← België

Arrest 167965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.965 Rolnummer: A. 180879/X-13176 Zaak: Arrest 167965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-21 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:13 Fiche Arrest nr 167.965 van 19 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.965 van 19 februari 2007 in de zaak A. 180.879/13.

  1. In zake :
  2. Theo MICHIELS,
  3. Helene DUERINCKX, die woonplaats kiezen bij advocaten C. DENS, A. VANBETS en S. VAN DER VELPEN, kantoor houdende te 3290 DIEST, Hasseltsestraat 77 tegen : de gemeente TIELT-WINGE, die woonplaats kiest bij advocaat M. GELDERS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Celestijnenlaan 17/
  4. DE Wnd VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Theo MICHIELS en Helene DUERINCKX op 8 februari 2007 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 5 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge waarbij aan LODDEWYKX-CUPPONE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning met carport op een perceel gelegen aan de Keulestraat te Tielt-Winge, kadastraal gekend sectie C, nr. 196/v; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2007 om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN BETS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. GELDERS, die verschijnt voor de verwerende partij; X-13.176-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van de stedenbouwkundige voorschriften van de verkavelingsvergunning, afgegeven op 17 juni 1966 met betrekking tot het bouwperceel, van de artikelen 44 en 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in het adagium “patere legem quam ipse fecisti”, “Doordat de bestreden bouwvergunning betrekking heeft op een perceel grond dat wel degelijk in een verkaveling ligt, zoals bepaald bij de stedenbouwkundige (verkavelings)vergunning dd. 14(lees: 17).06.
  5. Terwijl de bestreden bouwvergunning nergens ook maar enige melding maakt van ‘verkaveling’ of ‘verdeling in percelen’ en bijgevolg de thans toegekende bouwvergunning dan ook tegenstrijdige elementen bevat met de eerder toegestane stedenbouwkundige vergunning dd. 14(lees: 17).06.
  6. Terwijl art. 44 en 49 van het Decreet inzake ruimtelijke ordening uitdrukking geven aan het beginsel dat een aanvraag tot het bekomen van een bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd in zoverre ze in overeenstemming is met de verkavelingsvergunning. En terwijl de regel ‘patere legem quam ipse fecisti’ inhoudt dat een administratieve overheid door haar eigen reglementaire bepaling gebonden is bij het nemen van een individuele maatregel, op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel zoals uitgedrukt in art. 10 en 11 van de Grondwet”; Overwegende dat artikel 192, § 2, eerste, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bepaalt : X-13.176-2/5 “§
  7. Tot het in artikel 191, § 1, derde lid, 4/, vermelde deel van het vergunningenregister volledig is opgemaakt door de gemeente en goedgekeurd door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, bestaat er een vermoeden dat een verkavelingsvergunning voor een niet-bebouwd deel van een verkaveling die dateert van voor 22 december 1970, vervallen is. (...) In elke gemeente wordt een bericht aangeplakt dat de eigenaars van een niet- bebouwde kavel of meerdere niet-bebouwde kavels in vergunde niet-vervallen verkavelingen die dateren van voor 22 december 1970, oproept om zich te melden bij het college van burgemeester en schepenen. De Vlaamse regering neemt de nodige maatregelen om te zorgen voor de onmiddellijke aanplakking na de inwerkingtreding van dit decreet en voor een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid. Als geen enkele eigenaar van een onbebouwde kavel zich gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van 90 dagen na 1 mei 2000, dan is de verkavelingsvergunning voor de onbebouwde kavel of kavels definitief vervallen”; Overwegende dat de verkavelingsvergunning waarvan de schending van de stedenbouwkundige voorschriften ervan wordt aangevoerd, is afgegeven op 17 juni 1966; dat zij aldus krachtens voormelde bepaling vervallen is tenzij een eigenaar van een onbebouwde kavel ervan zich bij het college van burgemeester en schepenen heeft gemeld binnen de termijn van 90 dagen na 1 mei 2000; dat het, gelet op het wettelijk vermoeden van verval van de verkavelingsvergunning, aan de verzoekende partijen toekomt aan te tonen dat de betrokken verkavelingsvergunning niet is vervallen; dat te dezen de verzoekende partijen niet aantonen en overigens ook niet beweren dat aan de door voormeld artikel 192, § 2, derde lid, opgelegde voorwaarde is voldaan om het verval van de betrokken verkavelingsvergunning tegen te gaan; dat op het eerste gezicht dient te worden vastgesteld dat de verkavelingsvergunning, waarop de verzoekende partijen zich beroepen, uit kracht van wet vervallen is; dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de betrokken aanvraag om stedenbouwkundige vergunning derhalve niet was gebonden door de stedenbouwkundige voorschriften van bedoelde verkavelingsvergunning; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van “de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw”, “Doordat tot op heden geen mededeling van de stedenbouwkundige vergunning te vinden is aan het perceel. Terwijl dit toch zo wordt voorgeschreven volgens de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. X-13.176-3/5 Zodat verzoekers nooit enige kans hebben gehad om de bouwplannen in te kijken en eventuele bezwaren tijdig te uiten en dat om deze redenen alleen al de bouwvoorschriften niet werden nageleefd”; Overwegende dat het middel moet worden geacht te zijn afgeleid, niet uit de schending van de -inmiddels opgeheven- wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar van artikel 52, § 4, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat bepaalt : “§
  8. Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het een werk betreft, vóór de aanvang van het werk en tijdens de gehele duur ervan, hetzij, in de overige gevallen, zodra de toebereidselen voor de uitvoering van de handeling of handelingen worden getroffen en tijdens de gehele duur van de uitvoering ervan. (...)”; Overwegende dat een gebeurlijk gebrek in de bekendmaking van de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning de wettigheid van deze vergunning niet aantast en derhalve niet tot de vernietiging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning kan leiden; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. X-13.176-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari 2007, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-13.176-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.965 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.