id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.116 Rolnummer: A. 175840/VII-36402 Zaak: Arrest 168116 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:20 Fiche Arrest nr 168.116 van 22 februari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.116 van 22 februari 2007 in de zaak A. 175.840/VII-36.402. In zake : 1. Marc PEETERS, 2. Marc DE MAN, 3. Joris ARTS, 4. Luc LEPOUTRE, die woonplaats kiezen bij advocaten F. DEWALLENS en A. VIJVERMAN, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 138 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc PEETERS, Marc DE MAN, Joris ARTS en Luc LEPOUTRE op 11 augustus 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : "1. het koninklijk besluit van 24 mei 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepsti- tels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2006, (...); en 2. het ministerieel besluit van 29 mei 2006 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de medische oncologie, evenals van stagemees- ters en stagediensten voor deze disciplines, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2006 (...)"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 november 2006; VII-36.402-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VIJVERMAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat G. MATTENS die, loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgewor- pen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekers het volgende aanvoeren : 1. ALGEMENE TREND De cijfers die zijn weergegeven in de tabellen van stuk 4 illustreren het aandeel van de oncologische patiënten binnen de ziekenhuisdienst gastro-enterologie van het Universitair Ziekenhuis Gent. Hieruit blijkt duidelijk dat de groep van oncologische patiënten binnen de ziekenhuisdienst gastro-enterologie een aanzienlijk aandeel uitmaakt. Deze feitelijke vaststelling kan als algemene trend worden beschouwd voor alle Belgische ziekenhuizen. De cijfers uit stuk 4 kunnen dan ook als referentienorm dienen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de individuele verzoekers, zoals hieronder uiteengezet, dient te worden gekaderd in deze algemene trend. VII-36.402-2/7 2. EERSTE VERZOEKER • Eerste verzoeker beoefent voltijds de oncologie, weliswaar binnen zijn specialisatie van de gastro-enterologie. Door de uitvoering van de bestreden beslissingen zal eerste verzoeker niet langer over deze mogelijkheid beschikken. De invloed van de uitvoering van de bestreden beslissingen op zijn inkomsten kan derhalve als volgt cijfermatig worden weergegeven: 100% van de inkomsten van eerste verzoeker is afkomstig uit de oncologische geneeskun- dige prestaties, hetgeen betekent dat eerste verzoeker door de bestreden beslissingen 100% van zijn inkomsten verliest. • Eerste verzoeker benadrukt dat zijn moeilijk te herstellen ernstig nadeel in geen geval als een louter financieel nadeel kan worden afgedaan. Op basis van bovenstaande cijfergegevens blijkt duidelijk dat de oncologie binnen de geneeskundige praktijk van eerste verzoeker een méér dan aanzienlijk aandeel omvat. De bestreden beslissingen hebben bovendien als rechtstreeks gevolg dat eerste verzoeker deze geneeskundige activiteit van de oncologie niet langer meer zal kunnen uitoefenen. Dit betekent dat al zijn inkomsten zullen wegvallen van zowel de patiëntenbehandelingen in de oncologie als van de klinische studies op het vlak van de oncologie. Eerste verzoeker betoogt dan ook dat het voortbestaan zelf van zijn professionele activiteit rechtstreeks in gevaar wordt gebracht indien de bestreden beslissingen worden uitgevoerd. Het omzetcijfer van eerste verzoeker wordt immers voor 100% gehaald uit de oncologische praktijk. • Conform de eerdere rechtspraak van Uw Raad kan een financieel nadeel in het kader van een schorsingsvordering toch als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aanvaard, 'wanneer het nadeel moeilijk berekenbaar is en in elk geval wanneer het zo overweldigend is dat de leefbaarheid van de onderneming erdoor in het gedrang komt'. In deze zaak werd door Uw Raad dan ook geoordeeld dat 80% van de omzet werd bedreigd door de aldaar bestreden beslissing, hetgeen door Uw Raad effectief als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd aanvaard. Een analoge toepassing van deze rechtspraak op het voorliggende dossier leidt vanzelfsprekend tot dezelfde conclusie. In toepassing van deze precedent-rechtspraak, stelt eerste verzoeker immers dat het financieel nadeel dat hij door de bestreden beslissingen lijdt, effectief 'zo overweldigend is dat de leefbaarheid' van zijn geneeskundige praktijk 'erdoor in het gedrang komt'. • Bijgevolg meent eerste verzoeker dat hij een financieel nadeel lijdt dat dermate overweldigend is dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt, zoals artikel 17, §2, eerste lid R.v.St-wet vereist om de uitvoering van de bestreden beslissingen te schorsen. 3. TWEEDE VERZOEKER • Tweede verzoeker beoefent voornamelijk de gastro-enterologie. Wanneer de gastro-entrologische patiënt echter ook nood blijkt te hebben aan een oncologi- sche behandeling, zal tweede verzoeker deze patiënt ook een oncologische (basis-)behandeling geven. Tweede verzoeker beperkt dus zijn geneeskundige activiteiten niet tot de oncologie, maar deze oncologische activiteiten nemen wel een aanzienlijk aandeel van zijn professionele activiteiten (annex professioneel inkomen) in beslag. Zijn praktijk is immers opgebouwd rond de twee pijlers 'gastro-enterologie' respectievelijk 'oncologie (binnen de discipline gastro-enterologie)'. • Tweede verzoeker benadrukt dat zijn moeilijk te herstellen ernstig nadeel in geen geval als een louter financieel nadeel kan worden afgedaan. Voor tweede verzoeker is het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moeilijk of zelfs niet te berekenen. Minstens zal dit nadeel pas a posteriori kunnen worden begroot. In de wetenschap dat hij niet langer oncologische behandeling- VII-36.402-3/7 en kan geven (indien dit nodig zou blijken te zijn), zal een -op dit ogenblik per definitie onbekend- aantal patiënten zich immers in de toekomst niet (meer) laten behandelen door tweede verzoeker. Het staat nu reeds vast dat dit fenomeen zich zal manifesteren indien de bestreden beslissingen worden uitgevoerd, alleen is de omvang van het nadeel dat hieruit volgt op dit ogenblik moeilijk of zelfs niet berekenbaar. • Conform de eerder geciteerde rechtspraak van Uw Raad kan een financieel nadeel in het kader van een schorsingsvordering toch als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aanvaard, 'wanneer het nadeel moeilijk berekenbaar is en in elk geval wanneer het zo overweldigend is dat de leefbaar- heid van de onderneming erdoor in het gedrang komt'. In casu moet worden vastgesteld dat tweede verzoeker onmiskenbaar geconfronteerd wordt met een moeilijk (lees: 'niet') te herstellen ernstig financieel nadeel, dat 'moeilijk berekenbaar' is, gelet op de oorzaak en de aard van het nadeel binnen de concrete context. Tweede verzoeker zal immers een onbekend aantal patiënten mislopen. • Bijgevolg staat vast dat tweede verzoeker een financieel nadeel lijdt dat moeilijk berekenbaar is. De uitvoering van de bestreden beslissingen zou dan ook duidelijk rechtstreeks en persoonlijk aan tweede verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel toebrengen, zoals artikel 17, §2, eerste lid R.v.St. -wet vereist om de uitvoering van de bestreden beslissingen te schorsen. 4. DERDE VERZOEKER • De bijkomende opleiding die derde verzoeker recentelijk gevolgd heeft, was de 'specifieke opleiding in de oncologie' zoals deze destijds -vóór de afschaffing ervan door het bestreden ministerieel besluit- was voorgeschreven door artikel 2, § 1, 2/ ministerieel besluit beroepstitel oncologie. Deze specifieke opleiding is zeer gespecialiseerd en is hierdoor alleen al enkel weggelegd voor geneesheren-specialisten met een bijzondere interesse in en aanleg voor de oncologie. Gevolg gevend aan de wettelijke bepalingen uit het ministerieel besluit beroepstitel oncologie, heeft derde verzoeker tijd en energie geïnvesteerd in deze bijkomende opleiding. Zoals bepaald in artikel 2, §2 ministerieel besluit beroepstitel oncologie, omvat deze specifieke opleiding in de oncologie immers een voltijdse stage 'van ten minste twee jaar' in een erkende stagedienst, 'waarvan ten hoogste één jaar verricht kan worden tijdens de hogere opleiding in een van de disciplines bedoeld in artikel 1 van het voornoemde Koninklijk Besluit van 25 november 1991'. Van Dale omschrijft een stage als volgt: 'stage (de ~ (v.), ~
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.