← België

Arrest 168035 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.035 Rolnummer: Zaak: Arrest 168035 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:16 Fiche Arrest nr 168.035 van 21 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.035 van 21 februari 2007 in de zaken A. 135.645/XIV-14.721 135.648/XIV-14.

  1. In zake : I. XXX, II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Kasteelstraat 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 18 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 28 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 18 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 28 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen XIV-14.721-1/19 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. DE BRUYNE die, loco Advocaat J. OPSOMMER verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de provedure. Overwegende dat de echtgenoten XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de nietigverklaring vragen van de bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de beide beslissingen grotendeels rusten op dezelfde vaststellingen; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is de beroepen samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. XXX en XXX, beide van Kazachse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 3 november 1999 en hebben zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  5. Op 20 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. XIV-14.721-2/19 1.
  6. Op 18 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bestreden beslissing ten aanzien van Tair TASHMETOV luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaart het Kazachse staatsburgerschap te bezitten en van Oeigoerse origine te zijn. In de herfst van 1997 werd u tegengehouden door 2 agenten die u uit uw auto wilden trekken. Ze wilden u dwingen met hen weg te rijden. U probeerde weerstand te bieden waarbij 1 van hen op uw ogen drukte. Ze begonnen u te wurgen en ze sloegen een champagnefles op uw gezicht. Er kwam een politiewagen met 3 agenten aan. Zij vroegen wat er gebeurd was. U legde alles uit en u werd naar het politiebureau gebracht. U werd opgesloten omdat u de 2 agenten die wellicht dronken waren niet wou vervoeren. U werd verhoord, geslagen en ‘s nachts vrijgelaten omdat uw echtgenote, XXX geld betaalde voor uw vrijlating. De volgende dag ging u met uw echtgenote naar de spoedopname. U hebt nergens klacht neergelegd. In december 1997 werd uw echtgenote aangevallen en geslagen door 2 onbekenden, waarbij ze werd bedreigd met een pistool. In september 1999 kwam M. A., een vriend van uw schoonvader op bezoek samen met 2 onbekende Oeigoeren uit China. Een week na het bezoek an A. was er een huiszoeking bij de zus van uw echtgenote en jullie vernamen dat M. A. opgehangen was gevonden in zijn tuin. Op 12 oktober 1999 werd er ook bij u thuis een huiszoeking uitgevoerd door 2 agenten die vroegen of die 2 onbekende Oeigoeren documenten hadden gegeven. U wist niet over welke documenten ze spraken. U veronderstelt dat het te maken had met de militaire plannen die uw schoonvader vroeger gemaakt had. Jullie Kazachse identiteitskaarten werden meegenomen en uw echtgenote werd opgepakt. Uw echtgenote werd ondervraagd waarom die Oeigoeren bij jullie waren geweest en ze werd bedreigd. U ging naar de ROVD, en naar een ander wijkpolitiebureau, maar u kreeg als antwoord dat uw echtgenote er niet was. ‘S avonds kwam uw echtgenote opnieuw thuis. Jullie dienden nergens klacht in. Drie dagen later werd u opgepakt door 3 agenten en in een cel voor voorhechtenis geplaatst. U werd door 1 agent ondervraagd waarom die Oeigoeren bij jullie thuis waren gekomen. U antwoordde dat u niets wist van documenten, waarop u werd opgesloten en werd geslagen. De volgende ochtend werd u vrijgelaten door tussenkomst van een advocaat. Jullie dienden nergens klacht in. U vertrok op 25 oktober 1999 in het gezelschap van uw echtgenote, XXX en uw 2 minderjarige kinderen, T. R. en T. A. vanuit Almaty (Kazachstan) met de trein naar Moskou (Russische Federatie). Jullie kwamen op 28 oktober 1999 aan in Moskou en verbleven er tot 31 oktober
  7. Op 31 oktober 1999 vertrokken jullie met de trein via Wit-Rusland en Polen naar Duitsland, waar jullie op 2 november 1999 aankwamen. Per bus reisden jullie verder richting België. U kwam België binnen op 3 november 1999 in het gezelschap van uw echtgenote XXX en uw 2 minderjarige kinderen, T. R. en T. A., en u diende dezelfde dag een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit de verklaringen van uw echtgenote XXX, en uw eigen verklaringen tijdens de respectieve interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal enkele tegenstrijdigheden blijken die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig ondermijnen. Ten eerste verklaart u tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat tijdens de huiszoeking op 12 oktober 1999 de paspoorten van u en van uw echtgenote werden meegenomen (Commissariaat-generaal, XXX, p. 3 en 12). Uw echtgenote stelt daarentegen tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat bij de huiszoeking in oktober 1999 er geen documenten van u of uw echtgenote werden meegenomen, maar dat uw echtgenote haar documenten moest meepakken naar het politiebureau en dat het paspoort van u 3 dagen later werd afgenomen, toen u werd opgepakt (Commissariaat-generaal, XXX, p. 3 en 16). Ten tweede verklaart u tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat noch u noch uw echtgenote andere problemen kenden vóór september 1999 (behalve uw XIV-14.721-3/19 arrestatie in 1997 en de aanval op uw echtgenote in december 1997) (Commissariaat- generaal, XXX, p.11 en 18). Uw echtgenote stelt daarentegen tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat ze in februari 1998 in een ziekenwagen werd gesleurd en tot mei 1998 in de psychiatrie diende te verblijven, dat ze vervolgens 2 weken in het ziekenhuis lag omwille van de talrijke inspuitingen en dat ze daarna tot januari 1999 opnieuw naar de psychiatrie werd gebracht (Commissariaat-generaal, XXX, p. 11, 12 en 13). Evenmin tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakten uof uw echtgenote melding van deze feiten (Dienst Vreemdelingenzaken, XXX en XXX, Vraag 42). Gezien de ernst van deze door uw echtgenote voor het Commissariaat- generaal aangehaalde feiten mag van u en van uw echtgenote verwacht worden dat jullie deze feiten, indien deze daadwerkelijk plaatsvonden, reeds eerder voor de Dienst Vreemdelingenzaken zouden aangehaald hebben. Bijkomend dient te worden opgemerkt dat uit een vergelijking van uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uw verklaringen voor het Commissariaat- generaal enkele tegenstrijdigheden blijken die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in bijkomende mate ondermijnen. Ten eerste verklaart u tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat u 3 dagen na de huiszoeking van 12 oktober 1999 werd opgepakt, door 1 agent werd ondervraagd en dat u door diezelfde agent, en door niemand anders werd geslagen (Commissariaat-generaal, XXX, p.15 en 16). Tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelt u daarentegen dat u 3 dagen na de huiszoeking werd meegenomen naar het politiebureau waar u ondervraagd werd door een inspecteur die daarna het bureau verliet waarop 2 politieagenten binnenkwamen en u begonnen te slaan (Dienst Vreemdelingenzaken, XXX, Vraag 42). Ten tweede verklaart u tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat u, nadat uw echtgenote was meegenomen bij de huiszoeking op 12 oktober 1999, naar het dichtsbijzijnde wijkpolitiebureau ging, daarna nog naar een ander wijkpolitiebureau, maar dat u niet naar het centrale stadspolitiebureau ging omdat het al laat was en de kinderen alleen thuis waren (Commissariaat-generaal, XXX, p. 13 en 14). Tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelt u daarentegen dat u, nadat uw echtgenote was meegenomen bij de huiszoeking, naar het dichtsbijzijnde politiebureau ging, en daarna wel naar het centrale stadspolitiebureau (Dienst Vreemdelingenzaken, XXX, Vraag 42). Gelet op het voorafgaande kan er in uw hoofde geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. Het door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde rijbewijs bevat weliswaar informatie met betrekking tot uw identiteit, doch niet met betrekking tot de door u aangehaalde problemen. Derhalve wijzigt dit document niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. De bestreden beslissing ten aanzien van XXX: “A. Vluchtrelaas U verklaart het Kazachse staatsburgerschap te bezitten en van Dungaanse origine te zijn. XIV-14.721-4/19 Eind 1962 vluchtte uw vader van China naar de Kirgizische Sovjet-Republiek. Hij werd er vervolgd omwille van zijn Dungaanse origine. Uw vader maakte militaire ontwerpen. De KGB was hiervan op de hoogte en wilde die ontwerpen bemachtigen. Omwille van de problemen die uw gezin kende in de Kirgizische Sovjet-Republiek tengevolge van jullie origine, verhuisden jullie naar de Kazachse Sovjet-republiek in 1974-
  8. In 1975 werden u en uw zus door een agent van school opgehaald en in een weeshuis geplaatst tot 1983, als een soort pand zodat uw vader voor het toenmalige USSR-leger zou blijven werken. Uw vader werkte ook voor de geheime dienst tot zijn dood in
  9. Uw vader stierf aan een infectie in 1993 omdat hij geprikt was door de geheime dienst. Nadat u werd vrijgelaten uit het weeshuis in 1983, wendde u zich tot alle hoogste instanties om uw rechten, namelijk de blijvende druk op uw vader, te verdedigen. In 1985 werd u, nadat u een brief naar het Kremlin in Moskou had gestuurd, uitgenodigd bij het centrale comité waar gesteld werd dat u in de gevangenis zou geplaatst worden als u niet zou zwijgen. Vanaf 1985 moest u zich geregeld aanmelden bij het gemeentehuis, en tekenen dat u er geweest was. Tussen 1983 en 1997 kende u geen persoonlijke problemen. In de herfst van 1997 werd uw echtgenoot geslagen door politieagenten, en voor 5 à 6 uur opgesloten op beschuldiging van het bieden van weerstand. U kon uw echtgenoot vrijkopen en uw echtgenoot werd gehecht in het ziekenhuis. Jullie dienden nergens klacht in. In december 1997 werd u aangevallen door 2 onbekende mannen op straat. Ze bedreigden u met een pistool en 1 van de 2 sloeg u op de buik en in het gezicht. U diende nergens klacht in. In februari 1998 werd u door 2 mannen in een ziekenwagen gesleurd en werd u tot mei 1998 in de psychiatrie geplaatst. Er werd nooit gezegd waarom u in de psychiatrie werd geplaatst. Uw echtgenoot diende klacht in bij de ROVD. Na uw ontslag uit de psychiatrie hebt u 2 weken in het ziekenhuis gelegen omwille van de talrijke inspuitingen. Daarna werd u opnieuw naar de psychiatrie gebracht waarbij tegen uw echtgenoot gezegd werd dat u geprobeerd had zelfmoord te plegen. Dan moest u tot januari 1999 in de psychiatrie blijven. Uw zus ging naar de procureur die stelde dat beter uw hele gezin zou opgenomen worden. Op 20 september 1999 kwam M. A. langs met 2 onbekenden uit China die vrienden van uw vader waren. A. vroeg of u nog documenten van uw vader in uw bezit had. U antwoordde hem dat u niets had en dat uw vader hem alles al gegeven had. De documenten waren teksten en tekeningen in het chinees van militaire constructies. Op 1 oktober 1999 hoorde u van uw zus dat Aka opgehangen was teruggevonden in zijn huis en tevens dat er een huiszoeking was geweest bij uw zus waarbij alle brieven werden meegenomen. Op 12 oktober 1999 was er een huiszoeking bij jullie thuis waarbij niets werd meegenomen en u moest meegaan naar het politiebureau. U werd ongeveer een uur vastgehouden. U werd gevraagd waarom Aka gekomen was en u moest iets ondertekenen. U weigerde waarop gesteld werd dat u alles moest ondertekenen of dat u anders dezelfde dood als uw vader te wachten stond. Op 15 oktober 1999 werd uw man meegenomen door de politie en de volgende dag vrijgelaten door tussenkomst van een advocaat. Op 17 oktober verhuisden jullie naar de tante van uw echtgenoot. U vertrok op 25 oktober 1999 in het gezelschap van uw echtgenoot Tashmetov Tair en uw 2 minderjarige kinderen T. R. en T. A. vanuit Almaty (Kazachstan) met de trein naar Moskou (Russische Federatie). Jullie kwamen op 28 oktober 1999 aan in Moskou en verbleven hier tot 31 oktober
  10. Op 31 oktober 1999 vertrokken jullie met de trein naar Duitsland, waar jullie op 2 november 1999 aankwamen. Met een kleine bus reisden jullie verder richting België. U kwam België binnen op 3 november 1999 in het gezelschap van uw echtgenoot Tashmetov Tair en uw 2 minderjarige kinderen T. R. en T. A., en u diende dezelfde dag een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit de verklaringen van uw echtgenoot XXX, en uw eigen verklaringen tijdens de respectieve interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal enkele tegenstrijdigheden blijken die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig ondermijnen. Ten eerste verklaart uw echtgenoot tijdens het interview voor het Commissariaat- generaal dat tijdens de huiszoeking op 12 oktober 1999 de paspoorten van u en van uw echtgenoot werden meegenomen (Commissariaat-generaal, XXX, p. 3 en 12). U stelt daarentegen tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat bij de huiszoeking in oktober 1999 er geen documenten van u of uw echtgenoot werden XIV-14.721-5/19 meegenomen, maar dat u uw documenten moest meepakken naar het politiebureau en dat het paspoort van uw echtgenoot 3 dagen later werd afgenomen, toen uw echtgenoot werd opgepakt (Commissariaat-generaal, XXX, p. 3 en 16). Ten tweede verklaart uw echtgenoot tijdens het interview voor het Commissariaat- generaal dat noch u, nocu uw echtgenoot , behalve de arrestatie van uw echtgenoot in 1997 en de aanval op uzelf in december 1997, geen andere problemen kenden vóór september 1999 (Commissariaat-generaal, XXX, p.11 en 18). U stelt daarentegen tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat u in februari 1998 in een ziekenwagen werd gesleurd en tot mei 1998 in de psychiatrie diende te verblijven, dat u vervolgens 2 weken in het ziekenhuis lag omwille van de talrijke inspuitingen en dat u daarna tot januari 1999 opnieuw naar de psychiatrie werd gebracht (Commissariaat- generaal, XXX, p. 11, 12 en 13). Evenmin tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakten u of uw echtgenoot melding van deze feiten (Dienst Vreemdelingenzaken, XXX en XXX, Vraag 42). Gezien de ernst van deze door u voor het Commissariaat-generaal aangehaalde feiten mag van u en van uw echtgenoot verwacht worden dat jullie deze feiten, indien deze daadwerkelijk plaatsvonden, reeds eerder voor de Dienst Vreemdelingenzaken zouden aangehaald hebben. Bijkomend dient te worden opgemerkt dat uit een vergelijking van uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uw verklaringen voor het Commissariaat- generaal een tegenstrijdigheid blijkt die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in bijkomende mate ondermijnt. U verklaart tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat u in 1975 door 1 agent werd opgehaald op school en in een weeshuis werd geplaatst als een soort pand zodat uw vader voor het toenmalige USSR-leger zou blijven werken (Commissariaat- generaal, XXX, p. 5). Tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelt u daarentegen dat u door mannen in politie-uniform van school werd gehaald en in een weeshuis werd geplaatst om uw vader onder druk te zetten om de papieren van zijn militaire ontwerp aan de KGB te geven (Dienst Vreemdelingenzaken, XXX, Vraag 42). Gelet op het voorafgaande kan er in uw hoofde geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (een huwelijksakte, en de geboorteaktes van uw kinderen T. R. en T. A.) bevatten weliswaar informatie met betrekking tot uw identiteit, en met betrekking tot de identiteit van uw gezin, doch niet met betrekking tot de door u aangehaalde problemen. Derhalve wijzigen deze documenten niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  11. Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
  12. Wat het beroep van XXX betreft: 3.1.1.
  13. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel: Schending van het vertrouwenbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel XIV-14.721-6/19 Doordat de beslissing na meer dan vier jaar een beslissing bevestigt die verzoeker het verblijf in België weigert en de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaart wegens kennelijk ongegrond; Terwijl verwerende partij minstens de schijn hadden gewekt geen bevestigende negatieve beslissing meer te nemen door hun ondubbelzinnige houding die zich onder andere veruitwendigen door het dossier van verzoeker vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en gespecialiseerde rechtsliteratuur; Terwijl de beginselen van behoorlijk bestuur impliceren ook dat de overheid in haar beleid het door haar opgewekt vertrouwen moet (blijven) honoreren; in dat verband is het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel de zgn. materiële component is, een grondwettelijke regel. Zodat het bestreden besluit een inbreuk maakt op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Toelichting: Verzoeker kwam vier jaar geleden naar België en vroeg hier asiel aan. Door de jaren heen integreerde verzoeker en zijn gezin zich perfect in de Belgische maatschappij. Verzoeker verwachtte geenszins dat zijn asieldossier nog zou worden afgehandeld, minstens dat de afhandeling voorlopig was opgeschort. Aangezien verzoeker en zijn gezin momenteel aan alle voorwaarden van de omzendbrief van 15/12/1998 voldoen, vertrouwde verzoeker er op dat hij de mogelijkheid zou krijgen om zijn regularisatie met positief resultaat verder te kunnen afhandelen. Het vertrouwen van verzoeker werd bevestigd door eerste verwerende partij toen deze in een interview met de krant "De Morgen" stelde dat de asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld. De raadsman van verzoeker las dezelfde boodschap in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht dd, 12/
  14. Ondanks dit gewettigd vertrouwen werd verzoeker toch opgeroepen voor de hoorzitting inzake zijn dringend beroep tegen de negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoeker bood zich correct aan op deze hoorzitting maar wees daar bij monde van zijn raadsman op het inconsequente gedrag van eerste verwerende partij en vroeg voorlopig geen beslissing te willen nemen. Eerste verwerende partij sloeg deze raad in de wind en nam de bestreden beslissing. Deze bestreden beslissing gaat zoals hoger uitgelegd compleet in tegen de schijn en het vertrouwen die werden gewekt door eerste verwerende partij. Het middel is gegrond.”; 3.1.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 In het eerste middel werpen verzoekers de schending in van het vertrouwenbeginsel en het rechtszekerheid beginsel. 2.1.1 Verzoekers stellen dat het vier jaar heeft geduurd vooraleer een beslissing werd genomen in hun asielprocedure en dat ze goed geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving. 2.1.2 Verweerder stelt vast dat de bestreden beslissing twee jaar en vijf maanden na het indienen van het dringend beroep werd genomen. Omwille van de grote stijging van het aantal asielaanvragen in het jaar 2000 was het Commissariaat-generaal niet in de mogelijkheid om de termijnen voorzien in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet te respecteren. De termijnen die aan het Commissariaat-generaal in artikel 63/3 worden opgelegd, zijn termijnen van orde. Dit betekent dat de niet-naleving van deze termijn door het Commissariaat-generaal niet leidt tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Bovendien merkt verweerder op dat de termijn die verlopen is sinds de beslissing tot weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister op 20 november 2000 niet onredelijk lang is (zie o.m. R.v.St., nr. 88.956 van 13 juli 2000 waarin de Raad stelde dat drie jaar voor de behandeling van een asielaanvraag lang, doch niet excessief lang is). Verzoekers tonen daarenboven niet aan welk belang zij zouden hebben gehad om de bevestigende beslissing van weigering van verblijf eerder te ontvangen (R.v.St., nr. 80.307 van 19 mei 1999). XIV-14.721-7/19 2.1.3 Wat betreft het ingeroepen vertrouwensbeginsel, wijst verweerder erop dat aan verzoekers verwachtingen, al zouden hun asielaanvragen niet meer worden behandeld, hiervan door verwerende partij nooit enige uiting werd gegeven. Dat de asielprocedure van verzoekers ook niet werd opgeschort, zoals verzoekers menen, en is er ook geen sprake geweest van het feit om in 2003 geen asielaanvragen te behandelen van
  16. Het eerste middel is niet gegrond.”; 3.1.1.
  17. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Eerste middel: Schending van het vertrouwenbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel Doordat de beslissing na meer dan vier jaar een beslissing bevestigt die verzoeker het verblijf in België weigert en de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaart wegens kennelijk ongegrond; Terwijl verwerende partij minstens de schijn hadden gewekt geen bevestigende negatieve beslissing meer te nemen door hun ondubbelzinnige houding die zich onder andere veruitwendigen door het dossier van verzoeker vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en gespecialiseerde rechtsliteratuur; Terwijl de beginselen van behoorlijk bestuur impliceren ook dat de overheid in haar beleid het door haar opgewekt vertrouwen moet (blijven) honoreren; in dat verband is het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel de zgn. materiële component is, een grondwettelijke regel. Zodat het bestreden besluit een inbreuk maakt op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Toelichting: Verzoeker kwam vier jaar geleden naar België en vroeg hier asiel aan. Door de jaren heen integreerde verzoeker en zijn gezin zich perfect in de Belgische maatschappij. Verzoeker verwachtte geenszins dat zijn asieldossier nog zou worden afgehandeld, minstens dat de afhandeling voorlopig was opgeschort. Aangezien verzoeker en zijn gezin momenteel aan alle voorwaarden van de omzendbrief van 15/12/1998 voldoen, vertrouwde verzoeker er op dat hij de mogelijkheid . zou krijgen om zijn regularisatie met positief resultaat verder te kunnen afhandelen. Het vertrouwen van verzoeker werd bevestigd door eerste verwerende partij toen deze in een interview met de krant "De Morgen" stelde dat de asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld. De raadsman van verzoeker las dezelfde boodschap in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht dd, 12/
  18. Ondanks dit gewettigd vertrouwen werd verzoeker toch opgeroepen voor de hoorzitting inzake zijn dringend beroep tegen de negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoeker bood zich correct aan op deze hoorzitting maar wees daar bij monde van zijn raadsman op het inconsequente gedrag van eerste verwerende partij en vroeg voorlopig geen beslissing te willen nemen. Eerste verwerende partij sloeg deze raad in de wind en nam de bestreden beslissing. Deze bestreden beslissing gaat zoals hoger uitgelegd compleet in tegen de schijn en het vertrouwen die werden gewekt door eerste verwerende partij. Deze laatste tracht te ontsnappen aan dit middel door te gaan stellen dat de bestreden beslissing 2 jaar en 5 maanden na het indienen van het dringend beroep werd genomen, doch de Raad mag niet misleid worden door een dergelijke bewering. Het is inderdaad zo dat op 3 november wel degelijk de aanvraag als status van vluchteling werd ingediend en dat ondertussen onbetwistbaar bijna vier jaar zijn verstreken. Het verweermiddel is dan ook in die omstandigheden ongegrond. Het is inderdaad zo dat de Raad van State zelf al gesteld heeft dat 3 jaar lang is. Indien dit niet excessief is is het daarom nog niet gesteld dat op die wijze de rechten niet zouden geschaad zijn. Men stelt ook ten onrechte dat verzoekers niet aantonen welke belang zij zouden hebben gehad om de bevestigende beslissing eerder te ontvangen. XIV-14.721-8/19 Niets is minder waar, integendeel is het zo dat indien zij onmiddellijk de beslissing hadden gekregen, zij zich niet in een situatie zouden bevonden hebben zoals vandaag, waar zij na het verloop van tijd volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij en niet meer kunnen teruggaan, niet alleen om die reden, doch ook om de politieke redenen, zoals ingeroepen. Het feit dat zij hoe dan ook al lang in België zijn verbleven, vermindert nog meer hun kansen tot terugkeer zonder gevaar. In die omstandigheden is het dan ook zo dat het nalaten van de beslissing ontegensprekelijk schade toebrengt en uiteindelijk het belang van verzoeker aantoont. Gaan stellen dat het vertrouwensbeginsel niet zou zijn geschaad, is nog erger. Gaan stellen dat verwerende partij nooit enige uiting heeft gegeven aan de verwachtingen van verzoekers, is op zichzelf al meer dan voldoende bewezen door de wijze waarop men zich op het ene standpunt baseert in de ene zaak en op een andere manier behandelt in de andere zaak en daarenboven het langdurig afwachten heeft ontegensprekelijk een verwachting gewekt bij verzoeker. Men heeft hier duidelijk de uiting gegeven dat men desbetreffend geen asielaanvragen meer zou behandelen. Het middel is dan ook gegrond.”; 3.1.1.4.
  19. Overwegende dat verzoeker stelt dat door zijn dossier vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en de gespecialiseerde rechtsliteratuur de verwerende partij minstens de schijn heeft gewekt dat er geen negatieve bevestigende beslissing meer genomen zou worden; dat de bestreden beslissing dan ook volledig zou ingaan tegen de rechtszekerheid en het vertrouwen; 3.1.1.4.
  20. Overwegende dat verzoeker een asielaanvraag indiende op 3 november 1999; dat de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten nam op 20 november 2000; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigde op 18 maart 2003; dat de omstandigheid dat meer dan twee jaar waren verlopen sinds het dringend beroep, op zich niet de indruk vermocht te wekken dat erover geen uitspraak meer zou worden gedaan; dat verzoeker beweert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in een interview in de krant ‘De Morgen’ heeft verklaard dat asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld; dat dezelfde boodschap verzoeker eveneens in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht zou hebben gelezen; dat deze stukken zich evenwel niet in het administratief dossier bevinden; dat van verzoeker op zijn minst mag worden verwacht dat hij alle relevante stukken die zijn grief ondersteunen, bij zijn verzoekschrift voegt; dat het de Raad van State niet toekomt uit te zoeken of de door verzoeker vooropgestelde beoordeling van de feiten steun vindt in stukken die geen deel uitmaken van het dossier; dat verzoeker tevergeefs steun zoekt in de omzendbrief van 15 december 1998; dat deze omzendbrief de eventuele regularisatie van het verblijf alhier betreft, doch niet de erkenning als vluchteling; dat niet kan worden besloten tot een schending van het vertrouwensbeginsel of van het rechtszekerheidsbeginsel; dat het eerste middel ongegrond is; 3.1.2.
  21. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: XIV-14.721-9/19 “Tweede middel: Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals grondwettelijk gegarandeerd door de art. 10-11 G.W. Doordat eerste verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing afwijkt van haar eigen principe in 2003 geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; Doordat deze houding een fundamenteel verschillende behandeling inhoudt van één categorie gelijke personen, namelijk deze die in 1999 een asielaanvraag indienden en momenteel nog wachten op een beslissing. Terwijl nochtans het gelijkheidsbeginsel, zoals ingeschreven in de artikelen 10 en 11 G.W. en zoals aanvaard als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bepaalt dat er in België geen onderscheid van standen is, dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend, moet worden verzekerd zonder discriminatie. Dat de concrete invulling van dit beginsel reeds bestaat jaren door de vaste rechtspraak van het Arbitragehof: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Diezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en liet beoogde doel.” (Arbitragehof o.a. nr. 106/98, 21 oktober 1998, rolnr. 1165, A.A. 1998, 1311; B.S. 1 december 1998; nr. 1/94,13 januari 1994, rolnrs. 457, 516, 518 en
  22. B.S. 1 februari 1994, 2000; nr. 20/97, 15 april 1997, rolnr. 973, A.A. 1997, 257; B.S. 23 april 1997; nr. 18/97, 25 maart 1997, rolnrs. 1037, 1038 en 1040, A.A. 1997, 223; B.S. 4 juni 1997; nr. 71/94, 6 oktober
  23. rolnr. 644, A.A. 1994, 873, B.S. 4 november 1994, 27405; nr. 4/92, 23 januari
  24. rolnr. é, B.S. 11 maart 1992, 5059; nr. 16/92, 12 maart 1992, rolnr. 255, B.S. 9 april 1992, 8033; nr 59192, 8 oktober 1992, rolnr. 295, B.S. 28 oktober 1992, 23140, nr. 64/92, 15 oktober 1992, rolnr. 325, B.S. 11 november 1992, 23857) Zodat de bestreden beslissing een inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel. Toelichting: Zoals reeds hoger aangehaald maakte eerste verwerende partij bekend geen beslissingen meer te nemen in asieldossiers van 1999 en vroeger. Ondanks deze duidelijke en niet mis te verstane beleidsregel werd verzoeker toch nog uitgenodigd voor een hoorzitting en volgde nadien de bestreden beslissing. Aangezien volgens de mondelinge informatie waarover verzoeker beschikt eerste verwerende partij voor het overige wel vasthoudt aan zijn eigen beleidsregel, werd verzoeker fundamenteel verschillend behandeld ten aanzien van zijn lotgenoten. Diegenen die immers samen met verzoeker een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids of gegrondsfase, krijgen geen beslissing meer en kunnen rustig hun regularisatie afwachten. Verzoeker werd evenwel als enige toch geconfronteerd met een bevestigende negatieve beslissing van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing op die manier het gelijkheidsbeginsel schendt zoals gegarandeerd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het middel is gegrond.”; 3.1.2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2 In het tweede middel roepen verzoekers de schending van het gelijkheidsbeginsel in zoals grondwettelijk gegarandeerd door artikel 10-11 van de Gondwet. 2.2.1 Verzoekers leiden deze vermeende schending af uit het feit dat gelijkaardige dossiers, in casu het feit dat andere kandidaat-vluchtelingen die in 1999 een asielaanvraag indienen momenteel nog wachten op een beslissing, niet op dezelfde XIV-14.721-10/19 wijze zouden zijn behandeld. Verweerder antwoordt dat het gelijkheidsbeginsel een gelijkheid voor de Wet inhoudt en dat in de asielprocedure dit niet kan betekenen dat beslissingen conform 'gelijkaardige gevallen' moeten worden genomen. Vooreerst betwist verweerder dat er hier sprake zou zijn van enige samenhang tussen de dossiers van kandidaat-vluchteligen die in 1999 asielaanvroeg en ten tweede schrijft het principe van de zorgvuldigheid impliciet, en de Vluchtelingenconventie expliciet voor dat asielaanvragen individueel behandeld en onderzocht dienen te worden. Het zou daarentegen van onzorgvuldigheid getuigen mocht een asielaanvrager zonder dwingende redenen een beslissing krijgen waarvan de inhoud door een ander dossier werd bepaald. Verweerder is dan ook van oordeel dat hij de bestreden beslissingen heeft genomen met inachtname van de beginselen van behoorlijk bestuur. 2.2.2 Daarnaast stelt verweerder vast dat een schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet geldig kan worden ingeroepen bij de Raad van State. Het middel mist dan ook juridische grondslag. Bovendien wordt in deze artikels expliciet verwezen naar Belgische staatsburgers, terwijl verzoekers het Kazachse staatsburger hebben. Het tweede middel is niet gegrond.”; 3.1.2.
  26. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Tweede middel: Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals grondwettelijk gegarandeerd door de art. 10-11 G.W. Doordat eerste verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing afwijkt van haar eigen principe in 2003 geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; Doordat deze houding een fundamenteel verschillende behandeling inhoudt van één categorie gelijke personen, namelijk deze die in 1999 een asielaanvraag indienden en momenteel nog wachten op een beslissing. Terwijl nochtans het gelijkheidsbeginsel, zoals ingeschreven in de artikelen 10 en 11 G.W. en zoals aanvaard als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bepaalt dat er in België geen onderscheid van standen is, dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend, moet worden verzekerd zonder discriminatie. Dat de concrete invulling van dit beginsel reeds bestaat jaren door de vaste rechtspraak van het Arbitragehof: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Diezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." (Arbitragehof o.a. nr. 106/98, 21 oktober 1998, rolnr. 1165, A.A. 1998, 1311; B.S. 1 december 1998; nr. 1/94, 13 januari 1994, rolnrs. 457, 516, 518 en
  27. B.S. 1 februari 1994, 2000; nr. 20/97, 15 april 1997, rolnr. 973, A.A. 1997, 257, B.S. 23 april 1997; nr. 18/97, 25 maart 1997, rolnrs. 1037, 1038 en 1040, A.A. 1997, 223; B.S. 4 juni 1997; nr. 71/94, 6 oktober
  28. rolnr. 644, A.A. 1994, 873, B.S. 4 november 1994, 2 7405, nr. 4/92, 23 januari
  29. rolnr. é, B.S. 11 maart 1992, 5059; nr. 16/92, 12 maart 1992, rolnr. 255, B.S. 9 april 1992, 8033; nr 59/92, 8 oktober 1992, rolnr. 295, B.S. 28 oktober 1992, 23140, nr. 64/92, 15 oktober 1992, rolnr. 325, B.S. 11 november 1992, 23857) Zodat de bestreden beslissing een inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel. Toelichting: Zoals reeds hoger aangehaald maakte eerste verwerende partij bekend geen beslissingen meer te nemen in asieldossiers van 1999 en vroeger. Ondanks deze duidelijke en niet mis te verstane beleidsregel werd verzoeker toch nog uitgenodigd voor een hoorzitting en volgde nadien de bestreden beslissing. XIV-14.721-11/19 Aangezien volgens de mondelinge informatie waarover verzoeker beschikt eerste verwerende partij voor het overige wel vasthoudt aan zijn eigen beleidsregel, werd verzoeker fundamenteel verschillend behandeld ten aanzien van zijn lotgenoten. Diegenen die immers samen met verzoeker een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids of gegrondsfase, krijgen geen beslissing meer en kunnen rustig hun regularisatie afwachten. Verzoeker werd evenwel als enige toch geconfronteerd met een bevestigende negatieve beslissing van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing op die manier het gelijkheidsbeginsel schendt zoals gegarandeerd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verweer van verwerende partij raakt kant noch wal. Zich gaan schuilen achter het feit dat verzoeker zich niet zou kunnen steunen op beslissingen die genomen zijn in andere dossier, is dan ook niet correct. Integendeel is het zo dat op basis van het principe, zoals hierboven gesteld, alle aanvragen op dezelfde wijze moeten worden behandeld teneinde de gelijkheid wel degelijk te behouden. Het zou inconsequent zijn om beslissingen te nemen die afwijken van de oorspronkelijke beslissing. In die omstandigheden is het tweede middel dan ook gegrond.”; 3.1.2.4.
  30. Overwegende dat verzoeker stelt dat hij op fundamenteel verschillende wijze werd behandeld ten aanzien van zijn lotgenoten; dat diegene die samen met verzoeker een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids- of gegrondheidsfase, immers geen beslissing meer zouden krijgen en hun regularisatie rustig kunnen afwachten; dat verzoeker daarentegen als enige toch geconfronteerd zou zijn met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf; 3.1.2.4.
  31. Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een blote bewering en met geen enkel concreet element aantoont dat de verwerende partij zou besloten hebben geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel gesteld, van verzoeker op zijn minst mag verwacht worden dat hij alle relevante stukken die zijn grief ondersteunen bij zijn verzoekschrift voegt; dat het de Raad van State niet toekomt uit te maken of de verwerende partij de beweerde beleidsnorm effectief heeft uitgevaardigd; dat verzoeker derhalve de schending van het gelijkheidsbeginsel niet aannemelijk maakt; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.
  32. Wat het beroep van XXX betreft: 3.2.1.
  33. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Eerste middel: Schending van het vertrouwenbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel Doordat de beslissing na meer dan vier jaar een beslissing bevestigt die verzoekster het verblijf in België weigert en de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk verklaart wegens kennelijk ongegrond; Terwijl verwerende partij minstens de schijn hadden gewekt geen bevestigende negatieve beslissing meer te nemen door hun ondubbelzinnige houding die zich onder andere veruitwendigen door het dossier van verzoekster vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en gespecialiseerde rechtsliteratuur; XIV-14.721-12/19 Terwijl de beginselen van behoorlijk bestuur impliceren ook dat de overheid in haar beleid het door haar opgewekt vertrouwen moet (blijven) honoreren; in dat verband is het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel de zgn. materiële component is, een grondwettelijke regel. Zodat het bestreden besluit een inbreuk maakt op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Toelichting: Verzoekster kwam vier jaar geleden naar België en vroeg hier asiel aan. Door de jaren heen integreerde verzoekster en haar gezin zich perfect in de Belgische maatschappij. Verzoekster verwachtte geenszins dat haar asieldossier nog zou worden afgehandeld, minstens dat de afhandeling voorlopig was opgeschort. Aangezien verzoekster en haar gezin momenteel aan alle voorwaarden van de omzendbrief van 15/12/1998 voldoen, vertrouwde verzoekster er op dat zij de mogelijkheid zou krijgen om haar regularisatie met positief resultaat verder te kunnen afhandelen. Het vertrouwen van verzoekster werd bevestigd door eerste verwerende partij toen deze in een interview met de krant "De Morgen" stelde dat de asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld. De raadsman van verzoekster las dezelfde boodschap in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht dd, 12/
  34. Ondanks dit gewettigd vertrouwen werd verzoekster toch opgeroepen voor de hoorzitting inzake zijn dringend beroep tegen de negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoekster bood zich correct aan op deze hoorzitting maar wees daar bij monde van haar raadsman op het inconsequente gedrag van eerste verwerende partij en vroeg voorlopig geen beslissing te willen nemen. Eerste verwerende partij sloeg deze raad in de wind en nam de bestreden beslissing. Deze bestreden beslissing gaat zoals hoger uitgelegd compleet in tegen de schijn en het vertrouwen die werden gewekt door eerste verwerende partij. Het middel is gegrond.”; 3.2.1.
  35. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 In het eerste middel werpen verzoekers de schending in van het vertrouwenbeginsel en het rechtszekerheid beginsel. 2.1.1 Verzoekers stellen dat het vier jaar heeft geduurd vooraleer een beslissing werd genomen in hun asielprocedure en dat ze goed geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving. 2.1.2 Verweerder stelt vast dat de bestreden beslissing twee jaar en vijf maanden na het indienen van het dringend beroep werd genomen. Omwille van de grote stijging van het aantal asielaanvragen in het jaar 2000 was het Commissariaat-generaal niet in de mogelijkheid om de termijnen voorzien in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet te respecteren. De termijnen die aan het Commissariaat-generaal in artikel 63/3 worden opgelegd, zijn termijnen van orde. Dit betekent dat de niet-naleving van deze termijn door het Commissariaat-generaal niet leidt tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Bovendien merkt verweerder op dat de termijn die verlopen is sinds de beslissing tot weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister op 20 november 2000 niet onredelijk lang is (zie o.m. R.v.St., nr. 88.956 van 13 juli 2000 waarin de Raad stelde dat drie jaar voor de behandeling van een asielaanvraag lang, doch niet excessief lang is). Verzoekers tonen daarenboven niet aan welk belang zij zouden hebben gehad om de bevestigende beslissing van weigering van verblijf eerder te ontvangen (R.v.St., nr. 80.307 van 19 mei 1999). 2.1.3 Wat betreft het ingeroepen vertrouwensbeginsel, wijst verweerder erop dat aan verzoekers verwachtingen, al zouden hun asielaanvragen niet meer worden behandeld, hiervan door verwerende partij nooit enige uiting werd gegeven. Dat de asielprocedure van verzoekers ook niet werd opgeschort, zoals verzoekers menen, en is er ook geen sprake geweest van het feit om in 2003 geen asielaanvragen te behandelen van
  36. Het eerste middel is niet gegrond.”; XIV-14.721-13/19 3.2.1.
  37. Overwegende dat verzoekster repliceert: “Eerste middel: Schending van het vertrouwenbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel Doordat de beslissing na meer dan vier jaar een beslissing bevestigt die verzoekster het verblijf in België weigert en de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk verklaart wegens kennelijk ongegrond; Terwijl verwerende partij minstens de schijn hadden gewekt geen bevestigende negatieve beslissing meer te nemen door hun ondubbelzinnige houding die zich onder andere veruitwendigen door het dossier van verzoekster vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en gespecialiseerde rechtsliteratuur; Terwijl de beginselen van behoorlijk bestuur impliceren ook dat de overheid in haar beleid het door haar opgewekt vertrouwen moet (blijven) honoreren; in dat verband is het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel de zgn. materiële component is, een grondwettelijke regel. Zodat het bestreden besluit een inbreuk maakt op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Toelichting: Verzoekster kwam vier jaar geleden naar België en vroeg hier asiel aan. Door de jaren heen integreerde verzoekster en haar gezin zich perfect in de Belgische maatschappij. Verzoekster verwachtte geenszins dat haar asieldossier nog zou worden afgehandeld, minstens dat de afhandeling voorlopig was opgeschort. Aangezien verzoekster en haar gezin momenteel aan alle voorwaarden van de omzendbrief van 15/12/1998 voldoen, vertrouwde verzoekster er op dat zij de mogelijkheid zou krijgen om haar regularisatie met positief resultaat verder te kunnen afhandelen. Het vertrouwen van verzoekster werd bevestigd door eerste verwerende partij toen deze in een interview met de krant "De Morgen" stelde dat de asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld. De raadsman van verzoekster las dezelfde boodschap in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht dd, 12/
  38. Ondanks dit gewettigd vertrouwen werd verzoekster toch opgeroepen voor de hoorzitting inzake haar dringend beroep tegen de negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoekster bood zich correct aan op deze hoorzitting maar wees daar bij monde van haar raadsman op het inconsequente gedrag van eerste verwerende partij en vroeg voorlopig geen beslissing te willen nemen. Eerste verwerende partij sloeg deze raad in de wind en nam de bestreden beslissing. Deze bestreden beslissing gaat zoals hoger uitgelegd compleet in tegen de schijn en het vertrouwen die werden gewekt door eerste verwerende partij. Deze laatste tracht te ontsnappen aan dit middel door te gaan stellen dat de bestreden beslissing 2 jaar en 5 maanden na het indienen van het dringend beroep werd genomen, doch de Raad mag niet misleid worden door een dergelijke bewering. Het is inderdaad zo dat op 3 november wel degelijk de aanvraag als status van vluchtelinge werd ingediend en dat ondertussen onbetwistbaar bijna vier jaar zijn verstreken. Het verweermiddel is dan ook in die omstandigheden ongegrond. Het is inderdaad zo dat de Raad van State zelf al gesteld heeft dat 3 jaar lang is. Indien dit niet excessief is is het daarom nog niet gesteld dat op die wijze de rechten niet zouden geschaad zijn. Men stelt ook ten onrechte dat verzoekster en haar echtgenoot niet aantonen welke belang zij zouden hebben gehad om de bevestigende beslissing eerder te ontvangen. Niets is minder waar, integendeel is het zo dat indien zij onmiddellijk de beslissing hadden gekregen, zij zich niet in een situatie zouden bevonden hebben zoals vandaag, waar zij na het verloop van tijd volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij en niet meer kunnen teruggaan, niet alleen om die reden, doch ook om de politieke redenen, zoals ingeroepen. Het feit dat zij hoe dan ook al lang in België zijn verbleven, vermindert nog meer hun kansen tot terugkeer zonder gevaar. In die omstandigheden is het dan ook zo dat het nalaten van de beslissing ontegensprekelijk schade toebrengt en uiteindelijk het belang van verzoekster aantoont. XIV-14.721-14/19 Gaan stellen dat het vertrouwensbeginsel niet zou zijn geschaad, is nog erger. Gaan stellen dat verwerende partij nooit enige uiting heeft gegeven aan de verwachtingen van verzoekster, is op zichzelf al meer dan voldoende bewezen door de wijze waarop men zich op het ene standpunt baseert in de ene zaak en op een andere manier behandelt in de andere zaak en daarenboven het langdurig afwachten heeft ontegensprekelijk een verwachting gewekt bij verzoekster. Men heeft hier duidelijk de uiting gegeven dat men desbetreffend geen asielaanvragen meer zou behandelen. Het middel is dan ook gegrond.”; 3.2.1.4.
  39. Overwegende dat verzoekster stelt dat door haar dossier vier jaar te laten liggen en door mededelingen in de pers en de gespecialiseerde rechtsliteratuur de verwerende partij minstens de schijn heeft gewekt dat er geen negatieve bevestigende beslissing meer genomen zou worden; dat de bestreden beslissing dan ook volledig zou ingaan tegen de rechtszekerheid en het vertrouwen; 3.2.1.4.
  40. Overwegende dat verzoekster een asielaanvraag indiende op 3 november 1999; dat de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten nam op 20 november 2000; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigde op 18 maart 2003; dat de omstandigheid dat meer dan twee jaar waren verlopen sinds het dringend beroep op zich niet de indruk vermocht te wekken dat erover geen uitspraak meer zou worden gedaan; dat verzoekster beweert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in een interview in de krant ‘De Morgen’ heeft verklaard dat asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld; dat dezelfde boodschap verzoeker in het Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht zou hebben gelezen; dat deze stukken zich evenwel niet in het administratief dossier bevinden; dat van verzoekster op zijn minst mag worden verwacht dat zij alle relevante stukken die haar grief ondersteunen, bij haar verzoekschrift voegt; dat het de Raad van State niet toekomt uit te zoeken of de door verzoekster vooropgestelde beoordeling van de feiten steun vindt in stukken die geen deel uitmaken van het dossier; dat tenslotte verzoekster tevergeefs steun zoekt in de omzendbrief van 15 december 1998; dat deze omzendbrief de eventuele regularisatie van het verblijf alhier betreft, doch met de erkenning als vluchteling; dat niet kan worden besloten tot een schending van het vertrouwensbeginsel of van het rechtszekerheidsbeginsel; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.2.
  41. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Tweede middel: Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals grondwettelijk gegarandeerd door de art. 10-11 G.W. Doordat eerste verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing afwijkt van haar eigen principe in 2003 geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; Doordat deze houding een fundamenteel verschillende behandeling inhoudt van één categorie gelijke personen, namelijk deze die in 1999 een asielaanvraag indienden en momenteel nog wachten op een beslissing. Terwijl nochtans het gelijkheidsbeginsel, zoals ingeschreven in de artikelen 10 en 11 G.W. en zoals aanvaard als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bepaalt dat er in XIV-14.721-15/19 België geen onderscheid van standen is, dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend, moet worden verzekerd zonder discriminatie. Dat de concrete invulling van dit beginsel reeds bestaat jaren door de vaste rechtspraak van het Arbitragehof: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Diezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel."' (Arbitragehof o.a. nr. 106/98, 21 oktober 1998, rolnr. 1165, A.A. 1998, 1311; B.S. 1 december 1998; nr. 1/94, 13 januari 1994, rolnrs. 457, 516, 518 en
  42. B.S. 1 februari 1994, 2000; nr. 20/97, 15 april 1997, rolnr. 973, A.A. 1997, 257; B.S. 23 april 1997; nr. 18/97, 25 maart 1997, rolnrs. 1037, 1038 en 1040, A.A. 1997, 223; B.S. 4 juni 1997; nr. 71/94, 6 oktober
  43. rolnr. 644, A.A. 1994, 873, B.S. 4 november 1994, 27405; nr. 4/92, 23 januari
  44. rolnr. é, B.S. 11 maart 1992, 5059; nr. 16/92, 12 maart 1992, rolnr. 255, B.S. 9 april 1992, 8033; nr 59/92, 8 oktober 1992, rolnr. 295, B.S. 28 oktober 1992, 23140, nr. 64/92, 15 oktober 1992, rolnr. 325, B.S. 11 november 1992, 23857) Zodat de bestreden beslissing een inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel. Toelichting: Zoals reeds hoger aangehaald maakte eerste verwerende partij bekend geen beslissingen meer te nemen in asieldossiers van 1999 en vroeger. Ondanks deze duidelijke en niet mis te verstane beleidsregel werd verzoekster toch nog uitgenodigd voor een hoorzitting en volgde nadien de bestreden beslissing. Aangezien volgens de mondelinge informatie waarover verzoekster beschikt eerste verwerende partij voor het overige wel vasthoudt aan zijn eigen beleidsregel, werd verzoekster fundamenteel verschillend behandeld ten aanzien van zijn lotgenoten. Diegenen die immers samen met verzoekster een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids of gegrondsfase, krijgen geen beslissing meer en kunnen rustig hun regularisatie afwachten. Verzoekster werd evenwel als enige toch geconfronteerd met een bevestigende negatieve beslissing van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. Verzoekster meent dat de bestreden beslissing op die manier het gelijkheidsbeginsel schendt zoals gegarandeerd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het middel is gegrond.”; 3.2.2.
  45. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2 In het tweede middel roepen verzoekers de schending van het gelijkheidsbeginsel in zoals grondwettelijk gegarandeerd door artikel 10-11 van de Gondwet. 2.2.1 Verzoekers leiden deze vermeende schending af uit het feit dat gelijkaardige dossiers, in casu het feit dat andere kandidaat-vluchtelingen die in 1999 een asielaanvraag indienen momenteel nog wachten op een beslissing, niet op dezelfde wijze zouden zijn behandeld. Verweerder antwoordt dat het gelijkheidsbeginsel een gelijkheid voor de Wet inhoudt en dat in de asielprocedure dit niet kan betekenen dat beslissingen conform 'gelijkaardige gevallen' moeten worden genomen. Vooreerst betwist verweerder dat er hier sprake zou zijn van enige samenhang tussen de dossiers van kandidaat-vluchtelingen die in 1999 asielaanvroeg en ten tweede schrijft het principe van de zorgvuldigheid impliciet, en de Vluchtelingenconventie expliciet voor dat asielaanvragen individueel behandeld en onderzocht dienen te worden. Het zou daarentegen van onzorgvuldigheid getuigen mocht een asielaanvrager zonder dwingende redenen een beslissing krijgen waarvan de inhoud door een ander dossier XIV-14.721-16/19 werd bepaald. Verweerder is dan ook van oordeel dat hij de bestreden beslissingen heeft genomen met inachtname van de beginselen van behoorlijk bestuur. 2.2.2 Daarnaast stelt verweerder vast dat een schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet geldig kan worden ingeroepen bij de Raad van State. Het middel mist dan ook juridische grondslag. Bovendien wordt in deze artikels expliciet verwezen naar Belgische staatsburgers, terwijl verzoekers het Kazachse staatsburger hebben. Het tweede middel is niet gegrond.”; 3.2.2.
  46. Overwegende dat verzoekster repliceert: “Tweede middel: Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals grondwettelijk gegarandeerd door de art. 10-11 G.W. Doordat eerste verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing afwijkt van haar eigen principe in 2003 geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; Doordat deze houding een fundamenteel verschillende behandeling inhoudt van één categorie gelijke personen, namelijk deze die in 1999 een asielaanvraag indienden en momenteel nog wachten op een beslissing. Terwijl nochtans het gelijkheidsbeginsel, zoals ingeschreven in de artikelen 10 en 11 G.W. en zoals aanvaard als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bepaalt dat er in België geen onderscheid van standen is, dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend, moet worden verzekerd zonder discriminatie. Dat de concrete invulling van dit beginsel reeds bestaat jaren door de vaste rechtspraak van het Arbitragehof: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Diezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." (Arbitragehof o.a. nr. 106/98, 21 oktober 1998, rolnr. 1165, A.A. 1998, 1311; B.S. 1 december 1998; nr. 1/94, 13 januari 1994, rolnrs. 457, 516, 518 en
  47. B.S. 1 februari 1994, 2000; nr. 20/97, 15 april 1997, rolnr. 973, A.A. 1997, 257, B.S. 23 april 1997; nr. 18/97, 25 maart 1997, rolnrs. 1037, 1038 en 1040, A.A. 1997, 223; B.S. 4 juni 1997; nr. 71/94, 6 oktober
  48. rolnr. 644, A.A. 1994, 873, B.S. 4 november 1994, 27405, nr. 4/92, 23 januari
  49. rolnr. é, B.S. 11 maart 1992, 5059; nr. 16/92, 12 maart 1992, rolnr. 255, B.S. 9 april 1992, 8033; nr 59/92, 8 oktober 1992, rolnr. 295, B.S. 28 oktober 1992, 23140, nr. 64/92, 15 oktober 1992, rolnr. 325, B.S. 11 november 1992, 23857) Zodat de bestreden beslissing een inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel. Toelichting: Zoals reeds hoger aangehaald maakte eerste verwerende partij bekend geen beslissingen meer te nemen in asieldossiers van 1999 en vroeger. Ondanks deze duidelijke en niet mis te verstane beleidsregel werd verzoekster toch nog uitgenodigd voor een hoorzitting en volgde nadien de bestreden beslissing. Aangezien volgens de mondelinge informatie waarover verzoeker beschikt eerste verwerende partij voor het overige wel vasthoudt aan zijn eigen beleidsregel, werd verzoekster fundamenteel verschillend behandeld ten aanzien van haar lotgenoten. Diegenen die immers samen met verzoekster een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids of gegrondsfase, krijgen geen beslissing meer en kunnen rustig hun regularisatie afwachten. Verzoeker werd evenwel als enige toch geconfronteerd met een bevestigende negatieve beslissing van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. XIV-14.721-17/19 Verzoeker meent dat de bestreden beslissing op die manier het gelijkheidsbeginsel schendt zoals gegarandeerd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verweer van verwerende partij raakt kant noch wal. Zich gaan schuilen achter het feit dat verzoekster zich niet zou kunnen steunen op beslissingen die genomen zijn in andere dossier, is dan ook niet correct. Integendeel is het zo dat op basis van het principe, zoals hierboven gesteld, alle aanvragen op dezelfde wijze moeten worden behandeld teneinde de gelijkheid wel degelijk te behouden. Het zou inconsequent zijn om beslissingen te nemen die afwijken van de oorspronkelijke beslissing. In die omstandigheden is het tweede middel dan ook gegrond.”; 3.2.2.4.
  50. Overwegende dat verzoekster stelt dat zij op fundamenteel verschillende wijze werd behandeld ten aanzien van haar lotgenoten; dat diegene die samen met verzoekster een asielaanvraag indienden en nog steeds wachten op een definitieve beslissing in de ontvankelijkheids- of gegrondheidsfase, immers geen beslissing meer zouden krijgen en hun regularisatie rustig kunnen afwachten; dat verzoekster daarentegen als enige toch zou geconfronteerd zijn met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf; 3.2.2.4.
  51. Overwegende dat verzoekster zich beperkt tot een blote bewering en met geen enkel concreet element aantoont dat de verwerende partij zou besloten hebben geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen; dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel gesteld, van verzoekster op zijn minst mag verwacht worden dat zij alle relevante stukken die haar grief ondersteunen bij haar verzoekschrift voegt; dat het de Raad van State niet toekomt uit te maken of de verwerende partij de beweerde beleidsnorm effectief heeft uitgevaardigd; dat verzoekster de schending van het gelijkheidsbeginsel niet aannemelijk maakt; dat het tweede middel niet gegrond is; BESLUIT: Artikel
  52. De zaken nrs. A. 135.645/XIV-14.721 en 135.648/XIV-14.722 worden gevoegd. Artikel
  53. De beroepen worden verworpen. Artikel
  54. XIV-14.721-18/19 De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.721-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.