id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.932 Rolnummer: A. 101258/IX-2752 Zaak: Arrest 167932 - Spoorwegen - 16/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:10 Fiche Arrest nr 167.932 van 16 februari 2007 Economische zaken - Spoorwegen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.932 van 16 februari 2007 in de zaak A. 101.258/IX-
- In zake : Gabriël VAN DER CRUYSSEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 535 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), thans de nv van publiekrecht N.M.B.S.-Holding, die woonplaats kiest bij advocaten D. D.’HOOGHE, en S. SOTTIAUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël VAN DER CRUYSSEN op 5 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 januari 2001 van de hoofdadviseur-dienstchef “en impliciet (van) de beslissingen van 16 september 1996 en 17 februari 1997 van de (verwerende partij) waaromtrent in de beslissing van 4 januari 2001 geen uitspraak werd gedaan over het door verzoeker daartegen ingestelde beroep”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-2752- 1/8 IX-2752- 2/8 Gelet op de beschikking van 22 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DEMEESTER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. SOTTIAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker was als ingenieur tewerkgesteld op de regionale directie Noordwest - afdeling Infrastructuur. 1.
- Ingevolge onregelmatigheden die door hem zouden zijn begaan in een dossier met betrekking tot een geschil tussen de verwerende partij en de NV BETONAC-BETON over de bestelling van dwarsliggers, beslist het directiecomité op 16 september 1996 om verzoeker met ingang van 1 oktober 1996 te detacheren naar de centrale werkplaats te Mechelen om er “on staff” benuttigd te worden onder de leiding de directeur van de centrale werkplaats. Verzoeker bestrijdt die beslissing voor de Raad van State die de beslissing eerst schorst en daarna bij arrest nr. 69.613 van 17 november 1997 vernietigt. Aangezien in de loop van de voornoemde procedure voor de Raad van State is gebleken dat er op 16 september 1996 naast een overplaatsing nog twee andere “beslissingen” waren genomen waarvan verzoeker naar eigen zeggen voorheen niet op de hoogte was, namelijk een verzoek aan de hiërarchische overste om een herevaluatie te maken van de beoordeling die aan verzoeker was toegekend IX-2752- 3/8 en een beslissing om de basistoelage en het weddesupplement dat hem was toegekend in te trekken dient verzoeker tegen deze akten een nieuw beroep tot nietigverklaring in. Dit is de zaak A.76.756/IX-
- 1.
- Ingevolge het verzoek van het directiecomité aan verzoekers chef om te onderzoeken of zijn evaluatie niet moet worden herzien beslist het directiecomité op 17 februari 1997 op voorstel van verzoekers chef om zijn evaluatie te wijzigen van “zeer goed” naar “goed”. Die beslissing wordt op 21 februari 1997 aan verzoeker betekend. Op 1 juli 1997 tekent verzoeker tegen de beslissingen van het directiecomité in verband met de intrekking van zijn toelagen en in verband met zijn herevaluatie bezwaar aan bij de districtsdirecteur van het district Noord-West. Daaraan blijkt geen gevolg te zijn gegeven. 1.
- Verzoeker wordt om medische redenen met ingang van 1 juni 1998 vroegtijdig op pensioen gesteld. 1.
- Nadat in het auditoraatsverslag in de zaak A. 76.756/IX-869 was gesteld dat het beroep niet ontvankelijk was omdat de verzoeker de interne beroepsmogelijkheden niet had uitgeput, tekent verzoeker op 22 augustus 2000 opnieuw beroep aan tegen de voornoemde akten, ditmaal bij de Raad van Bestuur van de NMBS. 1.
- Wanneer hij na vier maanden nog geen antwoord heeft verkregen maant hij op 22 december 2000 de verwerende partij aan om een beslissing te nemen. Op 4 januari 2001 antwoordt de hoofdadviseur-dienstchef aan verzoeker dat het formuleren van het hiërarchisch beroep de hoedanigheid veronderstelt van actief bediende bij de NMBS en dat die voorwaarde niet vervuld is in zijnen hoofde vermits hij reeds sedert 1 juni 1998 op vroegtijdig pensioen werd gesteld. Hij besluit dat het beroep niet ontvankelijk is. IX-2752- 4/8 Dit is de bestreden beslissing;
- De ontvankelijkheid van de vordering. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de beslissing van het directiecomité van 16 september 1996; dat zij uiteenzet dat die beslissing bestaat uit drie onderdelen, met name de overplaatsing van verzoeker naar de centrale werkplaats te Mechelen, de uitnodiging aan zijn hiërarchische overheid om hem te evalueren en de intrekking van de hem toegekende toelage en het daarbij behorende eerste supplement; dat het eerste onderdeel reeds werd vernietigd door het arrest van 17 november 1997 en dat het verzoekschrift dan ook zonder voorwerp is voor zover het tegen die beslissing is gericht; dat uit de gebruikte bewoordingen duidelijk blijkt dat het tweede onderdeel van de beslissing van 16 september 1996 een louter voorbereidend karakter heeft zonder enig gevolg voor de rechtspositie van verzoeker; dat de beroepstermijn tegen het derde onderdeel bij het instellen van het onderhavig beroep reeds verstreken was; dat het beroep evenmin ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de beslissing van het directiecomité van 17 februari 1997 omdat die beslissing aan verzoeker werd genotificeerd op 21 februari 1997 en de beroepstermijn reeds lang verstreken is; dat ten slotte, steeds volgens de verwerende partij, de vraag rijst of, nu verzoeker tegen het tweede en het derde voorwerp op 15 december 1997 al een beroep heeft ingesteld bij de Raad van State, deze akten nogmaals het voorwerp kunnen uitmaken van een vernietigingsberoep bij de Raad van State alvorens er uitspraak is gedaan over het eerste beroep; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat in de thans bestreden beslissing van 4 januari 2001 de verwerende partij opnieuw weigert uitspraak te doen over het beroep dat hij instelde tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 en dat hij dan ook van deze beslissingen de nietigverklaring kan vorderen; 2.
- Overwegende dat indien een georganiseerd beroep is ingesteld, de nietigverklaring niet kan worden gevorderd van de oorspronkelijke beslissingen waartegen het beroep is ingesteld; dat in dat geval bij de Raad van State nog alleen op een ontvankelijke wijze kan worden opgekomen tegen de beslissing die over het beroep is genomen; dat verzoeker te dezen een administratief beroep bij de raad van IX-2752- 5/8 bestuur heeft ingesteld tegen de beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997, en dat over dat beroep uitspraak is gedaan bij de bestreden beslissing van 4 januari 2001; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring, in zoverre het gericht zou zijn tegen de genoemde beslissingen van het directiecomité, niet ontvankelijk is;
- De gegrondheid van de vordering 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het vierde middel aanvoert dat, aangezien hij beroep heeft aangetekend bij de Raad van Bestuur, als enig orgaan dat hiërarchisch boven het directiecomité staat, het enkel de Raad van Bestuur toekwam om een beslissing te nemen over zijn beroep; dat de beslissing echter is genomen door de dienstchef, die daarvoor niet bevoegd was; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel antwoordt dat overeenkomstig het document A425/1 van de Raad van Bestuur van 30 mei 1997 “Conceptie en invoering van een nieuwe structuur” de CCE Personeelspolitiek een coördinerende en leidinggevende rol heeft inzake personeelsbeleid, onder meer ten aanzien van het beheer van de paritaire organen en syndicale betrekkingen; dat daaruit blijkt dat de dienstchef, als manager van de CCE personeelspolitiek, wel degelijk bevoegd was om over de ontvankelijkheid van een intern beroep te beslissen; 3.
- Overwegende dat uit het document “4.19 Personeelspolitiek”, voorgelegd door de verwerende partij, blijkt dat de CCE personeelspolitiek een “coördinerende en leidinggevende” rol vervult inzake het personeelsbeleid; dat die rol bestaat in de “uitwerking en (de) controle van het statutaire en reglementaire kader”, het “afstemmen van behoeften en middelen inzake personeel”, het “beheer van de paritaire organen en syndicale betrekkingen”, het “beheer van de hogere kaderleden“ en “tuchtzaken”; dat het doorlopen van een georganiseerd intern administratief beroep geenszins onder dit beleid kan worden gebracht aangezien het een procedure betreft waarin alleen daarvoor aangeduide organen kunnen optreden; dat luidens artikel 3, vierde lid, van Hoofdstuk XIII van het Statuut van het personeel van de NMBS tegen de door de onmiddellijke chef genomen beslissing achtereenvolgens in beroep kan worden gegaan bij de eerste ingenieur of eerste inspecteur, chef van de dienst, bij de directie, bij de algemene directie en, tenslotte, IX-2752- 6/8 bij de raad van bestuur; dat die bepaling het beroep organiseert dat steeds ingediend moet worden bij een orgaan dat hiërarchisch hoger is dan datgene dat de beroepen beslissing heeft genomen; dat aangezien het beroep van verzoeker gericht was tegen een beslissing van het directiecomité, hij dat beroep enkel bij de raad van bestuur kon instellen -wat hij ook gedaan heeft- en alleen de raad van bestuur bevoegd was om over dat beroep uitspraak te doen; dat het eerste onderdeel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 4 januari 2001 van de hoofdadviseur-dienstchef waarbij het beroep van Gabriël VAN DER CRUYSSEN tegen bepaalde beslissingen van het directiecomité van 16 september 1996 en 17 februari 1997 onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-2752- 7/8 V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2752- 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.