id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.045 Rolnummer: Zaak: Arrest 168045 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 16:17 Fiche Arrest nr 168.045 van 21 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.045 van 21 februari 2007 in de zaken A. 144.054/XIV-17.594 144.055/XIV-17.595 144.061/XIV-17.601 144.062/XIV-17.
- In zake : I. XXX, II. XXX, III. XXX, IV. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 17 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 17 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; XIV-17.594-1/26 Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 17 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 17 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-17.594-2/26 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikkingen van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat XXX, XXX, XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de bevestigende beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in verband met de beslissingen die ten aanzien van XXX, XXX en XXX werden genomen, erop dient gewezen dat deze steunen op de bevestigende beslissing die werd genomen ten aanzien van XXX; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is de beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
- XXX, van Albanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 1 november 1999 en heeft zich op 4 november 1999 vluchteling verklaard. 2.
- Op 13 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
- Op 14 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van XIV-17.594-3/26 Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Kastrat (Malësi e Madhe). Vanaf 1990 zou u passief lid zijn geweest van de Democratische Partij (DP). Sedert eind 1991 tot juni 1994 zou u studies per correspondentie gevolgd hebben aan de politieacademie in Tiranë. Vanaf 1 februari 1994 zou u als politieman bij de criminele politie te Koplik, Malesi e Madhe beginnen werken zijn. Omdat u als politieagent geen politieke affiniteit mocht hebben, zou u uw lidmaatschap bij de DP hebben opgezegd. Nadat u zes maanden stage had gelopen, zou u na een examen de graad van kapitein gekregen hebben. U zou vervolgens als verantwoordelijke voor één van de drie minibussen van de criminele politie in Malësi e Madhe aangesteld zijn. U zou tevens chauffeur van deze minibus geweest zijn. Als kapitein zou u verantwoordelijk geweest zijn voor de misdaadbestrijding in gans de regio. In 1996 zou u in uw functie van politieman enkele criminelen hebben aangehouden. Bij het daaropvolgende proces zou u tegen deze criminelen hebben getuigd. Tijdens het proces zouden deze criminelen u gezegd hebben dat ze u en uw familie gingen vermoorden van zodra ze vrijkwamen. Nadien zou u vernomen hebben dat ze zes of zeven maanden later tegen betaling waren vrijgekomen. Een vriend zou u toen gezegd hebben dat u voorzichtig moest zijn. U zou vervolgens naar uw overste zijn gegaan en het probleem hebben aangekaart. Hij zou u hebben verzekerd dat hij zou trachten de criminelen evenals diegenen die verantwoordelijk waren voor hun vrijlating, te laten arresteren. Medio 1997 zou de Socialistische Partij aan de macht zijn gekomen en vervolgens zou u hierom - als democratisch gezinde - op 1 oktober 1997 ontslagen zijn. In december 1997 zou u een afspraak gemaakt hebben met de directeur-generaal van de politie te Tiranë. U zou hem aangesproken hebben over uw ontslag. Hij zou u echter gezegd hebben dat u zijn bureau moest verlaten en dat u nooit meer werk zou vinden. Op 2 december 1998 zou u naar een familiefeest in Hot geweest zijn. Na het feest zou u in de vroege ochtend samen met uw ouders, echtgenote en drie kinderen naar uw dorp zijn teruggekeerd. Aan het begin van uw straat zou er een politiecombi gestaan hebben. Er zouden twee gemaskerde politieagenten uit die combi gesprongen zijn en één van hen zou u met de dood bedreigd hebben. Op dat moment zou u uit schrik een veld ingevlucht zijn. Na ongeveer vijftien minuten zou de politie ook het veld ingegaan zijn op zoek naar u. Ze zou naar uw benen geschoten hebben. U zou zich op de grond gelegd hebben, waarna ze u met zes omsingelden en sloegen. U zou toen één van de gemaskerden aan zijn stem herkend hebben als zijnde een crimineel die u voordien gearresteerd had. Vervolgens zou u het bewustzijn verloren hebben. Toen u terug bijkwam zou u zich in Shkoder bij een privé-arts bevonden hebben. Uw neef zou daar bij u aanwezig geweest zijn en u zou er vernomen hebben dat uw familie werd geslagen en dat uw woning eerder was afgebrand. Nadat u drie of vier dagen bij die arts verbleven had, zou uw neef u meegenomen hebben naar uw schoonfamilie in Vrith. Daar zou u één week verbleven hebben vooraleer u voor medische verzorging gedurende drie maanden naar Griekenland vertrok. Na uw terugkeer uit Griekenland zou u tot oktober 1999 in Vrith bij uw schoonfamilie verbleven hebben. Toen u voldoende geld verzameld had, besloot u Albanië op 15 oktober 1999 in gezelschap van uw echtgenote, uw drie minderjarige kinderen en uw ouders, L. en L. D. , te verlaten richting België, waar u op 1 november 1999 aankwam en waar u op 4 november 1999 asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw Albanees paspoort, uitgereikt op 24 december 1996 en waarin zich een Grieks visum met een geldigheidsduur van 30 dagen bevindt; uw rijbewijs, uitgereikt te Shkoder op 27 december 1999; uw internationaal rijbewijs, uitgereikt te Shkoder op 30 augustus 2002; een familiecertifikaat, uitgereikt te Bajze op 18 februari 2000; uw geboorteakte, de geboorteakte van uw echtgenote en de geboorteaktes van uw dochters, allen uitgereikt te Bajze op 22 februari 2000; een attest van de gemeente Kastrat waarin wordt vermeld dat het huis van uw vader is afgebrand, dd. 22 november 1999; een attest van het politiecommissariaat van Koplik, waarin wordt vermeld dat u werkzaam was bij de politie, dd. 24 november 1999; een attest van de Vereniging van Politiek Vervolgden, dd. 7 juni 2000, waarin wordt verklaard dat uw vader ten tijde van het XIV-17.594-4/26 communistische regime en later werd vervolgd; 3 foto’s van uw afgebrande woning; uw zelf geschreven asielrelaas; een verzoekschrift van uw minderjarige dochters; de doopakte van uw dochter E.; een medisch attest dd. 11 september 2001; een ontslagformulier van een ziekenhuisopname van uw vader; verscheidene aanbevelingsbrieven van buren en kennissen en attesten van gevolgde opleidingen en taallessen. B. Motivering Er dient opgemerkt te worden dat bepaalde elementen van uw verklaringen, die de kern van uw asielrelaas onomstotelijk omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. Vooreerst verklaarde u dat u vanaf eind 1991 tot juni 1994 - dus gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar - per correspondentie studies volgde aan de hogere politieschool in Tiranë en dat u op 1 februari 1994 als politieman bent beginnen werken (gehoor CGVS p. 2). Uit hogergenoemde informatie blijkt echter dat door beslissing nr. 405 van de Albanese Ministerraad, dd. 15 september 1992, de politieopleiding volledig hervormd werd. Zo werden alle vorige instanties in september 1992 opgedoekt en vervangen door de “Akademia e Rendit Publik” (Academie van Openbare orde). Door deze hervorming werd de politieopleiding herleid tot een vorming van 4 jaar voor mensen die - net als u - de opleiding per correspondentie volgden. Voor deze hervorming duurde de opleiding per correspondentie overigens 5 jaar (in de periode 1986 -1990). Verder verklaarde u dat u politieman was bij de opsporingspolitie (policise kriminale) van de regio Malësi e Madhe van 1 februari 1994 tot 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). U beweerde in dit verband dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond bij uw indiensttreding bij de politie van Malësi e Madhe op 1 februari 1994 (gehoor CGVS p. 5). Ook beweerde u dat diezelfde S. P. eveneens uw chef was bij de opsporingspolitie bij uw indiensttreding tot uw ontslag op 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 5). Uit informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat XXX in juli 1997 - dus een drietal maanden voor uw ontslag - aan het hoofd stond van de opsporingspolitie in Malësi e Madhe. Verder blijkt dat dezelfde I. D. tijdens zijn dienst in juli 1997 in het centrum van Koplik vermoord werd. Naar aanleiding van dit geweldadige incident en tengevolge van de dood van D. werd S. F. op 8 augustus 1997 als nieuwe politiecommissaris benoemd. Ferizaj werd toen in het bijzonder benoemd om het politiecommissariaat te reorganiseren en om de criminaliteit in Malësi e Madhe aan te pakken. Hier dient nog aan toegevoegd te worden dat de genaamde S. P. die u als hoofdverantwoordelijke van de politie opgaf, nergens in de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie werd teruggevonden. Verder beweerde u na uw ontslag, meer bepaald in december 1997, bij de directeur- generaal van de politie in Tiranë te zijn geweest om dit ontslag aan te klagen (gehoor CGVS p. 8). Toen u echter gevraagd werd naar de naam van de directeur-generaal bij wie u was geweest en waar u voordien een afspraak bij gemaakt had, moest u het antwoord schuldig blijven (gehoor CGVS p. 8 -9). U beweerde dat u zijn naam niet wist omdat er drie of vier directeuren-generaal waren (gehoor CGVS p. 8). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat er slechts één directeur-generaal van de politie is. Aangezien bovenstaande vaststellingen uw bewering dat u politieagent was en aldus eveneens de oorsprong van uw problemen volledig ontkrachten, kan niet het minste geloof worden gehecht aan uw beweerde vluchtmotieven. De door u neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, met name een attest dd. 24 november 1999 waarop staat dat u tussen 1 februari 1994 en 1 oktober 1997 werkzaam was op het politiecommissariaat in Malësi e Madhe en een attest van de gemeente waarin staat vermeld dat uw woning werd afgebrand, kunnen, gezien de bedrieglijkheid van uw verklaringen, niet weerhouden worden. De door u neergelegde foto's - waarvan u beweerde dat uw afgebrande woning erop staat - hebben aldus evenmin enige doorslaggevende bewijswaarde. Verder dient vastgesteld te worden dat aan de door u neergelegde geboorteaktes eveneens geen bewijswaarde kan worden toegekend. Zo verklaarde u herhaaldelijk in Kastrat, Malesi e Madhe, geboren te zijn (gehoor DVZ vraag 5, uw door u neergelegde levensgeschiedenis p. 1, vragenlijst CGVS vraag 6 en gehoor CGVS p. 1). Op uw XIV-17.594-5/26 geboorteakte staat echter te lezen dat u in Jeran, district (rrethi) Shkoder, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat – alhoewel het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert - Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn (zie info in bijlage in administratief dossier). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt verder dat er geen gemeente Jeran in het district Shkoder bestaat. Evenmin bestaat er een dorp Jeran in het district Shkoder. Er bestaat wel een dorp Jaran, doch dit ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus diende op uw geboorteakte te staan vermeld dat u in Jaran/Jeran, Kastrat, Malësi e Madhe - en niet Shkoder - werd geboren. Op een geboorteakte staat immers geen enkele verwijzing naar de prefectuur waar iemand werd geboren, er wordt enkel verwezen naar het district, de stad (gemeente), het dorp en eventueel de wijk. Op de geboorteakte van uw dochters K. en E. staat te lezen dat zij zouden geboren zijn in Shkoder, stad Shkoder, district Malësi e Madhe (zie geboorteaktes). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe echter afzonderlijke administratieve districten en ressorteert het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder. De stad Shkoder ressorteert dan weer onder het district Shkoder en niet onder het district Malësi e Madhe. Ook hier geldt opnieuw de bemerking dat prefecturen niet op een geboorteakte worden vermeld. Uit wat voorafgaat dient dan ook vastgesteld te worden dat de gegevens op uw geboorteakte en op die van uw kinderen niet in overeenstemming te brengen zijn met de feitelijke realiteit. De door u neergelegde andere geboortecertificaten bevatten overigens nog meer elementen die de bewijskracht ervan volledig tenietdoen. Zo dient vastgesteld te worden dat de door u neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het Commisssariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van
- Derhalve kunnen de door u neergelegde geboorteaktes niet zijn opgemaakt op basis van het - onbestaande - algemeen bevolkingsregister van
- Gelet op bovenstaande vaststellingen, kan niet de minste bewijswaarde aan de door u neergelegde geboortecertificaten worden toegekend. De door u neergelegde medische attesten staven dat u en uw vader eerder medische problemen kenden, doch deze ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. De door u neergelegde steunbrieven en attesten van opleidingen en taallessen staven uw stappen tot integratie, maar kunnen bovenstaande vaststellingen geenszins wijzigen. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat ik in het kader van de asielaanvraag van uw ouders, L. en L. D., eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.
- XXX, van Albanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 1 november 1999 en heeft zich op 4 november 1999 vluchteling verklaard. XIV-17.594-6/26 2.
- Op 13 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
- Op 14 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Vrith (Malësi e Madhe). Sinds uw huwelijk op 14 september 1992 woont u te Bajze. Uw echtgenoot zou na zijn studies als politieman bij de criminele politie gewerkt hebben. Op 2 december 1998, toen u terugkwam van een huwelijksfeest samen met uw echtgenoot en uw schoonouders, zou uw echtgenoot een politieauto met gemaskerde mannen gezien hebben. Hij zou onmiddellijk op de vlucht geslagen zijn. De politiemannen zouden u gevraagd hebben waar uw echtgenoot was en zouden u en uw schoonouders geslagen hebben. Nadien zouden ze uw echtgenoot achtervolgd hebben. Die politiemannen zouden tegen u gezegd dat ze zich wilden wreken omdat uw echtgenoot hen aangehouden had. Ze zouden u ook gezegd hebben dat ze uw huis in brand gestoken hadden. Gedurende drie dagen zou u in het ongewisse zijn gebleven over de verblijfsplaats van uw echtgenoot. Nadien zou u vernomen hebben dat hij zich bij vrienden in Shkoder bevond. Uw echtgenoot zou vervolgens naar Griekenland vertrokken zijn voor een operatie. Hij zou daar gedurende drie maanden verbleven hebben. U zou ondertussen gedurende 10 maanden in Vrith verborgen geleefd hebben. Nadat uw echtgenoot uit Griekenland teruggekeerd was, besloot u Albanië in gezelschap van uw schoonouders en drie minderjarige dochters op 15 oktober 1999 te verlaten richting België, waar u op 1 november 1999 aankwam en waar u op 4 november 1999 asiel aanvroeg. B. Motivering Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag op dezelfde motieven als uw echtgenoot, XXX, steunt. Daar ik in hoofde van deze laatste op basis van ernstig bedrieglijke elementen in zijn dossier een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam, dringt zich voor u eenzelfde beslissing op. In het kader van de asielaanvraag van uw schoonouders, L. en L. D., nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.
- XXX, van Albanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 1 november 1999 en heeft zich op 4 november 1999 vluchteling verklaard. XIV-17.594-7/26 2.
- Op 4 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
- Op 14 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Jeran, Bajze (Malësi e Madhe). Omdat u vervolgd werd ten tijde van het communistische regime zou van 1980 tot 1987 opgesloten geweest zijn in Lushnje. Sinds 1990 zou u gewoon lid geweest zijn van de Democratische Partij (DP). Van 1994 tot 1997 zou uw zoon XXX politieman geweest zijn. In deze periode zou uw zoon een groep criminelen hebben opgesloten die hem nadien met de dood bedreigden. Op 2 december 1998 zou u, toen u op de terugweg was van een huwelijksfeest, aan de ingang van uw dorp Jeran opgewacht zijn door een busje van de politie. Het zouden dezelfde criminelen geweest zijn die uw zoon als politieman opgesloten had. Ze zouden ondertussen zelf politieman geworden zijn. Toen uw zoon het busje van de politie zag, zou hij onmiddellijk weggelopen zijn. Hierna zouden vier à vijf gemaskerde politieagenten naar uzelf en uw echtgenote toegekomen zijn en gevraagd hebben waar uw zoon was. Vervolgens zouden ze u en uw echtgenote gedurende tien minuten geslagen hebben. Toen ze uw zoon zagen lopen, zouden ze achter hem aangegaan zijn. U en uw echtgenote zouden ondertussen naar uw huis teruggekeerd zijn. Toen u aankwam zou u gezien hebben dat uw huis afgebrand was. Vier à vijf uur later zou uw zoon ook naar huis gekomen zijn. Hij zou u gezegd hebben dat uw aanvallers hem gingen vermoorden indien zij uw zoon nogmaals zagen. Nadien zou u de bergen ingetrokken zijn. Uw zoon zou door vrienden meegenomen zijn naar Griekenland voor verzorging. Gedurende ongeveer 10 maanden zou u verborgen gebleven zijn bij vrienden in de dorpen Vrith en Shkrel. Toen uw zoon voldoende geld verzameld had, besloot u Albanië te verlaten op 15 oktober 1999 richting België, waar u op 1 november 1999 aankwam en waar u op 4 november 1999 asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: een familiecertifikaat, uitgereikt te Bajze op 18 februari 2000; uw geboorteakte en de geboorteakte van uw echtgenote, uitgereikt te Bajze op 22 februari 2000; een attest van de Vereniging van Politiek Vervolgden, dd. 7 juni 2000; een attest van de gemeente Kastrat waarin wordt vermeld dat uw huis is afgebrand, dd. 22 november 1999; een zelf geschreven asielrelaas van uw zoon; 3 foto’s van uw afgebrande woning; een brief van het OCMW waarin wordt vermeld dat u steun krijgt, dd. 5 februari 2002; een steunbrief van de burgemeester van Beernem, dd. 9 oktober 2002; 2 doktersattesten waarin wordt verklaard dat u en uw echtgenote hier in België medicatie dienen in te nemen; uw Belgisch huurcontract en verschillende aanbevelingsbrieven. B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat aan de door u neergelegde geboorteaktes geen doorslaggevende bewijskracht kan worden toegekend. Zo verklaarde u dat u geboren bent in Bajze, Jeran, arrondissement Malësi e Madhe (gehoor CGVS p. 1). Op uw geboorteakte staat echter te lezen dat u in Jeran, district (rrethi) Shkoder, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat - alhoewel het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert - Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn (zie info in bijlage in administratief dossier). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt verder dat er geen stad/gemeente Jeran in het district Shkoder bestaat. Evenmin bestaat er een dorp Jeran in het district Shkoder. Er bestaat XIV-17.594-8/26 wel een dorp Jaran (Jeran), doch dit ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus diende op uw geboorteakte te staan vermeld dat u in Jeran (Kastrat), Malësi e Madhe - en niet Shkoder - werd geboren. Op een geboorteakte staat immers geen enkele verwijzing naar de prefectuur waar iemand werd geboren, er wordt enkel verwezen naar het district, de stad (gemeente), het dorp en eventueel de wijk (zie info in bijlage in administratief dossier). Op de geboorteakte van uw echtgenote staat te lezen dat zij zou geboren zijn in Hot, district Shkoder (zie geboorteakte Lena Delaj). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe echter afzonderlijke administratieve districten. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt verder dat er geen gemeente Hot in het district Shkoder bestaat. Evenmin bestaat er een dorp Hot in het district Shkoder. Er bevindt zich wel een dorp Hot i Ri in het district Shkoder. Er dient echter te worden opgemerkt dat uw echtgenote op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde geboren te zijn in Kastrat (gehoor DVZ vraag 5), zodat wel degelijk dient vastgesteld te worden dat zij verwijst naar Hot in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe en niet naar Hot I Ri. Aldus diende op haar geboorteakte te staan vermeld dat ze in Hot, Kastrat, Malësi e Madhe werd geboren. Ook hier geldt immers de bemerking dat een prefectuur niet op een geboorteakte wordt vermeld. Uit wat voorafgaat dient dan ook vastgesteld te worden dat de gegevens op uw geboorteakte en op die van uw echtgenote niet in overeenstemming te brengen zijn met de feitelijke realiteit. De door u neergelegde geboorteaktes bevatten overigens nog meer elementen die de bewijskracht ervan volledig tenietdoen. Zo dient vastgesteld te worden dat de door u neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van
- Derhalve kunnen de door u neergelegde geboorteaktes niet zijn opgemaakt op basis van het - onbestaande - algemeen bevolkingsregister van
- Gelet op bovenstaande vaststellingen, kan niet de minste bewijswaarde aan de door u neergelegde geboortecertificaten worden toegekend. Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt verder dat u uw asielaanvraag op dezelfde motieven als uw zoon, XXX, steunt. Daar ik in hoofde van deze laatste op basis van ernstig bedrieglijke elementen in zijn dossier een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam, dringt zich voor u eenzelfde beslissing op. In het kader van de asielaanvraag van uw schoondochter, Drita Delaj, nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. De door u neergelegde medische attesten staven dat u en uw echtgenote medische problemen kennen, doch deze ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op medische gronden dient u de daartoe geëigende procedures aan te wenden. Het attest van de Vereniging van Politiek Vervolgden staaft dat u ten tijde van het communistische regime werd vervolgd, doch dit attest is onvoldoende om alsnog de bedrieglijkheid van uw overige asielmotieven te herstellen. De door u neergelegde steunbrieven staven uw stappen tot integratie, maar kunnen bovenstaande vaststellingen evenmin wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-17.594-9/26 2.
- XXX, van Albanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 1 november 1999 en heeft zich op 4 november 1999 vluchteling verklaard. 2.
- Op 4 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
- Op 14 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Kastrat, Malësi e Madhe. Na de democratische omwenteling zou uw zoon XXX in Tirana gedurende 4 jaar politieschool gevolgd hebben. Nadien zou hij gedurende 3 jaar politieman bij de opsporingspolitie geweest zijn in Malësi e Madhe. In 1997 zou hij ontslagen zijn. In deze periode zou uw zoon een groep criminelen hebben opgesloten. Deze criminelen zouden na de overwinning van de Socialistische Partij in 1997 zelf politieman geworden zijn. In datzelfde jaar nog zou u, toen u op de terugweg was van een huwelijksfeest, opgewacht zijn door politiewagen. Het zouden dezelfde criminelen geweest zijn die uw zoon eerder als politieman opgesloten had. Toen uw zoon het busje van de politie zag, zou hij onmiddellijk weggelopen zijn. Hierna zouden vier à vijf gemaskerde politieagenten naar u en uw echtgenoot toegekomen zijn en gevraagd hebben waar uw zoon was. Vervolgens zouden zij u, uw echtgenoot en uw schoondochter geslagen hebben. N. zouden ze achter uw zoon aangegaan zijn. U en uw echtgenoot zouden ondertussen naar uw huis teruggekeerd zijn. Toen u aankwam zou u gezien hebben dat uw huis afgebrand was. Vier à vijf uur later zou uw zoon ook naar huis gekomen zijn. Hij zou u gezegd hebben dat als ze hem nog eens zagen dat ze hem gingen vermoorden. Nadien zou u de bergen ingetrokken zijn. Uw zoon zou door vrienden meegenomen zijn naar Griekenland voor verzorging. Gedurende ongeveer 10 maanden zou u verborgen gebleven zijn bij vrienden in de dorpen Vrith en Shkrel. Toen uw zoon voldoende geld verzameld had, besloot u Albanië te verlaten op 15 oktober 1999 richting België, waar u op 1 november 1999 aankwam en waar u op 4 november 1999 asiel aanvroeg. B. Motivering Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag op dezelfde motieven als uw zoon, XXX, steunt. Daar ik in hoofde van deze laatste op basis van ernstig bedrieglijke elementen in zijn dossier een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam, dringt zich voor u eenzelfde beslissing op. In het kader van de asielaanvraag van uw schoondochter, XXX, nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). XIV-17.594-10/26 (...).”.
- Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
- Wat het beroep van XXX betreft: 3.1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel III.
- Schending van de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- Mijn verzoeker heeft zijn asielaanvraag ingediend op 01.11.
- Pas na bijna vier jaar is er een administratieve beslissing genomen, hetgeen uiteraard geen redelijke termijn meer is om een beslissing te nemen in zijn dossier. Ondertussen is mijn verzoeker compleet uit zijn land ontheemd en is de toestand in zijn land compleet veranderd. Daardoor wordt op heden de toestand - toen hij in België kwam - niet langer bekeken. Mijn verzoeker heeft zijn recht op een correcte en tijdige behandeling zien verloren gaan.”; 3.1.1.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 8 van het E.V.R..M.; dat verzoeker verder stelt dat de bestreden beslissing niet is genomen binnen een redelijke termijn, aangezien pas na bijna vier jaar na zijn asielaanvraag de bestreden beslissing is genomen; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft (Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven), verzoeker geenszins uiteenzet -en evenmin wordt ingezien- op welke wijze deze rechtsregel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat, bij ontstentenis van deze toelichting, het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat, wat de overschrijding van de redelijke termijn betreft, dient opgemerkt dat verzoeker geen belang heeft bij deze grief; dat indien de bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vernietigd hij immers terugvalt op de voor hem ongunstige beslissing van 13 december 2000 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat bovendien dient aangestipt dat overeenkomstig artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), tijdens de termijn waarbinnen een dringend beroep wordt ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsmede tijdens de duur van het onderzoek, alle maatregelen tot verwijdering van het grondgebied die zijn genomen ten opzichte van de vreemdeling, geschorst worden; dat dit betekent dat verzoeker tijdens zijn verblijf in België, in afwachting van de behandeling van zijn dringend beroep, ondermeer in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van zijn asielaanvraag te verzamelen; dat bijgevolg de verstreken termijn aan verzoeker geen nadeel heeft toegebracht, wel integendeel; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; XIV-17.594-11/26 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en artt. 1322-1332 Burgerlijk Wetboek; III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 24.02.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 29.01.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat kan gesteld worden dat hij het niet aannemelijk maakt zijn land te hebben verlaten vanuit een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald door de Conventie van Genève en dat bepaalde elementen van zijn verklaringen, die de kern van zijn asielrelaas onomstotelijk omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. III.
- Vooreerst verklaarde hij dat hij vanaf eind 1991 tot juni 1994 - dus gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar - per correspondentie studies volgde aan de hogere politieschool in Tiranë en dat hij op 1 februari 1994 als politieman is beginnen werken (gehoor CGVS p. 2). Het Commissariaat-Generaal stelt dat uit informatie blijkt dat door beslissing nr. 405 van de Albanese Ministerraad, dd. 15 september 1992, de politieopleiding volledig hervormd werd. Zo werden alle vorige instanties in september 1992 opgedoekt en vervangen door de "Akademia e Rendit Publik" (Academie van Openbare orde). Door deze hervorming werd de politieopleiding herleid tot een vorming van 4 jaar voor mensen die - net als hij - de opleiding per correspondentie volgden. Voor deze hervorming duurde de opleiding per correspondentie overigens 5 jaar (in de periode 1986 - 1990). Deze opmerking, louter gebaseerd op algemene en theoretische beschouwingen weegt niet op tegen het attest dat hij naar voor brengt i.v.m. zijn carrière als politieman. Bovendien schendt het Commissariaat-Generaal artt. 1322-1332 B.W. gezien zij de bewijskracht van dit geschreven en niet van valsheid beschuldigd stuk ontkent (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Aangezien bovenstaande vaststellingen zijn bewering dat hij politieagent was en aldus eveneens de oorsprong van zijn problemen geenszins ontkrachten, moet alle geloof worden gehecht aan zijn beweerde vluchtmotieven. De door hem neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, met name een attest dd. 24 november 1999 waarop staat dat hij tussen 1 februari 1994 en 1 oktober 1997 werkzaam was op het politiecommissariaat in Malësi e Madhe en een attest van de gemeente waarin staat vermeld dat zijn woning werd afgebrand, moeten, gezien de dwingende bewijsregels in het Belgisch recht, weerhouden worden. Verder verklaarde mijn verzoeker dat hij politieman was bij de opsporingspolitie (policise kriminale) van de regio Malësi e Madhe van 1 februari 1994 tot 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Hij beweerde in dit verband dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond bij zijn indiensttreding bij de politie van Malësi e Madhe op 1 februari 1994 (gehoor CGVS p. 5). Ook beweerde hij dat diezelfde XXX eveneens zijn chef was bij de opsporingspolitie bij uw indiensttreding tot zijn ontslag op 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 5). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat XXX in juli 1997 - dus een drietal maanden voor zijn ontslag - aan het hoofd stond van de opsporingspolitie in Malësi e Madhe. Verder blijkt dat dezelfde XXX tijdens zijn dienst in juli 1997 in het centrum van Koplik vermoord werd. Naar aanleiding van dit gewelddadige incident en tengevolge van de dood van XXX werd Salko Ferizaj op 8 augustus XIV-17.594-12/26 1997 als nieuwe politiecommissaris benoemd. Ferizaj werd toen in het bijzonder benoemd om het politiecommissariaat te reorganiseren en om de criminaliteit in Malësi e Madhe aan te pakken. Deze prima facie tegenstrijdigheid is eenvoudig uit te leggen door het feit dat mijn verzoeker de Heer XXX aanduidde als chef, zijnde zijn directie overste. Het Commissariaat-Generaal heeft in haar informatie enkel gepolst naar de algemene chef van het ganse korps, hetgeen uiteraard een totaal andere vraag is. Verder beweerde hij na zijn ontslag, meer bepaald in december 1997, bij de directeur-generaal van de politie in Tiranë te zijn geweest om dit ontslag aan te klagen (gehoor CGVS p. 8). Toen hem gevraagd werd naar de naam van de directeur-generaal bij wie hij was geweest en waar hij voordien een afspraak bij gemaakt had, moest hij het antwoord schuldig blijven (gehoor CGVS p. 8 -9). Hij beweerde dat hij zijn naam niet wist omdat er drie of vier directeuren- generaal waren (gehoor CGVS p. 8). Uit informatie waarover het Commissariaat- Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat er slechts één directeur-generaal van de politie is, maar dat er tevens 3 adjuncten zijn. Wanneer men deze optelt komt men uiteraard aan vier directeurs-generaal. Verder dient vastgesteld te worden dat aan de door hem neergelegde geboorteaktes eveneens alle bewijswaarde moet worden toegekend, gezien de bewijskracht van deze stukken (artt. 1322 - 1332 B.W.). Zo verklaarde hij herhaaldelijk in Kastrat, Malësi e Madhe, geboren te zijn (gehoor DVZ vraag 5, zijn door hem neergelegde levensgeschiedenis p. 1, vragenlijst CGVS vraag 6 en gehoor CGVS p. l). Op zijn geboorteakte staat echter te lezen dat u in Jeran, prefectuur (rrethi) Shkoder, gemeente (komuna) Kastrat, district Malêsi e Mazhde, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert en dat de opmerking dat Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn, irrelevant is. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt dat er een dorp Jeran in het district Shkoder, bestaat, hetgeen ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus is uw geboorteakte correct en stelt dat u in Jaran/Jeran, Kastrat, Malesi e Madhe, prefectuur Shkoder, werd geboren. Op de geboorteakte van zijn dochters Klodeta en Esmeralda staat te lezen dat zij geboren zijn in prefectuur Shkoder, stad Shkoder, district Malësi e Madhe (zie geboorteaktes). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe niet alleen afzonderlijke administratieve districten, maar ressorteert het district Malësi e Madhe ook onder de prefectuur Shkoder. Zo dient vastgesteld te worden dat de door hem neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van 1974, doch geactualiseerd in 1993 (na de val van het communisme). Derhalve kunnen de door hem neergelegde geboorteaktes zijn opgemaakt op basis van het - geactualiseerde - algemeen bevolkingsregister van
- III.
- In zijn beslissing dd. 14.10.2003 heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R.v.St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd. 1994, 95; T. Vreemd. 1994, 56; Rev. Dr. Etr, 1994, 29;”; XIV-17.594-13/26 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de Conventie van Genève, van de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1322-1332 van het Burgerlijk Wetboek; dat niet wordt verduidelijkt welke bepaling van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen is miskend; dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden, als vluchteling kan worden erkend; dat de Conventie van Genève de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 49 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de reeds erkende vluchteling; dat in casu verzoekers asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat derhalve de schending van artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet niet dienstig wordt aangevoerd; dat, wat de door verzoeker aangevoerde schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel betreft, erop dient gewezen dat hij niet verduidelijkt op welke wijze deze beginselen zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat luidens artikel 52 van de Vreemdelingenwet een asielaanvraag onontvankelijk mag worden verklaard wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat de bestreden beslissing de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk heeft verklaard; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich hiervoor steunt op de vaststelling dat bepaalde elementen van verzoekers verklaringen, die de kern van zijn asielrelaas omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag wanneer het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit de gegevens van het dossier; dat, wat de overweging uit de bestreden beslissing in verband met de politieopleiding betreft, verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich louter baseert op algemene en theoretische beschouwingen, hetgeen niet opweegt tegen het attest dat verzoeker naar voor brengt in verband met zijn carrière als politieman; dat bovendien de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen volgens verzoeker de artikelen 1322-1332 van het Burgerlijk Wetboek schendt aangezien hij de bewijskracht van voornoemd attest, XIV-17.594-14/26 hetgeen een geschreven en niet van valsheid beschuldigd stuk is, ontkent; dat, in tegenstelling tot verzoekers bewering dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich louter baseert op algemene en theoretische beschouwingen, hij in de bestreden beslissing uitdrukkelijk heeft verwezen naar de informatie waarop hij zich heeft gebaseerd; dat deze informatie bovendien is gevoegd bij het administratief dossier; dat verzoeker geen enkele poging onderneemt om nader in te gaan op deze informatie of de onjuistheid ervan aan te tonen; dat de artikelen 1322-1332 van het Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op het bewijs van verbintenissen uit overeenkomst en derhalve een zuiver privaatrechtelijk karakter hebben; dat deze rechtsregels derhalve niet van toepassing zijn op een administratiefrechtelijke procedure, zoals in casu; dat verzoeker de schending van deze bepalingen derhalve niet dienstig kan aanvoeren; dat, wat de overweging uit de bestreden beslissing in verband met het hoofd van de politiediensten en het hoofd van de opsporingspolitie betreft, verzoeker stelt dat hij XXX aanduidde als chef, zijnde zijn directie overste en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn informatie enkel gepolst heeft naar de algemene chef van het ganse korps, wat een totaal andere vraag is; dat uit de lezing van de bestreden beslissing en uit de stukken van het administratief dossier blijkt, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, dat verzoeker tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet enkel heeft verklaard dat XXX zijn chef was bij de opsporingspolitie, doch dat hij tevens heeft verklaard dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond; dat er dan ook niet kan worden ingezien dat het hier om een totaal andere vraag zou zijn gegaan; dat bovendien verzoeker geen verklaringen geeft voor de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de genaamde XXX nergens in de op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikbare informatie werd teruggevonden; dat, met betrekking tot de overweging uit de bestreden beslissing dat verzoeker heeft verklaard dat er drie of vier directeuren-generaal waren, terwijl uit de informatie blijkt dat er slechts één directeur-generaal van de politie is, verzoeker stelt dat uit deze informatie blijkt dat er slechts één directeur-generaal van de politie is, maar tevens drie adjuncten en dat wanneer men deze optelt men aan vier directeurs-generaal komt; dat voornoemde stelling van verzoeker geen afbreuk doet aan de vaststelling dat hij verklaard heeft dat er drie of vier directeurs-generaal waren; dat in zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker niet heeft gesproken van adjuncten, maar duidelijk heeft verklaard dat het om drie of vier directeurs- generaal ging; dat van een asielzoeker mag verwacht worden dat deze in elke fase van het onderzoek zijn asielrelaas zo correct en volledig mogelijk vertelt, hetgeen verzoeker in casu niet heeft gedaan, gezien hij het onderscheid tussen directeur-generaal en adjuncten niet heeft gemaakt tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat, wat de overweging uit de bestreden beslissing met betrekking tot de geboorteakten betreft, verzoeker vooreerst stelt dat aan de geboorteakten alle bewijswaarde moet worden toegekend gezien de bewijskracht van deze stukken (art. 1322-1332 van het Burgerlijk Wetboek); dat verder verzoeker zich in hoofdzaak beperkt tot de negatie van XIV-17.594-15/26 hetgeen in de bestreden beslissing wordt vastgesteld; dat, wat de bewijswaarde betreft die volgens verzoeker dient te worden toegekend aan de geboorteakten op grond van de artikelen 1322-1332 van het Burgerlijk Wetboek kan worden verwezen naar hetgeen hieromtrent eerder is uiteengezet; dat verder verzoeker onvoldoende verduidelijkt met concrete elementen waarom hij meent dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zijn; dat, wat de overweging uit de bestreden beslissing betreft dat de door verzoeker neergelegde geboorteakten op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 terwijl uit de informatie blijkt dat het huidig algemeen geboorteregister van Albanië dateert van 1974, verzoeker stelt dat uit de informatie blijkt dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië weliswaar van 1974 dateert, doch geactualiseerd werd in 1993; dat, hoewel verzoeker beweert dat uit voornoemde informatie zou blijken dat het bevolkingsregister zou zijn geactualiseerd in 1993, dit geenszins blijkt uit deze informatie die bij het administratief dossier is gevoegd; dat in dit Cedoca-rapport wordt vermeld dat het huidige algemeen bevolkingsregister van 1974 dateert, doch met geen woord wordt gerept over een actualisatie in 1993; dat, met betrekking tot verzoekers bewering dat de bestreden beslissing geen rekening zou houden met bepaalde elementen en dat er wel degelijk nieuwe elementen zijn aangebracht, erop dient gewezen dat verzoekers uiteenzetting terzake bijzonder vaag en summier is; dat verzoeker geenszins preciseert met welke elementen geen rekening zou zijn gehouden en welke nieuwe elementen hij zou hebben aangebracht; dat, aangezien verzoeker zich beperkt tot loutere beweringen, hij op deze wijze geen afbreuk kan doen aan de bestreden beslissing; dat verzoeker er aldus niet in slaagt aannemelijk te maken dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen en dat de gegeven motieven de beslissing niet zouden kunnen dragen; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.
- Wat het beroep van XXX betreft: 3.2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Eerste middel III.
- Schending van de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens III.
- Verzoekster wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- Mijn verzoekster heeft haar asielaanvraag ingediend op 01.11.
- Pas na bijna vier jaar is er een administratieve beslissing genomen, hetgeen uiteraard geen redelijke termijn meer is om een beslissing te nemen in zijn dossier. Ondertussen is mijn verzoekster compleet uit haar land ontheemd en is de toestand in haar land compleet veranderd. Daardoor wordt op heden de toestand - toen zij in België kwam - niet langer bekeken. Mijn verzoekster heeft zijn recht op een correcte en tijdige behandeling zien verloren gaan.”; XIV-17.594-16/26 3.2.1.
- Overwegende dat uit verzoeksters eerste middel blijkt dat zij aanvoert hetgeen haar echtgenoot, XXX, in zijn eerste middel heeft aangevoerd; dat om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel dat door verzoeksters echtgenoot in zijn verzoekschrift werd uiteengezet, ook dit middel moet worden verworpen; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Tweede middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van de Rechten van Verdediging (art. 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- III.
- Het is onjuist en een schending van de rechten van verdediging van mijn verzoeker dat er verwezen wordt naar het interview van haar echtgenoot, de Heer XXX. Mijn verzoekster werd niet geconfronteerd met de - beweerde - tegenstrijdigheden en ongerijmdheden. Dit dossier - en dus ook de beslissing - is vraamd aan haar, zodat het Commissariaat-Generaal niet genoegzaam naar recht kan motiveren, door louter naar het dossier van de echtgenoot te verwijzen.”; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de rechten van verdediging en van artikel 6 van het E.V.R.M.; dat verzoekster namelijk van oordeel is dat het onjuist is dat er verwezen wordt naar het interview van haar echtgenoot, XXX; dat verzoekster stelt niet geconfronteerd te zijn met de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet louter naar het dossier van haar echtgenoot kan verwijzen; dat verzoekster echter niet betwist dat zij haar asielaanvraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar echtgenoot, XXX; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de negatieve beslissing genomen ten aanzien van de asielaanvraag van haar echtgenoot; dat noch artikel 6 van het E.V.R.M., noch het algemeen rechtsbeginsel in verband met het recht van verdediging van toepassing zijn op de louter administratieve procedure in dringend beroep voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.2.3.
- Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “Derde middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de XIV-17.594-17/26 Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en artt. 1322-1332 Burgerlijk Wetboek; III.
- Verzoekster wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 24.02.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 29.01.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat kan gesteld worden dat haar man het niet aannemelijk maakt zijn land te hebben verlaten vanuit een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald door de Conventie van Genève en dat bepaalde elementen van zijn verklaringen, die de kern van zijn asielrelaas onomstotelijk omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. III.
- Brevitate causae wordt de motivering van zijn beroepsakte hieronder overgenomen. Vooreerst verklaarde hij dat hij vanaf eind 1991 tot juni 1994 - dus gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar - per correspondentie studies volgde aan de hogere politieschool in Tiranë en dat hij op 1 februari 1994 als politieman is beginnen werken (gehoor CGVS p. 2). Het Commissariaat-Generaal stelt dat uit informatie blijkt dat door beslissing nr. 405 van de Albanese Ministerraad, dd. 15 september 1992, de politieopleiding volledig hervormd werd. Zo werden alle vorige instanties in september 1992 opgedoekt en vervangen door de "Akademia e Rendit Publik" (Academie van Openbare orde). Door deze hervorming werd de politieopleiding herleid tot een vorming van 4 jaar voor mensen die - net als hij - de opleiding per correspondentie volgden. Voor deze hervorming duurde de opleiding per correspondentie overigens 5 jaar (in de periode 1986 -1990). Deze opmerking, louter gebaseerd op algemene en theoretische beschouwingen weegt niet op tegen het attest dat hij naar voor brengt i.v.m. zijn carrière als politieman. Bovendien schendt het Commissariaat-Generaal artt. 1322-1332 B.W. gezien zij de bewijskracht van dit geschreven en niet van valsheid beschuldigd stuk ontkent (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Aangezien bovenstaande vaststellingen zijn bewering dat hij politieagent was en aldus eveneens de oorsprong van zijn problemen geenszins ontkrachten, moet alle geloof worden gehecht aan zijn beweerde vluchtmotieven. De door hem neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, met name een attest dd. 24 november 1999 waarop staat dat hij tussen 1 februari 1994 en 1 oktober 1997 werkzaam was op het politiecommissariaat in Malësi e Madhe en een attest van de gemeente waarin staat vermeld dat zijn woning werd afgebrand, moeten, gezien de dwingende bewijsregels in het Belgisch recht, weerhouden worden. Verder verklaarde mijn verzoeker dat hij politieman was bij de opsporingspolitie (policise kriminale) van de regio Malësi e Madhe van 1 februari 1994 tot 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Hij beweerde in dit verband dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond bij zijn indiensttreding bij de politie van Malësi e Madhe op 1 februari 1994 (gehoor CGVS p. 5). Ook beweerde hij dat diezelfde XXX eveneens zijn chef was bij de opsporingspolitie bij uw indiensttreding tot zijn ontslag op 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 5). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat XXX in juli 1997 - dus een drietal maanden voor zijn ontslag - aan het hoofd stond van de opsporingspolitie in Malësi e Madhe. Verder blijkt dat dezelfde XXX tijdens zijn dienst in juli 1997 in het centrum van Koplik vermoord werd. Naar aanleiding van dit gewelddadige incident en tengevolge van de dood van XXX werd Salko Ferizaj op 8 augustus 1997 als nieuwe politiecommissaris benoemd. Ferizaj werd toen in het bijzonder benoemd om het politiecommissariaat te reorganiseren en om de criminaliteit in Malësi e Madhe aan te pakken. Deze prima facie tegenstrijdigheid is eenvoudig uit te leggen door het feit dat mijn verzoeker de Heer XXX aanduidde als chef, zijnde zijn directie overste. Het Commissariaat-Generaal heeft in haar informatie enkel gepolst naar de algemene chef van het ganse korps, hetgeen uiteraard een totaal andere vraag is. XIV-17.594-18/26 Verder beweerde hij na zijn ontslag, meer bepaald in december 1997, bij de directeur-generaal van de politie in Tiranë te zijn geweest om dit ontslag aan te klagen (gehoor CGVS p. 8). Toen hem gevraagd werd naar de naam van de directeur-generaal bij wie hij was geweest en waar hij voordien een afspraak bij gemaakt had, moest hij het antwoord schuldig blijven (gehoor CGVS p. 8 -9). Hij beweerde dat hij zijn naam niet wist omdat er drie of vier directeuren- generaal waren (gehoor CGVS p. 8). Uit informatie waarover het Commissariaat- Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat er slechts één directeur-generaal van de politie is, maar dat er tevens 3 adjuncten zijn. Wanneer men deze optelt komt men uiteraard aan vier directeurs-generaal. Verder dient vastgesteld te worden dat aan de door hem neergelegde geboorteaktes eveneens alle bewijswaarde moet worden toegekend, gezien de bewijskracht van deze stukken (artt. 1322 - 1332 B.W.). Zo verklaarde hij herhaaldelijk in Kastrat, Malësi e Madhe, geboren te zijn (gehoor DVZ vraag 5, zijn door hem neergelegde levensgeschiedenis p. 1, vragenlijst CGVS vraag 6 en gehoor CGVS p. l). Op zijn geboorteakte staat echter te lezen dat u in Jeran, prefectuur (rrethi) Shkoder, gemeente (komuna) Kastrat, district Malêsi e Mazhde, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert en dat de opmerking dat Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn, irrelevant is. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt dat er een dorp Jeran in het district Shkoder, bestaat, hetgeen ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus is uw geboorteakte correct en stelt dat u in Jaran/Jeran, Kastrat, Malësj e Madhe, prefectuur Shkoder, werd geboren. Op de geboorteakte van zijn dochters Klodeta en Esmeralda staat te lezen dat zij geboren zijn in prefectuur Shkoder, stad Shkoder, district Malësi e Madhe (zie geboorteaktes). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe niet alleen afzonderlijke administratieve districten, maar ressorteert het district Malësi e Madhe ook onder de prefectuur Shkoder. Zo dient vastgesteld te worden dat de door hem neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van 1974, doch geactualiseerd in 1993 (na de val van het communisme). Derhalve kunnen de door hem neergelegde geboorteaktes zijn opgemaakt op basis van het geactualiseerde -algemeen bevolkingsregister van
- III.
- In zijn beslissing dd. 14.10.2003 heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen.”; 3.2.3.
- Overwegende dat verzoekster beoogt aan te voeren dat de te haren opzichte genomen beslissing onwettig is, want steunend op een onwettige beslissing, met name deze in verband met haar echtgenoot; dat indien het beroep van haar echtgenoot wordt verworpen de ten aanzien van deze genomen beslissing definitief wordt en verzoekster niet langer de onwettigheid ervan kan aanvoeren; XIV-17.594-19/26 3.
- Wat het beroep van XXX betreft: 3.3.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste en tweede middel aanvoert: “Eerste middel III.
- Schending van de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- Mijn verzoeker heeft zijn asielaanvraag ingediend op 01.
- Pas na bijna vier jaar is er een administratieve beslissing genomen, hetgeen uiteraard geen redelijke termijn meer is om een beslissing te nemen in zijn dossier. Ondertussen is mijn verzoeker compleet uit zijn land ontheemd en is de toestand in zijn land compleet veranderd. Daardoor wordt op heden de toestand - toen hij in België kwam - niet langer bekeken. Mijn verzoeker heeft zijn recht op een correcte en tijdige behandeling zien verloren gaan. Tweede middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en artt. 1322-1332 Burgerlijk Wetboek; III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 24.02.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 29.01.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat kan gesteld worden dat hij het niet aannemelijk maakt zijn land te hebben verlaten vanuit een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald door de Conventie van Genève en dat bepaalde elementen van zijn verklaringen, die de kern van zijn asielrelaas onomstotelijk omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. III.
- Vooreerst verklaarde zijn zoon dat zijn zoon vanaf eind 1991 tot juni 1994 - dus gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar - per correspondentie studies volgde aan de hogere politieschool in Tiranë en dat zijn zoon op 1 februari 1994 als politieman is beginnen werken (gehoor CGVS p. 2). Het Commissariaat- Generaal stelt dat uit informatie blijkt dat door beslissing nr. 405 van de Albanese Ministerraad, dd. 15 september 1992, de politieopleiding volledig hervormd werd. Zo werden alle vorige instanties in september 1992 opgedoekt en vervangen door de "Akademia e Rendit Publik" (Academie van Openbare orde). Door deze hervorming werd de politieopleiding herleid tot een vorming van 4 jaar voor mensen die - net als zijn zoon - de opleiding per correspondentie volgden. Voor deze hervorming duurde de opleiding per correspondentie overigens 5 jaar (in de periode 1986 -1990). Deze opmerking, louter gebaseerd op algemene en theoretische beschouwingen weegt niet op tegen het attest dat zijn zoon naar voor brengt i.v.m. zijn carrière als politieman. Bovendien schendt het Commissariaat-Generaal artt. 1322-1332 B.W. gezien zij de bewijskracht van dit geschreven en niet van valsheid beschuldigd stuk ontkent (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Aangezien bovenstaande vaststellingen zijn bewering dat zijn zoon politieagent was en aldus eveneens de oorsprong van zijn problemen geenszins ontkrachten, moet alle geloof worden gehecht aan zijn beweerde vluchtmotieven. De door hem neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, met name een attest dd. 24 november 1999 waarop staat dat zijn zoon tussen 1 februari 1994 en XIV-17.594-20/26 1 oktober 1997 werkzaam was op het politiecommissariaat in Malësi e Madhe en een attest van de gemeente waarin staat vermeld dat zijn woning werd afgebrand, moeten, gezien de dwingende bewijsregels in het Belgisch recht, weerhouden worden. Verder verklaarde mijn verzoeker dat zijn zoon politieman was bij de opsporingspolitie (policise kriminale) van de regio Malësi e Madhe van 1 februari 1994 tot 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Zijn zoon beweerde in dit verband dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond bij zijn indiensttreding bij de politie van Malësi e Madhe op 1 februari 1994 (gehoor CGVS p. 5). Ook beweerde zijn zoon dat diezelfde XXX eveneens zijn chef was bij de opsporingspolitie bij uw indiensttreding tot zijn ontslag op 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 5). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat XXX in juli 1997 - dus een drietal maanden voor zijn ontslag - aan het hoofd stond van de opsporingspolitie in Malësi e Madhe. Verder blijkt dat dezelfde XXX tijdens zijn dienst in juli 1997 in het centrum van Koplik vermoord werd. Naar aanleiding van dit gewelddadige incident en tengevolge van de dood van XXX werd Salko Ferizaj op 8 augustus 1997 als nieuwe politiecommissaris benoemd. Ferizaj werd toen in het bijzonder benoemd om het politiecommissariaat te reorganiseren en om de criminaliteit in Malësi e Madhe aan te pakken. Deze prima facie tegenstrijdigheid is eenvoudig uit te leggen door het feit dat mijn verzoeker de Heer XXX aanduidde als chef, zijnde zijn directie overste. Het Commissariaat-Generaal heeft in haar informatie enkel gepolst naar de algemene chef van het ganse korps, hetgeen uiteraard een totaal andere vraag is. Verder beweerde zijn zoon na zijn ontslag, meer bepaald in december 1997, bij de directeur-generaal van de politie in Tiranë te zijn geweest om dit ontslag aan te klagen (gehoor CGVS p. 8). Toen hem gevraagd werd naar de naam van de directeur-generaal bij wie zijn zoon was geweest en waar zijn zoon voordien een afspraak bij gemaakt had, moest zijn zoon het antwoord schuldig blijven (gehoor CGVS p. 8 -9). Zijn zoon beweerde dat zijn zoon zijn naam niet wist omdat er drie of vier directeuren-generaal waren (gehoor CGVS p. 8). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat er slechts één directeur- generaal van de politie is, maar dat er tevens 3 adjuncten zijn. Wanneer men deze optelt komt men uiteraard aan vier directeurs-generaal. Verder dient vastgesteld te worden dat aan de door hem neergelegde geboorteaktes eveneens alle bewijswaarde moet worden toegekend, gezien de bewijskracht van deze stukken (artt. 1322 - 1332 B.W.). Zo verklaarde hij herhaaldelijk in Kastrat, Malësi e Madhe, geboren te zijn (gehoor DVZ vraag 5, zijn door hem neergelegde levensgeschiedenis p. 1, vragenlijst CGVS vraag 6 en gehoor CGVS p. l). Op zijn geboorteakte staat echter te lezen dat hij in Jeran, prefectuur (rrethi) Shkoder, gemeente (komuna) Kastrat, district Malêsi e Mazhde, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert en dat de opmerking dat Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn, irrelevant is. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt dat er een dorp Jeran in het district Shkoder, bestaat, hetgeen ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus is uw geboorteakte correct en stelt dat u in Jaran/Jeran, Kastrat, Malësi e Madhe, prefectuur Shkoder, werd geboren. Op de geboorteakte van zijn dochters Klodeta en Esmeralda staat te lezen dat zij geboren zijn in prefectuur Shkoder, stad Shkoder, district Malësi e Madhe (zie geboorteaktes). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe niet alleen afzonderlijke administratieve districten, maar ressorteert het district Malesi e Madhe ook onder de prefectuur Shkoder. Zo dient vastgesteld te worden dat de door hem neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het XIV-17.594-21/26 Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van 1974, doch geactualiseerd in 1993 (na de val van het communisme). Derhalve kunnen de door hem neergelegde geboorteaktes zijn opgemaakt op basis van het geactualiseerde - algemeen bevolkingsregister van
- III.
- In zijn beslissing dd. 14.10.2003 heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staat lozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd., 1994, 95; T. Vreemd. 1994, 56; Rev. Dr. Etr. 1994, 29;”; 3.3.1.
- Overwegende dat uit verzoekers middelen blijkt dat hij aanvoert hetgeen zijn zoon, XXX, in zijn beide middelen heeft aangevoerd; dat het eerste middel om dezelfde redenen als voor het beroep van zijn zoon moet worden verworpen; dat in het tweede middel verzoeker in wezen beoogt aan te voeren dat de te zijnen opzichte genomen beslissing onwettig is, want steunend op een onwettige beslissing met name deze in verband met zijn zoon; dat indien het beroep van de zoon wordt verworpen, de te zijnen opzichte genomen beslissing definitief wordt en verzoeker niet langer de onwettigheid van deze beslissing kan aanvoeren; 3.
- Wat het beroep van XXXbetreft: 3.4.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Eerste middel III.
- Schending van de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- Mijn verzoeker heeft haar asielaanvraag ingediend op 01.11.
- Pas na bijna vier jaar is er een administratieve beslissing genomen, hetgeen uiteraard geen redelijke termijn meer is om een beslissing te nemen in haar dossier. Ondertussen is mijn verzoeker compleet uit haar land ontheemd en is de toestand in haar land compleet veranderd. Daardoor wordt op heden de toestand - toen hij in België kwam - niet langer bekeken. Mijn verzoeker heeft haar recht op een correcte en tijdige behandeling zien verloren gaan.”; 3.4.1.
- Overwegende dat uit verzoeksters eerste middel blijkt dat zij aanvoert hetgeen haar zoon, XXX, in zijn eerste middel heeft aangevoerd; dat om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel dat door verzoeksters zoon in zijn verzoekschrift werd uiteengezet, ook dit middel moet worden verworpen; XIV-17.594-22/26 3.4.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Tweede middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van de Rechten van Verdediging (art. 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 14.10.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 13.12.
- III.
- Het is onjuist en een schending van de rechten van verdediging van mijn verzoeker dat er verwezen wordt naar het interview van haar echtgenoot, de Heer XXX. Mijn verzoekster werd niet geconfronteerd met de - beweerde - tegenstrijdigheden en ongerijmdheden. Dit dossier - en dus ook de beslissing - is vraamd aan haar, zodat het Commissariaat-Generaal niet genoegzaam naar recht kan motiveren, door louter naar het dossier van de echtgenoot te verwijzen.”; 3.4.2.
- Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de rechten van verdediging en van artikel 6 van het E.V.R.M.; dat verzoekster namelijk van oordeel is dat het onjuist is dat er verwezen wordt naar het interview van haar echtgenoot, XXX; dat verzoekster stelt niet geconfronteerd te zijn met de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet louter naar het dossier van haar echtgenoot kan verwijzen; dat uit de bestreden beslissing echter blijkt dat hierin wordt gesteld dat verzoekster haar asielaanvraag op dezelfde motieven als haar zoon, XXX (en dus niet haar echtgenoot zoals zij beweert in haar verzoekschrift), steunt en dat een bevestigende beslissing van weigering van verblijf zich opdringt, daar in hoofde van haar zoon op basis van ernstig bedrieglijke elementen in zijn dossier een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen; dat verzoekster echter niet betwist dat zij haar asielaanvraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar zoon, XXX; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de negatieve beslissing genomen ten aanzien van de asielaanvraag van haar zoon; dat noch artikel 6 van het E.V.R.M., noch het algemeen rechtsbeginsel in verband met het recht van verdediging van toepassing zijn op de louter administratieve procedure in dringend beroep voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.4.3.
- Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “Derde middel III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de XIV-17.594-23/26 Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en artt. 1322-1332 Burgerlijk Wetboek; III.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 24.02.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 29.01.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat kan gesteld worden dat hij het niet aannemelijk maakt haar land te hebben verlaten vanuit een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald door de Conventie van Genève en dat bepaalde elementen van haar verklaringen, die de kern van haar asielrelaas onomstotelijk omvatten, volledig worden ondermijnd door de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. III.
- Vooreerst verklaarde zijn zoon dat zijn zoon vanaf eind 1991 tot juni 1994 - dus gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar - per correspondentie studies volgde aan de hogere politieschool in Tiranë en dat zijn zoon op 1 februari 1994 als politieman is beginnen werken (gehoor CGVS p. 2). Het Commissariaat- Generaal stelt dat uit informatie blijkt dat door beslissing nr. 405 van de Albanese Ministerraad, dd. 15 september 1992, de politieopleiding volledig hervormd werd. Zo werden alle vorige instanties in september 1992 opgedoekt en vervangen door de "Akademia e Rendit Publik" (Academie van Openbare orde). Door deze hervorming werd de politieopleiding herleid tot een vorming van 4 jaar voor mensen die - net als zijn zoon - de opleiding per correspondentie volgden. Voor deze hervorming duurde de opleiding per correspondentie overigens 5 jaar (in de periode 1986 -1990). Deze opmerking, louter gebaseerd op algemene en theoretische beschouwingen weegt niet op tegen het attest dat zijn zoon naar voor brengt i.v.m. zijn carrière als politieman. Bovendien schendt het Commissariaat-Generaal artt. 1322-1332 B.W. gezien zij de bewijskracht van dit geschreven en niet van valsheid beschuldigd stuk ontkent (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Aangezien bovenstaande vaststellingen zijn bewering dat zijn zoon politieagent was en aldus eveneens de oorsprong van zijn problemen geenszins ontkrachten, moet alle geloof worden gehecht aan zijn beweerde vluchtmotieven. De door hem neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, met name een attest dd. 24 november 1999 waarop staat dat zijn zoon tussen 1 februari 1994 en 1 oktober 1997 werkzaam was op het politiecommissariaat in Malësi e Madhe en een attest van de gemeente waarin staat vermeld dat zijn woning werd afgebrand, moeten, gezien de dwingende bewijsregels in het Belgisch recht, weerhouden worden. Verder verklaarde mijn verzoeker dat zijn zoon politieman was bij de opsporingspolitie (policise kriminale) van de regio Malësi e Madhe van 1 februari 1994 tot 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 2, 4, 5, 7 en attest van de politie dd. 24 juni 1999). Zijn zoon beweerde in dit verband dat XXX aan het hoofd van alle politiediensten stond bij zijn indiensttreding bij de politie van Malësi e Madhe op 1 februari 1994 (gehoor CGVS p. 5). Ook beweerde zijn zoon dat diezelfde XXX eveneens zijn chef was bij de opsporingspolitie bij uw indiensttreding tot zijn ontslag op 1 oktober 1997 (gehoor CGVS p. 5). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat XXX in juli 1997 - dus een drietal maanden voor zijn ontslag - aan het hoofd stond van de opsporingspolitie in Malësi e Madhe. Verder blijkt dat dezelfde XXX tijdens zijn dienst in juli 1997 in het centrum van Koplik vermoord werd. Naar aanleiding van dit gewelddadige incident en tengevolge van de dood van XXX werd Salko Ferizaj op 8 augustus 1997 als nieuwe politiecommissaris benoemd. Ferizaj werd toen in het bijzonder benoemd om het politiecommissariaat te reorganiseren en om de criminaliteit in Malësi e Madhe aan te pakken. Deze prima facie tegenstrijdigheid is eenvoudig uit te leggen door het feit dat mijn verzoeker de Heer XXX aanduidde als chef, zijnde zijn directie overste. Het Commissariaat- Generaal heeft in haar informatie enkel gepolst naar de algemene chef van het ganse korps, hetgeen uiteraard een totaal andere vraag is. Verder beweerde zijn zoon na zijn ontslag, meer bepaald in december 1997, bij de directeur-generaal van de politie in Tiranë te zijn geweest om dit ontslag aan XIV-17.594-24/26 te klagen (gehoor CGVS p. 8). Toen hem gevraagd werd naar de naam van de directeur-generaal bij wie zijn zoon was geweest en waar zijn zoon voordien een afspraak bij gemaakt had, moest zijn zoon het antwoord schuldig blijven (gehoor CGVS p. 8-9). Zijn zoon beweerde dat zijn zoon zijn naam niet wist omdat er drie of vier directeuren-generaal waren (gehoor CGVS p. 8). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopje in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat er slechts één directeur- generaal van de politie is, maar dat er tevens 3 adjuncten zijn. Wanneer men deze optelt komt men uiteraard aan vier directeurs-generaal. Verder dient vastgesteld te worden dat aan de door hem neergelegde geboorteaktes eveneens alle bewijswaarde moet worden toegekend, gezien de bewijskracht van deze stukken (artt. 1322 - 1332 B.W.). Zo verklaarde hij herhaaldelijk in Kastrat, Malësi e Madhe, geboren te zijn (gehoor DVZ vraag 5, zijn door hem neergelegde levensgeschiedenis p. 1, vragenlijst CGVS vraag 6 en gehoor CGVS p. l). Op zijn geboorteakte staat echter te lezen dat hij in Jeran, prefectuur (rrethi) Shkoder, gemeente (komuna) Kastrat, district Malési e Mazhde, geboren werd. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de administratieve structuren in Albanië als volgt zijn (van hoog naar laag): prefectuur, district, stad (gemeente), dorp. Betreffende uw geboorteplaats, dient vooreerst te worden bemerkt dat het district Malësi e Madhe onder de prefectuur Shkoder ressorteert en dat de opmerking dat Malësi e Madhe en Shkoder eveneens aparte administratieve districten zijn, irrelevant is. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, blijkt dat er een dorp Jeran in het district Shkoder, bestaat, hetgeen ligt in de gemeente Kastrat in het district Malësi i Madhe. Aldus is uw geboorteakte correct en stelt dat u in Jaran/Jeran, Kastrat, Malësi e Madhe, prefectuur Shkoder, werd geboren. Op de geboorteakte van zijn dochters Klodeta en Esmeralda staat te lezen dat zij geboren zijn in prefectuur Shkoder, stad Shkoder, district Malësi e Madhe (zie geboorteaktes). Zoals hoger reeds vermeld, zijn Shkoder en Malësi e Madhe niet alleen afzonderlijke administratieve districten, maar ressorteert het district Malësi e Madhe ook onder de prefectuur Shkoder. Zo dient vastgesteld te worden dat de door hem neergelegde geboorteaktes op 22 februari 2000 werden opgemaakt op basis van de gegevens uit het algemeen bevolkingsregister van 1993 (zie geboorteaktes). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratief dossier, blijkt echter dat het huidig algemeen bevolkingsregister van Albanië dateert van 1974, doch geactualiseerd in 1993 (na de val van het communisme). Derhalve kunnen de door hem neergelegde geboorteaktes zijn opgemaakt op basis van het geactualiseerde - algemeen bevolkingsregister van
- III.
- In zijn beslissing dd. 14.10.2003 heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R.v.St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd., 1994, 95; T. Vreemd., 1994, 56; Rev. Dr. Etr., 1994, 29;”; 3.4.3.
- Overwegende dat uit verzoeksters derde middel blijkt dat zij aanvoert hetgeen haar zoon, XXX, in zijn tweede middel heeft aangevoerd; dat verzoekster in wezen beoogt aan te voeren dat de te haren opzichte genomen beslissing onwettig is want steunend op een onwettige beslissing, met name deze in verband met haar zoon; dat indien het beroep van de zoon wordt verworpen, de te zijnen opzichte genomen beslissing definitief wordt en verzoekster niet langer de onwettigheid van deze beslissing kan aanvoeren; XIV-17.594-25/26
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vorderingen tot schorsing, als accessoria van de nietigverklaring, derhalve samen met de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 144.054/XIV-17.594, 144.055/XIV-17.595, 144.061/XIV-17.601 en 144.062/XIV-17.602 worden gevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.594-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.