id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.113 Rolnummer: A. 87990/VII-19868 Zaak: Arrest 168113 - Milieuvergunningen - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:26 Fiche Arrest nr 168.113 van 22 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.113 van 22 februari 2007 in de zaak A. 87.990/VII-19.
- In zake :
- de b.v.b.a. DEBO,
- Hermien BOSTOEN, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Griet VAN STEELANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DEBO en Hermien BOSTOEN op 22 november 1999 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 14 oktober 1999 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ardooie van 17 mei 1999, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de b.v.b.a. DEBO Tuinbouwbe- drijf, voor het exploiteren van een tuinserre, gelegen te Koolskamp-Ardooie, Holdestraat 22, voor een termijn van twintig jaar, wordt ingewilligd en de gevraagde vergunning wordt geweigerd "alsook van het eraan voorafgaand advies van de provinciale milieuvergunningscommissie van West-Vlaanderen, verleend in zitting van 3 september 1999"; Gelet op het arrest nr. 87.981 van 15 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, ingediend door de tweede verzoekster, wordt verworpen; VII-19.868-1/15 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de tweede verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 september 2000; Gelet op de beschikking van 19 september 2000 die de tussenkomst van Griet VAN STEELANT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur S. VANPARIJS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. DE PRETER die, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-19.868-2/15 1.
- De eerste verzoekende partij heeft langs de Holdestraat 22 te Koolskamp-Ardooie een reeds vervallen landbouwbedrijf aangekocht, kadastraal bekend sectie A, nrs. 450h en 438/b, c en d. De hoevegebouwen (nr. 450h) zijn gelegen aan de ene kant van de Holdestraat en de akkers met een oude loods langs de andere kant. De tweede verzoekster is de dochter van de enige bestuurder van de b.v.b.a. DEBO (een éénpersoonsvennootschap), met name Gilbert BOSTOEN. 1.
- Op 5 februari 1999 wordt door de b.v.b.a. TUINBOUWBEDRIJF DEBO-Gilbert BOSTOEN een aanvraag ingediend strekkende tot het bekomen van een milieuvergunning voor de exploitatie van een inrichting op het voormelde perceel aan de Holdestraat 22 te Ardooie met als voorwerp een tuinbouwserre. De milieuvergunningsaanvraag wordt op 8 februari 1999 ontvankelijk en volledig verklaard. 1.
- Bij besluit van 17 mei 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ardooie wordt aan de b.v.b.a. TUINBOUWBEDRIJF DEBO-Gilbert BOSTOEN de gevraagde vergunning verleend voor een termijn van twintig jaar. De vergunning wordt verleend voor de volgende rubrieken, aldus het besluit : "
- : Het lozen van niet in de rubrieken 3.
- en 3.
- begrepen huishoudelijk afvalwater herkomst : sanitaire voorzieningen personeel in loods voor het sorteren van tomaten hoeveelheid : afkomstig van 3 personen max. 0,03 m³/uur, 0,09 m³/dag - 18 m³/jaar lozing : via septische put in een buis naar de gracht aan de Zwevezeelsestraat 12.3.
- : Vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren door middel van toestellen met een geïnstalleerd totaal vermogen van meer dan 5 kW aard en vermogen : batterijlader voor het opladen van accu's van de elektrische heftruck 16.3.2.
- : Inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen (samenpersen, ontspannen), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 10 kW aard en vermogen : een koelgroep (4,5 kW) en een compressor (1,1 kW) totaal vermogen : 5,6 kW 17.3.5.
- : Opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen, met een totaal inhoudsvermogen van meer dan 5.000 lt tot en met 100.000 lt aard en hoeveelheid : 12.000 lt petroleum in een bovengrondse dubbelwandige tank VII-19.868-3/15 17.3.6.
- : Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55/C maar dat 100/C niet overtreft, met een totaal inhoudsvermogen van meer dan 20.000 lt tot en met 500.000 lt aard en hoeveelheid : 36.000 lt mazout in bovengrondse, dubbelwandige tank en 4900 lt mazout in bovengrondse dubbelwandige tank 29.5.3.
- : Inrichtingen voor het thermisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal met een thermisch vermogen van meer dan 10 kW tot en met 200 kW aard en vermogen : elektrische laspost met een vermogen van 11 kVA 43.1.
- : Verbrandingsinstallaties zonder elektriciteitsproductie (stookinstallaties e.d.) met een warmtevermogen van meer dan 500 kW tot en met 5.000 kW aard en vermogen : stookinstallatie op mazout (1.395 kW) en 9 CO2-branders (93 kW elk) totaal vermogen : 2.232 kW Opmerking : Rubriek 28.1.f.
- : opslagplaatsen van kunstmest met een opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, werd aangevraagd. De exploitant zal echter slechts maximaal 5 ton kunstmest opslaan, wat een niet-ingedeelde hoeveelheid is. Deze rubriek wordt daarom niet verder in beschouwing genomen. Voor de laspost werd rubriek 29.5.
- mechanisch behandelen van metalen voorwerpen aangevraagd. Rubriek 29.5.
- thermisch behandelen lijkt meer van toepassing. Op het bedrijf zijn ook volgende niet-vergunningsplichtige stoffen/installaties aanwezig : Opslag van maximaal 5 ton kunstmest, opslag van maximaal 200 kg/l pesticiden gebruikt bij de slateelt, 1 bedrijfsvoertuig (elektrische hef-truck), 3.000 kg papier, kleine motoren (verluchtingsmotoren en trieermachine)". De inrichting zou voortaan omvatten : "- het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater met een debiet van max. 0,03 m3/uur, 0,09 m³/dag en 18 m³/jaar - een batterijlader : 6,5 kW - een koelgroep: 4,5 kW - een compressor: 1,1 kW - opslag van max. 12.000 liter petroleum in bovengrondse houder - opslag max. 36.000 liter mazout in bovengrondse houder - opslag mazout in bovengrondse houder max 4.900 liter - elektrische laspost: 11 kVA (niet-ingedeeld) - stookinstallatie op mazout: 1.395 kWth en 9 CO2-branders : elk 93 kWth". 1.
- Tegen betreffend besluit wordt door Wim TALLOEN, Griet VAN STEELANT en Mario BALLIEU beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 1.
- - Ten aanzien van het beroep wordt op 9 juli 1999 gunstig geadviseerd door de afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. VII-19.868-4/15 - Ten aanzien van het beroep wordt op 14 juli 1999 een ongunstig advies verleend door de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. - Uit het schrijven van 14 juli 1999 van de Vlaamse Milieumaatschappij, waarin wordt gesteld dat vermits het beroepschrift niet handelt over de lozing van afvalwater of luchtemissies, blijkt dat ze geen advies dient uit te brengen. - Op 3 september 1999 wordt door de Provinciale Milieuvergunningscommissie een gunstig advies verleend ten opzichte van het ingediende beroep. Het betreft in casu de tweede bestreden beslissing. 1.
- Met het thans bestreden besluit van 14 oktober 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen wordt het door Wim TALLOEN, Griet VAN STEELANT en Mario BALLIEU ingediende beroep tegen de beslissing van 17 mei 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ardooie gegrond verklaard, wordt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen opgeheven en de vergunning geweigerd;
- De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is ingesteld door tweede verzoekster Hermien BOSTOEN 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt wat volgt : "A. ONTVANKELIJKHEID In voormeld arrest nr. 87.981 heeft de Raad van State duidelijk gesteld dat de vordering vanwege mevr. BOSTOEN onontvankelijk is. Deze conclusie blijft uiteraard onverkort gelden bij het verzoek tot nietigverklaring"; 2.
- Overwegende dat de tweede verzoekster niet de aanvraagster is van de door het bestreden besluit geweigerde milieuvergunning; dat zij zich beroept op de hoedanigheid van toekomstige uitbaatster; Overwegende dat enkel de huidige uitbater van de betrokken inrichting of, indien de inrichting nog niet in werking is, de aanvrager van de geweigerde vergunning, de vereiste hoedanigheid heeft om de aan die inrichting of aanvraag verbonden vorderingsrechten uit te oefenen; dat het beroep ingediend door de tweede verzoekster onontvankelijk is; dat het dienvolgens niet nodig is de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep VII-19.868-5/15 in hoofde van dezelfde verzoekster wegens gemis aan belang -begrip dat onderscheiden moet worden van het begrip hoedanigheid- en het verweer daarop vanwege de verzoekende partijen, te onderzoeken; Overwegende dat, waar verder in dit arrest wordt gesproken over de verzoekende partij, dan ook uitsluitend de eerste verzoekende partij wordt bedoeld;
- De ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 3 september 1999 Overwegende dat de tussenkomende partij terecht opwerpt dat bovenvermeld advies niet bindend is en zodoende geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling uitmaakt; dat dienvolgens het beroep gericht tegen het bedoelde advies niet ontvankelijk is;
- De gegrondheid van het beroep 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert wat volgt : "Het bestreden besluit en het eraan voorafgaand advies schenden de art. 2, §1, van het decreet ruimtelijke ordening dd. 22 oktober 1996, art. 11, 4.1 van het gewestplannenbesluit van 28 december 1972, art. 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en de art. 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991, alsmede het beginsel van de materiële motiveringsplicht. Het advies van de provinciale milieuvergunningscommissie, letterlijk overgenomen door de bestendige deputatie in het bestreden besluit, overweegt : 'Overwegende dat uit de plannen blijkt dat het geen bestaand serrebedrijf is; dat voor dergelijke nieuwe bedrijven de afstandregels gelden van het art. 11.4.
- van het KB 28.12.1972 namelijk een afstand van 300 m ten overstaan van het woongebied; dat deze afstandregels niet gerespecteerd worden en de voorgestelde inplanting dus niet overeenkomt met de goede ruimtelijke ordening'. Nochtans bepaalt art. 11, 4.1 van het gewestplannenbesluit wat volgt : '(...) Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven (...)'. Omtrent die bepaling zegt Uw Raad in het arrest Van Moorleghem nr. 71.277 dd. 28 januari 1998 wat volgt : VII-19.868-6/15 'dat de bepaling een afstand oplegt voor de gebouwen voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter, eensdeels, en voor de gebouwen voor intensieve veeteelt, anderdeels; dat voor de gebouwen voor intensieve veeteelt het gegeven dat het bedrijf grondgebonden is dienvolgens niet relevant lijkt; dat aangezien verzoekers bestaand bedrijf een aan de grond gebonden agrarisch bedrijf is zonder industrieel karakter en ook geen bedrijf van intensieve veeteelt, een uitbreiding met een gebouw voor intensieve (pluim)veeteelt lijkt te moeten gebeuren met eerbiediging van de in het artikel voorgeschreven afstanden'.
- Wat de vestiging van nieuwe bedrijven betreft in het agrarisch gebied, geldt de afstandregel dus enkel wanneer het gaat, ofwel om een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf met industrieel karakter, ofwel om een intensief veeteeltbedrijf, onverschillig of het al of niet grondgebonden is. Het tweede alternatief komt te dezen niet ter sprake. Wat het eerste alternatief betreft, stellen het advies en het besluit enkel vast dat het om een nieuw serrebedrijf gaat. Meer niet. Die enkele vaststelling laat echter niet toe op wettige wijze te besluiten dat de ingeroepen afstand(s)bepaling zou van toepassing zijn. Die afstandregel is immers slechts toepasselijk wanneer het nieuwe bedrijf, dat geen intensief veeteeltbedrijf is, a. niet aan de grond gebonden is én b. een industrieel karakter heeft. Het voorhanden zijn van deze dubbele cumulatieve voorwaarde blijkt niet uit het bestreden advies en het bestreden besluit, zodat niet op wettige wijze kon geadviseerd, resp. beslist worden dat te dezen de ingeroepen afstandregeling van toepassing is.
- Overigens, en louter ten overvloede, werd in de overgelegde nota aangevoerd dat het noch een niet-grondgebonden, noch een industrieel, noch een nieuw bedrijf betreft, zodat er ook materieelrechtelijk geen enkele ruimte was om aan te nemen dat de ingeroepen afstandregel van toepassing is. 2.
- Omtrent het substantieel grondgebonden karakter van de voorgenomen activiteit, werd in de neergelegde nota o.m. het navolgende aangevoerd : 'Een bedrijf is niet (meer) grondgebonden wanneer de grond in geen enkel opzicht nog enig belang vertoont voor het productieproces, doch nog enkel - of toch hoofdzakelijk - enig belang vertoont als onvermijdelijke vestigingsplaats (omdat een gebouw nu eenmaal niet in de lucht kan zweven). De BVBA DEBO neemt zich voor aldaar onder glas tomaten en salade te produceren in volle grond (geen sprake dus van zgn. hydrocultuur), zoals dit trouwens nu reeds gebeurt in open lucht. Verre van bijkomstig is de grond te dezen dus een volstrekt onmisbare productiefactor. Zonder grond niet één kilo tomaten en niet één krop sla'. Er werd door de klagers aangevoerd dat, vermits voor het bekomen van een bouwvergunning een openbaar onderzoek noodzakelijk was ingevolge art. 3.6/ K.B. dd. 6 februari 1971, het om een werkplaats gaat en mitsdien niet meer om een grondgebonden activiteit. Die redenering gaat uiteraard niet op, zoals aangetoond in gezegde nota als volgt : 'Dat de activiteit niet meer zal gebeuren 'in open lucht' is volstrekt irrelevant voor de beoordeling van het al dan niet grondgebonden karakter ervan. Voor een activiteit in open lucht is overigens per definitie ... geen bouwvergunning nodig ! Doordat ter stimulering en intensivering van het productieproces een glas-gebouw wordt opgetrokken, is er een bouwvergunning noodzakelijk En omdat zulk een serre van meer dan 300 m² te aanzien is als een 'werkplaats' in de zin van art. 3.6/ van het K.B. dd. 06 februari 1991, heeft de Raad van State beslist dat de aanvraag daartoe aan een openbaar onderzoek is onderworpen, echter niet omdat de arbeid geen betrekking meer zou hebben op een aan de grond gebonden productie, maar enkel omdat er in die ruimte nu eenmaal gewerkt wordt. De beroepers doen dus volkomen ten onrechte beroep op de arresten VII-19.868-7/15 Minnaert nrs. 48.541 en 52.131 dd. 12 juli 1994, resp. 31 maart
- De 'werkplaats' van art. 3.6/ K.B. 06 februari 1971 valt niet samen met het industrieel, resp. ambachtelijk bedrijf van het gewestplannenbesluit van 28 december
- Die begrippen hebben telkens een eigen autonome betekenis'. Door er op te wijzen dat na de bouw van de serre de tuinbouwactiviteit, net als thans, zal blijven gebeuren in volle grond, wou de bvba Debo er de aandacht op vestigen dat het niet eens de bedoeling is over te schakelen naar hydrocultuur. Er werd immers ooit beweerd dat de hydrocultuur daar niet meer zou onder vallen, maar een niet-grondgebonden industriële activiteit zou geworden zijn. De Raad van State heeft echter ook die bewering resoluut van de hand gewezen in het arrest Dekkers, nr. 44.777 dd. 28 oktober 1993 en gesteld dat hydrocultuur niets anders is dan een vorm van tuinbouw. In die zaak ging het om een aanvraag voor een serre met loods van meer dan 13.000 m², weze dus nog aanzienlijk groter dan deze, voorwerp van de huidige aanvraag. Uit het arrest blijkt dat het een serre betrof met afmetingen van ongeveer 104 x 135 meter en een kroonlijsthoogte van 4 meter en een nokhoogte van 5,10 meter. In strijd met wat werd beweerd, heeft het arrest Dekkers niet beslist op grond van een motiveringsgebrek. Uw Raad verwierp in tegendeel de annulatievraag omdat 'de verzoekende partijen niet aantonen dat de litigieuze bouwwerken daaronder begrepen zijn', ttz. dat ze zouden leiden tot de creatie van een niet-grondgebonden bedrijf (met industrieel karakter). 2.
- Dat het evenmin om een bedrijvigheid met industrieel karakter gaat, werd als volgt toegelicht : 'Dit tweede aspect moet zelfs niet eens meer worden onderzocht. Het komt immers maar aan de orde wanneer het inderdaad gaat om een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, quod non in casu. Maar er kan, subsidiair, hoe dan ook geen sprake zijn van een 'industrieel karakter'. Hoewel nergens in het gewestplannenbesluit omschreven, staat die term in polarisatie met het louter ambachtelijk bedrijf, begrip dat ook nergens wordt gedefinieerd, wat volgens het arrest van de Raad van State nr. 20.541 dd. 24 juni 1980 meebrengt dat die term in zijn gebruikelijke betekenis moet worden genomen 'm.n. een bedrijf waarin het handwerk primeert, wat het gebruik van machines niet uitsluit'. Daartegenover staan de industrieën, zijnde de ondernemingen waarvan de machines de bovenhand halen op het handwerk en op de interventie van de mens (... fabrieksmatige reproductieactiviteit). Met het voorgenomen serrebedrijf kan men een redelijk gezinsinkomen verwerven. De arbeid is hoofdzakelijk manueel en er wordt nauwelijks op hulpkrachten beroep gedaan. Hoe kan men zoiets in redelijkheid een industrieel complex noemen !? Het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal van van Dale, 12-de uitgave, definieert op blz. 1254 'industrie' als 'fabrieksmatige productie'! 2.
- En dat het evenmin om een nieuw bedrijf gaat, maar om een bestaand, werd als volgt toegelicht : 'Het gaat bovendien wel degelijk om een reeds bestaand bedrijf, waarop hoe dan ook geen afstandsregels van toepassing zijn. Het bedrijf wordt immers nu reeds geëxploiteerd als openlucht- groentenbedrijf. De enkele omstandigheid dat naar een andere cultuurtechniek wordt overgeschakeld, noch dat daarvoor nieuwe gebouwen nodig zijn, heeft voor gevolg dat het zou gaan om een nieuw gebouw in de zin van art. 11, 4.1 gewestplannenbesluit. Ook dit werd reeds beslist door de Raad van State, o.m. in het arrest nr. 38.203 dd. 28 november 1991 dat considereert : VII-19.868-8/15 'Overwegende dat uit de aangehaalde bepaling volgt dat binnen de afstand van 300 m of 100 m, 1/ geen nieuwe gebouwen mogen worden opgetrokken om te starten met een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf, 2/ in bestaande agrarische gebouwen evenwel mag worden gestart met een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf, 3/ uiteraard een bestaand niet (aan) de grond gebonden agrarisch bedrijf mag worden voortgezet, 4/ een bestaand niet aan de grond gebonden bedrijf mag worden uitgebreid, ook wanneer daarvoor nieuwe gebouwen nodig zijn, 5/ het tijdstip waarop het agrarisch bedrijf, het weze een gewoon agrarisch bedrijf of een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf, als zodanig moet bestaan, het tijdstip is waarop in het ontwerp-gewestplan of in het gewestplan een woongebied of woonuitbreidingsgebied wordt aangeduid naast het agrarisch woongebied, 6/ een agrarisch bedrijf dat na dat tijdstip tot niet aan de grond gebonden bedrijf wordt omgevormd, niet mag uitbreiden in nieuwe gebouwen'. Er is dus geen enkel probleem wanneer op een bestaand grondgebonden bedrijf nieuwe gebouwen worden opgericht om dezelfde activiteit voort te zetten en/of te investeren'.
- Door over dit alles niets of boudweg in tegenstrijdige zin te adviseren, resp. te beslissen, is niet alleen aan de formele en materiële motiveringsplicht niet voldaan, maar werden zelfs de essentiële voorwaarden om de ingeroepen afstandregel toepasselijk te achten, niet eens vastgesteld"; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie betoogt dat zowel de afdeling Land als de afdeling ROHM duidelijk hebben gemaakt waarom het hier een nieuw bedrijf betreft, dat dit ook duidelijk is aangegeven op het uitvoeringsplan, dat waar de verzoekende partij het industrieel karakter betwist uit het advies van de afdeling ROHM blijkt dat het hier wel degelijk een niet aan de grond gebonden nieuw tuinbouwcomplex betreft dat door zijn schaal een uitgesproken industrieel karakter heeft, dat in het bestreden besluit duidelijk wordt verwezen naar dit advies en naar de schaal en omvang van het serrecomplex, dat in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen de bevoegde minister de afstandsregel van artikel 11.4.
- van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972 als volgt becommentarieert : "dit zijn bedrijven waarvan de landbouwproductie werkelijk industriële afmetingen aanneemt en er de kenmerken van vertoont. Hiermee zijn hoofdzakelijk grote glastuinbouwbedrijven bedoeld", dat zowel het advies van AROHM als het bestreden besluit voldoende duidelijk maken dat voorliggende aanvraag met een serrecomplex van ca. 13.000 m² hieronder valt, dat de verzoekende partij niet ontkent dat de inrichting niet kan voldoen aan de in artikel 11.4.
- van het inrichtingsbesluit bedoelde afstandsregel, omdat ze manifest dichter ligt dan 300 meter bij het woongebied, en dat AROHM terecht aangeeft dat de afstandsregels van artikel 11.4.
- bedoeld zijn om het woon- en leefklimaat van de woongebieden te respecteren; VII-19.868-9/15 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst in essentie betoogt dat zeer terecht in de beide bestreden beslissingen wordt overwogen dat het bedrijf van de b.v.b.a. DEBO aan de afstandsregel van artikel 11.4.
- van het inrichtingsbesluit is onderworpen en dat de in deze bepaling opgenomen afstandsregel niet werd gerespecteerd, dat de verzoekende partij er zich over beklaagt dat de bestreden beslissing niet afdoende verantwoordde waarom dit het geval was, dat nochtans uit het dossier van de verzoekende partij zelf blijkt dat ze kennis heeft van alle adviezen die aan de eerste bestreden beslissing ten grondslag liggen en onder meer ook van het advies van AROHM waarnaar in de weigeringsbeslissing uitdrukkelijk wordt verwezen, dat zelfs indien de Raad van State de mening zou toegedaan zijn dat de summiere motivering in de eerste bestreden beslissing ontoereikend zou zijn, quod non, dan nog zulks niet gezegd kan worden van het advies van AROHM, dat de verwijzing in de motivering naar een voorbereidende handeling een afdoende motivering is indien blijkt dat a) verzoekende partij kennis heeft van het onderliggend stuk, b) kwestieus advies zelf afdoende gemotiveerd is en c) het advies is bijgevallen in de uiteindelijke weigeringsbeslissing, dat aan al deze voorwaarden in casu is voldaan, zodat er van een motiveringsgebrek geen sprake kan zijn, dat terecht in de omzendbrief van 8 juli 1997 wordt gesteld dat te beschouwen zijn als "gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter ... bedrijven waarvan de landbouwproductie werkelijk industriële afmetingen aanneemt en er de kenmerken van vertoont. Hiermee zijn hoofdzakelijk grote glastuinbouwbedrijven bedoeld ...", dat in de bestreden beslissingen en het daaraan onderliggende advies van de AROHM omstandig wordt gemotiveerd dat de vooropgestelde inrichting door zijn schaal en zijn aard een uitgesproken industrieel, niet grondgebonden karakter heeft en bovendien nieuw is, dat naar haar mening een grondgebonden activiteit een activiteit in openlucht inhoudt, dat een serrecomplex nooit als een grondgebonden activiteit kan worden beschouwd, ongeacht of er al dan niet hydro-cultuur wordt aangewend, dat het uitsluitend "overdekt" karakter van industriële tuinbouwactiviteit van de b.v.b.a. DEBO maakt dat het gaat om een niet grondgebonden activiteit en dat de verwijzing naar het arrest nr. 44.777 van 28 oktober 1993 onterecht is, precies omdat in de bestreden beslissingen en het daaraan onderliggende advies van AROHM afdoende wordt gemotiveerd waarom het bedrijf van de verzoekende partij aan de afstandsregel onderworpen is; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie repliceert dat het onmiskenbaar gaat om een grondgebonden agrarische activiteit, dat eens dit is uitgemaakt het volstrekt niet meer VII-19.868-10/15 pertinent is te onderzoeken of het ook nog om een nieuwe activiteit gaat en of die activiteit al dan niet industrieel van aard is, dat het overigens moet gaan om een nieuw bedrijf, een bedrijf of bedrijvigheid die er voorheen niet was, dat te dezen er wel degelijk een bestaand land- en tuinbouwbedrijf is, met dien verstande dat de tuinbouwteelt thans in open lucht geschiedt, dat het veranderen van techniek niet voor gevolg heeft dat het om een nieuw opgericht bedrijf gaat, evenmin de omstandigheid dat de verouderde gebouwen zullen plaats ruimen voor nieuwe, dat het industrieel karakter van een bedrijvigheid niet wordt bepaald door zijn schaal in ruimtelijke of territoriale zin, dat indien de productie vooral op machinaal-artificiële wijze wordt gerealiseerd er sprake is van een industrieel bedrijf, dat de aard van de productiemiddelen dus belangrijk is, dat, zoals een activiteit niet ophoudt grondgebonden te zijn wanneer over de planten een beschermend plastiek zeil wordt aangebracht, zo de tuinbouwactiviteit evenmin ophoudt grondgebonden te zijn omdat boven de teeltgrond een glasconstructie wordt opgericht, dat in geval van een individuele bestuurshandeling de adressaat in de akte zelf, of in de eraan gehechte en gelijktijdig ter kennis gebrachte derden-adviezen, de afdoende motivering ervan kunnen vernemen, dat het geen belang heeft dat de adressaat nadien door een eigen zoektocht desgevallend die adviezen kan te pakken krijgen, dat het bestuur het stuk ter kennis moet brengen en zulks ten laatste samen met het besluit zelf en dat het niet de plicht van de bestuurde is achteraf het stuk te gaan opzoeken; 4.5.
- Overwegende dat in casu het decisief weigeringsmotief is dat de betrokken inrichting niet voldoet aan de afstandsregel van 300 meter tot een woongebied, zoals vastgelegd bij artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen; dat evengenoemd artikel 11.4.
- onder meer bepaalt wat volgt : "(...) Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. (...)"; dat uit deze bepaling blijkt dat de afstandsregels enkel gelden voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt en dat zij niet van toepassing zijn voor de uitbreiding van bestaande bedrijven; VII-19.868-11/15 Overwegende dat dienvolgens, indien een vergunningverlenende overheid bijgevolg gebruik maakt van de afstandsregels van voormeld artikel om een vergunning te weigeren, zoals in casu het geval is, uit de motivering van de bestreden beslissing dient te kunnen worden opgemaakt in hoeverre is voldaan aan de voorwaarden om van betreffende afstandsregels toepassing te maken; dat aangezien het in casu duidelijk niet om een bedrijf voor intensieve veeteelt gaat, noch om de uitbreiding van een bestaand bedrijf, uit de motivering van de bestreden beslissing moet kunnen worden afgeleid in hoeverre de kwestieuze inrichting kan gekwalificeerd worden als een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf met industrieel karakter; Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat de overkant van de straat woongebied is; dat het bedrijf zelf gelegen is in agrarisch gebied; dat de omgeving dus een gemengd karakter heeft; Overwegende dat het voorgesteld complex ruimtelijk-landschappelijk een fundamentele ingreep betekent in de bestaande natuurlijke structuur; dat de schaal en het aspect van dit geplande bedrijfscomplex vreemd is aan de bestaande plaatselijke ordening; dat met het ontworpen serrecomplex een terreinbezetting wordt beoogd die onaanvaardbaar hoog ligt en die geen enkele ruimte laat voor het op een verantwoorde wijze landschappelijk inkleden van streekeigen groen; dat dergelijke landschappelijke inkleding inhoudt dat een groenzone moet kunnen voorzien worden die voldoende substantieel is en een volume groen teweeg brengt; Overwegende dat uit de plannen blijkt dat het geen bestaand serrebedrijf is, dat voor dergelijke nieuwe bedrijven de afstandsregels gelden van het art. 11.4.
- van het KB 28.12.1972 namelijk een afstand van 300 m ten overstaan van het woongebied; dat deze afstandregels niet gerespecteerd worden en de voorgestelde inplanting dus niet overeenkomt met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat gelet op de ingesloten ligging ook de verkeershinder zal toenemen; dat het serrecomplex niet geïsoleerd gelegen is; Overwegende dat het ongunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, luidende als volgt : 'Adviseert de inrichting gunstig omdat voldaan is aan de vereiste milieutechnische voorwaarden. De bezwaren hebben betrekking op stedenbouwkundige aspecten en op verkeersveiligheid', niet kan in aanmerking worden genomen en wordt weerlegd door bovenstaande overwegingen van vooral stedenbouwkundige aard; Overwegende dat de elementen aangebracht door de beroepers gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden : 'Het betreft een in belangrijke mate stedenbouwkundig dossier. Het voorgesteld complex is niet verenigbaar met afstandsregels en onmiddellijke omgeving. De Bestendige Deputatie heeft ongunstig beslist over het bouwberoep. Er is geen uitbreiding van het vroeger bedrijf. Het is ook geen grondgebonden bedrijf. Niet alle agrarische activiteiten kunnen in agrarisch gebied. Bij een milieuvergunningsaanvraag moet ook stedenbouwkundige verenigbaarheid onderzocht worden'; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden : 'Alles concentreert zich rond stedenbouwkundige aspecten. Op gebied VII-19.868-12/15 van milieuhinder is er niets aan te merken. Een milieuvergunningsaanvraag gaat enkel over milieuhinder. Er was geen eigen inbreng van de Bestendige Deputatie bij de weigeringsbeslissing omtrent het bouwberoep. Bij een milieuvergunningsaanvraag moet enkel de bestemming worden gecontroleerd. De goede plaatselijke ruimtelijke ordening heeft niets te maken met de milieuvergunningsprocedure. Daarvoor is er de koppeling van de bouw- en milieuvergunning. Nu moet er enkel geoordeeld worden over de milieuaspecten. Een tuinbouwbedrijf moet toch kunnen in agrarisch gebied. Waar moet dit bedrijf anders naartoe? Nu wordt er ook geteeld maar in open lucht. Nu wordt er enkel een serre gebouwd. De oppervlakte van het complex is 11.000 m² (1 ha op 1,5 ha). Het huidig ontwerp werd ongunstig geadviseerd. Er zal misschien een nieuw ontwerp worden ingediend'; Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen, inzonderheid deze van stedenbouwkundige aard; Overwegende dat bijgevolg het beroep gegrond is omwille van bovenvermelde - hoofdzakelijk stedenbouwkundige - motieven"; 4.5.
- Overwegende dat in die motivering, die een overname is van het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, niet wordt duidelijk gemaakt waarom de exploitatie van een tuinbouwserre waarbinnen blijkbaar tomaten en sla in volle grond worden geproduceerd, in casu kan worden gekwalificeerd als een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf met industrieel karakter; 4.5.
- Overwegende dat in hun memorie de verwerende en de tussenkomende partij betogen dat uit het advies van de afdeling ROHM blijkt dat het hier wel degelijk een niet aan de grond gebonden nieuw tuinbouwcomplex betreft dat door zijn schaal een uitgesproken industrieel karakter heeft en dat in het bestreden besluit duidelijk naar dit advies wordt verwezen, zodat de bestreden beslissing wel afdoende is gemotiveerd; dat wordt vastgesteld dat in de aanhef van het bestreden besluit wordt "gelet op" het ongunstig advies ten aanzien van het beroep van de afdeling Milieuvergunningen van 14 juli 1999 en op de ten aanzien van het beroep gunstige adviezen van de AROHM van 9 juli 1999 en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 3 september 1999; dat deze formulering geenszins inhoudt dat de steller van het besluit de inhoud van de adviezen waarop wordt "gelet" en waarvan de inhoud overigens niet is weergegeven, tot de zijne maakt; dat dit des te meer klemt nu het gaat om adviezen die wel degelijk tegenstrijdig zijn; dat dienvolgens, en daargelaten de vraag of het advies van de afdeling ROHM dienaangaande een afdoende motivering bevat, de argumentatie van de verwerende en de tussenkomende partij niet kan worden aangenomen; dat het betoog van de tussenkomende partij dat de verzoekende partij kennis had van de inhoud van de adviezen dan ook geen relevantie vertoont; VII-19.868-13/15 4.5.
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat uit de motivering van het bestreden besluit niet kan worden afgeleid in hoeverre aan de essentiële voorwaarde tot toepassing van de in artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en opgelegde afstandsregel is voldaan; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen in hoofde van Hermien BOSTOEN. Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van West- Vlaanderen van 14 oktober 1999 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ardooie van 17 mei 1999, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de b.v.b.a. DEBO Tuinbouwbedrijf, voor het exploiteren van een tuinserre, gelegen te Koolskamp- Ardooie, Holdestraat 22 voor een termijn van twintig jaar, wordt ingewilligd en de gevraagde vergunning wordt geweigerd. Artikel
- Het beroep in hoofde van de b.v.b.a. DEBO wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- VII-19.868-14/15 De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de tweede verzoekster. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen voor de helft ten laste van de verwerende partij, en voor de helft ten laste van de tweede verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.868-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.113 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.981 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div