id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.119 Rolnummer: A. 133931/VII-29207 Zaak: Arrest 168119 - Financiële tegemoetkomingen - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:21 Fiche Arrest nr 168.119 van 22 februari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.119 van 22 februari 2007 in de zaak A. 133.931/VII-29.207(a). In zake : Yvan PALMERS, wonende te GENK, Lindebosstraat 38 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvan PALMERS op 10 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 februari 2003 van de Commissie van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor de Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij zijn hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de beslissing van de Beperkte kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV van 26 september 2000 dienvolgens wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 3 november 2005 waarbij de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 22 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-29.207-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BALLET die, loco advocaat R. VAN GOETHEM verschijnt voor de verzoeker, en van attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten De verzoeker, radioloog, werkt sinds 1978 in het St. Jansziekenhuis te Genk, waar hij diensthoofd medische beeldvorming is. Bij controle in de diensten medische beeldvorming, onder meer in het voormelde ziekenhuis, wordt een foutief gebruik van anesthesienummers vastgesteld. Hierop wordt een uitgebreide enquête bevolen. Na kennisname van de resultaten van deze enquête beslist het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle in zijn zitting van 28 januari 2000 de verzoeker naar de Beperkte kamer te verwijzen. Op basis van het samengesteld dossier worden de verzoeker in de periode van 1 oktober 1994 tot 30 september 1996 diverse inbreuken op de ZIV- reglementering ten laste gelegd omdat meer bepaald - aangerekende verstrekkingen niet overeenstemmen met de werkelijk verleende; - in 17 gevallen getuigschriften voor verstrekte hulp werden ingediend met aanrekening in zijn naam aan de Z.I.V. van verstrekkingen die niet werden verleend; - in meerdere gevallen bij het aanrekenen van anesthesienummers niet aan de reglementaire voorwaarden is voldaan. Op 26 september 2002 beslist de Beperkte kamer onder meer tot een verbod voor de verzekeringsinstellingen tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen die door de verzoeker over een periode van veertien dagen zullen worden verleend en tot een terugvordering van de uitgaven met betrekking tot de verstrekkingen ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen die niet conform de bovengenoemde wettelijke en reglementaire bepalingen zijn bevonden voor de tenlasteleggingen 4.1.
- (vertebralisangiografie) en 4.2.
- (anesthesies) of 65.868 F + 255.065 F, samen VII-29.207-2/14 320.933 F of 7.955,72 euro, uitgaven waarvan zij stelt dat de terugbetaling moet gebeuren door overschrijving, binnen de maand na het definitief worden van de beslissing. De verzoeker tekent op 13 november 2000 hoger beroep aan tegen deze beslissing. Op 25 februari 2003 verklaart de Commissie van beroep het hoger beroep van de verzoeker ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de Beperkte kamer;
- Ten gronde 2.1.
- Het eerste middel is afgeleid uit "de nietigheid van de akte van rechtsingang door de onregelmatige verwijzing van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle". De verzoeker voert aan dat de Dienst voor geneeskundige controle blijkens artikel 139, 1/ van de wet betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsreglementering, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de ZIV-wet) als opdracht heeft de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te controleren op het vlak van de realiteit en de conformiteit met de voorschriften van die wet en haar uitvoeringsbesluiten, dat daarmee aan het Comité van die dienst een onderzoeksbevoegdheid wordt toegekend die analoog is aan die van het openbaar ministerie in strafzaken, dat het Comité met toepassing van artikel 141, §1, 1/ bij die controle beroep kan doen op geneesheer-inspecteurs, dat het de leiding heeft over het onderzoek en eveneens belast is met de verwijzing naar de Beperkte kamer, zodat de verwijzende instantie identiek is aan de onderzoekende instantie, dat, eenmaal het onderzoek is afgesloten, een andere en ditmaal verwijzende instantie objectief en onpartijdig moet kunnen oordelen over een eventuele verwijzing naar de Beperkte kamer, dat elke verwijzing door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle naar de Beperkte kamer dan ook aangetast is door een structureel gebrek aan onpartijdigheid, hetgeen de ongeldigheid van de verwijzing en de daaropvolgende procedure voor de Beperkte kamer en de Commissie van beroep tot gevolg heeft, dat op basis van het adagium "Justice must not only be done, it must also be seen to be done" geen uitwendige schijn mag bestaan dat het rechtsprekend orgaan niet onpartijdig zou zijn, dat immers ook een vroegere kennisname van dezelfde zaak de objectieve onpartijdigheid van de rechter kan aantasten en dat dit adagium zowel verwoord is in artikel 6.1 van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) als in artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO). VII-29.207-3/14 2.1.
- In haar antwoord op dit middel voegt de verwerende partij, samengevat, toe : - dat bij ontstentenis van een door het Comité vastgestelde procedure "-quod non-" de geneesheren-inspecteurs binnen het kader van hun controle-opdracht, de bevoegdheid bezitten om uit eigen beweging de overtredingen van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkeringsverzekering op te sporen en vast te stellen, - dat de verwijzing van de verzoeker naar de Beperkte kamer door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle gebeurde op basis van een nota waarin het verloop van het onderzoek wordt geschetst, en dus mag worden besloten dat het Comité zijn akkoord heeft betuigd met de wijze waarop de procedure conform de gegeven richtlijnen werd gevoerd, - dat de geneesheer-inspecteurs bij het onderzoek en de vaststellingen van de strafbare feiten autonoom en zonder opdracht voor het Comité kunnen optreden, en het onderzoek derhalve niet wordt geleid door het Comité, zodat de verwijzende instantie, in tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, niet dezelfde is als de onderzoekende instantie en er geen structurele partijdigheid is. 2.1.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord, samengevat : - dat het verbod tot tegemoetkoming in de kosten van prestaties van geneesheren kan worden gekwalificeerd als een administratieve sanctie, waarop de algemene strafrechtbeginselen, zoals de structurele onpartijdigheid, van toepassing zijn, maar dat de discussie omtrent de aard van de sanctie overbodig is, daar het beginsel van onpartijdigheid van toepassing is voor zowel de administratiefrechtelijk als de strafrechtelijk of de tuchtrechtelijk genomen beslissing, - dat het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een cruciale rol speelt in de procedure en gezien de aard van zijn verwijzingsbevoegdheid eveneens aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inclusief de onpartijdigheid, onderworpen is, - dat de beslissing van het Comité niet vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State, doch dat het een procedurehandeling van cruciaal belang is, waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn, - dat het feit dat de onderzoeksbevoegdheid en de verwijzingsbevoegdheid uitgeoefend worden door éénzelfde instantie een manifeste schending is van het onpartijdigheidsbeginsel, - dat niet redelijk kan worden ontkend dat de geneesheren-inspecteurs hiërarchisch en structureel een onderdeel vormen van het Comité. VII-29.207-4/14 2.1.
- In zijn laatste memorie voegt de verzoeker in essentie nog toe dat ook algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur bron van recht kunnen zijn en dat het beginsel van de onpartijdigheid principieel ook ten aanzien van het actief bestuur kan spelen en dus ook, gezien zijn verwijzingsbevoegdheid, ten aanzien van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle. 2.1.
- De verzoeker voert in wezen aan dat de beslissing om hem naar de Beperkte kamer te verwijzen genomen is met schending van het algemeen rechtsbeginsel in verband met de onpartijdigheid, zoals verwoord in de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 BUPO, doordat het Comité, vooraleer hem te verwijzen, overeenkomstig artikel 141, § 1, 1/ van de Z.I.V.-wet met de leiding van het onderzoek was belast. Wanneer het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle overeenkomstig artikel 141, § 1, 9/, van de gecoördineerde Z.I.V.-wet de vaststellingen gedaan ten laste van een zorgverlener naar de Beperkte kamer verwijst, treedt het niet op als administratief rechtscollege, maar als bestuursorgaan van de Dienst voor geneeskundige controle. Noch artikel 6.1 EVRM, noch artikel 14.1 BUPO, die enkel gelden voor rechterlijke instanties, zijn van toepassing op de administratieve beslissingen van het Comité. Ten tijde van de voorliggende betwisting belastte artikel 141, § 1 van de Z.I.V.-wet van 14 juli 1994 op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle zowel met de geneeskundige controle op de prestaties als met de verwijzing naar de Beperkte kamers. Daaruit blijkt de uitdrukkelijke wil van de wetgever dat dit bestuursorgaan, ook, zo nodig, de vaststellingen ten laste van de zorgverleners verwijst naar de Beperkte kamers. Het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid kan niet opwegen tegen de duidelijke bedoeling van de wetgever. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 307, §2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de ZIV-wet. In een eerste onderdeel laat hij gelden dat de voorzitter volgens de geschonden geachte bepaling een (geneesheer)-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle moet aanduiden om verslag uit te brengen bij de Commissie VII-29.207-5/14 van beroep, dat deze akte van aanwijzing evenwel niet blijkt uit de procedurestukken ter griffie van het RIZIV zodat enkel kan vermoed worden dat de geneesheer- verslaggever de facto aangeduid werd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, dat door deze onregelmatige aanwijzing van de geneesheer-verslaggever, de schijn werd gewekt dat het RIZIV een vertegenwoordiger kon aanduiden in de Commissie van beroep terwijl de voorgeschreven procedures er net op gericht zijn om de geneesheer-verslaggever een objectief verslag te doen uitbrengen voor deze commissie, dat hierdoor minstens een schijn van structurele partijdigheid werd ingevoerd waardoor de rechten van verdediging ernstig werden geschonden, dat hij het recht heeft om berecht te worden door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie en dat hieromtrent in zijnen hoofde geen enkele aanleiding tot twijfel mag bestaan en dat het adagium "Justice must not only be done, it must also be seen tot be done" verwoord is in zowel artikel 6.1 EVRM als in artikel 14.1 BUPO. In een tweede onderdeel laat hij gelden dat geneesheer-inspecteur R. LACRES zowel voor de Beperkte kamer als voor de Commissie van beroep als verslaggever optrad, terwijl volgens artikel 307, §2, van het uitvoeringsbesluit de aldus aangewezen geneesheer-ambtenaar zich verschoont wanneer hij in de voorgeschiedenis van de betrokken zaak gemoeid is geweest, dat dokter R. LACRES deze bepaling heeft overtreden door zich niet -zoals voorgeschreven- te verschonen, dat wanneer binnen de schoot van de Commissie van beroep een verslaggever wordt aangeduid die voor de vervolgende partij, het RIZIV, reeds verslag uitbracht in de Beperkte kamer, er van enige schijn van structurele onpartijdigheid in hoofde van de Commissie van beroep geen sprake meer is en dat ook hier het adagium geldt "Justice must not only be done, it must also be seen to be done", dat is verwoord in artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 BUPO. 2.2.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat de secretaris op 16 november 2000 op verzoek van de voorzitter van de Commissie van beroep een nota aan Dr. LACRES richtte met de vraag verslag op te maken voor de commissie in de zaak van Prof. Dr. Y. PALMERS, dat deze nota geschreven werd na een door de voorzitter mondeling gegeven opdracht aan de secretaris, en dat de bepalingen van artikel 307, §2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 overigens geen substantiële vormvoorwaarden inhouden, noch op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. Op het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat het RIZIV partij is in het geding voor de Commissie van beroep, dat het dan ook onjuist is dat de geneesheer-verslaggever een volledig neutrale rol zou te vervullen hebben, VII-29.207-6/14 dat Dr. LACRES zich niet diende te verschonen gezien hij niet in de voorgeschiedenis van de zaak betrokken is geweest, dat hij immers in de fase van het onderzoek niet met het dossier van de verzoeker te maken had, dat de bepaling in verband met de verschoning van de aangewezen geneesheer enkel en alleen de tuchtrechtelijke procedures tegen geneesheren-ambtenaren betreft, dat ter vrijwaring van de objectiviteit van de debatten moet worden vermeden dat een geneesheer-inspecteur zou worden aangewezen, die betrokken is geweest bij tuchtrechtelijke vervolgingen ingesteld tegen één van zijn collega’s. 2.2.
- De verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord, wat het eerste onderdeel betreft, dat de vermelding door de verwerende partij dat er een mondelinge opdracht werd gegeven vanwege de voorzitter aan de secretaris slechts een loutere bewering is die niet doorslaggevend kan zijn als bewijsmateriaal, en, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verwerende partij een al te beperkte interpretatie geeft aan het begrip "voorgeschiedenis", dat ook de procedure voor de Beperkte kamer te kwalificeren is als voorgeschiedenis, en dat niets erop wijst dat er geen verschoningsplicht zou bestaan wanneer de Commissie van beroep zich uitspreekt over beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de Beperkte kamer. 2.2.
- In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat de Commissie van beroep een administratief rechtscollege is, dat "bijgevolg" de regels vervat in artikel 6 EVRM van toepassing zijn en dat ook de procedure voor de Beperkte kamer te kwalificeren is als "voorgeschiedenis" in de zin van artikel 307, §2 van de ZIV-wet (lees : van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de ZIV-wet), een bepaling die belangenvermenging wil vermijden wanneer een verslaggever zowel in de Beperkte kamer als in de Commissie van beroep zou optreden, zodat het beginsel "Justice must not only be done, it must also be seen to be done" geschonden is. 2.2.
- De verwerende partij verwijst naar de brief van 16 oktober 2000, waarbij de secretaris op "verzoek uitgaande van de heer voorzitter van de commissie van beroep" Dr. LACRES op de hoogte brengt van diens aanwijzing als verslaggever. Deze brief maakte deel uit van het aan de Commissie van beroep voorgelegd dossier en gaf tijdens het verdere verloop van de procedure geen aanleiding tot enige opmerking vanwege de voorzitter. Er bestaat dan ook geen reden om te twijfelen aan de echtheid van het erin opgenomen "verzoek uitgaande van de heer voorzitter van de commissie van beroep". Het eerste onderdeel is niet gegrond. VII-29.207-7/14 Artikel 307 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 luidde, ten tijde van de behandeling van de voorliggende zaak door de Commissie van beroep, als volgt : "§
- Zodra hij de akte van hoger beroep ontvangt, geeft de secretaris daarvan kennis aan de gedaagde partij en vordert van deze haar dossier. De voorzitter van de commissie deelt dat dossier mede aan een inspecteur of controleur, ambtenaar of agent bij de Dienst voor geneeskundige controle, die hij aanwijst om verslag uit te brengen bij de commissie : wanneer de commissies van beroep uitspraak moeten doen over een hoger beroep ingesteld door een geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur hoofd van dienst of een geneesheer- inspecteur-generaal, wijst de voorzitter aan respectievelijk een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur hoofd van dienst, een geneesheer-inspecteur-generaal of de geneesheer, leidend ambtenaar van de Dienst. De aldus aangewezen geneesheer-ambtenaar verschoont zich wanneer hij in de voorgeschiedenis van de betrokken zaak gemoeid is geweest". De verplichting tot verschoning van de geneesheer-ambtenaar geldt enkel in de onmiddellijk eraan voorafgaande hypothese waarin de Commissie van beroep uitspraak moet doen over een hoger beroep ingesteld door een geneesheer- inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur hoofd van dienst of een geneesheer-inspecteur-generaal. In de overige aan de Commissie van beroep voorgelegde zaken moeten niet noodzakelijk geneesheren-ambtenaren als verslaggever worden aangewezen. Het valt niet te verantwoorden dat men ook in die gevallen zou eisen dat de aangewezen geneesheren-ambtenaren zich dienen te verschonen wanneer zij in de voorgeschiedenis van de betrokken zaken gemoeid zijn geweest, terwijl men dit niet eist van de ambtenaren-verslaggevers, die weliswaar geen geneesheer zijn, maar zich voor het overige in precies dezelfde situatie bevinden. Deze interpretatie kan dan ook niet worden aangenomen. Het tweede onderdeel mist juridische grondslag. Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel ongegrond is. 2.3.
- In een derde middel, afgeleid uit het gebrek in de continuïteit van de zetelende leden van de Commissie van beroep tijdens de debatten en de beraadslaging, laat de verzoeker gelden dat een raadsheer met beslissende stem, de heer COTTYN, heeft deelgenomen aan de beraadslagingen en de zitting van 25 februari 2003, maar niet heeft deelgenomen aan het debat van 25 april 2001, terwijl de rechtspraak van de Raad van State terzake formeel is : de leden van het administratief rechtscollege die deelnemen aan de beraadslaging moeten ook gezeteld hebben tijdens de debatten en de samenstelling mag niet gewijzigd worden in de loop van het geding. VII-29.207-8/14 2.3.
- De verwerende partij antwoordt hierop dat J. BEULS, die had deelgenomen aan de eerste zitting van 12 februari 2001 en aan de tussenbeslissing van 25 april 2001, op 31 december 2001 overleden is, zodat de Commissie van beroep op 14 januari 2003 wel in een gewijzigde samenstelling moest zetelen, en dat de zaak ter zitting van 14 januari 2003, zoals uit het zittingsblad blijkt, "ab initio" werd hernomen. 2.3.
- De verzoeker repliceert dat de facto tijdens de zitting van 14 januari 2003 geen herneming ab initio van de zaak heeft plaatsgevonden. 2.3.
- Blijkens het zittingsblad van 14 januari 2003 werd de zaak "ab initio hernomen", zodat het, wat de regelmatigheid van de rechtspleging betreft, van geen belang is dat de heer COTTYN de eerdere zitting niet heeft bijgewoond. Het zittingsblad van de Commissie van beroep bij de Dienst voor geneeskundige controle is een authentieke akte, die alleen kan worden aangevochten door betichting van valsheid of door klacht wegens valsheid. Nu de verzoeker deze procedures niet heeft ingesteld, moet de vermelding betreffende de herneming ab initio van de zaak aangezien worden als overeenstemmend met de werkelijkheid. Het derde middel is niet gegrond. 2.4.
- In een vierde middel laat de verzoeker gelden dat het verbod dat aan de verzekeringsinstellingen wordt opgelegd om tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen een geldige grondslag mist, gelet op de inwerkingtreding van de programmawet (II) van 24 december 2002, die een nieuwe procedure inzake de berechting van inbreuken op de RIZIV-reglementering vaststelt en onverkort van toepassing is vanaf 15 februari 2003, dat het nieuwe artikel 141, §5, van de ZIV-wet een vernieuwde strafmaat heeft ingesteld, dat het oude artikel 156 van de ZIV-wet werd opgeheven, dat dit betekent dat de mogelijkheid tot schorsing van de tegemoetkomingen in de kosten van de verstrekkingen die door de zorgverstrekker werden uitgevoerd niet langer is opgenomen als sanctie en na 15 februari 2003 dan ook niet meer kan toegepast worden, dat een mildere strafwet retroactief wordt toegepast, zodat de sanctie uit de oude ZIV-wet en die uit de nieuwe ZIV-wet, te weten het opleggen van een geldboete, ten opzichte van elkaar moeten worden afgewogen om uit te maken welke sanctie de lichtste is van beide, dat de schorsing van de tegemoetkoming ontegensprekelijk een zwaardere straf is dan een geldboete, dat uit de toepassing van deze principes volgt dat de Commissie van beroep na 15 februari 2003 niet langer het verbod kan opleggen om tegemoet te VII-29.207-9/14 komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door hem zullen worden verleend. 2.4.
- De verwerende partij antwoordt dat op de zitting van 14 januari 2003 de debatten werden gesloten en de Commissie van beroep de zaak op grond van het alsdan geldend recht in beraad nam, dat bij de finale behandeling van het dossier de besproken nieuwe wetgeving nog niet van toepassing was en de commissie hier nog geen rekening mee kon of mocht houden, en dat het hier om een toepassing van de overgangsbepaling gaat (artikel 48 van de programmawet van 24 december 2002 waarbij artikel 216 van de ZIV-wet "hersteld" wordt). 2.4.
- De verzoeker repliceert dat het verbod tot tegemoetkoming in de kosten van prestaties te kwalificeren is als een administratieve sanctie, dat het beginsel van de terugwerking van de mildere straf, zoals neergelegd in artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek van toepassing is op administratieve sancties, en dat het ogenblik waarop de beslissing wordt genomen bepalend is voor de toepassing van de nieuwe wet. 2.4.
- In zijn laatste memorie voegt de verzoeker nog in essentie toe dat de retroactieve werking van de mildere strafwet eveneens is verankerd in artikel 15 van het BUPO-Verdrag. 2.4.
- Volgens artikel 156 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet kunnen de Beperkte kamers, en in beroep de Commissie van beroep, "de verzekeringsinstellingen het tegemoetkomen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar wanneer ze worden verleend door een zorgverlener die de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft". Artikel 29, 4/ van de programmawet (II) van 24 december 2002 heft deze bepaling op. Deze opheffing is in werking getreden op 15 februari 2003, met andere woorden nadat de commissie de voorliggende zaak in beraad heeft genomen doch vóór ze erin uitspraak heeft gedaan. Met ingang van 15 februari 2003 geldt een andere administratieve sanctie : de administratieve geldboete komt in de plaats van het verbod van verzekeringstegemoetkoming. De verzoeker voert aan dat de nieuwe sanctie lichter is dan de vorige. Dit wordt overigens door de verwerende partij in het geheel niet betwist. VII-29.207-10/14 Zowel het Arbitragehof als het Hof van Cassatie hebben het karakter van het algemeen rechtsbeginsel van de in artikel, 2, tweede lid, van het Strafwetboek uitgedrukte regel erkend. (Arbitragehof nr. 76/99 van 30 juni 1999; Cass. 18 februari 2002 ARS01.0138N) Wanneer de sanctie opgelegd door de nieuwe wet op het ogenblik van de uitspraak lichter is dan deze welke door de oude wet was voorzien ten tijde van de inbreuk, moet de nieuwe wet op dit punt worden toegepast. Door ten aanzien van de verzoeker een verbod van verzekeringstegemoetkoming uit te spreken terwijl op het ogenblik van haar uitspraak een lichtere sanctie van toepassing was, heeft de Commissie van beroep het algemeen rechtsbeginsel van de terugwerking van de mildere straf miskend. De verwerende partij brengt hiertegen tevergeefs de overgangsbepaling in die opgenomen is in artikel 48 van de programmawet (II) van 24 december 2002, waardoor in zijn nieuwe versie artikel 216, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, onder meer bepaalt dat "de commissies bedoeld in artikel 155, derde lid, de beroepen blijven behandelen die hen zijn voorgelegd en waar de appellant of diens raadsman, reeds verschenen is voor de opheffing van artikel 156". Deze bepaling betreft uitsluitend een kwestie van formeel recht (de bevoegdheid van het rechtscollege) en laat de vraag naar de toe te passen sanctie (een aangelegenheid van materieel recht) onverlet. Indien het de bedoeling was dat de Commissies van beroep ook nog na inwerkingtreding van de nieuwe wet in de hangende zaken een verbod van verzekeringstegemoetkoming konden uitspreken, had zulks duidelijk in de overgangsbepaling moeten zijn bepaald, hetgeen niet het geval is. Eens de nieuwe wet met de lichtere sanctie van kracht was -met andere woorden vanaf 15 februari 2003-, had de Commissie van beroep niet meer op grond van de vroegere debatten uitspraak mogen doen, doch integendeel de debatten moeten heropenen om de appellant in de mogelijkheid te stellen zich in verband met de toepassing van de nieuwe sanctie nuttig te verdedigen. Het vierde middel is gegrond. Het gegrond bevinden van dit middel leidt slechts tot een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing, met name wat het verbod van verzekeringstegemoetkoming betreft. 2.5.
- In een vijfde middel betoogt de verzoeker dat artikel 141, § 7, van de ZIV-wet is geschonden doordat hij niet de gelegenheid heeft gehad om de VII-29.207-11/14 opschorting van de administratieve geldboeten te vragen en dat hij automatisch kon genieten van de opschortingsmogelijkheid aangezien hij gedurende de voorafgaande drie jaar nooit veroordeeld werd door het RIZIV. 2.5.
- De verwerende partij antwoordt hierop dat het feit dat sedert het in werking treden van de programmawet ook een opschorting van sanctie tot de mogelijkheden behoort, de beslissing geenszins onwettig maakt en dat dit enkel een mogelijkheid betreft die tot de soevereine appreciatie van de feitenrechter behoort, een mogelijkheid die nog niet bestond op het ogenblik van de behandeling van de zaak. 2.5.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat er ook schending is van het recht van verdediging, een algemeen rechtsbeginsel dat de openbare orde raakt, dat de betrokkene bij procedures die tot sancties kunnen leiden voorafgaandelijk moet worden ingelicht over de maatregelen die worden overwogen, dat de verwerende partij ten onrechte de toepassing van de nieuwe wet uitsluit en dat er nooit een soevereine appreciatie heeft plaatsgevonden omtrent de mogelijkheid tot opschorting. 2.5.
- In zijn laatste memorie voegt de verzoeker daaraan nog toe dat de mogelijkheid tot opschorting van de administratieve geldboete een verzachting ervan is en dus eveneens retroactieve werking heeft, en dat de rechten van verdediging wel degelijk de openbare orde raken. 2.5.
- Daargelaten de vraag of de Commissie van beroep gehouden was de verzoeker in de mogelijkheid te stellen om de opschorting van de administratieve geldboeten aan te vragen, volgt dergelijke verplichting hoe dan ook niet uit artikel 141, § 7, van de gecoördineerde Z.I.V.-wet. De in het verzoekschrift als geschonden opgegeven rechtsregel is vreemd aan de aangevoerde grief. In de memorie van wederantwoord roept de verzoeker daarnaast ook de schending van het algemeen rechtsbeginsel in verband met het recht van verdediging in. In tegenstelling tot wat wordt gesteld raakt dit beginsel niet de openbare orde zodat de miskenning ervan niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd. Het vijfde middel is niet ontvankelijk, BESLUIT: VII-29.207-12/14 Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 25 februari 2003 van de Commissie van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor de Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij het hoger beroep van Yvan PALMERS ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de beslissing van de Beperkte kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV van 26 september 2000 dienvolgens wordt bevestigd, in zoverre een verbod van verzekeringstegemoetkoming wordt opgelegd. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van de voormelde Commissie en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de Kamer van beroep. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-29.207-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-29.207-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div