← België

Arrest 167890 - Milieuvergunningen - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.890 Rolnummer: A. 177276/VII-36602 Zaak: Arrest 167890 - Milieuvergunningen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:02 Fiche Arrest nr 167.890 van 15 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.890 van 15 februari 2007 in de zaak A. 177.276/VII-36.602. In zake : 1. August BRASPENNING, 2. Leo CLUYTENS, 3. Jef MICHIELSEN, 4. Elisa VERMEIREN, 5. Hendrik ROOVERS, 6. Bart JOOSEN, die woonplaats kiezen bij advocaten M. VAN PASSEL en G. CNUDDE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat August BRASPENNING, Leo CLUYTENS, Jef MICHIELSEN, Elisa VERMEIREN, Hendrik ROOVERS en Bart JOOSEN op 29 september 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juli 2006 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 november 2005, houdende het gedeeltelijk verlenen aan Eddy JOOSEN van een milieuvergunning om een rundveebedrijf, gelegen aan de Raamloopstraat 2 te Hoogstraten, te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-36.602-1/12 Gelet op de beschikking van 20 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN PASSEL, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een brief verzonden op 28 oktober 2006 vijfde verzoeker laat weten wat volgt : "Ik (...) wens mij volledig terug te trekken uit de zaak met kenmerk, G/A 177.276/VII-36.602, tegen de zaak Joosen Eddy wonende te Minderhout, Raamdonkloopstraat 2. Na een stuk opzoek werk door mezelf en navraag aangaande het project voel ik mij misleid en misbruikt onder leiding van Joosen Bart, vooral in de punten, - dierlijke resten - vervuild slib (zware metalen) - en dat Joosen Eddy daar zou verhuizen voor zijn eigen veiligheid en stankhinder. Ik heb ook nog geen enkel papier of dossier in mijn bezit van wat er allemaal gebeurd en gedaan is in deze zaak"; dat deze brief moet worden beschouwd als afstand van het geding; dat, waar verder in het arrest de verzoekende partijen worden vermeld, de eerste, tweede, derde, vierde en zesde verzoekende partij worden bedoeld; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Eddy JOOSEN exploiteert een inrichting aan de Raamloopstraat in Hoogstraten. Op 6 november 1992 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoogstraten akte genomen van de aangifte van een rundveebedrijf, geldend als vergunning voor een termijn tot 6 november 2012. Er worden echter blijkbaar ook andere dan agrarische activiteiten uitgeoefend, ogenschijnlijk zonder vergunning. De inrichting ligt in agrarisch gebied. VII-36.602-2/12 Op 8 juli 2005 dient Eddy JOOSEN een milieuvergunnings- aanvraag in voor de verandering van de inrichting. De aanvraag omvat eigenlijk drie grote onderdelen : 1) - de verandering van de rundveehouderij, waarbij 180 van de 340 dieren in een nieuwe stal zouden worden ondergebracht; 2) - de oprichting van een installatie voor de gezamelijke vergisting van dierlijke meststoffen (afkomstig van het eigen en van andere bedrijven), energieteelten (dit zijn hiertoe geschikte landbouwgewassen) en organisch biologische afvalstoffen, waarbij elektriciteit en warmte zou worden geproduceerd, en er als eindproduct een bodemverbeterende stof zou overblijven; 3) - de exploitatie van een loonwerkbedrijf. Er wordt vergunning gevraagd voor een termijn van twintig jaar; het houden van runderen zou dan voortijdig hernieuwd worden. Op 3 november 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning gedeeltelijk. Vergund worden, in grote lijnen, de verplaatsing van de runderen en de exploitatie van het loonwerkbedrijf. De vergistingsinstallatie wordt geweigerd. De termijn blijft beperkt tot die van de lopende vergunning. Zowel de aanvrager als een collectief van 89 buurtbewoners, waaronder de verzoekende partijen, tekenen administratief beroep aan. Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Water onthoudt zich van advies, omdat de beroepen geen betrekking hebben op de grondwaterwinning; - de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest adviseert gunstig; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. Op 25 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt grotendeels verleend zoals gevraagd en in de loop van de procedure licht gewijzigd. Vergund worden : - de toevoeging van perceel nummer 689m; - de wijziging door het verplaatsen van 180 dieren naar een nieuwe stal; VII-36.602-3/12 - de uitbreiding met : - stalplaatsen voor 60 bedrijfsvoertuigen; - de bovengrondse opslag van 10.000 liter witte en 40.000 liter rode mazout en van 5 x 200 liter afgewerkte olie (totale opslag P3-producten: 51.000 liter); - 2 verdeelslangen bij de brandstoftanks van 10.000 liter en 40.000 liter; - de opslag van 200 m3 stro in een loods; - metaalbewerkingsmachines met een totaal vermogen van 11,6 kW; - de opslag van 5.570 m³ voeders, waarvan 70 m³ brijvoeding en 5.500 m³ (3.300 ton) kuilmaïs; - een grondwaterwinning op een diepte van 205 meter met een opgepompt debiet van max. 10 m³/dag en 3.650 m³/jaar; - de opslag van 2.774 m³ organisch biologisch afval en mix met vergisting van 49.800 ton/jaar organisch biologisch afval; - 2 stroomgeneratoren aangedreven door gasmotoren (biogas) elk met een vermogen van 650 kW (totaal vermogen: 1.300 kW); - een transformator met een vermogen van 1.300 kVA; - de covergisting van 49.800 ton organisch biologisch afval, waarvan 16.000 ton dierlijke mest; - de opslag van 18.300 m3 (11.000 ton) energiemaïs. "Akte wordt genomen van de volgende op zich in derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting" : - het lozen van maximum 2 m³/uur en 500 m³/jaar bedrijfsafvalwater via een KWS-scheider in de gracht; - een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (IBA) voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater, met inbegrip van de lozing van het effluent met een debiet van maximaal 1 m³/dag en 180 m³/jaar in de gracht; - een herstelplaats voor voertuigen met 1 brug; - het wassen van maximum 9 voertuigen per dag; - 3 compressoren van respectievelijk 5 kW, 8,2 kW en 25 kW (totaal vermogen 38,2 kW); - de opslag van 600 liter argon, zuurstof en acetyleen in flessen; - de opslag van 200 kg antivries in vaten en bussen; - de opslag in vaten en bussen van 3 x 1.000 liter smeerolie en 10 x 200 liter hydraulische olie; - de opslag van 5.000 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen; VII-36.602-4/12 - de opslag van 4.760 m³ organische mest en VLACO eindproduct (uitbreiding met 4.530 m³); - een wastafel met een vat van 200 liter organisch solvent; - de opslag van 5 ton melk. En tenslotte wordt nog gesteld : "Aan de melding van volgend op zich in derde klasse ingedeeld onderdeel van de inrichting kan geen uitvoering worden gegeven gelet op de ligging in agrarisch gebied : de opslag van 1,5 ton biociden". De motivering luidt als volgt : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied, volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977; Gelet op het feit dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is op een afstand van : - circa 2.000 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - circa 2.000 m van een woongebied met landelijk karakter; - circa 2.100 m van een woonuitbreidingsgebied; - circa 2.000 m van een parkgebied; - circa 500 m van een recreatiegebied; - circa 110 m van een natuurgebied; Overwegende dat in verband met de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten kan gesteld worden dat volgens de omzendbrief RO/2006/1 betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting een inplanting van een mestbehandelings- en vergistingsinstallatie van beperkte schaal niet gebonden aan één enkel bedrijf in een agrarisch gebied is toegestaan indien het niet gelegen is in de aangehaalde ruimtelijk kwetsbare gebieden, niet in de door de Vlaamse regering aangehaalde habitatgebieden, noch in een beschermd landschap, alsmede in een beschermd dorps-/stadsgezicht; dat volgens deze omzendbrief een installatie van beperkte schaal beschouwd wordt als een installatie met een maximale tonnage van 60.000 ton inputmateriaal per jaar; dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en niet gelegen is in een (van) de in de omzendbrief aangehaalde kwetsbare gebieden; dat het (een) inrichting betreft voor de vergisting van 49.800 ton/jaar organisch biologisch afval; dat de inrichting derhalve voldoet aan de bepalingen van de desbetreffende omzendbrief; Overwegende dat de omzendbrief RO/2006/1 voorziet dat mestbehandelings- en vergistingsinstallaties van beperkte schaal (maximum tonnage 60.000 ton inputmateriaal) en niet gebonden aan één enkel bedrijf in principe kunnen (onder bepaalde voorwaarden) in agrarisch gebied of op bestaande lokale bedrijventerreinen waar dergelijke installaties conform de stedenbouwkundige voorschriften kunnen worden ingeplant; Overwegende bijgevolg dat de aangevraagde installaties wel toelaatbaar zijn in het agrarisch gebied en dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavige beroepen betrekking hebben op het besluit van 3 november 2005 van de bestendige deputatie waarbij enerzijds vergunning VII-36.602-5/12 wordt geweigerd voor de uitbreiding van de inrichting met een co- vergistingsinstallatie en anderzijds de vergunning wordt verleend voor stalplaatsen voor 60 bedrijfsvoertuigen met bijhorigheden; Overwegende dat door de exploitant beroep wordt ingediend tegen de weigering van de covergistingsinstallatie en door de omwonenden tegen het verlenen van de vergunning voor de stalling voor 60 bedrijfsvoertuigen met aanhorigheden, deel uitmakend van het loonwerkersbedrijf; Overwegende dat onderhavige aanvraag betrekking heeft op het uitbreiden van de inrichting met een vergistingsinstallatie voor organisch biologisch afval; dat hiervoor een nieuwe loods wordt gebouwd en dat aan de achterzijde van de loods de vergistingstanks worden ingeplant, alsook de sleufsilo’s voor de opslag van de energieteelten en vaste organische stoffen; Overwegende dat de vergistingsinstallatie is ontworpen voor het co- verwerken van dierlijke mest met organisch biologische afvalstoffen en met energieteelten; dat het doel is om een goed organisch bodemverbeterend middel te creëren en dit met een optimale elektriciteits- en warmteproductie; dat het toegepast proces een anaërobe vergisting betreft, verdeeld in vier fasen, namelijk een hydrolyse, een fermentatie of zuurvorming, een acetogenese en een methogenese; dat bij dit proces biogas ontstaat dat verbrand wordt in twee gasmotoren die elk een stroomgenerator aandrijven; dat de totale vergistingscapaciteit 49.800 ton organisch materiaal per jaar bedraagt; dat dit bestaat uit 16.000 ton dierlijke mest, 18.800 ton energieteelten en 15.000 ton organisch biologische afvalstoffen, met de vermelding in de aanvraag, wat betreft de organisch biologische afvalstoffen, dat deze ook kunnen aangevuld worden met secundaire grondstoffen; dat in een bijkomend schrijven van de exploitant gesteld wordt dat maximaal de helft van de 15.000 ton, of nog 7.500 ton organisch biologische afvalstoffen zullen verwerkt worden; dat de overige 7.500 ton dan zullen bestaan uit secundaire grondstoffen of andere agrarische grondstoffen; dat het aangevraagde deel te verwerken afvalstoffen 15% bedraagt; dat de drijfmest die wordt verwerkt afkomstig is van het eigen rundveebedrijf (1.600 ton) en van 7 andere, in de aanvraag, aangegeven bedrijven; dat de energieteelten die aangetrokken zullen worden vooral bestaan uit snijmaïs, zonnebloemen, voederbieten, aardappelen en dergelijke; dat een gedeelte van de energieteelten afkomstig (

  1. is)van eigen cultuurgronden; dat de organisch biologische afvalstoffen en secundaire nevenstromen die worden ontvangen steeds van plantaardige oorsprong zijn; dat er enkel groenteafval, bermmaaisel en dergelijke zullen verwerkt worden; dat bij de aanvraag een lijst werd overgemaakt van mogelijke afvalstoffen die zullen verwerkt worden; dat deze opgeslagen worden in de sleufsilo’s, die afgedekt worden; dat er eventueel geurhinder kan ontstaan bij het wegnemen van kuil, doch dat dit geen overdreven geurhinder kan betekenen voor de omgeving, gezien de ligging van de inrichting in het agrarisch gebied en op een grote afstand van hindergevoelige gebieden; Overwegende dat de toegeleverde drijfmest wordt opgeslagen in een gedeelte van de volledig onderkelderde nieuwe loods; dat dit gedeelte van de kelder een inhoud heeft van 400 m³; dat de vloeibare organisch biologische afvalstoffen worden opgeslagen in zes compartimenten met elk een inhoud van 129 m³ in de kelder van de nieuwe loods; Overwegende dat de toegeleverde producten voorgemengd worden voor zij in de hoofdvergisters terechtkomen; dat dit voormengen ervoor zorgt dat de pH steeds een constante is; dat het voormengen gebeurt met een getrokken mengwagen; dat het laden van de mengwagen gebeurt met behulp van een wiellader; dat na het mengen, het mengsel in één van de twee doseerbunkers, met elk een inhoud van 60 m³, wordt gelost; dat een aantal inox vijzels (zorgt) voor het transport van het mengsel naar de hoofdvergisters; dat vanuit de verschillende compartimenten van de kelder onder de nieuw te bouwen loods VII-36.602-6/12 een bepaalde hoeveelheid wordt overgepompt naar de mengput met een inhoud van 200 m³ en vanwaar het vloeibaar mengsel naar de hoofdvergisters wordt gepompt; Overwegende dat het vergistingsproces gebeurt in twee hoofd- en twee navergisters; dat zij elk een inhoud hebben van 2.204 m³ met elk een diameter van 22 m en een hoogte van 4,5 m boven het maaiveld; dat het vergistingsproces een anaëroob proces is, wat gebeurt in gesloten tanks en in afwezigheid van zuurstof; dat de verblijftijd in de hoofdvergisters ongeveer 33 dagen duurt en in de navergisters nog eens 33 dagen; dat elke vergister uitgevoerd is met een gasopvang of afdekking die per vergister 785 m³ biogas kan opvangen; dat het biogas bestaat uit 60-70% methaan en 30-40% koolstof oxide; dat het aanwezige waterstofsulfide uit het biogas wordt verwijderd met een ontzwavelingsinstallatie; dat het biogas wordt verbrand in twee gasmotoren die elk een generator aandrijven; dat de gasmotorengroep een totaal geïnstalleerd vermogen heeft van 1.300 kW (2 x 650 kW); dat de warmte, geproduceerd door de koeling van de motoren, aangewend zal worden voor de verwarming van een nabij gelegen serre; dat indien de warmte niet volledig kan opgenomen worden door de serre, de resterende warmte wordt gebruikt voor het drogen van het digestaat; dat de geproduceerde warmte via de warmtekrachtkoppeling zal verdeeld worden over de verschillende componenten, zijnde het vergistingsproces (9%), de hygiënisatie (13%), de opwarming van de serre (53% of 0%) en de droging van digestaat (26% of 78%); dat een deel van de warmte wordt gebruikt om het digestaat te verwarmen tot 70/ C en deze gedurende één uur op deze temperatuur te houden; dat na deze hygiënisatie het digestaat ofwel verder wordt ingedroogd en gekorreld ofwel wordt er een 'dun/dik'-scheiding gedaan via een schroefpersscheider; Overwegende dat de drooglucht, afkomstig van de droging van het digestaat, samen met de lucht van de ondergrondse opslagkelders en de loods wordt gezuiverd door middel van een biowasser, gevolgd door een biofilter; dat het spuiwater van de biowasser wordt opgevangen in de vergisters, zodat het niet rechtstreeks dient afgevoerd te worden; dat het risico op geurhinder bijgevolg tot een aanvaardbaar niveau is beperkt; dat de woningen van de beroepsindieners gelegen zijn op een afstand van circa 2.000 m van de inrichting; Overwegende dat er vergunning aangevraagd wordt voor een stalplaats voor 60 bedrijfsvoertuigen, alsmede voor een herstelplaats voor voertuigen met 1 brug en voor het wassen van maximum 9 voertuigen per dag; dat de herstelplaats enkel gebruikt wordt voor de eigen bedrijfsvoertuigen, zoals gesteld wordt in een bijkomend schrijven van de exploitant en slechts onder deze vorm vergund kan worden; dat onder de bedrijfsvoertuigen niet enkel vrachtwagens bedoeld worden maar ook alle andere voertuigen nodig voor de exploitatie van het bedrijf, zoals wielladers, mengwagens en dergelijke; dat het vervoer grotendeels verloopt van de bedrijven in de naaste omgeving naar de exploitatiezetel en van de exploitatiezetel naar de akkers in de omgeving; dat het bedrijf ook werkt als loonwerkersbedrijf voor grond- en afbraakwerken; dat deze exploitatie werd overgeplaatst naar een industriezone; dat het aantal vrachtbewegingen derhalve in beperkte mate zal dalen; dat het vervoer grotendeels gebeurt op landbouwwegen; dat de toegang tot deze wegen gebeurt langs een drukke gewestweg en dat het betreffende woongebied langs deze gewestweg is gelegen; dat er bijgevolg geen overdreven bijkomende hinder zal zijn; Overwegende dat de exploitant ook melding maakt van de opslag van 1,5 ton biociden; dat artikel 5.5.0.1, §l van titel II van het VLAREM bepaalt dat onverminderd de reglementering betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik en voor landbouwkundig gebruik, en onverminderd de bepalingen van toepassing op de activiteiten bedoeld in rubriek 51 van de indelingslijst, de voorschriften van deze VII-36.602-7/12 afdeling van toepassing zijn op de inrichtingen bedoeld in rubriek 5; dat in artikel 5.5.0.2, §l wordt bepaald dat, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, het verboden is dergelijke inrichting te exploiteren in een gebied ander dan een industriegebied; dat deze verbodsbepaling niet van toepassing is voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan; dat de exploitant geen alternatieve maatregelen voorstelt om niet aan deze bepalingen te moeten voldoen; dat de melding van de opslag van 1,5 ton biociden onontvankelijk dient verklaard te worden; Overwegende dat, volgens de verklaringen van de exploitant, er geen bedrijventerrein beschikbaar is voor dergelijke inrichting; dat de ruimtelijke impact van dergelijke inrichting dient beoordeeld te worden door de bevoegde instantie, namelijk de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; Overwegende dat in de aanvraag ook een toelating tot andere regeling dan deze opgenomen in artikel 5.2.1.5, §1, artikel 5.2.1.5, §2, artikel 5.2.1.5, §5 en artikel 5.28.3.4.1, §1 van titel II van het VLAREM wordt gevraagd; dat de exploitant stelt dat de activiteit eerder een para-agrarisch karakter heeft dan wel een afvalverwerking betreft; omdat het door bovenvermelde VLAREM- bepalingen opgelegde bord bij de voorbijgangers een verkeerde indruk zou opwekken, wordt door de exploitant voorgesteld een kleiner bord, ca. 0.25 m², te plaatsen zodat de toezichthoudende overheden de nodige gegevens op de poort van de inrichting kunnen terugvinden; dat alle producten in kelders, afsluitbare silo’s of in sleufsilo’s worden gelost, zodat alles afgesloten wordt opgeslagen; dat het risico dat onbevoegden het terrein betreden gering is daar rond de vergistingsinstallatie ook een groenscherm wordt geplaatst op een aarden wal van 6 meter hoog en 3 meter breed en dat aan de voorzijde een afsluiting wordt geplaatst met een afsluitbare poort die aansluit tegen het gebouw; dat er een groenscherm wordt aangebracht doch dat vooraan het gebouw geen groenscherm kan aangebracht worden gezien daar de ingang is voorzien en gezien daar poorten en omheining is voorzien; dat om de geurhinder te voorkomen het laden en lossen van de mest gebeurt met snelkoppelingen in plaats van in afgesloten ruimten; dat dit bij mestverwerkers een reeds veel toegepaste en aanvaarde techniek is; dat de voorgestelde alternatieven kunnen aanvaard worden; Overwegende dat de aanvraag gepaard gaat met een ernstige investering, waardoor een vervroegde hervergunning kan worden toegestaan; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep van de exploitant gegrond te verklaren, het beroep van de omwonenden ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen"; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekende partijen samengevat en in essentie doen gelden wat volgt : VII-36.602-8/12 - De afstand van de woningen van de eerste, tweede, derde, vierde en zesde verzoekende partij "tot de perceelgrens van de inrichting van Eddy Joosen" bedraagt respectievelijk 157 meter, 230 meter, 205 meter, 260 meter en 445 meter. - Gevreesd wordt dat de uitbating aanleiding zal geven tot een onaanvaardbare geurhinder gelet op de opslag van afvalstoffen in onder meer open silo's. Ook de opslag van maïs, waarbij de op te slagen hoeveelheden afwijken van de normale hoeveelheden, kan abnormale geurhinder veroorzaken. De muren op betonvloer omschreven als sleufsilo's beslaan een oppervlakte van 0,5 ha. De silo's zullen wel "afgedekt" worden met een folie waardoor de stankproblemen zouden moeten uitblijven. Deze werkwijze is evenwel niet aanvaardbaar daar de folie de opgeslagen producten niet hermetisch afsluit. De afvalstoffen zullen met het oog op een eerste vergisting manueel in open lucht getransporteerd worden naar de vergistingssilo's. Tevens wordt gevreesd dat er ook slachtafval zal worden vervoerd en vergist. Ook bij het lossen van deze producten in open lucht zal er een enorme geurhinder vrijkomen. Voorts blijkt uit de aanvraag niet dat de geurhinder van de installaties (luchtwasser, gasfilter, biofilter) met betrekking tot de uitstoot van gasvormige emissies de vooropgestelde geurreductie zal behalen. - De ligging van het bedrijf zal grote verkeershinder veroorzaken daar de inrichting is gelocaliseerd op een afgelegen plaats met smalle toegangswegen. Volgens berekeningen van de verzoekende partijen zullen er voor de vergistingsinstallatie ongeveer 10 tot 18 vrachtwagens per werkdag nodig zijn, of 20 tot 36 bewegingen. In het hoogseizoen kunnen deze vrachtbewegingen hoger zijn. - Gevreesd wordt voor een verminderde recreatieve waarde van het gebied dat zeer frequent wordt opgezocht door fietsers en wandelaars. - Gevreesd wordt voor onaanvaardbare geluidshinder door het vrachtvervoer van en naar de inrichting, door het in open lucht lossen en binnen de inrichting verplaatsen van afvalstoffen en grondstoffen door middel van zware machines. Tevens wordt het niet uitgesloten geacht dat ook de wasinstallatie met hogedrukreiniger zal bijdragen tot overdreven geluidsoverlast. - Volgens de verzoekende partijen zijn er risico's voor de volksgezondheid door ziektekiemen en ongedierte. - Gevreesd wordt voor visuele hinder door de aard en de omvang van de gebouwen, installaties en verhardingen; VII-36.602-9/12 3.2. Overwegende dat de verzoekende partijen wel zeggen op welke afstand hun woning is gelegen "tot de perceelgrens van de inrichting van Eddy Joosen"; dat evenwel daarmee nog niet is geweten welke de afstand is tot de inrichting zelf, waarvan de exploitatie hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen; dat dienaangaande in het bestreden besluit wordt gesteld dat de woningen van de beroepsindieners -waartoe de verzoekende partijen behoren- "gelegen zijn op een afstand van circa 2.000 m van de inrichting"; dat die overweging door de verzoekende partijen niet wordt betwist; dat overigens ook uit de neergelegde foto's blijkt dat in de onmiddellijke omgeving van de betrokken inrichting zich geen woningen bevinden; dat voor de beoordeling van de hinderaspecten die de verzoekende partijen aanvoeren, het nochtans een substantieel verschil uitmaakt of de betrokken inrichting op 2 kilometer van de woningen van de verzoekende partijen is gelegen, dan wel op een afstand gaande van 157 tot 445 meter; dat in die omstandigheden de verzoekende partijen niet hardmaken dat, niettegenstaande de talrijke maatregelen die werden genomen ter voorkoming van geurhinder - zoals onder meer het plaatsgrijpen van het vergistingsproces in gesloten tanks, de aanwending van een luchtwasser en biofilter, het afdekken van de sleufsilo's met een folie, ook al gaat het niet om een hermetische afsluiting-, de exploitatie van de vergistingsinstallatie voor hen toch een ernstige geurhinder zal teweegbrengen; dat ook nog kan worden opgemerkt dat met het bestreden besluit geenszins opslag van slachtafval is vergund; Overwegende, wat de verkeershinder en de geluidshinder ten gevolge van het toenemend vrachtverkeer betreft, er redelijkerwijze mag worden van uitgegaan dat er zal worden gepoogd om de kostprijs zo laag mogelijk te houden en er dus zoveel als mogelijk met grote vrachten van 30 ton zal worden gewerkt, hetgeen neerkomt op een gemiddeld aantal van 9 à 10 extra vrachten per dag; dat uit het neergelegd administratief dossier blijkt dat er verschillende trajecten naar en van de inrichting mogelijk zijn, zodat redelijkerwijze niet alle vrachtverkeer langsheen de woningen van de verzoekende partijen zal geschieden; dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de transportbewegingen langsheen hun woningen aanzienlijk talrijker zullen zijn dan wat als normaal in een agrarisch gebied kan worden verwacht; dat, gelet op de afstand van de woningen van de verzoekende partijen tot de inrichting, zij niet aannemelijk maken dat zij ten gevolge van de exploitatie van de inrichting een onaanvaardbare geluidshinder zullen ondergaan; VII-36.602-10/12 Overwegende dat de beweerde aantasting van de recreatieve waarde van het gebied, waarbij wordt verwezen naar passerende fietsers en wandelaars, geen persoonlijk en rechtstreeks nadeel in hoofde van de verzoekende partijen uitmaakt; Overwegende dat het beweerd gevaar voor verspreiding van "allerlei ziekten naar de omliggende landbouwbedrijven en omwonenden" als louter hypothetisch kan worden aangemerkt; Overwegende, ten slotte, dat de aangevoerde visuele hinder niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; 3.3. Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De afstand van het geding in hoofde van de vijfde verzoekende partij kan wordt vastgesteld. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.602-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.602-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.890 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.