← België

Arrest 168046 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 21/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§2.).”.

2.

  1. XXX, van Servische en Montenegrijnse nationaliteit, is België binnengekomen op 1 november 2005 en heeft zich op 10 november 2005 voor de derde maal vluchteling verklaard. 2.
  2. Op 3 januari 2006 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
  3. Op 27 april 2006 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: XIV-25.704-4/10 “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Roma-zigeuner afkomstig uit de gemeente Gjakovë, Kosovo (Servië-Montenegro). Op 4 juli 2003 hebt u hier voor de eerste maal een asielaanvraag ingediend. Op 29 augustus 2003 werd in deze aanvraag door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Eind 2004 zou u naar Duitsland gegaan zijn om een ziek familielid te bezoeken. Onderweg zou u onderschept zijn door de politie. U hebt op 4 januari 2005 asiel aangevraagd in Duitsland. U zou evenwel de beslissing in uw procedure niet hebben afgewacht en op eigen houtje terug naar België zijn gekomen. Vervolgens hebt u op 31 maart 2005 voor de tweede maal asiel aangevraagd in België. Op 11 mei 2005 besliste de Dienst Vreemdelingenzaken echter om deze aanvraag niet in overweging te nemen. Eind juli 2005 zou u samen met uw vrouw en kinderen en uw nicht XXX (O.V. 5.613.224) naar Montenegro zijn teruggekeerd. Daar aangekomen zou u in Konik, een wijk in de buurt van Podgorica, een kleine woonst gehuurd hebben. Twee of drie dagen later zou u van daaruit samen met uw nicht XXXnaar Kosovo zijn gegaan om zelf vast te stellen hoe de levensomstandigheden er waren. U zou de bus naar Pejë hebben genomen en vervolgens een taxi naar Gjakovë, waar XXX, de dochter van uw broer, nog steeds woont. De volgende dag zouden drie onbekende etnische Albanezen naar de woning van XXX gekomen zijn. Ze zouden zowel XXX, XXXals u geslagen hebben. Ze zouden u gevraagd hebben waarom u naar Kosovo was teruggekeerd. Tevens zouden ze u hebben willen meenemen. De man van XXX zou de etnische Albanezen een som geld hebben betaald opdat ze u met rust zouden laten. Daarna zouden zij terug zijn vertrokken. Diezelfde dag nog zou u vergezeld van de man van XXX naar Bislim Hoti van het Nieuw Democratisch Initiatief van Kosovo gegaan zijn. U zou hem uw situatie en problemen uit de doeken gedaan hebben en hem gevraagd hebben de veiligheid voor u en uw gezin te garanderen. Hij zou u gezegd hebben dat dit niet mogelijk was en dat u er beter aan zou doen om het land te verlaten. De dag nadien zou u samen met XXXterug naar uw vrouw Montenegro zijn gegaan. Na drie of vier weken zou u daar ruzie hebben gehad in een café met twee etnische Albanezen die zich voordeden als politieagenten. De cafébaas zou echter tijdig tussenbeide gekomen zijn zodat erger vermeden kon worden. Bovendien zou u van vrienden hebben opgevangen dat u ook in Montenegro door etnische Albanezen gezocht werd. Ongeveer een maand later zou u samen met uw vrouw en kinderen en uw nicht XXXopnieuw naar België zijn vertrokken omdat er ook in Montenegro voor u geen toekomst zou zijn. In november 2005 zou u opnieuw in België zijn aangekomen. Op 10 november 2005 hebt u hier voor de derde maal een asielaanvraag ingediend. Ter ondersteuning van uw derde asielaanvraag legde u een aanbevelingsbrief van het Nieuw Democratisch Initiatief van Kosovo (IRDK) en een medisch voorschrift neer. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat de opeenvolgende verklaringen, die u respectievelijk op de Dienst Vreemdelingenzaken en op de zetel van het Commissariaat-generaal hebt afgelegd in het kader van uw derde asielaanvraag, niet stroken. Zo verklaarde u in uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u zelf hebt vastgesteld dat uw woning in Gjakovë vernield was (DVZ, vraag 41), terwijl u in dringend beroep beweerde dat het XXX was die u inlichtte over de vernieling van uw huis en dat u uit angst zelf niet bent gaan kijken (CGVS I, blz. 8). Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u 1.500 euro bezat en dat u deze som geld zelf aan uw etnisch Albanese belagers hebt overhandigd (DVZ, vraag 41). Op het Commissariaat-generaal hield u echter vol dat u zelf weinig of geen geld bezat en dat de man van XXX een bedrag van 1.000 tot 1.500 euro betaalde (CGVS I, blz. 9). Voorts verklaarde u in uw eerste interview dat onbekende etnische Albanezen de derde dag van uw verblijf in Kosovo de woning van XXX binnenvielen (DVZ, vraag 41), waar u in uw tweede gehoor zei dat dit feit plaatsvond op de tweede dag van uw verblijf in Kosovo (CGVS I, blz. 9). Daarnaast zijn er een aantal contradicties tussen uw verklaringen en die van uw partner, Gachi Mirjeta. Terwijl u beweerde dat u met een taxi vanuit Montenegro naar Kosovo bent vertrokken (CGVS I, blz. 7), verklaarde uw vrouw dat u de bus had genomen van Podgorica naar Pejë (CGVS Gachi Mirjeta, blz. 7). Voorts stelde zij in totaal ongeveer anderhalve maand in Montenegro te hebben verbleven (CGVS Gachi Mirjeta, blz. 8), daar waar u zegde van eind juli 2005 tot eind oktober 2005, d.i. drie maanden, in Montenegro te hebben verbleven (CGVS I, blz. 5). Verder vermeldde uw partner als XIV-25.704-5/10 enige probleem tijdens uw verblijf in Montenegro een incident waarbij u op straat werd geslagen door etnische Albanezen toen u om sigaretten ging (CGVS Gachi Mirjeta, blz. 8, 9). U maakte tijdens uw verschillende gehoren echter geen gewag van dit feit wanneer u dezelfde vraag werd gesteld. Gevraagd naar problemen tijdens uw verblijf in Montenegro, vermeldde u enkel en alleen een caféruzie met etnische Albanezen die zich voordeden als politieagenten (CGVS I, blz. 10). Verder zijn er ook tal van tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen en die van uw nicht XXX. Zo beweerde u dat uw nicht XXX in Gjakovë, Kosovo samenwoont met haar man, haar drie kinderen en haar schoonvader (CGVS II, blz. 5). Uw nicht verklaarde daarentegen dat zij enkel met haar man en haar twee kinderen onder één dak leeft (CGVS XXXII, blz. 3, 6). Voorts stelde u dat u, toen u van België naar Montenegro terugkeerde, in de voormiddag in Podgorica bent aangekomen (CGVS I, blz. 6), terwijl uw nicht beweerde dat dit in de late namiddag, tussen 17.00 uur en 18.00 uur was (CGVS XXXII, blz. 5). Waar u verklaarde dat er op de grens tussen Montenegro en Kosovo wel degelijk een identiteitscontrole werd uitgevoerd (CGVS I, blz. 7), hield uw nicht vol dat er geen controle was en dat zij overigens van geen enkel identiteitsbewijs in het bezit was (CGVS XXXII, blz. 6). Verder stelde u dat het huis van XXX twee verdiepingen telt, te weten een gelijkvloerse en een eerste verdieping (CGVS II, blz. 5). Uw nicht beweerde daarentegen dat er enkel een gelijkvloerse verdieping was in het betreffende huis (CGVS XXXII, blz. 7). Voorts haalde zij aan dat drie gemaskerde etnische Albanezen omstreeks 23.00 naar de woning van XXX kwamen en dat slechts één van hen de woning effectief is binnengegaan (CGVS XXXII, blz. 7). U situeerde deze gebeurtenis echter rond 16.00 uur en stelde dat twee van de drie etnische Albanezen de woning binnenkwamen en dat zij niet gemaskerd waren (CGVS I, blz. 8, 9). Uw nicht beweerde daarenboven dat zij toen verkracht werd (CGVS XXXII, blz. 7), daar waar u van dit vergrijp op geen enkel moment gewag maakte. Waar u verklaarde dat u daags na de komst van de etnische Albanezen naar Montenegro bent teruggekeerd (CGVS I, blz. 9), hield uw nicht vol dat u samen, na belaagd geweest te zijn door drie etnische Albanezen, nog dezelfde avond naar Montenegro bent teruggekeerd (CGVS XXXII, blz. 7, 8). Tenslotte beweerde zij dat u samen, na van Kosovo naar Montenegro te zijn teruggekeerd, hooguit enkele dagen later opnieuw naar België bent vertrokken (CGVS XXXII, blz. 9). Dit staat in schril contrast met uw verklaring dat u nog ongeveer twee maanden in Montenegro hebt verbleven alvorens opnieuw naar België te komen (CGVS II, blz. 10). Gelet op hetgeen voorafgaat kan er niet het minste geloof gehecht worden aan de door u beweerde terugkeer naar uw land van herkomst na afloop van uw tweede asielaanvraag, noch aan de moeilijkheden die hieruit zouden zijn voortgevloeid. De door u voorgelegde aanbevelingsbrief van het Nieuw Democratisch Initiatief van Kosovo is niet van aard om hetgeen voorafgaat te doen wijzigen. Deze brief is immers gedateerd op 15 september 2005, terwijl u volgens uw verklaringen in juli in Kosovo bent geweest en deze brief daar toen persoonlijk hebt gekregen (CGVS I, blz. 14). Voorts is het hoogst opmerkelijk dat u volgens deze brief tot de Egyptische gemeenschap behoort. U had hiervoor zelf ook geen verklaring maar stelde wel dat u zich naar Egypte zou begeven mocht u werkelijk tot deze gemeenschap behoren (CGVS I, blz. 14). Wat het door u neergelegde (Belgisch) medisch voorschrift betreft, dient gesteld te worden dat medische problemen als dusdanig niet onder het toepassingsgebeid van de Vluchtelingenconventie ressorteren. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat ik ook in het kader van de (derde) asielaanvraag van uw nicht XXX een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen evenwel dat, gezien de situatie in uw land van herkomst, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Servië en Montenegro zou worden teruggeleid. XIV-25.704-6/10 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

2.

  1. XXX, van Servische en Montenegrijnse nationaliteit, is België binnengekomen op 31 maart 2005 en heeft zich op 31 maart 2005 voor de tweede maal vluchteling verklaard. 2.
  2. Op 11 mei 2005 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
  3. Op 27 april 2006 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Roma-zigeunerin afkomstig uit de gemeente Prizren, Kosovo (Servië-Montenegro). Op 23 december 2004 hebt u hier een eerste asielaanvraag ingediend. In het kader van deze asielprocedure nam de Dienst Vreemdelingenzaken op 15 februari 2005 een beslissing van weigering van verblijf. Eind december 2004 zou u naar Duitsland gegaan zijn om een ziek familielid te bezoeken. Onderweg zou u onderschept zijn door de politie. U hebt op 4 januari 2005 asiel aangevraagd in Duitsland. U zou evenwel de beslissing in uw procedure niet hebben afgewacht en op eigen houtje terug naar België zijn gekomen. Vervolgens hebt u op 31 maart 2005 voor de tweede maal asiel aangevraagd in België. U was in het bezit van een kopie van uw paspoort. Nadien, u wist niet meer wanneer, zou u samen met uw man, uw kinderen en de nicht van uw man XXX (O.V. 5.613.224) naar Montenegro zijn teruggekeerd. Daar zou u een kleine woonst gehuurd hebben. Twee dagen na uw aankomst in Montenegro zouden uw man en zijn nicht naar Kosovo gegaan zijn om te kijken of het daar veilig was. Na drie dagen zouden zij echter reeds zijn teruggekeerd omwille van mishandelingen en afpersing door etnische Albanezen. U zou nog ongeveer anderhalve maand in Montenegro verbleven hebben alvorens opnieuw naar België terug te keren. In deze periode zou uw man op straat zijn tegengehouden door enkele etnische Albanezen toen hij om sigaretten ging. Zij zouden hem hebben uitgescholden en geslagen omdat ze hem betichtten van collaboratie met de Serviërs tijdens de oorlog. Nadat een vrouw uit haar huis zou zijn gekomen en beginnen roepen, zouden de etnische Albanezen vertrokken zijn. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat er een aantal tegenstrijdigheden bestaan tussen uw verklaringen en die van uw partner Syla Nusehi. Terwijl u beweerde dat uw man met een taxi vanuit Montenegro naar Kosovo vertrokken is (CGVS, blz. 7), verklaarde uw man dat hij de bus heeft genomen van Podgorica naar Pejë (CGVS I Syla Nusehi, blz. 7). Voorts stelde u dat u in totaal ongeveer anderhalve maand in Montenegro hebt verbleven (CGVS, blz. 8), daar waar uw man zegde van eind juli 2005 tot eind oktober 2005, d.i. drie maanden, in Montenegro te hebben verbleven (CGVS I Syla Nusehi, blz. 5). Verder vermeldde u als enige probleem tijdens uw verblijf in Montenegro een incident waarbij uw man op straat werd geslagen door etnische Albanezen toen hij om sigaretten ging (CGVS, blz. 8, 9). Uw man maakte tijdens zijn verschillende gehoren echter geen gewag van dit feit wanneer hem dezelfde vraag werd gesteld. Gevraagd naar problemen tijdens zijn verblijf in Montenegro, sprak hij enkel en alleen over een caféruzie met etnische Albanezen die zich voordeden als politieagenten (CGVS I Syla Nusehi, blz. 10). Over dit laatste feit repte u dan weer met geen woord. Deze contradicties ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. XIV-25.704-7/10 Aangezien u zich voorts beroept op de motieven die door uw partner werden uiteengezet en ik hieraan niet het minste geloof kan hechten vermits zijn opeenvolgende verklaringen tegenstrijdig zijn en al evenmin stroken met de verklaringen afgelegd door zijn nicht XXX, dringt zich voor u terzake eenzelfde appreciatie op. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen evenwel dat, gezien de situatie in uw land van herkomst, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Servië en Montenegro zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

  1. Over de ontvankelijkheid van de vorderingen tot schorsing. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vorderingen tot schorsing van de tweede en de derde verzoekende partij onontvankelijk zijn wegens gebrek aan een voldoende uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat er evenwel geen noodzaak bestaat om uitspraak te doen over deze exceptie aangezien de beroepen, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dienen te worden verworpen;
  2. Over de gegrondheid van de beroepen. 4.
  3. Overwegende dat de eerste verzoekende partij als enig middel aanvoert: “Aangezien art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 voorschrijft dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten gronde liggen moet vermelden bovendien moet de motivering afdoende zijn; Aangezien in deze diverse buitengewone omstandigheden spelen; Dat verzoeker in België een ruime vriendenkring heeft opgebouwd; Dat verzoeker zowel het Nederlands als het Frans machtig is; Dat gelet op de voorliggende situatie omtrent de buitengewone omstandigheden geen discussie kan bestaan; Dat bij de afweging van de particuliere belangen en openbaar belang voor de evenredigheidscontrole alle relevante omstandigheden van het individuele geval dienen in aanmerking te worden genomen (arrest H.v.J. 3 juli 1980, zaak 157/79, Pieck; Arrest H.v.J. 8 april 1976, zaak 48/75); Dat in casu men dus verplicht is een individuele toetsing te maken en dient over te gaan tot een belangenafweging, en dus niet een loutere toepassing van de wet; Dat een weigering derhalve dient te kaderen in één van de uitzonderingsgevallen van art. 8,2de lid EVRM”; dat de tweede en de derde verzoekende partij in hun onderscheiden verzoekschriften het volgende identiek enig middel aanvoeren: “Aangezien art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 voorschrijft dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten gronde liggen moet vermelden bovendien moet de motivering afdoende zijn; XIV-25.704-8/10 Aangezien in deze diverse buitengewone omstandigheden spelen; Dat verzoeker zowel het Nederlands als het Frans machtig is; Dat gelet op de voorliggende situatie omtrent de buitengewone omstandigheden geen discussie kan bestaan; Dat bij de afweging van de particuliere belangen en openbaar belang voor de evenredigheidscontrole alle relevante omstandigheden van het individuele geval dienen in aanmerking te worden genomen (arrest H.v.J. 3 juli 1980, zaak 157/79, Pieck; Arrest H.v.J. 8 april 1976, zaak 48/75); Dat in casu men dus verplicht is een individuele toetsing te maken en dient over te gaan tot een belangenafweging, en dus niet een loutere toepassing van de wet; Dat een weigering derhalve dient te kaderen in één van de uitzonderingsgevallen van art. 8,2de lid EVRM”; 4.2.
  4. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van de verzoekende partijen besluit omdat tegenstrijdigheden werden vastgesteld tussen hun opeenvolgende verklaringen en tussen hun verklaringen onderling; dat op basis daarvan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit dat niet het minste geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van verzoekers; 4.2.
  5. Overwegende dat verzoekers stellen dat in hun situatie buitengewone omstandigheden aanwezig zijn: dat ze in België een ruime vriendenkring hebben opgebouwd en zowel het Nederlands en het Frans machtig zijn; 4.2.
  6. Overwegende dat het al dan niet aanwezig zijn van buitengewone omstandigheden in het kader van een beroep tegen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf geen element is dat de wettigheid van de bestreden beslissing vermag in vraag te stellen; dat verzoekers de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die hebben geleid tot de conclusies in de bestreden beslissingen op concrete wijze dienen te weerleggen of te verklaren; dat verzoekers de vastgestelde tegenstrijdigheden in hun opeenvolgende en onderscheiden verklaringen weerleggen noch ontkrachten; dat zij geen enkel concreet element aanbrengen waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in onredelijkheid tot zijn conclusies in de bestreden beslissingen is gekomen; dat zij derhalve niet aantonen dat de motiveringsplicht werd geschonden; dat het enig middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vorderingen tot schorsing, als accessoria van de nietigverklaring, derhalve samen met de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: XIV-25.704-9/10 Artikel
  8. De zaken nrs. A. 173.365/XIV-25.704, 173.363/XIV-25.703 en 173.333/XIV-25.688 worden gevoegd Artikel
  9. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-25.704-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.