← België

Arrest 168040 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.040 Rolnummer: A. 142846/XIV-17158 Zaak: Arrest 168040 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:17 Fiche Arrest nr 168.040 van 21 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.040 van 21 februari 2007 in de zaak A. 142.846/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DESWAEF, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Congresstraat 49 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 17 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; XIV-17.158-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. GOUBAU die, loco Advocaat A. DESWAEF verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, die verklaart van Bengaalse nationaliteit te zijn, is in België binnengekomen op 24 januari 2000 en heeft zich dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 3 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 9 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 april 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Bangladesh, meerbepaald uit Comilla. U verklaarde te zijn gehuwd met een meisje van Hindoe-afkomst. U zou op 15 november 1999 in Dhaka in een Hindoetempel zijn getrouwd waarna u samen met uw echtgenote in Comilla ging wonen. De Mauwlawi van de wijk waar u woonde zou u dan bij hem hebben geroepen op 5 december 1999 en hij zou u hebben gevraagd het huwelijk te verbreken. U zou dit hebben geweigerd. Op 10 december 1999 zou u hebben deelgenomen aan religieuze gezangen in een Hindoetempel, samen met een honderd vijftig à tweehonderd andere Hindoes. Die dag zouden een tiental moslims de tempel hebben aangevallen omdat die dag het begin van de Ramadan werd gevierd. De dag daarna zou u van twee vrienden hebben vernomen dat de Moslims een valse zaak tegen u hadden aangespannen omdat u zogenaamd heilige boeken had verbrand. In de nacht van 12 op 13 december zouden enkele Moslims uw huis zijn binnengevallen. Ze zouden u en uw vrouw hebben vastgebonden waarna ze werd verkracht. Uw vrouw zou bij dit incident zijn overleden. De volgende ochtend zou u eerst naar het ziekenhuis en vervolgens naar het politiekantoor zijn gebracht. Op het politiekantoor kon u na enkele uren beschikken nadat daar de dood van uw vrouw officieel werd vastgesteld. Uw schoonouders zouden in uw bijzijn voor de crematie van uw vrouw hebben gezorgd. U zou dan hebben vernomen dat de Mauwlawi pamfletten had laten verdelen waarin een XIV-17.158-2/8 eventuele moord op uw persoon werd geprezen. U zou naar Chittagong zijn gevlucht waar u tot 25 december 1999 verbleef. Die dag verliet u via en schip Bangladesh. Op 24 januari 2000 vroeg u asiel aan bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering De door u aangebrachte feiten en elementen zijn onvoldoende ernstig om, ten aanzien van de Bengaalse autoriteiten, gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Evenmin wijzen deze feiten en elementen op een gegronde vrees voor vervolging bij een eventuele terugkeer naar Bangladesh. Vooreerst zijn uw verklaringen aangaande de valse zaak die tegen u zou zijn opgezet onsamenhangend zodat er afbreuk werd gedaan aan de geloofwaardigheid ervan. Zo verklaarde u eerst op de Dienst Vreemdelingenzaken dat men u had beschuldigd van schending van het Heilige Geschrift omdat u zou gehuwd zijn met een hindoe vrouw (zie verhoorverslag DVZ 03/04/2000 p.12). Tegenover het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat de zaak gestoeld zou zijn op het verbranden van het “Heilige Boek” (zie verhoorverslag CGVS 05/06/2000 p.3 en CGVS 05/09/2003 p.15). Verder verklaarde u enerzijds dat u op 11 december 1999 vernam dat er een zaak tegen u bestond nadat de moslims een klacht tegen u hadden neergelegd. Anderzijds verklaarde u twee dagen later op hetzelfde politiebureau te zijn geweest waar u verklaringen aangaande de aanranding en de moord op uw vrouw zou hebben afgelegd zonder dat u werd gearresteerd en zonder dat u zelfs maar werd ondervraagd over de zaak die tegen u zou bestaan. Ook uw schoonouders zouden probleemloos klacht hebben kunnen indienen (zie verhoorverslag CGVS 05/09/2003 p.20). Deze vaststellingen doen dan ook ernstig afbreuk aan het feit dat er sinds 11 december 1999 een valse zaak tegen u zou zijn aangespannen en u effectief geviseerd en gezocht zou worden door de Bengaalse autoriteiten. Aldus maakt u niet aannemelijk dat u omwille van redenen die zijn voorzien in de Vluchtelingenconventie geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de Bengaalse autoriteiten. Wat uw vrees voor de lokale Mauwlawi (van een wijk in Chittagong) betreft moet opgemerkt worden dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat deze problemen het lokale niveau overstijgen. U zou uw eventuele problemen met deze lokale Mauwlawi kunnen ontwijken door u elders in de stad Chittagong of in een andere stad van Bangladesh te vestigen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het bovendien uw eigen keuze was om naar die stad te gaan en dat u niet hebt geprobeerd van het interne vluchtalternatief gebruik te maken naar een streek in Bangladesh buiten de invloedsfeer van deze lokale Mauwlawi. Evenmin hebt u een poging gedaan om bescherming te zoeken bij de autoriteiten nadat er tegen uw persoon pamfletten zouden zijn verspreid door de lokale Mauwlawi van de wijk en diens groep van moslims. Ten slotte legde u geen enkel identiteitsdocument, noch enig reisdocument neer zodat geen van beide kunnen worden gecontroleerd U legde dan weer wel een pamflet neer volgens hetwelk XXX een hindoe vrouw huwde en daarom dient te worden omgebracht. Zoals opgemerkt legde u geen identiteitsdocument neer zodat niet vaststaat dat dit document uw persoon betreft. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. XIV-17.158-3/8 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op de schending van artikel 1.a.
  8. van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en van artikel 52 van de wet van 15 december
  9. Doordat tegenpartij ten onrechte verklaart dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is. Terwijl deze vaststelling feitelijk onjuist is en tegengesproken wordt door het uitvoerig relaas van 5.9.2003 van verzoeker. Tevens moet hier opgemerkt worden dat verzoeker verhoord werd op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen op 1 juni 2000, wat geleid heeft tot een negatieve beslissing betekend op 23 augustus
  10. Tegen deze negatieve beslissing werd een verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring neergelegd bij de Raad van State. De Commissaris Generaal heeft deze bevestigende beslissing van 23 augustus 2000 echter ingetrokken op 5 december
  11. De intrekking van deze bevestigende beslissing kon alleen maar gebeuren indien de Commissaris Generaal de asielaanvraag van verzoeker niet als kennelijk ongegrond kon verwerpen. Drie jaar nadien kan de Commissaris Generaal bijgevolg over dezelfde asielaanvraag niet opnieuw een beslissing nemen zeggende dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Verzoeker verwijst hier naar zijn feitenrelaas sub.II dat aantoont dat de in dit middel aangehaalde wetsbepalingen geschonden werden door tegenpartij.”; 2.1.
  12. Overwegende dat op grond van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker de vaststellingen waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd om tot de kennelijke ongegrondheid te besluiten niet weerlegt; dat dan ook niet kan worden ingezien dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen feitelijk onjuist zijn; dat verzoekers kritiek dat de intrekking van de bevestigende beslissing van 23 augustus 2000 alleen maar kon gebeuren indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond achtte en dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen drie jaar nadien over dezelfde asielaanvraag niet opnieuw een beslissing kon nemen waarin de asielaanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard, niet kan worden gevolgd; dat door de intrekking van de beslissing van 23 augustus 2000 de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weliswaar aangaf dat deze niet naar behoren was genomen, doch niet dat de asielaanvraag van verzoeker niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen; dat verzoeker aldus geenszins aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte heeft verklaard dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-17.158-4/8 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op een schending van de motiveringsplicht, van de algemene zorgvuldigheidsplicht, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het feit dat tegenpartij een manifeste beoordelingsfout begaan heeft. Doordat tegenpartij van oordeel is dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is. Dat verzoeker specifiek wenst te antwoorden op de drie elementen aangehaald door tegenpartij:
  14. De Commissaris Generaal is van mening dat de verklaringen van verzoeker onsamenhangend zijn zodat er afbreuk werd gedaan aan de geloofwaardigheid ervan. De Commissaris Generaal haalt drie punten aan die zouden aantonen dat verzoeker niet aannemelijk kan maken dat hij omwillen van redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie geen beroep kan doen op de bescherming van de Bengaalse autoriteiten. Verzoeker wenst daarop het volgende te antwoorden: % Het is vanzelfsprekend dat zijn huwelijk met een Hindoe vrouw aanzien wordt als een schending van het Heilige Geschrift. De valse zaak tegen hem opgestart was wel degelijk gebaseerd op het verbranden van heilige boeken. Het ene sluit het andere niet uit. % Het feit dat verzoeker op 11 december 1999 vernam dat er klacht tegen hem werd neergelegd door moslims belet niet dat na de moord op zijn vrouw hij een verklaring kon afleggen zonder gearresteerd te worden of ondervraagde worden betreffende deze klacht voor het verbranden van boeken. % Hetzelfde geldt voor de klacht neergelegd door zijn schoonouders voor de moord op hun dochter. Het grote probleem van verzoeker is dat er pamfletten uitgedeeld werden waarin zijn moord werd geprezen en dat de Bengaalse autoriteiten hem geen effectieve bescherming konden bieden. Ten onrechte is de Commissaris Generaal van mening dat de feiten onvoldoende ernstig zijn om gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Op het stadium van de ontvankelijkheid van de asielprocedure kon er alleen maar vastgesteld worden dat verzoeker elementen aanbracht die kunnen komen aantonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging koestert bij een eventuele terugkeer naar Bangladesh.
  15. De Commissaris Generaal is van mening dat de problemen van verzoeker lokaal zijn. In zijn uitvoerig relaas van 5 september 2003 heeft verzoeker aangetoond dat zijn problemen wel degelijk het lokale niveau overstijgen. De motivatie van de Commissaris Generaal betreffende het eventuele interne vluchtalternatief is niet realistisch en houdt geen rekening met de effectieve situatie in Bangladesh, waar hij niet kon rekenen op bescherming van zijn autoriteiten.
  16. Verzoeker was niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument. De Commissaris Generaal lijkt te vergeten dat er geen identiteitskaarten bestaan in Bangladesh en dat een persoon slechts een paspoort kan aanvragen indien hij legaal naar het buitenland reist. Verzoeker is dus niet in het bezit van deze documenten. Gezien de wijze waarop verzoeker het land ontvlucht is, kan hij geen reisdocumenten neerleggen. Verzoeker heeft wel een pamflet neergelegd waarin duidelijk opgenomen is dat hij een Hindoevrouw huwde en daarom diende te worden omgebracht. Op het stadium van de ontvankelijkheid van de asielprocedure kan dit niet genegeerd worden door eenvoudig te zeggen dat hij niet bewijst dat hij wel degelijk XXX is. Dit document werd niet als vals afgewezen door de Commissaris Generaal en moet dus in rekening gebracht worden. Een onderzoek ten gronde zou eventueel moeten aantonen indien het wel degelijk over zijn persoon gaat. Betreffende in dit middel aangevoerde wetsbepalingen, moet hier eveneens benadrukt worden dat een eerste bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen op 23 augustus 2000, zeggende dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was, na een XIV-17.158-5/8 beroep bij de Raad van State door verzoeker, ingetrokken werd door de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen op 5.12.
  17. Een intrekking van een vorige negatieve beslissing kon alleen maar gebeuren indien de Commissaris Generaal, op de hoogte gebracht van het beroep bij de Raad van State en de motivatie van het beroep, van oordeel was dat de asielaanvraag van verzoeker niet als kennelijk ongegrond kon afgewezen worden. Bijgevolg is het onverstaanbaar dat drie jaar nadien dezelfde asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen wordt, steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Derhalve schendt de bestreden beslissing de in het middel aangevoerde wetsbepalingen, de motiveringsplicht, de algemene zorgvuldigheidsplicht, samen met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en is er in hoofde van tegenpartij een manifeste beoordelingsfout.”; 2.2.
  18. Overwegende dat, wat de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreft dat verzoekers verklaringen aangaande de valse zaak die tegen hem zou zijn opgezet onsamenhangend zijn zodat er afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid ervan, verzoeker stelt te willen antwoorden op de verschillende overwegingen waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd om tot deze vaststelling te komen; dat met betrekking tot de overweging dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat men hem had beschuldigd van schending van het Heilige Geschrift omdat hij zou gehuwd zijn met een hindoe vrouw, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verklaard dat de zaak gestoeld zou zijn op het verbranden van het “Heilige Boek”, verzoeker stelt dat het vanzelfsprekend is dat zijn huwelijk met een hindoe vrouw aanzien wordt als een schending van het Heilige Geschrift en dat de valse zaak tegen hem gebaseerd was op het verbranden van heilige boeken; dat verzoeker erop wijst dat het ene het andere niet uitsluit; dat er dient op gewezen dat verzoeker aan dit element van zijn asielrelaas een aantal preciseringen en nuanceringen toevoegt, die hij voor het eerst doet voor de Raad van State; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve hiermee geen rekening kon houden en slechts rekening kon houden met hetgeen verzoeker heeft verklaard op de Dienst Vreemdelingenzaken, enerzijds, en op de twee verhoren op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, anderzijds; dat op verzoeker de verplichting rustte een volledig, correct en coherent verhaal te vertellen, in elke fase van de asielprocedure en hij ook de verduidelijkingen, zoals hij doet in zijn verzoekschrift, hierover diende aan te brengen; dat verzoeker verklaarde op 11 december 1999 vernomen te hebben dat er een zaak tegen hem bestond nadat de moslims tegen hem klacht hadden neergelegd volgens verzoeker niet belet dat hij twee dagen later naar het politiebureau kan zijn geweest waar hij verklaringen aangaande de aanranding en de moord op zijn vrouw heeft afgelegd zonder te zijn gearresteerd en dat zijn schoonouders probleemloos klacht hebben kunnen indienen; dat verzoeker met deze stelling nog niet aantoont dat hij hierdoor niet aannemelijk heeft gemaakt effectief geviseerd te zijn door de Bengaalse autoriteiten; dat verzoeker ook geenszins met concrete elementen de overweging weerlegt dat voornoemde vaststellingen ernstig afbreuk doen aan het feit dat er sinds 11 december 1999 een valse zaak tegen hem zou zijn aangespannen; dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij omwille van de XIV-17.158-6/8 redenen die zijn voorzien in de Vluchtelingenconventie geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de Bengaalse autoriteiten, verzoeker tracht te weerleggen door te stellen dat zijn grote probleem is dat er pamfletten werden uitgedeeld waarin zijn moord werd geprezen en dat de Bengaalse autoriteiten hem geen effectieve bescherming konden bieden; dat zoals de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgesteld, verzoeker zelfs geen poging heeft ondernomen om bescherming te zoeken bij de Bengaalse autoriteiten en verzoekers bewering dat de autoriteiten hem geen effectieve bescherming konden bieden, niet kan worden gevolgd; dat verzoeker deze bewering immers helemaal niet staaft en derhalve niet aannemelijk maakt dat hij niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de autoriteiten in zijn land van herkomst; dat, wat de vaststelling van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreft dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn problemen voor de Mauwlawi het lokale niveau overstijgen, verzoeker van oordeel is dat hij heeft aangetoond dat zijn problemen het lokale niveau overstijgen; dat verzoeker echter geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat zijn problemen het lokale niveau overstijgen; dat hij evenmin aantoont dat hij dit effectief heeft aangetoond in zijn relaas van 5 september 2003; dat bovendien verzoeker helemaal niet ontkent dat hij eventuele problemen met de lokale Mauwlawi zou kunnen ontwijken door zich elders in de stad Chittagong of in een andere stad in Bangladesh te vestigen; dat, met betrekking tot de eventuele mogelijkheid van het interne vluchtalternatief, verzoeker stelt dat dit niet realistisch is en geen rekening houdt met de effectieve situatie in Bangladesh waar hij niet kon rekenen op bescherming van zijn autoriteiten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft opgemerkt dat verzoeker niet heeft geprobeerd van het interne vluchtalternatief gebruik te maken naar een streek in Bangladesh buiten de invloedsfeer van de lokale Mauwlawi; dat verzoeker er met zijn algemene stelling niet in slaagt deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te weerleggen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen erop wijst dat verzoeker geen identiteitsdocument, noch enig reisdocument heeft neergelegd en dat niet vaststaat dat het door verzoeker neergelegde pamflet hem zelf betreft; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet stelt dat verzoeker geen identiteitskaart heeft voorgebracht, doch wel dat hij geen enkel identiteitsdocument heeft neergelegd; dat de argumentatie in verband met het niet bestaan van identiteitskaarten in Bangladesh dan ook niet ter zake dienend is; dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht overigens rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motieven en niet met de diverse onderdelen van de motivering; dat verzoeker er derhalve niet in slaagt de motieven van de bestreden beslissing te weerleggen of te ontkrachten; dat een schending van de motiveringsplicht dan ook niet kan worden aangenomen; dat, wat de door verzoeker aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, dient opgemerkt dat verzoeker niet uiteenzet op welke wijze dit beginsel door de bestreden beslissing is geschonden; dat, wat de door verzoeker aangevoerde schending van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” betreft, erop dient gewezen dat verzoeker geenszins preciseert welk XIV-17.158-7/8 algemeen beginsel van behoorlijk bestuur hij geschonden acht; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  19. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.158-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.