← België

Arrest 167898 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.898 Rolnummer: A. 58906/X-9561 Zaak: Arrest 167898 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:04 Fiche Arrest nr 167.898 van 15 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.898 van 15 februari 2007 in de zaak A. 58.906/X-

  1. In zake : Gaetane IWEINS de WAVRANS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Denys, kantoor houdende te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Van Dievoet, kantoor houdende te 1000 Brussel, Boomstraat
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gaetane Iweins de Gavrans op 13 juli 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 maart 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij haar de bouwvergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een eengezinswoning aan de Langerodestraat te Neerij- se-Huldenberg, op percelen, kadastraal bekend sectie C nrs. 4 d en 4 g; Gelet op het arrest nr. 50.361 van 24 november 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 7 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-9561-1\12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster die tevens het verzoek tot voortzetting bevat; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Denys, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat T. De Ketelaere, die loco advocaat M. Van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST: De feitelijke gegevens van de zaak
  3. Verzoekster is eigenaar van gronden gelegen aan de Langerode- straat te Neerijse-Huldenberg, kadastraal bekend sectie C nrs. 4d en 4g; Op 3 december 1991 dient zij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een bouwaanvraag in voor het oprichten van een eengezinswoning op voormelde percelen. Het college weigert op 27 februari 1992 de bouwaanvraag, en verzoekster stelt beroep in tegen die weigering bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant. Op 6 april 1993 verwerpt de bestendige deputatie dit beroep en verzoekster stelt hoger beroep in bij de Vlaamse regering. X-9561-2\12 Met het thans bestreden besluit van 23 maart 1994 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het beroep, op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot de oprichting van een woning; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft verworpen onder meer om reden dat de toekomstige ordening van het betrokken gebied in het in opmaak zijnde ontwerpgewestplan Leuven, gebiedsgedeelte Neerijse-Huldenberg, voldoende gekend is; omdat het voorstel hiermede moet in overeenstemming zijn zodat de uitwerking van bovenvermeld ontwerpgewestplan door de uitvoering van het hier betwiste voorstel kan worden gestoord en omdat aldus het voorstel de goede stedebouwkundige aanleg van de plaats in het gedrang brengt; Overwegende dat het betrokken terrein volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit dd. 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven is gelegen in een natuurgebied; dat luidens de bepalingen van artikel 13 van het koninklijk besluit dd. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen in deze gebieden alleen jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; dat het betrokken perceel eveneens is begrepen binnen de grenzen van het bij koninklijk besluit dd. 11 december 1957 goedgekeurd algemeen plan van aanleg met betrekking op de vroegere deelgemeente Neerijse; dat het terrein volgens de voorschriften van dit algemeen plan van aanleg is gelegen in een landbouwzone A, alwaar onder bepaalde voorwaarden woonhuizen kunnen toegelaten worden; Overwegende dat door de partikulier wordt ingeroepen dat betreffende het gebiedsgedeelte van Neerijse het betrokken gewestplan Leuven door de Raad van State bij arresten nrs. 22.530 tot 22.533 van 12 oktober 1982 en nr. 22.561 van 19 oktober 1982 werd vernietigd, daar het op de kaarten met de bestaande juridische toestand geen melding maakt van het bestaande algemeen plan van aanleg voor de gemeente Neerijse; dat de partikulier op basis hiervan poneert dat voor wat het grondgebied van de gemeente Neerijse het gewestplan. materiële rechtskracht mist en bijgevolg toepassing moet worden gemaakt van de bepalingen van het algemeen plan van aanleg van 11 december 1957; Overwegende dat in deze kontekst dient verwezen naar het ‘Besluit van de Vlaamse Executieve houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp-gewestplan tot gedeeltelijke aanvulling van het gewestplan Leuven te Neerijse (Huldenberg)’ dd. 2 december 1992, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad dd. 20 maart. 1993; dat volgens de bepalingen van dit besluit het betrokken perceel is gelegen in een natuurgebied; dat in deze omstandigheden dient verwezen naar de bepalingen van artikel 2, §2 van de gewijzigde wet op de stedebouw en de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 98 van het dekreet van 22 december 1993, houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994; dat volgens dit gewijzigde artikel de ontwerpen van streek- of gewestplannen, die door de Vlaamse Regering voorlopig zijn vastgestelde slechts bindende en verordenende kracht hebben binnen de grenzen bepaald in de artikelen 45 en 46 van deze wet; dat in dit raam rekening dient gehouden met de bepalingen van artikel 45, §2, derde lid, van de gewijzigde wet op de stedebouw en de ruimtelijke ordening, zoals vervangen bij artikel 105 van het dekreet dd. 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994; dat volgens dit vervangen artikel de gemachtigde ambtenaar hij het verlenen van een ongunstig advies mag afwijken van de voorschriften van de voorschriften van een streek- of gewestplan, hetzij van een algemeen plan van aanleg, in zoverre het nieuwe plan waarmede de werken, handelingen en wijzigingen strijdig zijn, voorlopig werd vastgesteld; dat uit deze vastgestelde X-9561-3\12 hiërarchie van de plannen van aanleg dient besloten dat de bovenvermelde argumenten van de partikulier niet kunnen worden weerhouden; dat in deze optiek onderhavige aanvraag dient getoetst aan de voorlopig vastgestelde bestemming van natuurgebied; dat het ontwerp in se in strijd is met een dusdanige bestemming; Overwegende dat het ontwerp strekt tot het oprichten van een zuiver residentiële woning; dat deze een oppervlakte heeft van ongeveer 14,50 meter op 13,80 meter en bedekt wordt met een zadeldak met een kroonlijsthoogte van 3,05 meter en een nok-hoogte van 6,60 meter; dat in het dak, benevens de zolder, een volwaardige verdieping wordt ingewerkt; dat deze woning wordt ingeplant op 9,40 meter afstand van de rechterperceelsgrens, gezien vanaf de voorliggende weg, en op 15 meter uit de as van de voorliggende baan; dat de oprichting van een dergelijke woning in strijd is met de op het voorlopig vastgestelde gewestplan aangeduide bestemming; Overwegende dat in deze kontekst rekening dient gehouden met de bepalingen van het dekreet van 23 juni 1993, houdende aanvulling met een artikel 87 van de gewijzigde wet op de stedebouw en de ruimtelijke ordening; dat volgens de bepalingen van artikel 2 van dit dekreet hij het onderzoek van bouwen verkavelingsaanvragen, andere dan voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare diensten, geen toepassing kan worden gemaakt van regelen in verband met de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld; dat het niet toepassen van deze regelen geen aanleiding kan geven tot schadevergoeding, als bedoeld in artikel 37 van de stedebouwwet; dat in deze omstandigheden geen gewag kan worden gemaakt van de bepalingen van artikel 23,1/, van het betrokken koninklijk besluit dd. 28 december 1972, daar deze terzake niet dienend zijn; dat in dit kader eveneens dient verwezen naar het desbetreffende uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering dd. 15 september 1993, strekkende tot de opheffing van bovengenoemd artikel 23,1/, van het betrokken koninklijk besluit dd. 28 december 1972; Overwegende dat op 11 februari 1992 door de Dienst Natuurbescherming en -ontwikkeling een ongunstig advies werd uitgebracht; dat hieruit blijkt dat de aangrenzende percelen eveneens de bestemming natuurgebied hebben en deel uitmaken van het grotere natuurgebied ‘Dijlevallei’, ten zuiden van Leuven; dat een bebouwing op deze plaats het vrij zicht over de Dijlevallei en meer specifiek over de achterliggende Langerodevijver volledig zou tenietdoen; dat in bijkomende orde nog dient opgemerkt dat dit gebied, waarvan het betrokken perceel deel uitmaakt, is ondergebracht onder de habitats, zoals bedoeld in de E.U.-richtlijn inzake de aanduiding van speciale beschermingszones voor het behoud van de vogelstand; dat het perceel volgens de inventaris van de landschappen van de provincie Brabant omwille van het hydrologisch en estetisch belang is opgenomen in het landschap, gevormd door het bronnengebied nabij het Strijkebos en de grote vijver met zijn omringende beplanting en de terreinen met waterkersbegroeiing; dat om alle bovengenoemde redenen dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt. en stedebouwkundig niet kan worden aanvaard; dat aldus het beroep van de partikulier niet in aanmerking komt voor inwilliging; Overwegende dat de partikulier de wens heeft uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud dd. 10 januari 1994 de raadsman van de partikulier is verschenen; X-9561-4\12 De gegrondheid van het beroep 2.
  4. Verzoekster neemt een eerste middel uit “de schending van de artikelen 2, § 1, 14, derde lid en 43, derde lid, van de stedebouwwet” : “Doordat aan beroepster de bouwvergunning wordt geweigerd, stellende dat de aanvraag strijdig is met de bestemming als natuurgebied in een nieuw ontwerp- gewestplan, dat voorrang zou hebben op de bestemmingsvoorschriften van een vroeger APA. En doordat het bestuur automatisch het bestemmingsvoorschrift van het ontwerp-gewestplan als natuurgebied toepast, zonder een onderzoek te voeren naar de verenigbaarheid met de bestemming als landbouwzone A in het APA van Neerijse. Terwijl de theorie van de hiërarchie der plannen van aanleg enkel speelt tussen enerzijds gewestplan en BPA en anderzijds APA en BPA, omdat in die gevallen inderdaad een verhouding van ondergeschiktheid bestaat. En terwijl een APA, in tegenstelling tot een BPA, moet beschouwd worden als een ‘mini-gewestplan’, dat op algemene wijze de bestemmingen op een ruim grondgebied vastlegt (zie HAUMONT, F., ‘Urbanisme’, Rép.Not., Brussel, Larcier, 1988, p.l61, nr.67). En terwijl de bepaling van artikel 14, derde lid van de stedebouwwet die het de gemeente toelaat om bij gebreke aan APA genoegen te nemen met de voorschriften van het gewestplan slechts zin en nut kan hebben, indien een bestaand APA geldig blijft en voorrang behoudt bij het totstandkomen van een later gewestplan (vgl. Rv.St. St.-Rémy, nr.23484, 16 september 1983). En terwijl de voorschriften van het APA aldus geldig blijven totdat de Regering beslist dit APA te herzien of op te heffen wegens strijdigheid met de voorschriften van een nieuw gewestplan, zodat de minister zich bij zijn beslissing diende te steunen op de voorschriften van het APA en niet deze van het ontwerp-gewestplan. En terwijl het bestuur niet automatisch het bestaan van het APA kan terzijde schuiven om in elk geval de voorschriften van het ontwerp-gewestplan in toepassing te brengen, zonder in concreto na te gaan in hoeverre de voorschriften van beide plannen van aanleg al dan niet met elkaar strijdig zijn en te motiveren waarom er geen overeenstemming tussen beide zou zijn (vgl. R.v.St. Denys, nr.44780, 28 oktober 1993).”. In de laatste memorie betoogt verzoekster nog dat geen wettelijke bepaling de overheid toelaat af te wijken van de voorschriften van een lager plan van aanleg op basis van een hoger plan van aanleg vooraleer dit hoger plan van aanleg definitief is aangenomen. Door bij het bestreden besluit af te wijken van de voorschriften van een bindend en verordenend algemeen plan van aanleg (APA) op basis van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan, heeft het Vlaams Gewest dit APA evenals de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden. 2.
  5. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het te dien tijde, bij besluit van 2 december 1992 van de Vlaamse regering voorlopig vastgesteld ontwerp-gewestplan zijn de betrokken gronden gelegen in natuurgebied. X-9561-5\12 Luidens artikel 2, § 2, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals vervangen bij het decreet van 22 december 1993, hebben de ontwerpen van gewestplannen die door de Vlaamse regering voorlopig zijn vastgesteld “slechts bindende en verordenende kracht binnen de grenzen bepaald in de artikelen 45 en 46 van deze wet”. Artikel 45, § 2, derde lid, van dezelfde wet, zoals toepasselijk ten tijde van de bestreden beslissing, machtigt de gemachtigde ambtenaar bij het verlenen van een ongunstig advies om af te wijken van de voorschriften van een algemeen plan van aanleg, “in zoverre het nieuwe plan waarmede de werken, handelingen en wijzigingen strijdig zijn voorlopig werd vastgesteld”. Het bestreden besluit stelt derhalve terecht dat de bouwaanvraag getoetst moet worden aan de voorlopig vastgestelde bestemming natuurgebied. Luidens artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen mogen in deze gebieden alleen jagers- en vissershutten worden gebouwd, voor zover deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al was het maar tijdelijk. Het bestreden besluit neemt terecht aan dat het algemeen plan van aanleg van de vroegere gemeente Neerijse dat de gronden opneemt in een landbouwzone, niet in overeenstemming is met het voorlopig vastgesteld ontwerp- gewestplan die de kwestieuze gronden aanduidt als gelegen in natuurgebied. 2.
  6. Het eerste middel kan niet worden aangenomen. 3.
  7. Het door verzoekster aangevoerde tweede middel is geput uit “de schending van de artikelen 12, 1/ en 50, laatste lid van de stedebouwwet, uit de schending van het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en met toepassing van artikel 159 [...] van de Grondwet”: “Doordat de bestreden beslissing gesteund is op de bestemming van de grond in het ontwerp-gewestplan Leuven als natuurgebied. En doordat deze bestemming de herneming is van de bestemming die aan de grond was gegeven in het gewestplan van 1977, dat onwettig was omdat bij de totstandkoming daarvan geen rekening gehouden was met het bestaan van het APA van Neerijse als onderdeel van de bestaande (juridische) toestand. X-9561-6\12 En terwijl in de jaren dat het gewestplan op het grondgebied van Neerijse onwettig bestond, op meerdere plaatsen het APA werd toegepast als toetssteen in het vergunningenbeleid. En terwijl de situatie gedurende deze periode dusdanig geëvolueerd is, dat bij de opmaak van een nieuw gewestplan niet enkel rekening dient gehouden te worden met het bestaan van het APA, doch ook met de deelse uitvoering van dit APA. En terwijl aan beide zijden van het perceel van beroepster en aan de overzijde van de weg, onmiddellijk aangrenzend woningen tot stand gekomen zijn, die wél opgenomen zijn in het woongebied. En terwijl met name blijkt dat de grond van beroepster opgenomen wordt bij een achtergelegen natuurgebied, zodat een breuk wordt gevormd met het aaneengesloten woongebied langs de Langerodestraat. En terwijl de Langerodestraat een deel vormt van de rijksweg die Leuven met Overijse verbindt, steenweg die voorzien is van alle mogelijke uitrustingen. En terwijl het kennelijk onredelijk is een aaneengesloten woongebied langs een goed uitgeruste verkeersweg, waarlangs reeds overvloedig bebouwing aanwezig is, te onderbreken voor een natuurgebied dat zich in werkelijkheid enkel uitstrekt over de achtergelegen gronden. En terwijl het totstandkomen en het bestaan van bebouwing in de woonzone aan beide zijden van de grond in hoofde van beroepster een rechtmatig vertrouwen heeft doen ontstaan, dat haar toeliet te veronderstellen dat in het ontwerp-gewestplan de bestemming als natuurgebied niet meer zou hernomen worden. En terwijl het ontwerp-gewestplan Leuven wat betreft de grond van beroepster aldus onwettig is wegens miskenning van de bestaande toestand en wegens kennelijke onredelijkheid, en bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet moet geweerd worden, hetgeen ook de nietigheid van de bestreden beslissing met zich meebrengt.”. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoekster daarenboven, om aan te tonen dat haar gronden, gelegen langs een goed uitgeruste verkeersweg en omklemd door bebouwing, niet tot het natuurgebied behoren, dat er maïs op geteeld wordt terwijl de achterliggende gronden bossen zijn met verschillende visrijke vijvers. Het verspringen van de huisnummers van nummer 1, links van het perceel, naar 7 en verder, rechts van het perceel, is tekenend dat geanticipeerd wordt op verdere bebouwing van haar perceel. In de laatste memorie handhaaft verzoekster het middel. Volgens haar heeft het bestuur manifest onwettelijk gehandeld, omdat de beslissing op manifest onredelijke wijze ingaat tegen een APA dat op het perceel van beroepster na quasi volledig is gerealiseerd, wat de bestreden beslissing doet neerkomen op het opleggen van een bouwverbod op één perceel tussen twee bebouwde eigendommen. 3.
  8. Een gewestplan is geen loutere bevestiging van bestaande toestanden, maar vormt een instrument om de ruimtelijke ordening voor de toekomst vast te stellen. Het gewestplan kan dus ook toekomstgerichte bestemmingen X-9561-7\12 vastleggen. Het betoog van verzoekster dat haar gronden, gelet op “de bestaande toestand”, niet in natuurgebied maar in woongebied moeten worden opgenomen, is derhalve niet relevant. De Vlaamse regering beschikt bij het bepalen van de bestemming van de onderscheiden gebiedsdelen over een ruime beleidsvrijheid. In de aanhef van het besluit van 2 december 1992 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp- plan tot gedeeltelijke aanvulling van het gewestplan Leuven te Neerijse (Huldenberg) motiveert de Vlaamse regering onder meer “dat het van kracht gebleven Algemeen Plan van Aanleg Neerijse, overeenkomstig de stedebouwkundige opvattingen van de jaren vijftig, voorziet dat ook buiten de woonzones langs vrijwel alle uitgeruste straten woningen mogen gebouwd worden; dat om reden van goede ruimtelijke ordening het volgen van dit plan niet langer verantwoord is”. Deze beleidsoptie van de overheid komt de Raad van State niet als zodanig “kennelijk onredelijk” voor, dat haar realisatie, die noodzakelijk percelen treft gelegen, zoals dat van verzoekster, tussen twee bebouwde eigendommen, resulteren moet in een onwettig ontwerp-plan. Verzoekster toont niet aan dat het ontwerp-gewestplan onwettig is en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten blijven. 3.
  9. Het tweede middel is ongegrond. 4.
  10. Het derde middel is genomen “uit de schending van de artikelen 10 en 11 [...] van de Grondwet, uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en uit de schending van de verworven rechten van beroepster” : “Doordat de bestreden beslissing toepassing maakt van de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan Leuven, zoals voorlopig vastgesteld bij ministerieel besluit van 2 december 1992, waarvan melding werd gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 maart
  11. En doordat beroepster de bouwaanvraag indiende in december 1991, en het beroep bij de bestendige deputatie instelde op 16 maart
  12. En doordat beroepster zich van in het begin van de administratieve procedure beroepen heeft op toepassing van de geldende bestemmingsvoorschriften van het APA van Neerijse. X-9561-8\12 Terwijl de administratieve vergunningsprocedure dermate lange tijd heeft in beslag genomen, dat intussen het ontwerp-gewestplan Leuven in voege is getreden. En terwijl de besturen steeds op onwettige wijze geweigerd hebben in te gaan op de terechte aanspraken van beroepster op toepassing van de voorschriften van het APA van Neerijse. En terwijl beroepster door deze wijze van afhandeling van haar aanvraag discriminerend behandeld werd ten opzichte van anderen die wel vergunningen kregen in zones van het gewestplan waar principieel geen bouwactiviteit mogelijk is, op grond van de bestemmingsvoorschriften van het APA (zie enkele voorbeelden in het attest van de landmeter-deskundige in bijlage).”. In de memorie van wederantwoord geeft verzoekster enkele concrete voorbeelden van andere aanvragen die wel tot een vergunning hebben geleid. In de laatste memorie verklaart verzoekster zich “niet principieel” te verzetten “tegen het feit dat het Vlaamse Gewest zich bij de uitspraak over de aanvraag zou hebben gehouden aan de op dat ogenblik geldende reglementering” maar zet zij uiteen dat het derde -en het vierde- middel gericht zijn tegen de onbehoorlijke bestuurswijze die de verschillende overheden met betrekking tot de aanvraag hebben gevoerd. De behandelingstermijn geeft haar “onweerstaanbaar” de indruk dat de overheid de uiteindelijke beoordeling van haar aanvraag doelbewust heeft uitgesteld in afwachting van de voorlopige aanneming van het gewestplan Leuven op basis waarvan de vergunning zou kunnen worden geweigerd, wat volgens verzoekster “enkel kan worden begrepen als machtsafwending”. 4.
  13. Bij ontstentenis van anders luidende overgangsregels determineert niet het ogenblik van de aanvraag, maar wel het ogenblik van de beslissing welke regels de beslissende overheid moet toepassen. Wanneer hij uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag is de minister als orgaan van het actief bestuur er toe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat hij over de aanvraag uitspraak doet. Overigens betwist verzoekster dit niet meer in de laatste memorie, zodat zij geacht wordt van dit middelonderdeel afstand te hebben gedaan. X-9561-9\12 Verzoekster bekritiseert ook dat haar aanvraag door de wijziging in de regelgeving het bestuur tot een houding heeft genoopt die tot een verschillend resultaat heeft geleid dan bij andere aanvragen, waarover ingevolge het verschillend verloop van de administratieve procedure uitspraak is gedaan vooraleer de wijziging van kracht werd. Met die op het gelijkheidsbeginsel gesteunde grief levert verzoekster evenwel in wezen kritiek op het doen -de wijziging van de stedenbouwwet op 22 december 1993- en laten -het ontbreken van overgangsmaatregelen- van de decreetgever, waarop de Raad van State geen controle mag uitoefenen. Volgens het betoog van verzoekster in laatste memorie is evenwel dit tijdsverloop niet toevallig, maar moet het verklaard worden door een bewust dralen van het bestuur. De onwettigheid die zij daaraan ontleent kwalificeert zij als machtsafwending. Aldus voert zij evenwel een nieuw middel aan, wat zij niet meer op ontvankelijke wijze vermag te doen in deze stand van de procedure. 4.
  14. Het derde middel, zoals het is aangevoerd in het inleidend verzoekschrift, is ongegrond. Zoals het is verwoord in de laatste memorie, is het onontvankelijk. 5.
  15. Het vierde middel is genomen “uit de schending van het redelijkheids-, het continuïteits- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur” : “Doordat de bestreden beslissing toepassing maakt van de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan Leuven, zoals voorlopig vastgesteld bij ministerieel besluit van 2 december 1992, waarvan melding werd gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 maart
  16. En doordat beroepster de bouwaanvraag indiende in december 1991, en het beroep bij de bestendige deputatie instelde op 16 maart
  17. En doordat beroepster zich van in het begin van de administratieve procedure beroepen heeft op toepassing van de geldende bestemmingsvoorschriften van het APA van Neerijse. En terwijl het bestuur, door geen beslissing te notificeren op grond van de bestemmingen van het APA van Neerijse vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe ontwerp-gewestplan, zonder verantwoording geweigerd heeft het vigerende plan van aanleg toe te passen, en aldus het vertrouwen van beroepster in de continuïteit van het bestuur heeft beschaamd. En terwijl de redelijkheid gebied dat het bestuur ten aanzien van de rechtsonderhorige in één en dezelfde administratieve procedure de rechtsregelen toepast die van kracht zijn op het ogenblik van de aanvang van de procedure zodat deze rechtsonderhorige in elke fase van deze procedure aanspraak kan maken op toepassing van hetzelfde materiële recht”. X-9561-10\12 5.
  18. Het vierde middel is grotendeels een parafrase van het derde middel en is alleszins om dezelfde redenen als uiteengezet sub 4.2., en voor zover verzoekster niet moet worden geacht in de laatste memorie er afstand van te hebben gedaan, ongegrond. 6.
  19. Tenslotte uit verzoekster in het vijfde middel precies kritiek op het ontbreken van enige overgangsregeling in het decreet van 23 juni 1983, voor de reeds voor de datum van inwerkingtreding van die nieuwe regeling ingediende aanvragen of aanhangig gemaakte administratieve beroepen. Zij ziet daarin een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het rechtszekerheidsbeginsel en van haar “verworven rechten”. Verzoekster vraagt dat daaromtrent een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou worden gesteld. In de laatste memorie verklaart verzoekster het vijfde middel te handhaven, “doch niet het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof omtrent dit middel”. 6.
  20. Ook hier bekritiseert verzoekster het ontbreken, in het decreet, van enige overgangsregels. Zoals de Raad reeds heeft opgemerkt, eensdeels, is het bestuur er evenwel toe gehouden de decretale regelgeving toe te passen en, anderdeels, komt het de administratieve rechter niet toe die decretale regelgeving zelf te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Nu verzoekster afstand doet van het verzoek tot prejudiciële vraagstelling, kan het middel niet tot nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro komen ten laste van verzoekster. X-9561-11\12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. X-9561-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.898 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.