← België

Arrest 167955 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.955 Rolnummer: A. 152263/XIV-19709 Zaak: Arrest 167955 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 16:12 Fiche Arrest nr 167.955 van 19 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.955 van 19 februari 2007 in de zaak A. 152.263/XIV-19.709. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A/1-2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 29 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 april 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.709-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN DER WEEEN, die loco advocaat T. HERMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 15 december 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 29 januari 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 april 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Angolese nationaliteit te hebben en geboren te zijn op 8 maart 1972 in Kwilu-Ngongo (Democratische Republiek Congo). U bent van Bakongo-afkomst en spreekt Portugees en een beetje Frans en Lingala. U verbleef in Kwilu-Ngongo, maar in 1999 besloot u zich in Angola te vestigen. U verbleef in Luanda. In september 2002 huwde u met XXX. In april 2003 verhuisden u en uw echtgenote naar Tchiowa (provincie Cabinda) waar jullie bij uw vader, D. M. M. , gingen wonen. U gaf les 'snit en naad' in de school '1/ do Maio'. In mei 2003 introduceerde uw vader u binnen het 'FLEC-FAC' (Frente para Libertação de Enclave de Cabinda - Forças Armadas de Angola (sic)). U woonde ongeveer twee keer per maand de vergaderingen van het FLEC-FAC bij. Tijdens de vergaderingen werd er gedebatteerd. Verder gaven jullie morele steun aan de voorzitter en financiële steun aan de strijdkrachten van het FLEC-FAC. Op 7 juli 2003 gingen u, de voorzitter van uw afdeling, Miguel Vete en een ander lid uit uw afdeling, João Kawsoko naar een vergadering van het FLEC-FAC in Pointe-Noire (Republiek Congo). Op 11 juli 2003 keerde u alleen terug omdat u de volgende dag les moest geven. João en Miguel zouden de volgende dag pas terugkeren. Op 15 juli 2003 kwam de politie naar uw huis. U was echter niet thuis omdat u was gaan lesgeven. De politie doorzocht uw huis en vond enkele documenten in verband met het FLEC-FAC. Vervolgens kwamen ze u op school aanhouden. De agenten zeiden dat ze uw collega's ook al gearresteerd hadden. Uw vrouw wilde u nog komen verwittigen maar ze kwam te laat. Uw directeur, D. A., vertelde uw vrouw dat de politie u aangehouden had. U werd meegenomen naar de politiepost en opgesloten. De volgende dag werd u overgebracht naar de politiepost van Kissu (in Cabinda). In het begin zat u alleen in de cel maar na een tijdje kreeg u een celgenoot. Achteraf bleek dit een agent te zijn die alles wat u hem vertelde over het FLEC-FAC op cassette opnam zonder dat u het wist. In augustus 2003 werd u gezegd dat u een proces zou krijgen en dat u weldra voor de rechter zou moeten komen. Op 2 december 2003 kwam de heer Domingos u uit uw cel halen om u over te brengen naar een gevangenis in Luanda. D. bracht u echter niet naar de gevangenis maar naar het huis van zijn neef G. in Luanda. Uw vrouw was op 15 juli 2003 nadat u aangehouden werd naar haar tante S. B. in Luanda gegaan. Op 5-6 december 2003 ging George haar ophalen. Uw vader betaalde G. om uw vlucht uit Angola te regelen. Op 14 december 2003 bracht G. u en uw echtgenote naar de luchthaven waar hij jullie voorstelde aan de man die samen met jullie zou reizen. Op 15 december 2003 kwamen jullie in België aan. Nog diezelfde dag begaven u en uw vrouw, XXX, zich naar de kantoren van de Dienst Vreemdelingenzaken alwaar jullie een asielprocedure startten. B. Motivering Vooreerst dient opgemerkt te worden dat uw verklaringen voor het Commissariaat- generaal met betrekking tot uw verblijf in Tchiowa, Cabinda van april 2003 tot december 2003 niet geloofwaardig zijn. U verklaarde dat er zes wijken zijn in Tchiowa, namelijk Luta, Victoria, 1/ do Maio, Amilcar Cabral, Gika en nog één waarvan u zich de naam niet herinnerde XIV-19.709-2/14 (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal, hierna CGVS, dd. 29 maart 2004, p.16). Er zijn echter veel meer wijken in Tchiowa (zie documentatie in het administratieve dossier). U beweerde verkeerdelijk dat het centrum van de stad Tchiowa en de grootste markt van Tchiowa in de wijk Amilcar Cabral liggen (zie verhoorverslag CGVS, pp.16-17 en documentatie in het administratieve dossier). U verklaarde dat zowel het voetbalstadium van Tchiowa als de luchthaven van Tchiowa in de wijk 1/ do Maio liggen (zie verhoorverslag CGVS, p.17) terwijl dit voor geen van beide het geval is (zie documentatie in het administratieve dossier). U wist niet in welke wijk van Tchiowa de supermarkt ‘Interparc’ ligt (zie verhoorverslag CGVS, p.21). U kon niet zeggen hoe de hoofdstraat van Tchiowa genoemd wordt (zie verhoorverslag CGVS, p.16). Daarenboven vertelde u dat er in die straat enkel een dancing, waarvan u de naam niet meer wist, een voetbalterrein, dat geen naam heeft naar u meende, en de markt ‘Mercado Central’ zijn (zie verhoorverslag CGVS, p.17). In die straat staan nochtans een aantal belangrijke administratieve gebouwen (zie verhoorverslag CGVS, p.17). Toen u andere straatnamen in Tchiowa gevraagd werden noemde u de Rua Agostinho Neto (zie verhoorverslag CGVS, p.18). Ook daar stonden volgens u geen administratieve gebouwen of kantoren maar enkel gewone huizen (zie verhoorverslag CGVS, p.18). De Rua Agostinho Neto is echter de hoofdstraat van Tchiowa en er bevinden zich meerdere administratieve gebouwen en kantoren in die straat (zie documentatie in het administratieve dossier). U stelde onterecht dat er in Tchiowa geen paleis van de gouverneur is (zie verhoorverslag CGVS, p.18 en documentatie in het administratieve dossier). Toen u op het Commissariaat-generaal gevraagd werd welk standbeeld aan de luchthaven van Cabinda staat verklaarde u dat u er nooit een standbeeld zag staan (zie verhoorverslag CGVS, p.18). Er staat echter wel degelijk een standbeeld (zie documentatie in het administratieve dossier). U vertelde dat de rivier Chiloango vlak naast Tchiowa stroomt en dat er verder geen enkele andere rivier in de buurt van Tchiowa loopt (zie verhoorverslag CGVS, p.19). Het is echter de Lukola die in de buurt van Tchiowa stroomt en niet de Chiloango (zie documentatie in het administratieve dossier). U verklaarde dat Kakongo, Necuto en Yema de enige dorpen vlak bij Tchiowa zijn waarvan u de naam kende (zie verhoorverslag CGVS, p.19). Deze plaatsen liggen echter niet in de onmiddellijke omgeving van Tchiowa (zie documentatie in het administratieve dossier). U wist niet dat Vala, Lucola, Tchizo, Zangoio, Chipinde, Fue Munho, Mbuco, Chiaza en Povo Grande dorpen zijn die vlak bij Tchiowa liggen (zie verhoorverslag CGVS, p.22 en documentatie in het administratieve dossier). U vertelde dat u op 7 juli 2003 van Tchiowa naar Pointe-Noire ging en op 11 juli 2003 terugkwam (zie verhoorverslag CGVS, pp.23-24). U noemde echter slechts Massabi als enige dorp dat u kende op weg naar Pointe-Noire (zie verhoorverslag CGVS, p.24). U bleek niet te weten dat Futila, Tenda Sala en Tchinfuca eveneens dorpen zijn op de weg tussen Tchiowa en Pointe-Noire (zie verhoorverslag CGVS, p.22 en documentatie in het administratieve dossier). U zei dat er negen ‘municipios’ zijn in Cabinda, namelijk Massabi, Yema, Buco Zau, Kakongo, Belize, Miconje, Tchiowa en nog twee waarvan u zich de naam niet herinnerde (zie verhoorverslag CGVS, pp.19-20). Cabinda telt slechts vier ‘municipios’; Tchiowa, Belize, Buco Zau en Kakongo (zie documentatie in het administratieve dossier). Naast de Chiloango kon u verder geen enkele andere rivier in Cabinda opnoemen (zie verhoorverslag CGVS, p.20). U zei dat er geen meren zijn in Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, p.21) terwijl er meerdere meren zijn in Cabinda (zie documentatie in het administratieve dossier). U verklaarde dat er slechts één radiozender is in Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, p.20) wat niet correct is (zie documentatie in het administratieve dossier). U zei dat er geen tijdschriften, kranten of dagbladen zijn in Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, p.20) wat evenmin klopt (zie documentatie in het administratieve dossier). Volgens u is er ook geen universiteit in Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, p.21) wat wel het geval is (zie documentatie in het administratieve dossier). U verklaarde dat Fioti een etnie is uit Cabinda naast de Bayombe, Bawoyo, Bavili, Bakongo en de Bakoki (zie verhoorverslag CGVS, p.20). Fioti is echter de verzamelnaam die gegeven wordt aan alle verschillende etnische groepen uit Cabinda (zie documentatie in het administratieve dossier). Bovendien wist u niet of er slechts één soort of verschillende soorten Kifioti bestaan (zie verhoorverslag CGVS, p.21). U kon niet zeggen of er een ander woord bestaat voor Fioti (zie verhoorverslag CGVS, p.21 en documentatie in het administratieve dossier). Aangezien uw ouders afkomstig zijn uit Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, pp.4-5) en u verklaarde er toch een aantal maanden gewoond te hebben mocht van u redelijkerwijze verwacht worden dat u een uitgebreidere kennis bezat van de stad Tchiowa en de provincie Cabinda dan u in werkelijkheid bleek te hebben. Dit des te meer daar u op het Commissariaat- generaal vertelde deel te nemen aan de strijd voor de onafhankelijkheid van Cabinda (zie verhoorverslag CGVS, p.15) waaruit af te leiden valt dat de provincie van waar u afkomstig bent u nauw aan het hart ligt. Daar uit bovenstaande bemerkingen blijkt dat uw verklaringen in verband met uw verblijf in Cabinda niet geloofwaardig zijn, kan bijgevolg ook geen geloof meer gehecht worden aan uw verklaringen in verband met uw activiteiten voor het FLEC-FAC in Cabinda en de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten die u in Cabinda situeert. Verder dient de aandacht erop gevestigd te worden dat uw huwelijksband met uw vermeende echtgenote XXX eveneens in twijfel getrokken kan worden. Zo verklaarde u bij XIV-19.709-3/14 aanvang van het gehoor op het Commissariaat-generaal dat u slechts een beetje Lingala spreekt (zie verhoorverslag CGVS, p.1). Daarna vertelde u dat u Lingala spreekt met uw echtgenote die niet goed Portugees spreekt (zie verhoorverslag CGVS, pp.7-8). Toen vervolgens op het Commissariaat-generaal opgemerkt werd dat u verklaard had slechts een beetje Lingala te spreken, antwoordde u dat u het toch wel redelijk goed spreekt, wat niet strookt met uw aanvankelijke verklaring (zie verhoorverslag CGVS, p.8). U vertelde dat jullie niet echt een huwelijksfeest hadden maar dat het meer een gewone familiebijeenkomst was in uw huis in Mabor (zie verhoorverslag CGVS, p.7). XXX daarentegen verklaarde dat jullie huwelijksfeest plaatsvond in Benfica bij haar tante (zie verhoorverslag CGVS van XXX, dd. 29 maart 2004, p.5). Toen ze geconfronteerd werd met uw verklaringen zei ze dat het feest eerst in Benfica plaatsvond en vervolgens in Mabor (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.5). U verklaarde op het Commissariaat-generaal dat de ouders van XXX in Uige wonen en dat ze nooit naar Luanda kwamen om jullie op te zoeken (zie verhoorverslag CGVS, p.9). XXX vertelde echter dat haar ouders jullie wel één keer per maand kwamen bezoeken in Luanda, ook nadat jullie gehuwd waren (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.3). Ook nadat XXX erop gewezen werd dat u verklaarde dat haar ouders nooit op bezoek kwamen, hield ze echter staande dat dit wel het geval was (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.3). U vertelde op het Commissariaat- generaal dat u in Mabor in een privé-school lesgegeven had (zie verhoorverslag CGVS, p.10). Deze school had naar u verklaarde geen naam (zie verhoorverslag CGVS, p.10) maar Yvette zei dat die school ‘1/ do Maio’ heette (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.5). Na confrontatie met wat u verteld had op het Commissariaat-generaal verklaarde ze dat ze dacht dat zowel de school in Mabor als de school in Cabinda waar u had lesgegeven ‘1/ do Maio’ heette (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.5). XXX vertelde op het Commissariaat- generaal eveneens dat de directeur van de school waar u les gaf in Cabinda Domingos Domé heette (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.8) terwijl u zelf verklaarde dat de volledige naam van die directeur Domingos Antonio was (zie verhoorverslag CGVS, p.26). Toen op het Commissariaat-generaal aan uw echtgenote gezegd werd dat u een andere naam genoemd had, zei ze dat ze enkel de naam kende die zij gegeven had (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.8). U zei dat uw echtgenote verpleegkunde gestudeerd had maar kon niet zeggen waar ze dit gedaan had (zie verhoorverslag CGVS, p.9). Na afloop van het gehoor op het Commissariaat- generaal is gebleken dat u verklaarde geboren te zijn op 8 maart 1972 (zie verhoorverslag CGVS, p.1) terwijl Yvette verklaarde dat u op 12 juli 1972 geboren bent (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.3). Uw vermeende echtgenote kon niet zeggen van welke afkomst u bent (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.4). Ze was ook niet in staat te zeggen wanneer u van de Democratische Republiek Congo terug naar Angola gekomen was (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.5). Aangezien zowel u als XXX verklaarde al sinds september 2002 getrouwd te zijn, mocht redelijkerwijze verwacht worden dat jullie in staat waren coherente en gedetailleerde verklaringen af te leggen in verband met elkaar en in verband met jullie leven. Jullie waren hiertoe duidelijk niet in staat. U bent niet in het bezit van enig document dat een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk maakt. Uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep bevat geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. XIV-19.709-4/14 Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze heeft geantwoord op het verzoekschrift tot dringend beroep dat verzoekende partij had laten geworden aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, en waarin duidelijk gesteld werd dat verzoekende partij wel degelijk gegronde reden had voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en vooral afdoende motivering van een dergelijke beslissing vereisen. Zodat de kwestieuze beslissing derhalve niet ten genoege van rechte heeft aangetoond dat er onvoldoende vrees zou bestaan voor vervolging. Toelichting . Volgens verzoekende partij volstaat het niet om louter te verwijzen naar de beslissing dd. 29 januari 2004 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken teneinde hem de hoedanigheid van vluchteling te weigeren. Dat geen van de aangewende motieven klemmen, nu geen van hen voorzien is als een reden tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en dat de vermelde redenen niet volstaan. Het Commissariaat-Generaal beperkt zich bij haar argumentatie tot de mededeling dat uit de door verzoekende partij aangehaalde feiten niet zou blijken dat hij zijn land van herkomst verlaten heeft uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie en dat zijn asielaanvraag bedrieglijk zou zijn. Verzoekende partij kan zich hier niet akkoord mee verklaren, omdat hij tijdens zijn beide interviews steeds zeer duidelijk heeft aangegeven dat er wel degelijk een politiek aspect gelegen is aan de problematiek die hem treft. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen hij hiervoor onder 'Feiten'reeds omstandig uiteenzette en is van mening dat de stelling van het Commissariaat-Generaal'slechts haar onwil aantoont om zich een waarheidsgetrouw beeld te vormen van de concrete situatie waar verzoekende partij zich in bevond. Een aantal gegevens worden door het Commissariaat-Generaal duidelijk verkeerd begrepen en/of geïnterpreteerd.

  1. a)Betreffende de kennis over Tchiówa en Cabinda Zo ondermeer wordt aan verzoekende partij verweten dat hij slechts een gebrekkige kennis zou hebben van Tehiowa en Cabinda, waardoor zijn verhaal ongeloofwaardig zou zijn en er bijgevolg ook geen geloof zou kunnen gehecht worden aan zijn verklaringen betreffende zijn activiteiten voor het FLEC-FAC en de ingeroepen feiten van vervolging door de Angolese overheid. Verzoekende partij wenst hierbij ten stelligste te benadrukken dat hij slechts sedert van april tot begin december 2003 in Tchiowa woonde, en daarvoor altijd in Luanda en Congo had gewoond. Bovendien werd hij reeds op 15 juli 2003 gearresteerd, en verbleef hij de rest van de tijd in een gevangenis. Concreet betekent dit dat verzoekende partij ongeveer twee en een halve maand als een vrij man in Tchiowa en Cabinda heeft rondgelopen. Op deze korte periode kan men redelijkerwijze van niemand verwachten dat een correct antwoord wordt gegeven op alle vragen die aan verzoekende partij werden gesteld eender welk ander persoon in dezelfde omstandigheden zou net dezelfde problemen hebben Het is dan ook perfect begrijpelijk dat verzoekende partij de regio nog niet kende, gelet op de zeer korte periode dat hij er woonde. Derhalve is er geen enkele reden om te twijfelen aan het verhaal van verzoekende partij, zodat het Commissariaat-Generaal WEL rekening dient te houden met diens verklaringen betreffende zijn activiteiten voor het FLEC-FAC en de ingeroepen feiten van vervolging door de Angolese overheid. Er is wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève : vervolging door de Angolese regering omdat verzoekende partij vanuit zijn politieke overtuiging meewerkte aan het verzet van het FLEC-FAC.
  2. b)De huwelijksband met mevrouw XXX Volgens het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dient de huwelijksband van verzoekende partij met mevrouw XXX in twijfel te worden getrokken, waarbij zij zich meent te moeten steunen op een aantal argumenten en details. Verzoekende partij kan hiermee niet akkoord gaan, en wel om de volgende redenen: Verzoekende partij verklaarde inderdaad dat hij met zijn vrouw Lingala sprak, omdat zij niet goed Portugees spreekt. Zijn verklaring dat hij 'een beetje' Lingala spreekt, is slechts een uitspraak van bescheidenheid: hij wenste enkel aan te geven dat het Lingala niet zijn moedertaal is en dat hij er zich van bewust is dat hij in deze taal fouten maakt en gebruik maakt van een minder rijke woordenschat. Het is alsof een Vlaming die met een Waalse XIV-19.709-5/14 getrouwd is, zou zeggen dat hij met haar Frans praat, maar eigenlijk niet zo goed ... als het Vlaams. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband met mevrouw XXX. - Het huwelijksfeest was inderdaad een samenkomst van de twee families, met eten en drinken, doch niet in de zin van een echt feest met genodigden etc... Het feestje vond plaats bij de tante van XXX in Benfica. Daarna begeleidden beide families het echtpaar naar hun woning in Mabor, waar zij nog enige tijd verder vierden. Zowel de verklaring van verzoekende partij, alsook de verklaring van zijn echtgenote komt hiermee volkomen overeen. Er is derhalve geen sprake van een contradictie, zoals het Commissariaat-Generaal lijkt te willen aantonen. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband met mevrouw XXX. Verzoekende partij heeft in Mabor (Luanda) inderdaad lesgegeven, geheel een eigen initiatief in een leegstaand gebouw : verzoekende partij gaf les aan kinderen die anders nooit de kans zouden krijgen om naar school te gaan. Het betrof geen school, laat staan dat het gebouw een naam had. In Cabinda gaf verzoekende partij les op een echte school, die inderdaad 'Primero do Maio'noemde. Het feit dat XXX zich duidelijk vergiste is manifest onvoldoende om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband met mevrouw XXX. De naam van de directeur van de school in Cabinda was A. D., maar iedereen kende hem onder zijn roepnaam 'Domé' (afgeleid van zijn familienaam). Wanneer XXX verklaart dat de man D. D. heet, is dat in feite volkomen correct. Er is derhalve geen sprake van een contradictie, zoals het Commissariaat-Generaal lijkt te willen aantonen. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband met mevrouw XXX. Verzoekende partij is inderdaad geboren op 8 maart 1972, en niet op 12 juli 1972 zoals zijn vrouw verkeerdelijk stelde. Men mag echter niet vergeten dat de mensen in Afrika aan hun verjaardag eigenlijk geen belang hechten, laat staan dat deze zou gevierd worden. Een verjaardag is een feitelijk gegeven, een administratieve noodzakelijkheid, een vermelding op een document, ... maar verder ook niets. Het is dan ook perfect normaal dat leden van één gezin mekaars verjaardagen niet correct kunnen reproduceren. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband met mevrouw XXX.. Mevrouw XXX betwist ten stelligste de stelling van het Commissariaat-Generaal dat zij niet zou geweten hebben van welke etnische afkomst haar man was. Zij heeft tijdens het interview zeer uitdrukkelijk vermeld dat hij tot de Bakongo behoorde. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband van verzoekende partij met mevrouw XXX. Tenslotte voert het Commissariaat-Generaal aan dat mevrouw XXX niet wist wanneer verzoekende partij uit Congo naar Angola terugkeerde. Dit is correct, doch absoluut begrijpelijk. Vooreerst kende verzoekende partij zijn echtgenote niet op het ogenblik van zijn terugkeer. Bovendien moet men rekening houden met het feit dat in de Affikaanse cultuur binnen een relatie heel anders wordt omgegaan met mekaar dan in de Westerse cultuur : over het verleden of de toekomst wordt zelden of nooit gepraat; men is al tevreden als men er dag na dag in slaagt om de eindjes aan mekaar te knopen. In het licht hiervan is het zeer aannemelijk dat mevrouw XXX niet wist wanneer haar man destijds uit Congo was teruggekomen. Het gaat derhalve niet op om dit argument te gebruiken om te twijfelen aan de huwelijksband van verzoekende partij met mevrouw XXX. Gelet op het voorgaande is er geen enkele reden om aan te nemen dat de asielaanvraag van verzoekende partij bedrieglijk zou zijn. Verzoekende partij begrijpt totaal niet hoe zijn nochtans omvangrijke en zeer gedetailleerde verhaal plotseling herleid wordt tot een aantal details, op grond waarvan zijn asielaanvraag negatief wordt verklaard. Hij heeft manifeste angst om teruggestuurd te worden en onderworpen te worden aan schendingen van de rechten van de mens zoals hierboven in het feitenrelaas reeds uiteengezet werd. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. Verzoekende partij verwijst overigens naar de rapporten van het OCIV, waar men elk jaar opnieuw zware kritiek uit op de kwaliteit van de interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Telkens komt het erop neer dat de kandidaat-asielzoekers weinig of niet geïnformeerd worden met betrekking tot de procedure. XIV-19.709-6/14 Zo bijvoorbeeld wordt aan de kandidaat-vluchteling in veel gevallen niet eens gemeld dat zijn asielaanvraag zal beoordeeld worden aan de hand van het verhaal dat hij vertelt tijdens het interview dat men van hem afneemt. Bovendien worden betrokkenen meestal dringend aangemaand om enkel te antwoorden op de vragen, zonder uit te weiden. Anderzijds wordt ook kritiek geuit op het feit dat slechts een fractie van hetgeen verteld wordt, ook effectief wordt neergeschreven. Op die manier kan het 'Interview' natuurlijk gemakkelijk gemanipuleerd worden, en is het niet moeilijk om ervoor te zorgen dat bepaalde passages uit het verhaal van de kandidaat-asielzoekers compleet worden overgeslagen. Verzoekende partij merkt op dat hij over zijn problemen in Cabinda uren en dagen non-stop zou kunnen vertellen. Dit betekent dat zelfs een interview van enkele uren slechts een beperkte weergave kan geven van de gebeurtenissen waar verzoekende partij mee geconfronteerd werd. Gelet op het beperkte tijdsbestek (één voor- of namiddag voor twee interviews) zien zij zich verplicht om een selectie te maken, waardoor altijd en onvermijdelijk een aantal gebeurtenissen noodgedwongen onbesproken blijven of slechts zeer zijdelings worden aangehaald. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. In casu is dit het geval : verzoekende partij kreeg niet de kans om over zijn problemen en lotgevallen uitgebreid te vertellen omdat er werd gefocust op andere - minder belangrijke elementen. Verzoekende partij werd aangemaand om slechts op de vragen te antwoorden, en beperkte zijn antwoorden derhalve beleefdheidshalve tot de vragen die hem gesteld werden. Het feit dat aan verzoekende partij bij het einde van het interview gevraagd wordt of hij nog iets aan zijn verklaringen wil toevoegen, is de facto eigenlijk een vraag pro forma : verzoekende partij zal misschien nog één en ander zeggen over de tijdens het interview besproken zaken, doch zal zelden beginnen vertellen over nieuwe, nog onbesproken elementen. Overigens blijkt meestal uit de lichaamstaal van de interviewer dat het inmiddels hoog tijd is om af te ronden, zodat de kandidaat-asielzoeker zijn eventuele antwoord kort houdt, uit beleefdheid en uit vrees om een slechte indruk te maken. Verzoekende partij heeft de stellige indruk dat het Commissariaat-Generaal niet snel tevreden is, en dat zijn verklaringen op de meest rigoureuze wijze worden uitgevlooid, op zoek naar het kleinste element om zijn asielaanvraag toch maar te kunnen afwijzen, en waarbij zijn verhaal op een volkomen ongeoorloofde en subjectieve wijze wordt géinterpreteerd en op een verkeerde manier wordt gereproduceerd, terwijl anderzijds gewoon wordt voorbijgegaan aan een aantal zeer manifeste feiten die duidelijk aantonen dat er wel degelijk sprake is van een politiek/etnisch probleem! Het politieke aspect is hier overduidelijk : men dient immers rekening te houden met de feitelijke situatie in Cabinda, waarbij vaststaat de Angolese autoriteiten zeer repressief optreden tegen elke vorm van steunverlening aan het FLEC-FAC : elkeen die als militant wordt herkend, riskeert zware mishandelingen en loopt een zeer reëel gevaar om er op een of andere duistere manier het leven bij in te schieten. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. Verzoekende partij heeft de indruk dat het CGVS niet snel tevreden is, en zijn verklaring tot in de kleinste details heeft uitgevlooid op zoek naar een element dat kan aangewend worden voor afwijzing van de asielaanvraag. Betekent dit daarom dat aan de inhoud van zijn verklaring geen geloof kan worden gehecht ? Betekent dit dat in casu geen geloof kan worden gehecht aan het feit dat verzoekende partij slachtoffer is geweest van manifeste vervolging en mishandeling door de Angoleses autoriteiten omwille van zuiver politieke redenen ? Betekent dit dat de arrestaties, de maandenlange gevangenschap, de zware mishandelingen en de bedreiging met de dood, ... slechts fait divers zijn waar geen aandacht aan moet geschonken worden ? Verzoekende partij meent van niet. Vluchteling is een persoon die uit gegronde vrees voor vervolging, omdat hij behoort tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging, zich bevindt in het land ,waarvan hij de nationaliteit niet bezit, en die de bescherming van dat land uit hoofde van bovengenoemde vrees niet wenst in te roepen. Uit de feitelijke uiteenzetting die verzoekende partij reeds deed t.a.v. de bevoegde diensten is duidelijk gebleken dat er in zijn specifieke situatie wel degelijk voldoende redenen waren om te spreken van een gegronde vrees voor vervolging. XIV-19.709-7/14 De motivering van de bestreden beslissing mist derhalve elke werkelijkheidszin, en druist compleet in tegen de feitelijke toestand dat verzoekende partij wel degelijk gegronde vrees had voor arrestatie en vervolging. Aangezien uit de verklaringen van verzoekende partij duidelijk gebleken is, minstens voldoende ernstig naar voor gekomen is, dat hij voldoende redenen had en heeft om minstens te vermoeden dat zijn leven en/of vrijheid in gevaar is in het land van herkomst. Dat een algemene sfeer van bedreiging en onveiligheid in het land van herkomst inderdaad niet als een voldoende voorwaarde geldt om het vluchtelingenstatuut te verkrijgen, maar dat er integendeel sprake moet zijn van 'gegronde vrees' en 'vervolging'. Vervolging hoeft echter niet noodzakelijk te betekenen dat de overheid een politiek van actieve vervolging voert of steunt ; Het kan ook verwijzen naar de onwil of de onbekwaamheid van de overheid om bescherming te bieden en maatschappelijke dreigingen te bestrijden. In het geval van Angola is er zelfs sprake van actieve vervolging door de Angolese overheid van Cabindese verzetsstrijders. De onwil om bescherming te bieden vloeit daar noodzakelijkerwijze uit voort. Het verhaal van verzoekende partij toont dit glashelder aan. Overigens hebben diverse rapporten van internationale mensenrechtenorganisaties en instanties dit als een feitelijk gegeven erkend. Ook het bewijzen van gegronde vrees is vaak een moeilijke zaak. Het wantrouwen van de asielzoekers tegenover administratieve beslissingen in eigen land nemen ze vaak mee naar de asielinstanties in de landen waar ze terechtkomen. Het nauwkeurig navertellen van de incidenten die ze hebben meegemaakt, zowat het belangrijkste onderdeel in de erkenningsprocedure, wordt dan ook vaak problematisch. Sommige details worden uitvergroot, terwijl andere aspecten (zoals de onwil van de nationale of lokale overheid om hen te beschermen) over het hoofd worden gezien. Daardoor worden de verklaringen van vluchtelingen sterk afhankelijk van de kwaliteit van het interview, en vooral van de gevoeligheid van de interviewer voor de sociale context waaruit zij komen. Het gaat niet op, te doen alsof het grote aantal weigeringen van asielaanvragen van kandidaatvluchtelingen uit Angola, en meerbepaald Cabinda, bewijst dat hun toestand in de landen van herkomst uiteindelijk niet zo dramatisch is. Wat voor de meeste vluchtelingen geldt, geldt zeker voor deze mensen : men ontvlucht zijn land niet zomaar. Er zijn ondertussen aanwijzingen en getuigenissen genoeg die de verregaande vervolging van Cabindese FLEC-FAC strijders in Angola aantonen. Het is niet aanvaardbaar mensen terug te sturen naar zo'n mensonterende situatie. Ook Amnesty International uitte zijn bezorgdheid over wat de oppositieleden te wachten staat bij hun terugkeer naar Angola. Gelet op het voorgaande kon de bestreden beslissing niet op rechtmatige wijze zomaar terugvallen op de verklaringen afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De bestreden beslissing is dan ook uiterst onduidelijk en zeer karig wat haar motivering betreft. De beslissing werd dan ook niet op afdoende wijze gemotiveerd. Het middel is gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-19.709-8/14 Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op het feit dat de verklaringen van de verzoekende partij over haar verblijf in Cabinda ongeloofwaardig zijn, met als gevolg dat geen geloof meer kan worden gehecht aan haar verklaringen in verband met haar activiteiten voor het Flec-Flac in Cabinda en aan de door haar ingeroepen vervolgingsfeiten die zij aldaar situeert; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij dit motief weliswaar betwist, doch dat dient opgemerkt dat van iemand die gedurende een bepaalde periode - zelfs al is die maar een paar maanden - in een bepaalde streek heeft verbleven redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij een aantal eenvoudige topografische en algemene vragen kan beantwoorden; dat de verzoekende partij hetzij foutief heeft geantwoord hetzij het antwoord schuldig is gebleven op de elementaire vragen aangaande de ligging van het centrum, de markt, het voetbalstadion, de luchthaven, de naam van de hoofdstraat en de gebouwen erin, rivieren en dorpen in de buurt; dat de verzoekende partij tevens - en gelet op haar verstandelijk niveau als leraar, op haar vermeende politieke interesse en op het feit dat zij, algemeen beschouwd, beweerdelijk zowat vier jaar heeft gewoond in Angola- correct had kunnen antwoorden op vragen over de “municipios” van Cabinda, lokale radiozenders, tijdschriften, kranten en dagbladen, universiteit en plaatselijke etnieën; dat voorts de verwijzing van de verzoekende partij naar de algemene toestand in Cabinda niet aannemelijk is, nu haar verklaringen in verband met haar verblijf aldaar en bijgevolg haar activiteiten voor het Flec-Flac en de door haar ingeroepen vervolgingsfeiten ongeloofwaardig werden bevonden; dat daarenboven nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal zou hebben gesteld dat het aantal weigeringen van asielaanvragen van kandidaat-vluchtelingen uit Angola, meer bepaald Cabinda, erop wijst dat de toestand in hun land van herkomst niet dramatisch is; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel voor het overige is gericht tegen de vaststelling dat de huwelijksband van de verzoekende partij met haar vermeende echtgenote XXX in twijfel kan worden getrokken; dat, rekening houdend met het voormeld determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen een overtollig motief, zodat de eventuele gegrondheid van het middel op dat vlak niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing; dat het eerste middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van de verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke XIV-19.709-9/14 procedure; dat de rechten van de verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het eerste middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 2.2.1 Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 33 van de conventie van Genève met betrekking tot de status van vluchtelingen van 8 juli 1951. Doordat de bestreden beslissing bepaalt dat verzoekende partij dient te worden teruggeleid naar Angola. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Zodat de Commissaris-Generaal in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekende partij bij een terugkeer naar Angola. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. Toelichting Doordat de Commissaris-Generaal zonder meer de vaststellingen van de Dienst Vreemdelingenzaken overnam. Daarbij werd gewoon voorbijgegaan aan het gedetailleerde verhaal dat verzoekende partij bij het tweede interview voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft gedaan. Men moet correct en eerlijk zijn : een interview waar men altijd het antwoord op de vraag kent, en daarbij nog eens zonder fouten, bestaat niet. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dient men zich dus te richten naar het totaalbeeld dat men zich kan vormen bij lezing van interview. Indien fundamentele vragen niet of fout beantwoord worden, of indien geen details kunnen verstrekt worden omtrent de geclaimde gebeurtenissen, dan kan men de geloofwaardigheid van de verklaring gaan aanvechten. Ingeval van enkele mineure foutjes, die dan bovendien nog eenvoudig kunnen verklaard worden, kan men redelijkerwijze de geloofwaardigheid niet betwisten. Verzoekende partij heeft steeds getracht om een correct en gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die hem gesteld worden. Verzoekende partij zou hierover urenlang kunnen vertellen, doch werd uitdrukkelijk verzocht om kort te zijn, hetgeen nochtans niet evident is gezien hetgeen hij heeft meegemaakt. Hierboven bleek reeds dat de argumenten die de Commissaris-Generaal aanhaalt, niet ernstig zijn en zeker niet van aard om de geloofwaardigheid van het verhaal van verzoekende partij in twijfel te trekken. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen hij hiervoor onder 'Feiten' reeds zeer omstandig uiteenzette, meerbepaald met betrekking tot het feit dat hij door de Angolese overheid vervolgd wordt omdat hij vanuit zijn politieke overtuiging actief meewerkte aan het verzet van het FLECFAC. Het is duidelijk dat er wel degelijk sprake is van een politiek probleem. Dit vormt de reden waarom voor verzoekende partij geen bescherming mogelijk is tegen de problemen waarmee hij geconfronteerd wordt. In Angola hoeft verzoekende partij op geen enkele hulp te rekenen : bij een eventuele gedwongen terugkeer zal men hem onmiddellijk trachten te arresteren en zal hij zwaar aangepakt worden omdat hij de gevangenis ontvluchtte. Verzoekende partij is ervan overtuigd dat hij bij een gedwongen terugkeer met zekerheid zal vermoord worden. Er is derhalve wel degelijk sprake van vervolging of niet-bescherming in de zin van de Conventie van Genève. Door op geen van de door verzoekende partij aangevoerde elementen in te gaan werd de verplichting om de verklaringen van verzoekende partij te toetsen aan hun waarachtigheid geschonden, en kon de Commissaris-Generaal zonder enig verder onderzoek de aanvraag van verzoekende partij afwijzen. Dat verzoekende partij tot op heden bevreesd is voor zijn terugkeer naar Angola is begrijpelijk. Uit de verklaring van verzoekende partij blijkt zeer duidelijk dat hij in dit land om zuiver politieke redenen problemen ondervindt, en dat hij wel degelijk gegronde vrees heeft voor zijn XIV-19.709-10/14 fysische integriteit bij terugkeer naar Angola (cfr. ook de rapporten van diverse mensenrechtenorganisaties en internationale instellingen). Gelet op deze situatie is het geenszins aangewezen verzoekende partij terug te sturen naar zijn land van herkomst. De vrees voor een terugkeer is derhalve gerechtvaardigd, zodat verzoekende partij zich terecht vluchteling verklaarde en het bevel tot terugkeer ten onrechte werd genomen. Minstens kon het gevoerde onderzoek niet tot de genomen beslissing leiden. Het middel is gegrond.”; 2.2.2. Overwegende, daargelaten de vraag of artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 van toepassing is op niet als dusdanig erkende vluchtelingen, dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid in het land van herkomst effectief bedreigd worden; dat haar asielrelaas bedrieglijk is bevonden zodat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar in het kader van haar asielaanvraag afgelegde verklaringen niet aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid omwille van één van de in voornoemd artikel 33 vermelde omstandigheden in gevaar zou komen; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2, 3 en 5 lid 1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 ter vrijwaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.). Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Angola terug te keren. Terwijl artikel 2 van voormeld verdrag het recht op leven beschermt. Dat artikel 3 de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat artikel 5, lid 1 aan iedereen het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toekent. De schending van artikel 3 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de rechtstreekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr. 161 Zodat verzoekende partij op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens. Toelichting : Voor de redenen van zijn vlucht verwijst verzoekende partij naar het feitenrelaas dat hiervoor reeds uitgebreid werd uitgewerkt. Dat het feitenrelaas van de verzoekende partij niet uit de lucht gegrepen is, blijkt uit meerdere mensenrechtenverslagen. Verzoekende partij wenst niet aan de hoger beschreven risico's blootgesteld te worden. Verzoekende partij is van mening dat het Commissariaat-Generaal in de bestreden beslissing geen rekening houdt met de vluchtredenen en de mensenrechtensituatie in Angola. Van deze situatie wordt in de bestreden beslissing niet eens melding gemaakt. Het middel is gegrond.”; 2.3.2. Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een XIV-19.709-11/14 dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij verwijst naar het arrest Soering van het Europees Hof voor de Rechten van de mens, doch dat zij dit niet op haar eigen concrete situatie betrekt; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de bestreden beslissing bedrieglijk is bevonden en dat haar grieven daartegen blijkens de bespreking van het eerste middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 (en 2 en 5) van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het redelijkheidsbeginsel Doordat het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden. Terwijl de bestreden beslissing zomaar besluit tot de weigering van erkenning van het statuut van vluchteling aan verzoekende partij, om reden dat zijn aanvraag kennelijk ongegrond zou zijn. Meerbepaald wordt verwezen naar het feit dat de aangehaalde feiten niet zouden aantonen dat verzoekende partij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou hebben. Zodat de bestreden beslissing geenszins op redelijke wijze werd genomen. Toelichting : Verzoekende partij heeft steeds zijn motieven om een asielaanvraag in te dienen, klaar en duidelijk gesteld. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt daarentegen dat de asielaanvraag van verzoekende partij bedrieglijk is. Bovendien heeft het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gesteld dat er in hoofde van verzoekende partij geen vermoeden bestaat van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Dat verzoekende partij dit met de meeste klem ontkent, te meer daar uit zijn diverse verklaringen is komen vast te staan dat een en ander op het tegendeel wijst. Dat nochtans verzoekende partij bepaalde stukken en documenten ter hand heeft gesteld van de alhier onderzoekende overheden en steeds op een volledig onderzoek heeft aangedrongen. Verzoekende partij verwijst naar hetgeen hij hiervoor reeds uiteenzette, nl. dat een interview waar men altijd het antwoord op de vraag kent, en daarbij nog eens zonder fouten, niet bestaat. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dient men zich dus te richten naar het totaalbeeld dat men zich kan vormen bij lezing van interview. Verzoekende partij heeft steeds een antwoord gegeven op alle vragen die hem gesteld worden. Verzoekende partij heeft in zijn interview tevens veelvuldige en gedetailleerde informatie verstrekt omtrent de verschillende problemen die hij heeft moeten ondergaan. Elke vraag hieromtrent werd nauwkeurig beantwoord. Indien er een zorgvuldig onderzoek was voorafgegaan aan de bestreden beslissing, rekening houdend met de uitgebreide en correcte informatie die verzoekende partij heeft verstrekt, dan zou redelijkerwijze nooit tot de weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling in hooffie van verzoekende partij zijn besloten, zeker niet omwille van de door het Commissariaat-Generaal aangehaalde argumenten. Men zou hiertoe niet zijn overgegaan omdat uit een mogelijk ernstig onderzoek in het land van herkomst zou zijn gebleken en zou kunnen worden bevestigd wat er met verzoekende partij werkelijk was gebeurd en dat hij nog steeds alle redenen had en heeft om te geloven in het feit dat er gevaar bestaat dat de regels zoals vervat in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 aldaar geschonden werden en worden. Het middel is gegrond. XIV-19.709-12/14 De aangehaalde middelen zijn dan derhalve ernstig genoeg om een vernietiging van de bestreden beslissing te rechtvaardigen.”; 2.4.2. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing gesteund is op een determinerend motief, te weten het feit dat de verklaringen van de verzoekende partij over haar verblijf in Cabinda ongeloofwaardig zijn, met als gevolg dat geen geloof meer kan worden gehecht aan haar verklaringen in verband met haar activiteiten voor het Flec-Flac in Cabinda en de door haar ingeroepen vervolgingsfeiten die zij aldaar situeert, en dat dit motief niet onwettig is; dat de beweringen van de verzoekende partij in het vierde middel dat motief niet weerleggen noch aantonen dat de commissaris-generaal er zijn bevoegdheid mee heeft overschreden; dat het vierde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-19.709-13/14 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.709-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.