← België

Arrest 168115 - Milieuvergunningen - 22/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.115 Rolnummer: A. 177274/VII-36597 Zaak: Arrest 168115 - Milieuvergunningen - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 06:26 Fiche Arrest nr 168.115 van 22 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.115 van 22 februari 2007 in de zaak A. 177.274/VII-36.597. In zake : Erik GRENE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34/1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erik GRENE op 29 september 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2006 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 23 februari 2006, houdende het weigeren van de vergunning aan verzoeker voor het veranderen van de varkenshouderij, gelegen aan de Langstraat 80 te Linter-Neerhespen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2007; VII-36.597-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. VANDEPUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is de exploitant van een veeteeltbedrijf waar varkens worden gehouden en hij doet tevens aan akkerbouw. De varkenshouderij is gelegen aan de Langstraat te Neerhespen. Voor de inrichting verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Linter op 12 januari 2004 een milieuvergunning, doch die wordt hervormd met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 27 mei 2004. Ingevolge dit deputatiebesluit mag de inrichting stallen omvatten voor 310 varkens, waarvan 160 mestvarkens in stal 1 (in woongebied met landelijk karakter) en 150 varkens waarvan 2 beren, 108 kraamzeu- gen en 40 opfokzeugen (inclusief biggen) in stal 3 (agrarisch gebied). In stal 2 mogen geen dieren worden gehouden. 1.2. Verzoeker wil zijn veeteeltinrichting uitbreiden, doch ingevolge de vigerende reglementering is dat enkel mogelijk door samenvoeging met een elders stop te zetten veeteeltinrichting. Het systeem komt er in wezen op neer dat men nutriënten van een op een andere plaats gelegen inrichting -die wordt stopgezet- mag overbrengen (met een beperking tot 75%). Met het oog op de realisatie van die operatie kocht verzoeker de vergunningen en de nutriëntenhalte van het veeteeltbe- drijf van zijn tante over, een bedrijf gelegen te Zoutleeuw aan de Budingenweg. 1.3. Met het oog op de overbrengings-/uitbreidingsoperatie dient verzoeker op 12 januari 2005 voor een eerste keer een vergunningsaanvraag in bij de VII-36.597-2/12 bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, doch de vergunning wordt op 19 mei 2005 geweigerd. In deze weigeringsbeslissing wordt gesteld : "Onder deze omstandigheden en gelet op de significante vergroting van de bestaande veeteeltinrichting (een uitbreiding van de varkensstapel met een factor 3 à 4) en de relatief dichte bebouwing in de onmiddellijke omgeving zal, ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissie-arme stal, de varkenshouderij aanleiding geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden en dit zeker tijdens de zomermaanden". 1.4. Op 23 augustus 2005 dient verzoeker nogmaals een milieuvergun- ningsaanvraag in -het is deze aanvraag die aanleiding zal geven tot het bestreden besluit- doch op 23 februari 2006 weigert de bestendige deputatie andermaal de gevraagde vergunning. Uit het deputatiebesluit van 23 februari 2006 blijkt onder meer wat volgt : - in het kader van het openbaar onderzoek worden 159 uniforme bezwaarschriften ingediend; - de deputatie stelt dat er een significante vergroting is van de varkenshouderij met een factor 3, en door de relatief dichte bebouwing in de onmiddellijke omgeving zal, ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissie-arme stal, de varkenshouderij aanleiding geven tot een grotere dan de normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden. De maatregelen die de exploitant had voorgesteld (gebruik van voeder dat de ammoniakemissie beperkt, een emissiearme stal en inplanting van de nieuwe stal in agrarisch gebied) kunnen volgens de deputatie niet verijdelen dat de (geur)hinder voor de omwonenden onaanvaardbaar zou blijven; - de vergunning wordt geweigerd voor een uitbreiding met plaatsen voor 836 vleesvarkens in een nieuwbouwstal (totaal 1.156 dieren incl. 32 zeugen) en met plaatsen voor 32 zeugen in een bestaande kweekvarkensstal, en voor een wijziging door het verplaatsen van een aantal varkens en een inkrimping met 22 opfokzeu- gen. 1.5. Verzoeker gaat tegen deze weigeringsbeslissing in beroep. 1.6. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen ingewonnen : - de afdeling Milieuvergunningen AMINAL : ongunstig, omwille van de onaan- vaardbare geurhinder voor de omwonenden; VII-36.597-3/12 - de Vlaamse Landmaatschappij : gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen : gunstig, zij het dat er op gewezen wordt dat vermoedelijk strenge voorwaarden zullen moeten worden gesteld om de geurhinder voor de omgeving op een aanvaardbaar niveau te houden; - de afdeling Natuur : er zijn geen significante gevolgen voor natuurwaarden; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : unaniem ongunstig, omwille van de onaanvaardbare geurhinder voor de omwonenden. 1.7. Op 27 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : "(...) Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op het besluit van 23 februari 2006 van de bestendige deputatie waarbij de vergunning wordt geweigerd om het varkensbedrijf vergund voor 310 varkens uit te breiden, gekoppeld met samenvoeging en volledige stopzetting van de inrichting gelegen te Zoutleeuw, Budingenweg 40, met 868 varkens en vermindering met 22 opfokzeugen tot een totaal van 1.156 varkens; Overwegende dat de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991; dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 12 maart 1993, wat vóór 29 september is; dat er op die aangifte dieren werden vermeld; dat derhalve, overeenkomstig artikel 2,7/,a van het meststoffendecreet, deze inrichting als een bestaande veeteeltinrichting kan beschouwd worden; Overwegende dat het de bedoeling is van de exploitant om de bestaande inrichting met een vergunde mestproductie van 5.240 kg N en 2.661 kg P205, overeenkomstig 2 beren, 108 zeugen inclusief de biggen, 160 mestvarkens en 40 opfokzeugen uit te breiden met 868 varkens en te verminderen met 22 opfokzeugen zodat de gewenste mestproductie 16.590 N en 7.464 kg P205 zal bedragen overeenkomstig 2 beren, 140 zeugen inclusief de biggen, 996 mestvarkens en 18 opfokzeugen; dat het derhalve een aanvraag betreft met een stijging van de vergunde mestproductie van de varkens op inrichtingsniveau; dat deze inrichting overeenkomstig de artikels 5.9.4.4 en 5.9.4.5 van titel II van het VLAREM dient te voldoen aan de verbods -en afstandsregels van de artikels 5.9.4.3 en 5.9.4.4 van titel II van het VLAREM; dat er voor deze inrichting, ongeacht de waarderingspunten, een minimale afstand van 400 m ten opzichte van ieder hindergevoelig gebied dient te zijn; dat de inrichting gelegen is op meer dan 2.500 m van deze gebieden; dat er derhalve voldaan is aan deze bepalingen; Overwegende dat dergelijke milieuvergunningsaanvraag ook dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 33ter,1/ ,

  1. c),4) en 3/ en 4/ van het meststoffende- creet; dat blijkens het advies van (
  2. de)Vlaamse Landmaatschappij hieraan voldaan is; Overwegende dat op 19 mei 2005 een quasi zelfde milieuvergunningsaan- vraag door de bestendige deputatie werd geweigerd op basis van volgende elementen: VII-36.597-4/12 - de aanvraag is onverenigbaar met de onmiddellijke omgeving die uitsluitend voor bewoning toegepast wordt; - de ligging en de historiek van het bedrijf zijn als problematisch erkend door de vergunningverlenende overheid; - in de af te bouwen en niet meer vergunde stal 2, gelegen in de landelijke woonzone werden steeds onrechtmatig dieren gehouden ondanks een expliciet exploitatieverbod; - de varkenshouderij zal ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissiearme stal aanleiding geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden en dit zeker tijdens de zomermaanden; Overwegende dat de exploitant in de onderhavige aanvraag voorstelt om alle opslagplaatsen voor dierlijke mest in het woongebied met landelijk karakter af te bouwen en de vergunde varkens te verplaatsen naar de nieuw te bouwen vleesvarkensstal in het achterliggend agrarisch gebied en dat er aan de voeders een veevoederadditief, namelijk VevVitall, zal toegevoegd worden; dat door het toevoegen van dit benzoëzuur aan het vleesvarkensvoeder de ammoniakvorming uit de mest met 35% kan verlaagd worden; dat de nieuwe stal een ammoniake- missiearme stal zal zijn; dat er ten opzichte (van
  3. de)aanvraag fundamenteel niets is gewijzigd; dat het aantal aangevraagde dieren ongewijzigd is gebleven en dat de exploitant enkel een verplaatsing wenst te doen van varkens naar een nieuw te bouwen stal; Overwegende dat de aanvraag een uitbreiding betreft met 868 varkens tot een totaal van 1.156 varkens; dat dit een aanzienlijke vergroting van het bedrijf betekent; dat de inrichting ingesloten is door een dichte bebouwing; dat deze woningen gelegen zijn in een woongebied met landelijk karakter; dat in het woongebied met landelijk karakter wonen en landbouw hoofdfuncties zijn doch dat de landbouwfunctie verenigbaar moet zijn met de woonfunctie; dat, gezien de ligging van het bedrijf wat volledig ingesloten is door bebouwing (de meest nabij gelegen woningen situeren zich op 50 m van de 2 grote stallen; binnen een straal van 100 m bevinden zich een twintigtal woningen die, op uitzondering van 3 alleenstaande woningen langs de Landenstraat gelegen in agrarisch gebied, alle gelegen zijn in de landelijke woonzone in de Bareelstraat en de Langstraat; dat binnen een straal van 200 m nog eens een veertigtal woningen liggen; dat verschillende woningen gelegen in de Langstraat en in de Landenstraat gelegen zijn in de ongunstige Zuid-Westenwind; dat de aangevraagde uitbreiding van de varkenshouderij aanleiding (zal) geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden; (...)"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker volgend enig middel aanvoert : VII-36.597-5/12 "Enig middel gebaseerd op de schending van art. 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, van art. 30, §1, 5/ van het VIarem I, van art. 52, 3/,
  4. b)VIarem I, evenals op de schending van de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de schending van het algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid oplegt zijn beslissingen formeel en materieel te motiveren, en op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het beginsel inzake de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en de schending van art. 5.9.2.1bis van het Vlarem II; Doordat de bestreden beslissing een weigering van de aangevraagde milieuvergunning inhoudt niettegenstaande de diverse overwegingen dat de inrichting voldoet aan alle reglementaire voorwaarden en vereisten, en bijgevolg deze weigering uitsluitend baseert op de algemene stelling dat in het kwestieuze dichtbevolkte gebied de aangevraagde uitbreiding van de varkenshouderij aanleiding zal geven tot een grotere dan normaal aanvaardbare burenhinder voor de omwonenden, zonder dit als dusdanig in concreto noch in extenso te motiveren, Terwijl de voornoemde artikelen uit het milieuvergunningsdecreet en uit het Vlarem I opleggen dat elke beslissing ingevolge een milieuvergunningsaanvraag (dan wel in het kader van een beroep) dient gemotiveerd te worden, rekening houdend met de diverse uitgebrachte adviezen en desgevallend de evaluatie van de tijdens het openbaar onderzoek gemaakte bemerkingen en bezwaren. Art. 52, 3/,
  5. b)van Vlarem I stelt bovendien expliciet dat de uitspraak van de Minister ingevolge een beroep tegen een beslissing vanwege de Bestendige Deputatie een gemotiveerde beslissing dient te bevatten over de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
  6. s)van het beroep werden gesteld. Ook volgens de bepalingen van de motiveringswet van 1991 en ingevolge het algemeen motiveringsbeginsel dient elke overheid de door haar getroffen beslissingen van individuele strekking afdoende en concreet te motiveren, derwijze dat de betrokken rechtsonderhorige in het kwestieuze besluit duidelijk de motieven zal kunnen aantreffen op basis van dewelke correct kon worden besloten tot aflevering dan wel weigering van de gevraagde vergunning. Het bestuur is ertoe gehouden om in zijn beslissing - minstens zijn individuele bestuurshandelingen - alle juridische gronden te vermelden die tot de beslissing hebben geleid en tevens een antwoord te formuleren op de fundamentele bezwaren, en zeker indien het bezwaar precies gericht is tegen een weigeringsbeslissing vanwege de Bestendige Deputatie waarbij de beroeper zeer precieze argumenten heeft aangebracht in het beroepschrift die de beslissing tot weigering van de vergunning onderuit halen. In casu moet evenwel worden vastgesteld dat hieraan geenszins is voldaan"; dat in de toelichting bij het middel verzoeker aangaande het eerste onderdeel samengevat doet gelden wat volgt : Verzoeker staat stil bij de opbouw van de motivering van het bestreden besluit, en hij stipt aan dat de verwerende partij in een laatste overweging van het bestreden besluit vaststelt dat de aanvraag een aanzienlijke vergroting van het bedrijf betekent, terwijl de inrichting nochtans ingesloten is door een dichte bebouwing, en er onaanvaardbare geurhinder zal zijn. De verwerende partij beperkt haar motivering tot een zinsnede die in de motivering van de beslissing van de bestendige deputatie (eerste aanleg) ook al VII-36.597-6/12 voorkwam. Nochtans had verzoeker aan de verwerende partij een zeer omstandig beroepschrift gericht met een erg uitgebreide argumentatie. Verzoeker geeft vervolgens aan welke argumenten in het beroepschrift werden aangehaald. De vraag stelt zich in welke mate de verwerende partij de bezwaren uit het beroepschrift terdege heeft beantwoord, laat staan in overweging nam. Weliswaar vereist de motiveringsplicht niet dat het bestreden besluit een antwoord geeft op alle argumenten die in het beroepschrift werden aangevoerd, maar het is toch noodzakelijk dat zij de redenen te kennen geeft waarop zij is gebaseerd en die haar kunnen verantwoorden. Te dezen bestaat het cruciale motief uit de overweging dat de aangevraagde uitbreiding van de varkenshouderij aanleiding zal geven tot een grotere dan de normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden. De loutere vaststelling dat een inrichting aanzienlijk zal vergroten impliceert niet dat de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen worden beperkt. Het bestreden besluit bevat geen concrete elementen die de in algemene bewoordingen gestelde conclusie ervan staven. Verzoeker betoogt : "Dit klemt des te meer nu de aanvraag precies voorziet in het feit dat alle dieren evenals de opslagplaatsen voor dierlijke mest uitsluitend worden voorzien in het agrarisch gebied en niet langer in het WOLK [woongebied met landelijk karakter], dat de nieuwe vleesvarkensstal als een ammoniakemissiearme stal zal worden geconstrueerd waarrond bovendien de nodige groenschermen worden voorzien, dat een veevoederadditief zal worden gebruikt met gunstige effecten op de ammoniakreductie, dat alle omwonenden woonachtig zijn in WOLK en enkelen zelfs (zonevreemd!) in agrarisch gebied, dat alle toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen worden nageleefd, ...". De in het bestreden besluit gemaakte afweging van de ruimtelijke inplanting dient ook te worden afgetoetst aan wat desbetreffend in de verleende stedenbouwkundige vergunning werd gesteld. Verzoeker citeert een reeks overwegingen uit de aanhef van die stedenbouwkundige vergunning, alsook uit een eerdere beslissing van de bestendige deputatie tot toekenning van een stedenbouwkundige vergunning, en hij concludeert daaruit dat er geen overschrijding is van de ruimtelijke draagkracht ten opzichte van de omliggende buurtbewoning. De verwerende partij gaat er eigenlijk van uit dat de uitbreiding, ongeacht de maatregelen die zullen worden getroffen, tot onaanvaardbare geurhinder zal leiden. Dit is nochtans geen vaststaande feitelijke gegevenheid waarvan de overheid vermag uit te gaan, zonder verdere en concrete beoordeling van de precieze feitelijke toestand met inachtneming van de geurbeperkende maatregelen die de exploitant voorziet. VII-36.597-7/12 Er ligt geen enkel proces-verbaal inzake de vaststelling van geurhinder voor. In het bestreden besluit wordt het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie klakkeloos overgenomen. Door op deze wijze te beslissen deed de verwerende partij ook afbreuk aan de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, verzoeker in essentie betoogt dat artikel 5.9.2.1bis, §1, van Vlarem II is geschonden, doordat hij koos voor een ammoniakemissiearm stalsysteem, dat tot een geurreductie moet leiden, en precies de geurhinder het wezenlijk weigeringsmotief vormt, en dat de verwerende partij niet de moeite deed de relevantie en de merites van het stalsysteem in overweging te nemen; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota samengevat betoogt dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen en rechtsregels geenszins zijn geschonden, nu het bestreden besluit duidelijk met redenen is omkleed en er verwezen wordt naar alle ongunstige adviezen, dat ook de beslissing van de bestendige deputatie van 19 mei 2005 afdoende was gemotiveerd, en dat het bestreden besluit grotendeels steunt op de argumentatie van het deputatiebesluit, dat dit ook logisch is, aangezien verzoeker schijnbaar veel, maar de facto geen enkel bijkomend argument aanvoert tegen het deputatiebesluit, dat zowel de bouw van een emissiearme stal als de toevoeging van een voedingsadditief om de ammoniakemissie te beperken reeds aan het oordeel van de bestendige deputatie werden onderworpen, dat zij trouwens aanstipt dat er ten opzichte van de aanvraag niets fundamenteel is gewijzigd en er op wijst dat het gaat om een aanzienlijke vergroting van het bedrijf, met name om een schaalvergroting x3, dat de woningen zich situeren in het woongebied met landelijk karakter, alwaar landbouw en wonen op gelijke voet staan, en waar beide functies verenigbaar moeten zijn, dat zij in dit kader de ongunstige ligging van de woningen verduidelijkt, en dit concreet beschrijft, dat zij dan ook terecht besluit dat er abnormaal grote geurhinder zal zijn voor de omwonenden, dat aldus het bestreden besluit wel degelijk aan de vereisten van de formele motiveringswet beantwoordt; dat zij nog doet gelden dat, wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, verzoeker nalaat aan te geven welke informatie niet bij het bestreden besluit zou zijn betrokken en dat, wat betreft de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel, verzoeker nalaat aan te duiden in welke mate het besluit kennelijk onredelijk zou zijn; dat zij ten slotte stelt VII-36.597-8/12 dat artikel 5.9.2.1bis, §1, van Vlarem II betrekking heeft op een verplichting in hoofde van verzoeker, en dat dit dan ook niet als een argument voor de toekenning van de vergunning kan worden opgeworpen; 2.3.1. Overwegende dat, zoals verzoeker zelf terecht aangeeft, de formele motiveringsplicht niet vereist dat de beslissing elk argument dat verzoeker in zijn beroepschrift aanvoert, als zodanig beantwoordt; dat het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen op grond waarvan zij werd genomen, en die haar kunnen verantwoorden; Overwegende dat wordt vastgesteld dat het bestreden besluit een omstandige motivering bevat (zie sub 1.7.) en dat de verwerende partij van oordeel is dat, spijts de door verzoeker voorgestelde maatregelen, geurhinder voor de omwonenden onvermijdelijk is, gelet op de omvang van de uitbreiding en de dichte bebouwing in de onmiddellijke omgeving; dat de verwerende partij daartoe volgende feitelijke overwegingen in het bestreden besluit aanbrengt : - er is een uitbreiding met 868 varkens tot een totaal van 1.156, hetgeen een aanzienlijke vergroting betreft; - de inrichting is ingesloten door dichte bebouwing; - de woningen zijn gelegen in een woongebied met landelijk karakter, waar landbouw en wonen gelijkwaardig zijn en waar de landbouwfunctie dus verenigbaar moet zijn met de woonfunctie; - de meest nabijgelegen woningen situeren zich op 50 meter van de twee grote stallen, twintig woningen situeren zich binnen een straal van 100 meter en binnen een straal van 200 meter liggen nog eens 40 woningen; - verschillende woningen gelegen in de Langstraat en in de Landenstraat liggen in een ongunstige Zuid-Westenwind; dat prima facie die feitelijke overwegingen op het eerste gezicht correct blijken, dat minstens verzoeker niet aantoont dat zij verkeerd zijn of op zo substantiële wijze verkeerd zijn dat het eindoordeel van de verwerende partij wel gevitieerd moet zijn; dat ook niet kan worden gesteld, zoals verzoeker wil doen geloven, dat de verwerende partij zich op een algemene of vage overweging beroept om de vergunning te weigeren; dat zij integendeel precieze gegevens aanreikt over de omvang van de uitbreiding en de plaatselijke constellatie; dat uit al die feitelijke gegevens de verwerende partij de conclusie trekt dat de geurhinder voor de omwonenden onaanvaardbaar zal zijn; dat, gelet op de feitelijke omstandigheden, dit oordeel -dat overigens hetzelfde is als dat van de bestendige deputatie en van de VII-36.597-9/12 adviesverlenende overheidsorganen die zich expliciet over de problematiek van de geurhinder uitspreken- op het eerste gezicht niet kennelijk onredelijk lijkt, en dat het ook niet kennelijk onredelijk lijkt dat, gelet op de plaatselijke constellatie, de verwerende partij van oordeel is dat de door verzoeker voorgestelde maatregelen, zoals de verlaging van de ammoniakuitstoot en de bouw van een emissiearme stal, niet zullen volstaan om de geurhinder binnen aanvaardbare perken te houden; Overwegende dat het niet is omdat een aanvraag aan de andere voorwaarden voldoet, zoals onder meer mestwetgeving en verenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften, dat de vergunning niet zou kunnen worden geweigerd wegens overmatige geurhinder; dat verzoeker wel terecht stelt dat de inrichting in agrarisch gebied is gelegen, maar dat dit niet wegneemt dat de woningen van de omwonenden op enkele uitzonderingen na gelegen zijn in woongebied met landelijk karakter; dat de verwerende partij terecht van oordeel is dat de woonfunctie en de landbouwfunctie in zulk een gebied op gelijke voet staan, wat impliceert dat de landbouwfunctie verenigbaar moet zijn met de woonfunctie; dat aldus de woonfunctie mogelijk moet blijven, hetgeen in casu niet lijkt te kunnen, gelet op de geurhinder; Overwegende dat verzoeker ook verwijst naar beslissingen die op stedenbouwkundig vlak werden getroffen; dat de omstandigheid dat in die beslissingen wordt aangenomen dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden evenwel niets zegt over de geurhinder; dat in de stedenbouwkundige beslissingen naar dewelke verzoeker refereert en waaruit hij citeert in elk geval niet wordt gesteld dat de geurhinder aanvaardbaar zou zijn, maar dat er wordt gesteld dat dit aspect bij het behandelen van de milieuvergunningsaanvraag zal moeten worden beoordeeld en er eigenlijk zelfs een zeker voorbehoud wordt gemaakt, nu in de beslissing van de minister van 6 juli 2006 te lezen staat dat ter beperking van de geurhinder de "voorwaarden vermoedelijk nogal streng zullen moeten zijn"; Overwegende dat het gegeven dat er nog geen proces-verbaal voor geurhinder werd opgesteld niet aantoont dat er geen geurhinder kan zijn; dat het immers zo is dat er op basis van de reeds verleende vergunning veel minder varkens mochten worden gehouden in de inrichting, wat uiteraard ook minder geurhinder veroorzaakt, terwijl verzoeker thans een uitbreiding met 868 varkens tot een totaal van 1.156 varkens wil; dat op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat dit zijn weerslag heeft op het vlak van de geurhinder; VII-36.597-10/12 Overwegende dat het de verwerende partij vrijstaat de uitgebrachte adviezen in haar beslissing over te nemen en desgevallend de inhoud ervan tot de hare te maken; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het betoog van verzoeker dat het bestreden besluit niet afdoende zou zijn gemotiveerd en zou indruisen tegen het redelijkheidsbeginsel, prima facie niet opgaat; 2.3.2. Overwegende dat de door verzoeker aangevoerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur evenmin kan worden aangenomen; dat uit niets blijkt dat de verwerende partij het dossier onzorgvuldig behandelde, en inzonderheid niet blijkt dat zij voorbij zou zijn gegaan aan essentiële feitelijke gegevens; 2.3.3. Overwegende, ten slotte, dat ook de schending van artikel 5.9.2.1bis, §1, van Vlarem II niet lijkt te kunnen worden aangenomen; dat die bepaling luidt als volgt: "Bijkomende constructievoorwaarden voor stallen met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie § 1. Voor alle pluimvee- en varkensinrichtingen waarvoor een milieuvergunning wordt verleend voor: - de exploitatie van een nieuwe inrichting, al dan niet in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting - de verandering van een bestaande veeteeltinrichting waarbij een of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd - de verandering van een bestaande veeteeltinrichting door samenvoeging van veeteeltinrichtingen waarbij tevens één of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd dienen de nieuw te bouwen stallen ammoniakemissiearm te worden gebouwd indien er voor de betreffende diercategorie een techniek is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen vastgesteld bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu"; dat op het eerste gezicht hier een verplichting wordt opgelegd aan de exploitant; dat uit de geciteerde bepaling niet lijkt voort te vloeien dat de vergunningverlenende overheid geen vergunning meer zou kunnen weigeren wegens overmatige geurhinder, ook al zal de exploitant de stal ammoniakemissiearm bouwen; 2.4. Overwegende dat het enig middel niet ernstig is; dat derhalve aan de eerste voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op VII-36.597-11/12 de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven, door : Mevr.. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.597-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.115 Gerelateerde publicatie(
  7. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.