← België

Arrest 167897 - Wapens - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.897 Rolnummer: A. 180884/XII-5013 Zaak: Arrest 167897 - Wapens - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:04 Fiche Arrest nr 167.897 van 15 februari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.897 van 15 februari 2007 in de zaak A. 180.884/XII-5013. In zake : Pierre VANHOVE, wonende te Leuven, Ter Boelhage 5 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pierre Vanhove op 8 februari 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 11 december 2006 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij hem de vergunning voor het bezit van een revolver, merk Rossi, geweigerd wordt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-5013-1/6 WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : 1. Op 12 oktober 2006 vraagt verzoeker aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant hem de vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Rossi, te verlenen, om reden van “aandenken overleden vader”. De bestreden beslissing weigert de vergunning omdat het houden van een vuurwapen om reden van sentimentele waarde geen wettig motief is. De beslissing wordt verzoeker betekend met een 12 december 2006 gedateerd schrijven. Daarin wordt hem opgedragen binnen veertien dagen het wapen te verkopen of te schenken aan een erkende persoon, er kosteloos afstand van te doen bij de lokale politie of het wapen te laten neutraliseren, tegen de kostprijs van 78 euro. Met een schrijven van 21 december 2006 stelt verzoeker tegen de weigering beroep in bij de federale overheidsdienst Justitie, “[o]p grond van Art. 30 van de Wapenwet (8 juni 2006)”. Volgens het antwoord van 19 januari 2007 is het beroep niet ontvankelijk omdat het artikel 30 slechts op 9 januari 2007 van kracht is geworden. Daar wordt onder meer aan toegevoegd: “Bovendien had ik niet anders kunnen doen dan het besluit van de Gouverneur bevestigen”. 2. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. 3. Verzoeker voert, met betrekking tot de eerste voorwaarde, drie middelen aan. In een eerste middel wordt betoogd wat volgt : “In zijn besluit van 11/12/2006 meent Dhr. gouverneur dat het bezit van vernoemd wapen om sentimentele waarde geen reden is voor het bezit ervan. Wij betwisten dit argument omdat het niet gaat over sentiment maar om een deel van het patrimonium dat de verzoekende partij door erfenis rechtmatig heeft verworven. In de gecoördineerde omzendbrief van de minister van Justitie van 30 oktober 1995, die nog niet was opgeheven op het moment dat Dhr. gouverneur zijn besluit (dd. 11/12/2006) nam, staat de paragraaf 5.10.2. met de titel ‘wapen verkregen door erfenis’ volgende tekst : ‘wanneer een verweervuurwapen wordt ontdekt of door erfenis wordt verkregen, moet de eigenaar van het wapen, bijv. de erfgenaam of legataris, binnen drie maanden te rekenen vanaf de ontdekking of verkrijging een aanvraag voor een vergunning XII-5013-2/6 tot het voorhanden hebben van een wapen indienen’. (P.S: de term verweervuurwapen werd door de Wapenwet van 8 juni 2006 vervangen door vergunningsplichtig wapen). Deze clausule is niet strijdig met de Wapenwet (8 juni 2006) aangezien deze laatste wet onder Art.l1-3 (waarin de voorwaarden tot het verkrijgen van een vergunning worden opgesomd) geen uitsluitsel voor erfenissen geeft. In Art. 11-1 van de Wapenwet (8 juni 2006) staat dat na advies van de lokale politie een vergunning zonder munitie voor slechts één wapen kan worden gegeven. De vergunning van de korpschef van de lokale politie werd mij reeds toegestaan op 10/03/2000 met als reden : erfenis van overleden vader. [...] De Wapenwet (8 juni 2006) heeft het toekennen van vergunningen aan de provinciegouverneurs gedelegeerd. De lokale politie heeft een adviserende bevoegdheid gekregen”. 4. Verzoeker heeft het wapen van zijn vader geërfd. Er werd hem op 10 maart 2000 door de politie te Leuven een bezitsvergunning voor uitgereikt. Aangezien de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens -in artikel 48- de geldigheidsduur van de afgegeven vergunningen beperkt tot vijf jaar vanaf hun afgifte, behoefde verzoeker een hernieuwing van de vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen. Zij wordt hem geweigerd omdat hij geen wettige reden aanvoert voor het bezit van het wapen, namelijk geen reden die kan worden ingepast in de redenen vermeld in het artikel 11, § 3, 9/, van de wet. Genoemde bepaling luidt als volgt : “§ 3. De vergunning wordt slechts verleend aan personen die voldoen aan de volgende voorwaarden: [...] 9/ een wettige reden opgeven voor de verwerving van het betrokken wapen en de munitie. Het type wapen moet overeenstemmen met de reden waarvoor het gevraagd wordt. Deze wettige redenen zijn, onder de door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen voorwaarden:

  1. a)de jacht en faunabeheersactiviteiten;
  2. b)het sportief en recreatief schieten;
  3. c)de uitoefening van een beroep dat bijzondere risico’s inhoudt;
  4. d)de persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit groot risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen;
  5. e)de intentie een verzameling historische wapens op te bouwen;
  6. f)de deelname aan historische, folkloristische, culturele of weten- schappelijke activiteiten”. Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat met het opgeven van een wettige reden “voor de verwerving van het betrokken wapen” wezenlijk bedoeld wordt: het opgeven van een wettige reden om de vergunning te verkrijgen. Dit lijkt onder meer te mogen worden afgeleid uit artikel XII-5013-3/6 11, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, waarin sprake is van de mogelijkheid om de verleende vergunning te beperken, te schorsen of in te trekken, onder meer indien blijkt dat “de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat”. Ook artikel 32, derde lid, in fine, wijst in die richting. Alleen als de voorwaarde van artikel 11, § 3, 9/, begrepen wordt als de vereiste van een wettige reden voor het bezit van het wapen, lijkt het zinvol om bij de hernieuwing van de vergunning opnieuw de naleving van de voorwaarde na te gaan. Het wordt niet betwist dat verzoeker voor het verkrijgen van de gevraagde vergunning geen reden heeft aangevoerd als bedoeld in de hiervoor aangehaalde bepaling. Het middel is niet ernstig. 5. Verzoeker doet in een tweede middel gelden : “In het begeleidend schrijven (d.d.. 12/12/2006) van zijn besluit tot weigering van een vergunning en ondertekend door zijn attaché [...] stelt Dhr. gouverneur een ultimatum. Binnen de 14 dagen na ontvangst van zijn schrijven (d.i. vanaf 13/12/2006) moet verzoekende partij hebben gekozen ofwel voor
  7. a)verkoop of schenking ofwel
  8. b)kosteloos afstand doen hij de lokale politie ofwel
  9. c)het wapen laten neutraliseren door de Proefbank van Luik tegen de kostprijs van 78 Euro. Deze voorgestelde ‘oplossingen’ betekenen concreet een financieel verlies. Wij hebben Dhr. gouverneur bij aangetekend schrijven laten weten voorlopig niet op zijn eis te kunnen ingaan, aangezien wij tegen zijn besluit administratief beroep hebben aangetekend bij de Federale overheidsdienst Justitie [...] zoals de Wapenwet(8 juni 2006) dat in Art. 30 voorziet. De dreiging blijft ondertussen reëel dat de lokale politie of zelfs de procureur des Konings kunnen worden ingeschakeld”. 6. De omstandigheid dat verzoeker aan de gouverneur heeft laten weten “voorlopig” niet te zullen ingaan op diens zogenaamde “ultimatum” in de brief waarmee van de bestreden beslissing kennis werd gegeven, vermag op zichzelf niet de onwettigheid van die bestreden beslissing aan te tonen. Het middel is niet ernstig. 7. In een derde middel betwist verzoeker dat zijn beroep bij de federale overheidsdienst Justitie niet ontvankelijk was : “A) het besluit van Dhr. gouverneur werd betekend op 13 december 2006 [...]. Art.30 van de Wapenwet (8 juni 2006) stelt duidelijk dat na kennisname van de beslissing van Dhr. gouverneur een gemotiveerd en XII-5013-4/6 aangetekend verzoekschrift voor beroep uiterlijk binnen de 15 dagen bij de Federale Wapendienst moest ingediend zijn. In casu zou de limietdatum voor het beroep dus 27 december 2006 geweest zijn. Dit is dus voor het K.B. van 29/12/2006 (gepubliceerd 9 januari 2007) met de uitvoeringsbesluiten van de Wapenwet (8 juni 2006). Indien wij deze redenering volgen dan was het besluit van Dhr. gouverneur (d.d. 11/12/2006) ook voorbarig en dus niet wettelijk. Als het besluit van Dhr. gouverneur (11/12/2006) met terugwerkende kracht geldig is, dan is ons administratief beroep van 21 december 2006 dat ook. De Federale wapendienst geeft een bevooroordeeld advies door te stellen dat ook met een ontvankelijk beroep het besluit van Dhr. gouverneur zou bevestigd zijn. [...]. Een administratief beroep lijkt vanuit die visie overbodig. B) Art.30 van de Wapenwet (8 juni 2006) stelt ook dat tegen de beslissing van de gouverneur ‘beroep openstaat bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde. Indien op 21 december 2006 (datum van het administratief beroep van de verzoekende partij) de Federale wapendienst nog niet gemachtigd was om het beroep te behandelen diende de minister zelf (in casu de administratie Justitie) het beroep niet te behandelen ? Heeft de regering dan voor 29/12/2006 (K.B. uitvoeringsbesluiten van de Wapenwet van 8 juni 2006, gepubliceerd 9 januari 2007) nagelaten vast te stellen op welke wijze een administratief beroep geldig moest worden uitgevoerd ?”. 8. Niet alle bepalingen van de wet van 8 juni 2006 zijn op dezelfde dag in werking getreden. De artikelen 11, 47 en 48, waarnaar de bestreden beslissing verwijst en waarop zij steunt, zijn overeenkomstig artikel 49, tweede lid, van de wet in werking getreden op 9 juni 2006. Het aangevochten besluit van 11 december 2006 lijkt dan ook niet “voorbarig”. Het artikel 30, daarentegen, dat in de mogelijkheid voorziet van een beroep tegen onder meer de beslissingen van de gouverneur tot weigering van een vergunning, treedt, gelet op artikel 49, eerste lid, van de wet, pas in werking op de bij koninklijk besluit vastgestelde dag. Artikel 20 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, heeft die dag op 9 januari 2007 bepaald. Het is bijgevolg slechts vanaf dan, en niet eerder, dat de beroeps-mogelijkheid van het artikel 30 openstaat. Ook het derde en laatste middel is niet ernstig. XII-5013-5/6 19. Uit wat voorafgaat, volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hoe dan ook moet worden verworpen, omdat niet is voldaan aan tenminste één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor de schorsing. In de gegeven omstandigheden komt een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering onnodig voor. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5013-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.897 Gerelateerde publicatie(
  10. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.790 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.