← België

Arrest 167931 - Spoorwegen - 16/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.931 Rolnummer: A. 76756/IX-869 Zaak: Arrest 167931 - Spoorwegen - 16/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 16:10 Fiche Arrest nr 167.931 van 16 februari 2007 Economische zaken - Spoorwegen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.931 van 16 februari 2007 in de zaak A. 76.756/IX-

  1. In zake : Gabriël VAN DER CRUYSSEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 535 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), thans de nv van publiekrecht N.M.B.S.-Holding, die woonplaats kiest bij advocaat K. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 149, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël VAN DER CRUYSSEN op 15 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door de verwerende partij op 16 september 1996” en “meer bepaald een verzoek aan de hiërarchische overste om een herevaluatie te maken van de aanschrijving van verzoeker, evenals een beslissing om de basistoelage en het eerste supplement die eerder aan verzoeker waren toegekend en in zijnen hoofde een verworven recht uitmaakten in het kader van het loopbaanplan, in te trekken”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-869-1/6 Gelet op de beschikking van 22 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DEMEESTER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak 1.
  4. Op 16 september 1996 neemt het directiecomité van de NMBS de volgende beslissing ten opzichte van verzoeker: “VAN DER CRUYSSEN G., ingenieur IPI regionale directie district Noord- West: - het Directiecomité beslist met ingang van 1 oktober 1996 de heer VAN DER CRUYSSEN te detacheren naar de CW Mechelen; hij zal er on staff benuttigd worden onder de leiding van de heer L. HUYBENS, Hoofdingenieur- Dienstchef, directeur van de CW Mechelen; - het Directiecomité nodigt de hiërarchische overheid van de heer VAN DER CRUYSSEN uit de aanschrijving van betrokkene te evalueren en, in voorkomend geval, een gepast voorstel ter zake te formuleren; - om de redenen uiteengezet in het document DC 96/490 punt 1 beslist het Directiecomité de aan de heer VAN DER CRUYSSEN in het kader van het loopbaanplan toegekende basistoelage, ten bedrage van 142 808 F (à 100 %), evenals het eerste supplement ten bedrage van 114 247 F (à 100 %) in te trekken met ingang van 1 januari 1997". 1.
  5. Dientengevolge wordt verzoekers aanschrijving herbekeken door zijn hiërarchische meerdere die op 9 januari 1997 de aanschrijving “goed” voorstelt. Verzoeker had op dat ogenblik de aanschrijving “zeer goed”. Het directiecomité kent dan op 17 februari 1997 de aanschrijving “goed” toe. Deze beslissing wordt aan verzoeker op 26 februari 1997 betekend en op die dag door hem geviseerd. IX-869-2/6 1.
  6. Op 18 december 1996 wordt aan verzoeker meegedeeld dat het Directiecomité op 16 september 1996 besloten heeft om met toepassing van artikel 3.1.3 van het loopbaanplan, de basistoelage en de eerste toeslag in te trekken met ingang van 1 januari 1997, dit omwille van de houding die hij heeft aangenomen in het dossier “dwarsliggers”. Verzoeker tekent op 6 januari 1997 voor ontvangst. 1.
  7. Op 1 juli 1997 tekent hij tegen deze beide maatregelen bezwaar aan bij de districtsdirecteur van het District Noord-West. 1.
  8. Op 10 december 1996 had verzoeker reeds bij de Raad van State een schorsings- en vernietigingsberoep ingediend tegen het eerste deel van de genoemde beslissing van 16 september 1996, met name zijn overplaatsing naar Mechelen. In de memorie van wederantwoord die hij in die zaak indiende vroeg hij zijn beroep uit te breiden naar de twee overige gedeelten van de beslissing van 16 september 1996, namelijk de opdracht om zijn aanschrijving te herzien en de inhouding van zijn toelagen, stellende dat hij pas door lezing van het auditoraatsver- slag dat hem op 16 oktober 1997 werd betekend kennis had gekregen van de gehele beslissing. Deze uitbreiding werd evenwel geweigerd;
  9. Het voorwerp van de vordering Overwegende dat verzoeker als voorwerp van zijn beroep formeel de beslissing van het directiecomité van 16 september 1996 aanduidt in de mate dat hij twee onderdelen ervan niet had kunnen bestrijden met het beroep dat hij op 10 december 1996 instelde in de zaak A. 72.423/IX-é en dat beslecht werd met het arrest nr. 69.613 van 17 november 1997, dat de beslissing om hem over te plaatsen naar de centrale werkplaats te Mechelen heeft vernietigd; dat de bedoelde onderdelen van de beslissing van 16 september 1996 betrekking hebben op zijn aanschrijving en op de inhouding van zijn toelagen; dat die onderdelen van de geciteerde beslissing van 16 september 1996 de eigenlijke voorwerpen van verzoekers beroep zijn;
  10. De ontvankelijkheid van de vordering 3.1.
  11. Overwegende, in zoverre het beroep betrekking heeft op de beslissing van 16 september 1996 waarbij het directiecomité de hiërarchische overste van verzoeker vraagt om een herevaluatie te maken van zijn aanschrijving, dat de IX-869-3/6 verwerende partij als exceptie opwerpt dat die beslissing geen voor vernietiging vatbare handeling is omdat zij verzoekers rechtstoestand niet wijzigt; 3.1.
  12. Overwegende dat opdat een eenzijdige handeling uitgaande van een administratieve overheid vatbaar zou zijn voor vernietiging het moet gaan om een rechtshandeling, dit wil zeggen dat de handeling tot doel heeft rechtsgevolgen teweeg te brengen, de rechtsorde te wijzigen of juist te verhinderen dat de rechtsorde wordt gewijzigd; dat het bestreden onderdeel van de beslissing van 16 september 1996 met betrekking tot verzoekers aanschrijving als volgt luidt : “het Directiecomité nodigt de hiërarchische overheid van de heer VAN DER CRUYSSEN uit de aanschrijving van betrokkene te evalueren en, in voorkomend geval, een gepast voorstel ter zake te formuleren”; dat in die tekst hoogstens een bevel kan worden gezien aan de hiërarchische meerdere van verzoeker om te onderzoeken of zijn aanschrijving niet moet worden herzien, doch geenszins een beslissing over die aanschrijving zelf, die de aanschrijving als zodanig wijzigt; dat die wijziging immers pas is geschied door een afzonderlijke beslissing van 17 februari 1997 van het directiecomité van de NMBS nadat de voorgeschreven procedure tot het vaststellen van de aanschrijving was doorlopen; dat de conclusie dan ook is dat de beslissing van 16 september 1996, in zoverre zij betrekking heeft op verzoekers aanschrijving, zijn rechtstoestand niet wijzigt en derhalve geen voor vernietiging vatbare akte is; dat de exceptie gegrond is; 3.2.
  13. Overwegende, in zoverre het beroep betrekking heeft op de beslissing van 16 september 1996 waarbij verzoekers toelagen worden ingetrokken, dat de verwerende partij als exceptie opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is wegens het niet uitputten van de interne beroepsmogelijkheden; dat zij hierbij verwijst naar artikel 3 van Hoofdstuk IV van het Statuut van het personeel van de NMBS, dat luidt als volgt : ”Elke klacht inzake aanschrijving moet worden ingediend op de wijze voorgeschreven voor de bezwaren en de aanvragen in het algemeen. Ze wordt niet meer aangenomen na verloop van een termijn van 15 dagen na het semester waarin de bewuste aanschrijving werd vastgesteld of bevestigd”, en naar artikel 3, vierde lid, van Hoofdstuk XIII, dat luidt als volgt : IX-869-4/6 “Tegen de door de onmiddellijke chef genomen beslissing mogen zij achtereenvolgens in beroep gaan bij de eerste ingenieur of eerste inspecteur, chef van de dienst, bij de directie, bij de algemene directie en, tenslotte, bij de Raad van Beheer”; dat de verwerende partij verder betoogt dat verzoeker tegen de intrekking van zijn toelage een bezwaarschrift heeft ingediend bij zijn onmiddellijke chef, de districtsdi- recteur van het District Noord-West, maar dat zij daarop niet heeft geantwoord omdat de onmiddellijke chef niet bevoegd is om een bezwaar tegen een beslissing van het directiecomité te behandelen, en dat verzoeker dan, bij uitblijven van een antwoord, zijn bezwaar had moeten richten aan de volgende persoon in de hiërarchie, wat hij niet heeft gedaan;. 3.2.
  14. Overwegende dat verzoeker daarop in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij gewoonweg weigert te antwoorden op zijn beroep en aldus zijn beroep onbehandeld wil laten; dat zij minstens in een beslissing had moeten vaststellen dat zijn beroep niet conform was; dat ten slotte de Raad van State in de procedure A.72.423/IX-é zijn bevoegdheid wel heeft aanvaard; 3.2.
  15. Overwegende dat artikel 3 van hoofdstuk XIII van het personeels- statuut van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen bepaalt dat “de individuele klachten of vragen door de belanghebbenden of door de erkende organisaties aan de onmiddellijke chef voorgelegd (worden)” en dat de mogelijkheid bestaat om “tegen de door de onmiddellijke chef genomen beslissing (...) achtereen- volgens in beroep (te) gaan bij de eerste ingenieur of eerste inspecteur, chef van de dienst, bij de directie, bij de algemene directie en, tenslotte, bij de raad van beheer”, hetgeen “op straffe van uitsluiting (moet gebeuren) binnen de twee maanden te rekenen van de dag dat de bediende schriftelijk kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing”; dat die bepaling een georganiseerd beroep instelt tegen beslissingen van de onmiddellijke chef over individuele klachten of vragen van personeelsleden, ongeacht het voorwerp van de klacht of de vraag; dat te dezen de beslissing uitgaat van de algemene directie van de maatschappij zodat verzoeker de mogelijkheid had zijn grieven tegen deze beslissing rechtstreeks aan de raad van beheer voor te leggen; dat de beslissing van het directiecomité op zich niet op ontvankelijke wijze bij de Raad van State kan worden bestreden ; dat de exceptie gegrond is, IX-869-5/6 BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-869-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.