id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.118 Rolnummer: A. 175842/VII-36404 Zaak: Arrest 168118 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:21 Fiche Arrest nr 168.118 van 22 februari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.118 van 22 februari 2007 in de zaak A. 175.842/VII-36.404. In zake : Isabelle WAUTERS, die woonplaats kiest bij advocaat I. VERHEVEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86 C, bus 113 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Isabelle WAUTERS op 11 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : "1/ het Ministerieel besluit van 29 mei 2006 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesherenspecialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de medische oncologie, evenals van stagemees- ters en stagediensten voor deze disciplines (...), en 2/ het koninklijk besluit van 24 mei 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepsti- tels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde (...), beide gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2006"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; VII-36.404-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VERHEVEN, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat G. MATTENS die, loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgewor- pen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekster het volgende aanvoert : "De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit lijdt in hoofde van de verzoekende partij tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het jaar stage dat verzoekende partij volgde in toepassing van het ministerieel besluit van 11 maart 2003 met het oog op het bekomen van de bijzondere beroepstitel is definitief verloren, nu verzoekende partij door (
- de)bestreden besluiten ex officio wordt uitgesloten om de beroepstitel te bekomen. Verzoe- kende partij zal dus niet de vruchten kunnen plukken van de door haar geleverde inspanningen. Bovendien zal het bestreden ministerieel besluit een invloed hebben op het patiëntenbestand van verzoekende partij en de vertrouwensrelatie met haar patiënten. Immers, indien een verdacht letsel wordt vastgesteld ter hoogte van de long, wordt overgegaan tot diagnostiek en stadiëring. VII-36.404-2/5 Het longgezwel kan ingedeeld worden in een niet-kleincellig en kleincellig longgezwel. Het kleincellig longgezwel kan quasi nooit geopereerd worden en wordt met chemotherapie (CT) behandeld. De produkten ter behandeling die de laatste 20 jaar niet veranderd zijn, kunnen in de huidige stand van de regelgeving thans voorgeschreven worden door de behandelendd geneesheer-specialist. Het niet-kleincellig longgezwel (meest frequent) kan in een vroeg stadium nog geopereerd worden. Dan dienen er functionele testen te gebeuren (binnen de pneumologie) om de operabiliteit te kunnen beoordelen. In het stadium III en IV wordt er vooral CT gegeven al dan niet in combinatie met radiotherapie (RT). In de huidige stand van de regelgeving, kan eerste lijnschemotherapie nog voor geschreven worden door de behandelende geneesheer-specialist. Een deel van de medicatie ter behandeling van stadium III en IV dient evenwel te worden voorgeschreven door een geneesheer- specialist in de medische oncologie of door een geneesheer-specialist met een bijzondere bekwaamheid in de oncologie. Door de bestreden besluiten zal verzoekende partij in de huidige stand van de regelgeving dus niet meer in de mogelijkheid zijn om tegen terugbetaling door de ziekenfondsen de nodige geneesmiddelen voor een efficiënte (behandeling) in stadia III en IV voor te schrijven. In het arrest Marin en Malfliet, nr. 53.694 van 13 juni 1995 besliste uw Raad reeds dat 'de erkenning als geneesheer-specialist niet een doel op zich is, doch een wezenlijk bestanddeel is van de bevoegdheid van de Koning om de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vast te stellen, een bestanddeel dat onlosmakelijk verbonden is met de overige bestanddelen (...)' De wijziging van de nomenclatuur is met andere woorden het logische gevolg van de invoering van een nieuwe beroepstitel of dito bekwaamheid. Het risico bestaat dus ook dat de geneesmiddelen voor te schrijven ter behandeling van het kleincellig longgezwel niet meer in aanmerking zullen worden genomen voor terugbetaling indien ze door verzoekende partij zouden worden voorgeschreven. Zo blijkt dat vinorelbine (Navelbine®) en docetasel (taxotere®), een geneesmiddel nuttig voor chemotherapeutische behandeling van het niet kleincellig longcarcinoom, slechts voor terugbetaling in aanmerking komen bij toediening na een gemotiveerd verslag door een geneesheer-specialist met een bijzondere bekwaamheid in de medische oncologie. Recent, sinds 1 juli 2006 is erlotinib (tarceva®) in tweede en derde lijn voorgeschreven ook met dezelfde restricties. Het voorschrijven van deze geneesmiddelen zal slechts aanleiding geven tot terugbetaling indien het voorschrift werd afgeleverd door een geneesheer- specialist met een bijzondere beroepstitel in de medische oncologie. Dit impliceert dat de patiënten van de verzoekende partij niet zullen terugbetaald worden voor een behandeling met dit geneesmiddel met de gevolgen die uw Raad reeds duidelijk in de verf zette in het arrest Marin en Malfliet: 'dat de erkenning als geneesheer-specialist aan de erkende arts weliswaar geen enkel monopolie verleent op het stuk van de verstrekking- en die tot zijn specialiteit behoren, doch dat die verstrekkingen niettemin later zullen voorkomen in de nomenclatuur, tegenover zijn specialiteit, en aan de patiënten zullen worden terugbetaald tegen voorwaarden die gunstiger zijn dan wanneer zij verricht worden door een arts die niet in die specialiteit is erkend, wat benevens het prestige dat met de erkenning gepaard gaat, tevens de patiënten ertoe zal aanzetten zich tot die specialis- ten te wenden en de verzorgingsinstellingen ertoe zal bewegen hun de leiding van de gespecialiseerde diensten toe te vertrouwen'. VII-36.404-3/5 Aan het toekennen van de bijzondere beroepstitel in de medische oncologie zijn dus professionele gevolgen gekoppeld voor verzoekende partij. Zij zal namelijk niet in de mogelijkheid zijn om bepaalde medicatie noodzakelijk voor de behandeling van haar patiënten voor te schrijven tegen terugbetaling van de ziekteverzekering. Als gevolg hiervan zal de pneumoloog met een bijzondere bekwaamheid in de oncologie als gekwalificeerde geneesheer uiteraard een omvangrijk deel van zijn patiënten verliezen aan de geneesheren-specialisten in de inwendige geneeskunde met een bijzondere titel in de medische oncologie. Verzoekende partij zal dus een deel van haar activiteiten, die zij in tempore non suspecto op 40% verliezen (sic). Daarenboven leiden de bestreden besluiten (...) tot een imago- en prestigever- lies van verzoekende partij. Zij zal immers in de ogen van haar patiënten minder gekwalificeerd worden geacht aangezien zij, in tegenstelling tot haar collega geneesheer-specialist in de medische oncologie die, zeker op het vlak van de behandeling van longkanker, minder onderlegd is, niet de gehele behandeling tegen terugbetalingstarieven van de patiënt kan voorschrijven. De bestreden besluiten berokkenen dus tevens schade aan de professionele reputatie van verzoekende partij. Deze nadelige gevolgen zullen niet onmiddellijk worden stopgezet bij een eventuele nietigverklaring maar zullen zeer waarschijnlijk nog enige tijd doorwerken, daar huisartsen en patiënten intussen reeds nieuwe gewoontes zullen hebben aangenomen. Uit het voorgaande blijkt dat verzoekende partij verschillende moeilijk te herstellen ernstige nadelen lijdt bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit"; Overwegende dat de verzoekster niet concreet aannemelijk maakt dat door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden regeling met betrekking tot de bijzondere beroepstitel in de oncologie haar inkomen dermate drastisch zal dalen dat dit meer dan een louter financieel nadeel dat zij kan verdragen tijdens de duur van de annulatieprocedure uitmaakt; dat de aangevoerde nadelen bovendien veeleer betrekking hebben op gebeurlijk later te nemen beslissingen inzake de nomenclatuur; dat het arrest waarnaar zij verwijst niet dienstig kan worden ingeroepen daar het betrekking heeft op het belang en niet op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ; dat het loutere feit een jaar stage te hebben gelopen zonder dat die stage onmiddellijk kan worden gevaloriseerd op zichzelf ook geen nadeel uitmaakt dat niet tijdens de duur van de annulatieprocedure kan worden verdragen; dat de andere ingeroepen morele nadelen evenmin kunnen worden aangenomen; dat de bestreden reglementaire bepalingen immers vreemd zijn aan de persoonlijke professionele reputatie van de verzoekster; dat deze laatste zich ook niet kan beroepen op beweerde nadelen die in hoofde van haar patiënten zouden kunnen bestaan; dat de desbetreffende schorsingsvoorwaarde niet is vervuld, BESLUIT: VII-36.404-4/5 Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.404-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.118 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div