← België

Arrest 168044 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.044 Rolnummer: A. 150057/XIV-19136 Zaak: Arrest 168044 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:17 Fiche Arrest nr 168.044 van 21 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.044 van 21 februari 2007 in de zaak A. 150.057/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. THIEBAUT, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Schuttersvest 4-8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 26 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister Binnenlandse Zaken van 18 februari 2004 tot weigering van de vestiging, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-19.136-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. HAUBRECHTS die, loco Advocaat F. THIEBAUT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, is op 30 december 2002 te Marokko gehuwd met XXX, van Belgische nationaliteit. Zij komt naar België met een visum type D in het kader van gezinshereniging. 1.
  4. Verzoekster heeft op 25 september 2003 een aanvraag tot vestiging ingediend. 1.
  5. Op 18 februari 2004 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de vestiging, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten genomen. Dit is de bestreden beslissing: “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE VESTIGING MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de vestiging, aangevraagd op 25 september 2003 door XXX geboren te Al Aaroui op 07/06/1979 onderdaan van Marokko geweigerd. Aan de betrokkene wordt bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 15 dagen. REDEN VAN DE BESLISSING

(2)motivering in feite: In haar arrest van 24.4.1995 heeft de Raad van State gepreciseerd dat indien het zich gemeenschappelijk vestigen niet noodzakelijk een effectieve en duurzame vorm van samenwonen met zich meebrengt, dan veronderstelt het toch minstens de staat van echtgenoot, die eigenlijk niet als dusdanig kan erkend worden zonder het bestaan van een minimum aan relatie tussen de echtgenoten. De Raad van State oordeelt dat er minstens een “gezinscel” moet bestaan, waarbij er een relatie moet bestaan tussen de echtgenoten. Er moet tussen de echtgenoten een reële, echtelijke band bestaan (levensgemeenschap), en dit, ook al is de verblijfplaats van de echtgenoten verscheiden. Uit het verslag van de lokale politie van de stad Mechelen dd. 11 februari 2004 blijkt dat het bestaan van een gezinscel tussen beide echtelieden niet kon worden vastgesteld. motivering in rechte: artikel 40 § 6 wet 15.
  1. 1980 XIV-19.136-2/5 artikel 61 K. B.
  2. 10.1981, gewijzigd door K.B. 7.11.1988 en K.B. 12.6.
  3. (...).”.
  4. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  5. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “C. Eerste ernstig Middel: Schending van Artikel 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivatieverplichting van bestuurshandelingen Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt werd gemotiveerd: “Motivering in feite: in haar arrest van 24.4.1995 heeft de Raad van State gepreciseerd dat indien het zich gemeenschappelijk vestigen niet noodzakelijk een effectieve en duurzame vorm van samenwonen met zich meebrengt, dan onderstelt het toch minstens een staat van echtgenoot, die eigenlijk niet als dusdanig kan erkend worden zonder het bestaan van een minimum aan relatie tussen de echtgenoten. De Raad van State oordeelt dat er minstens een "gezinscel " moet bestaan, waarbij een relatie moet bestaan tussen de echtgenoten. Er moet tussen de echtgenoten een reële echtelijke band bestaan (levensgemeenschap), en dit, ook al is de verblijfplaats van de echtgenoten verscheiden. Uit het verslag van de lokale politie van de stand Mechelen dd. 11 februari 2004 blijkt dat het bestaan van een gezinscel tussen beide echtgenoten niet kon worden vastgesteld. Motivering in rechte: artikel 40 § 6 wet 15.12.1980, artikel 61 B.B. 8 oktober 1981, gewijzigd door K.B. 7.11.1988 en K.B. 12 juni 1998." Overwegende dat vooreerst vertoogster wenst op te merken dat zij tijdens de onderscheiden ziekenhuisopnamen van haar echtgenoot verblijft bij haar schoonfamilie die haar, een eenvoudige vrouw uit Marokkaans achter gesteld gebied (Nador) zonder veel kennis van onze taal en cultuur opvangt en bijstaat; Dat zij zeker haar echtgenoot bijstaat maar dat het voor zich spreekt dat tijdens hospitalisatie van de heer XXX er van een levensgemeenschap weinig sprake is, de echtgenoot van vertoogster verblijft meestal in een gesloten afdeling met beperkte mogelijkheden van bezoek en lijdt aan zware hallucinaties; Overwegende dat vertoogster zich zeker houdt aan de verplichtingen van het huwelijk voorzien in het burgerlijk wetboek maar dat wanneer de heer XXX hallucineert hij een gevaar betekent voor zichzelf en vertoogster haar eigen leven niet veilig weet, reden waarom hij wordt opgenomen door haar schoonfamilie; Dat de heer XXX geen enkel inzicht heeft in zijn eigen ziektebeeld reden waarom mr. Van den Plas werd aangesteld als voorlopig bewindvoerder; Dat de verwerende partij dan ook in de gegeven omstandigheden slecht gekomen is gewag te maken ontstentenis van enige "gezinscel" en bijzonder lapidair, zelfs kwetsend overkomt door te verwijzen naar een arrest van de Raad van State dat absoluut niet van toepassing is of kan zijn op onderhavige situatie, waar vertoogster onnoemlijk leed draagt en thans nog dreigt te worden verwijderd van het grondgebied op basis van een steriele administratieve beslissing van de verwerende partij; Overwegende dat de motivering in feite dan ook volkomen indruist tegen de toestand zoals die bestaat in het gezin en dus reeds in feite defect is; Dat bij tegenstrijdige motivering moet worden aangenomen dat de beslissing niet naar genoegen van recht werd gemotiveerd; Dat bovendien de verwerende partij de bestreden beslissing dan ook niet alleen strijdig heeft gemotiveerd met argumenten die niet slaan op de specifieke situatie van vertoogster maar bovenal de beslissing summier, tegenstrijdig, zelfs stereotiep is en niet in relatie staat met de te beoordelen situatie; Dat naar genoegen van recht onbetwistbaar wordt aangetoond dat de bestreden beslissing werd getroffen in strijd met de uitdrukkelijke motiveringsplicht van verweerder en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; XIV-19.136-3/5 2.1.
  6. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken besluit tot weigering van de vestiging aangezien het bestaan van een gezinscel tussen beide echtelieden niet kon worden vastgesteld; dat hij tot dit besluit komt op basis van een verslag van de lokale politie van 11 februari 2004, waaruit blijkt dat sinds november 2003 gezocht werd naar verzoekster en haar echtgenoot maar zij geen enkele reactie gaven; dat het geenszins onjuist, noch kennelijk onredelijk is om hieruit af te leiden dat er geen gezinscel kan worden vastgesteld; dat de argumentatie van verzoekster dat dit tengevolge van de veelvuldige hospitalisatie van haar echtgenoot is, hieraan geen afbreuk doet; dat in de bestreden beslissing immers wordt overwogen dat er tussen de echtgenoten een reële, echtelijke band moet zijn, en dit, ook al is de verblijfplaats van de echtgenoten verscheiden; dat verzoekster op geen enkele wijze aantoont dat er tussen haar en haar echtgenoot een reële, echtelijke band bestaat; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “D. Tweede ernstig Middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertoogster de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de verplichting tot zorgvuldigheid en het principe van de redelijkheid; Dat de Minister een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie: I., Opdebeek, "Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen " in Opdebeek. (ed.)Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51) Overwegende dat terzake de verwerende partij zich beperkte tot een summier onderzoek ter plaatse uitgevoerd door de lokale politie van Mechelen en naliet de specifieke omstandigheden waarin vertoogster leeft na te gaan; Dat nalezing van de bestreden beslissing de indruk wekt dat terzake vertoogster een schijnhuwelijk zou hebben gesloten met het oog op omzeiling van de migratiewetgeving; Dat dit evenwel niet klopt: vertoogster trad reeds in het huwelijk op 30 december 2002 en deed eerst een aanvraag tot vestiging op 25 september 2003; Overwegende dat vertoogster laat gelden dat terzake geen onderzoek naar schijnhuwelijk wordt gevoerd lastens haar persoon door de Procureur Des Konings te Mechelen en zij zich kwijt van de huwelijksverplichtingen voorzien in het Burgerlijk Wetboek; Dat de verwerende partij de bestreden beslissing dan ook niet alleen strijdig heeft gemotiveerd met argumenten die niet slaan op de specifieke situatie van vertoogster zodat moet worden aangenomen dat de beslissing summier, tegenstrijdig, zelfs stereotiep is en niet in relatie staat met de te beoordelen situatie wat eveneens in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van de verwerende partij; Dat in dezelfde zin de beslissing genomen werd in strijd met het principe van de redelijkheid; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid en redelijkheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat vertoogster dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd; Dat verzoekster vraagt dat onderhavige zaak door de Voorzitter of de Staatsraad wordt verwezen naar ene Kamer met drie leden;”; 2.2.
  8. Overwegende dat, in zoverre verzoekster de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, verwezen kan worden naar de bespreking van het eerste middel; dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel eveneens niet kan worden aangenomen; dat XIV-19.136-4/5 de bestreden beslissing immers steunt op een verslag van de lokale politie dat tot stand kwam na een onderzoek ter plaatse; dat uit dit verslag evenwel blijkt dat verzoekster nooit kon worden aangetroffen en nooit enige reactie gaf; dat zij bijgevolg geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar specifieke situatie uiteen te zetten; dat de verwerende partij derhalve geen onzorgvuldigheid kan worden verweten; dat het tweede middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.136-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.