vordering tot schorsing 2.
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 11 oktober 2006 Jan en François DE CUBBER, houders van de bestreden vergunning, vragen om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; VII-36.522-11/13 2.
- Overwegende dat het kennelijk gegrond bevinden van het tweede middel leidt tot de vernietiging van de eerste bestreden beslissing; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing geen voorwerp meer heeft en dienvolgens moet worden verworpen; 2.
- Overwegende dat het beroep ingesteld tegen de tweede bestreden beslissing moet worden verworpen; dat dienvolgens de vordering tot schorsing ingesteld tegen die beslissing, als accessorium van het annulatieberoep, eveneens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Jan en François DE CUBBER in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juni 2006 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 december 2005 tot het verlenen aan Jan en François DE CUBBER van een milieuvergunning voor het opvullen met niet-verontreinigde bodem van een groeve, gelegen aan de Zuidlaan in Zwalm (Roborst). Artikel
- Het annulatieberoep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-36.522-12/13 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, A. WIJNANTS. griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.522-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div