← België

Arrest 168173 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 22/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.173 Rolnummer: A. 179749/XII-4973 Zaak: Arrest 168173 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 16:26 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 168.173 van 22 februari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.173 van 22 februari 2007 in de zaak A. 179.749/XII-

  1. GEMEENTERAADSVERKIEZING VAN 8 OKTOBER 2006 TE WETTEREN. In zake : André D’HAUWE, die woonplaats kiest bij advocaat L. Steyaert, kantoor houdende te Dendermonde, Sint-Gillislaan 36 belanghebbende partijen :
  2. Alain PARDAEN,
  3. Leentje GRILLAERT,
  4. Albert DE GEYTER,
  5. Lieve DE GELDER,
  6. Erna BRAECKMAN, die woonplaats kiezen bij advocaat W. Van der Gucht, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift waarmee André D’Hauwe op 27 december 2006 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 15 december 2006 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in de provincie Oost-Vlaanderen waarin zijn bezwaar inzake de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Wetteren wordt verworpen en de betrokken verkiezingsuitslag geldig wordt verklaard; Gelet op het bericht voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet; Gezien het administratief dossier; Gezien de memorie van de belanghebbende partijen; XII-4973-1/11 Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 8 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2007; Gelet op de kennisgeving aan partijen van de beschikking tot vaststelling en van het auditoraatsverslag; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Van Louwe, die loco advocaat L. Steyaert verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor de belanghebbende partijen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : Feitelijke gegevens van de zaak
  8. Verzoeker is bij de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Wetteren kandidaat op de lijst nr. 8 RESPECT. Er nemen aan die verkiezing vijf lijsten deel, waarvan de stemcijfers en het aantal behaalde zetels door het gemeentelijk hoofdstembureau op 8 oktober 2006 als volgt worden vastgesteld : stemcijfers aantal zetels lijst nr. 1 sp.a-GROEN! 2827 4 lijst nr. 2 VLD 3051 5 lijst nr. 7 CD&V 5520 10 lijst nr. 8 RESPECT 3993 6 lijst nr. 9 Vlaamse Eenheid 1644 2 XII-4973-2/11 Blijkens het proces-verbaal van het gemeentelijk hoofdstem- bureau is verzoeker verkozen als titularis. Niet betwist is dat een verschuiving van dertien stemmen van de lijst nr. 7 CD&V naar de lijst nr. 8 RESPECT de laatstgenoemde lijst een zetel meer zou opleveren, ten nadele van de eerstgenoemde lijst. Op 17 november 2006 dient verzoeker bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in de provincie Oost-Vlaanderen een bezwaarschrift in tegen de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing te Wetteren. In dat bezwaarschrift bekritiseert verzoeker dat in talrijke stembureaus kandidaten voor de lijst CD&V, onder wie drie schepenen, de taak van bijzitter hebben waargenomen, dat zij bij de ingang van het stemlokaal stonden, van elke kiezer zijn oproepingsbrief en identiteitskaart in ontvangst namen en met luide stem het nummer op de kiezerslijst en de naam van de kiezer afriepen. Voorts wijst hij er op dat dit “de taak van het bureau [is] waarbij het contact met de kiezers het meest direct is” en dat het duidelijk om een georkestreerd maneuver gaat dat door beïnvloedbare kiezers als bedreigend kan zijn ervaren. Met een beslissing van 15 december 2006 verwerpt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in de provincie Oost-Vlaanderen het bezwaar en verklaart hij de verkiezingsuitslag, zoals vastgesteld door het hoofdstembureau van Wetteren, geldig. Onderzoek van de grond van de zaak
  9. Verzoeker voert vijf middelen aan die alle gesteund zijn op het feit dat “in minstens zes stembureaus verscheidene kandidaten voor de lijst CD&V deel [hebben] uitgemaakt van het betrokken stembureau”. Volgens verzoeker zou het gaan om de volgende zes kandidaten : “Alain PARDAEN 4de plaats CD&V en schepen Getuige in stembureau 7 Leentje GRILLAERT 22ste plaats CD&V Getuige in stembureau 12 Albert DE GEYTER 21ste plaats CD&V en schepen Getuige in stembureau 18 Lieve DE GELDER 5de plaats CD&V en schepen Getuige in stembureau 24 Johan SCHATTEMAN 20ste plaats CD&V Getuige in stembureau 25 Erna BRAECKMAN 3de plaats CD&V en schepen Getuige in stembureau 26”. XII-4973-3/11 Vijf van hen zouden bij de ingang van het stemlokaal de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers in ontvangst hebben genomen en met luide stem het nummer van de kiezers op de kiezerslijst en de naam van de kiezers hebben afgeroepen. Bij het verzoekschrift zijn veertien verklaringen gevoegd van kiezers die dit bevestigen. Voorts stellen drie andere verklaringen dat de zesde kandidaat, Johan Schatteman, in stembureau 25 de identiteitskaart en de afgestempelde oproepingsbrief terug overhandigde aan de kiezers die aan hun kiesplicht hadden voldaan. In een eerste middel laat verzoeker gelden dat deze handelwijze van de voornoemde CD&V-getuigen een schending uitmaakt van artikel 13, tweede lid, van de gemeentekieswet, naar luid waarvan de kandidaten geen deel mogen uitmaken van het stembureau. Hij betoogt dat de betrokken kandidaten van de lijst nr. 7 CD&V slechts als getuigen in de stembureaus mochten aanwezig zijn, dat zij echter door het in ontvangst nemen van de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers en door het afroepen van het nummer en de naam van de kiezers de facto als secretaris of bijzitter van het stembureau zijn opgetreden, dat de taken die zij hebben uitgevoerd, deze zijn waarbij het contact met de kiezers het meest direct is, dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen weliswaar niet gelooft dat er onregelmatigheden zijn begaan, vermits er geen opmerkingen zijn gemaakt in de processen-verbaal van de stembureaus, maar dat de zeventien bij het verzoekschrift gevoegde verklaringen van kiezers even zoveel ernstige en eensluidende aanwijzingen zijn die toelaten de regelmatigheid van de kiesverrichtingen, ten minste in de zes betrokken stembureaus, in twijfel te trekken, dat het standpunt van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat het in ontvangst nemen van de oproepingsbrief en de identiteitskaart geen specifieke taak van het stembureau is, kant noch wal raakt, dat in de omzendbrief BB - 2006/15 van 26 juli 2006 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, betreffende “Verkiezingen van 8 oktober 2006 - Onderrichtingen voor de voorzitters van de stembureaus en de stemopnemingsbureaus bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen - Kiesomschrijvingen met manuele stemming”, duidelijk wordt gesteld dat de secretaris de documenten van de kiezers in ontvangst neemt en doorgeeft aan de bijzitter. In een tweede middel voert verzoeker aan dat de stembureaus waar de voormelde feiten zich hebben afgespeeld, een schijn van partijdigheid hebben gewekt, die door beïnvloedbare kiezers als bedreigend kan zijn ervaren. Verzoeker XII-4973-4/11 stelt dat aldus het gevoel van anonimiteit en objectiviteit bij het stemmen verloren is gegaan en kiezers zich ongewild hebben kunnen laten beïnvloeden, dat verscheidene kiezers zich niet langer vrij zullen hebben gevoeld om te stemmen voor de lijst of de kandidaat van hun keuze, dat daarenboven 5 tot 10% van de kiezers pas in het stemlokaal beslissen voor wie ze gaan stemmen, dat de invloed van de CD&V- kandidaten dan ook aanzienlijk was, dat ze een heel nauw contact hadden met elke kiezer die op het punt stond zijn stem te gaan uitbrengen. In een derde middel betoogt verzoeker dat de voorzitters van de betrokken stembureaus de handelingen van de CD&V-kandidaten hebben toegelaten “ofwel uit onwetendheid, ofwel uit laksheid ofwel uit een gebrek aan neutraliteit”, dat een andere mogelijkheid is dat de CD&V-schepenen “misbruik hebben gemaakt van hun gezag om de stembureaus naar hun hand te zetten”. In een vierde middel laat verzoeker gelden dat de lijst nr. 8 RESPECT dertien stemmen te kort komt om een bijkomende zetel te behalen, dat indien slechts één op de 272 kiezers zich in de betrokken stembureaus heeft laten beïnvloeden door het optreden van de CD&V-kandidaten, de lijst nr. 7 CD&V daarmee een zetel heeft gewonnen, dat de aangevoerde onregelmatigheid dan ook een invloed heeft gehad op de zetelverdeling, zodat de verkiezing ongeldig moet worden verklaard. In een vijfde middel voert verzoeker ten slotte aan dat door de grootschaligheid waarmee de onregelmatigheden werden begaan, namelijk in minstens zes van de 27 stembureaus, wordt aangetoond dat de betrokken CD&V- kandidaten de verkiezingsuitslag in hun voordeel hebben willen beïnvloeden, dat het hier gaat over “een collectieve verkiezingsstrategie om propaganda te blijven voeren tot in het stemlokaal en tot wanneer de laatste kiezer zijn stem had uitgebracht”.
  10. De belanghebbende partijen sluiten zich, wat verzoekers eerste middel betreft, aan bij het standpunt van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat bij ontstentenis van opmerkingen in de processen-verbaal van de betrokken stembureaus de stemverrichtingen vermoed moeten worden regelmatig te zijn verlopen, dat verzoeker dit vermoeden niet weerlegt, dat het in ontvangst nemen van de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers en het afroepen van het nummer van de kiezers op de kiezerslijst en van de naam van de kiezers door de wetgeving niet als een specifieke taak of opdracht van het stembureau is omschreven, XII-4973-5/11 dat indien die handelingen toch als zodanig zouden moeten worden opgevat, dit nog niet betekent dat de CD&V-getuigen die deze handelingen hebben gesteld, deel hebben uitgemaakt van het stembureau, dat zij immers niet hebben deelgenomen aan de beslissingen die collegiaal door het stembureau moeten worden genomen. Volgens de belanghebbende partijen brengt verzoeker geen enkel argument aan dat dit standpunt kan weerleggen. Met betrekking tot verzoekers tweede, derde, vierde en vijfde middel werpen de belanghebbende partijen vooreerst op dat ze niet ontvankelijk zijn, omdat verzoeker daarin geen schending aanvoert van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, noch machtsoverschrijding of machtsafwending. Voorts zetten de belanghebbende partijen uiteen dat de voormelde middelen hoe dan ook niet gegrond zijn. Wat het tweede middel betreft, sluiten de belanghebbende partijen zich vooreerst weer aan bij het standpunt van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat er in casu van een beïnvloeding van de kiezers geen sprake kan zijn. Voorts doen zij gelden dat het gebruikelijk is dat aan de ingang van het stemlokaal de stembrief en de identiteitskaart van de kiezers in ontvangst worden genomen en dat vervolgens, ten behoeve van de bijzitters die de kiezerslijsten aanstippen, de naam van de kiezers en het nummer van de oproepingsbrief worden afgeroepen, dat iedere kiezer dit als de gewone gang van zaken aanvaardt, dat het zeer de vraag is hoe enige kiezer zich zou laten beïnvloeden wanneer die taak door een getuige, al dan niet kandidaat voor een partij, wordt overgenomen, dat in diverse stembureaus getuigen van diverse partijen, óók van de lijst nr. 8 RESPECT, spontaan hebben meegewerkt aan de stembusgang, zonder dat daarover door kiezers of getuigen een opmerking is gemaakt. Voorts verwijzen de belanghebbende partijen naar de verklaringen van de voorzitters van de betrokken stembureaus die zij bij hun memorie van antwoord hebben gevoegd en waaruit blijkt dat “de normale gang van de kiesverrichtingen is gevolgd, zoals dit sedert jaar en dag gebeur[t]”, dat niemand dit als een poging tot beïnvloeding van de kiezers heeft gepercipieerd en dat de voorstelling van zaken die verzoeker geeft, zwaar overtrokken is. Met betrekking tot het derde middel stellen de belanghebbende partijen dat, zoals de Raad voor Verkiezingsbetwistingen heeft overwogen, het XII-4973-6/11 standpunt van verzoeker dat de voorzitters van de betrokken stembureaus uit onwetendheid, laksheid of een gebrek aan neutraliteit hebben gehandeld, door geen enkel gegeven wordt gestaafd. Voorts herhalen zij dat de betwiste handelingen van de CD&V-getuigen overeenstemmen met de gewone gang van de kiesverrichtingen, zoals die in een stembureau dient te verlopen, en dat uit de neergelegde verklaringen van een aantal voorzitters blijkt dat er van enige onregelmatigheid in hun gedrag geen sprake is. Wat het vierde middel betreft, laten de belanghebbende partijen gelden dat verzoeker geen onregelmatigheid aantoont die invloed op de zetelverdeling zou kunnen hebben gehad, dat zeker geen effectieve beïnvloeding van de zetelverdeling bewezen is, en dat verzoeker zich louter op een veronderstelling beroept. Met betrekking tot het vijfde middel, ten slotte, stellen de belanghebbende partijen dat vermits geen onregelmatigheden werden begaan, de Raad voor Verkiezingsbetwistingen terecht heeft geoordeeld dat niet dient te worden onderzocht of de bedoelde feitelijkheden al dan niet invloed hebben gehad op de verkiezingsuitslag.
  11. De exceptie van onontvankelijkheid die door de belanghebbende partijen wordt opgeworpen met betrekking tot het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel is niet gegrond. Het voorliggende verzoekschrift betreft geen beroep tot nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling in het kader van het objectief contentieux, maar een beroep tegen de jurisdictionele beslissing die in eerste aanleg door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen werd genomen over een bezwaar betreffende de geldigheid van de gemeenteraadsverkiezing te Wetteren, en waarover de Raad van State met volle rechtsmacht uitspraak doet. Binnen het raam van dat beroep mag de verzoekende partij wel degelijk, zoals voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, middelen aanvoeren waarin wordt betoogd dat bij het verloop van de kiesverrichtingen onregelmatigheden zijn gebeurd die de zetelverdeling tussen de partijen hebben beïnvloed, zodat de verkiezing ongeldig dient te worden verklaard. Het is precies dat wat verzoeker in de vijf aangevoerde middelen doet, zij het dat de vijf middelen gesteund zijn op een en dezelfde onregelmatigheid, namelijk het feit dat CD&V-getuigen, die tevens kandidaat waren voor de lijst nr. 7 XII-4973-7/11 CD&V, in minstens zes stembureaus hebben deelgenomen aan de verrichtingen van het stembureau op een wijze die volgens verzoeker in zodanige mate de kiezers heeft kunnen beïnvloeden dat de zetelverdeling tussen de partijen er mede door is bepaald. De middelen zijn ontvankelijk. Er is reden om ze tezamen te behandelen.
  12. Er bestaat blijkbaar geen betwisting over dat alvast in de stembureaus 7, 12, 18, 24 en 26 de aanwezige CD&V-getuigen, die tevens kandidaat waren voor de lijst nr. 7 CD&V, minstens gedurende een deel van de tijd dat het stembureau geopend was, de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers in ontvangst hebben genomen en ten behoeve van de leden van het stembureau die belast waren met de aanstipping van de kiezerslijsten, het nummer van de kiezers op de kiezerslijsten en de naam van de kiezers hebben afgeroepen. In stembureau 25 blijkt CD&V-getuige Johan Schatteman de afgestempelde oproepingsbrief en de identiteitskaart aan de kiezers die hun kiesplicht hadden vervuld te hebben teruggegeven. Artikel 13, tweede lid, van de gemeentekieswet bepaalt dat kandidaten geen deel mogen uitmaken van het stembureau. Enerzijds blijkt, louter formeel gezien, in de stembureaus, waar de aangeklaagde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, aan dit voorschrift voldaan. De CD&V-getuigen, die tevens kandidaat waren, werden niet aangewezen als lid van deze stembureaus. Uit de processen-verbaal van de stemverrichtingen blijkt ook niet dat zij deel zouden hebben genomen aan enige beslissing die door deze stembureaus zou zijn genomen. Zij hebben de processen-verbaal van de stemverrichtingen niet als lid, maar als getuige ondertekend. Anderzijds rijst de vraag of de handelingen die deze getuigen hebben gesteld niettemin vanuit materieel oogpunt geacht moeten worden tot de verrichtingen te behoren die door de leden van de stembureaus gesteld moeten worden. Getuigen dienen toe te zien op het verloop van de kiesverrichtingen en aldus op de handelingen van de leden van het stembureau -zodat zij desgevallend met kennis van zaken opmerkingen kunnen maken en bezwaren kunnen formuleren XII-4973-8/11 die zij in het proces-verbaal van de kiesverrichtingen kunnen laten opnemen-, niet er actief aan deel te nemen. Het gaat dan ook hun taak te buiten om, bijvoorbeeld, de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers in ontvangst te nemen en het nummer en de naam van de kiezers af te roepen. Dat is des te meer het geval waar zij, aldus handelend, feitelijk optreden als een soort van receptionist van het stembureau, instaand voor het eerste, en bovendien een bijzonder persoonlijk en direct, contact met de kiezers die zich in het stembureau aanbieden. De door verzoeker aangevoerde omzendbrief BB - 2006/15 van 26 juli 2006 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering gaf aan de voorzitters van de stembureaus waar manueel werd gestemd, onder meer de volgende onderrichtingen : “U kunt het best de bijzitter aan wie u uw politionele bevoegdheid hebt gedelegeerd, aan de ingang van het stemlokaal laten plaatsnemen. Het is niet wenselijk dat u zelf deze taak uitvoert. U kunt dan immers onvoldoende aandacht besteden aan het correcte verloop van de stemverrichtingen in uw bureau. De eigenlijke stemming verloopt als volgt : ! Een kiezer meldt zich aan in het stemlokaal met zijn oproepingsbrief en zijn identiteitskaart of identiteitsbewijs. ! De secretaris controleert of de gegevens in de lijst overeenstemmen met de vermeldingen op de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezer, stipt de naam van de kiezer aan op de kiezerslijst (aanstiplijst) en geeft de identiteitskaart door aan de persoon die naast hem zit. De voorzitter of een bijzitter die de voorzitter heeft aangewezen, neemt de identiteitskaart aan. Hij controleert of de gegevens in de lijst overeenstemmen met de vermeldingen op de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezer en stipt de naam van de kiezer aan op een andere kiezerslijst. ! De voorzitter plaatst de stempel met de naam van het kieskanton en de datum van de verkiezing op de keerzijde van de stembiljetten, op de plaats die bij loting is vastgelegd. ! De voorzitter geeft de kiezer de gevouwen stembiljetten. ! De kiezer gaat in een vrij stemhokje en brengt zijn stem uit. ! De kiezer toont aan de voorzitter de stembiljetten, die hij in vieren heeft gevouwen met de stempel aan de buitenzijde. ! De kiezer stopt de stembiljetten in de juiste stembussen. ! De voorzitter of een bijzitter die hij heeft aangewezen drukt de datumstempel op de oproepingsbrief als bewijs voor de kiezer dat hij heeft gestemd. ! De kiezer krijgt zijn identiteitskaart of identiteitsbewijs terug en verlaat het stemlokaal”. Er kan geen redelijke twijfel over bestaan dat het in ontvangst nemen van de oproepingsbrief en de identiteitskaart van de kiezers en het afroepen van hun nummer en naam ten behoeve van de secretaris en de bijzitters van het stembureau voordat zij hun kiesplicht hebben vervuld, evenals het terugbezorgen van de afgestempelde oproepingsbrief en de identiteitskaart aan de kiezers nadat zij hun XII-4973-9/11 kiesplicht hebben vervuld, behoren tot de kiesverrichtingen die onder de opdracht en de verantwoordelijkheid van het stembureau vallen. Het komt niet aan de getuigen toe om dergelijke handelingen te stellen, des te minder nog aan de getuigen die zelf kandidaat zijn. De deelname van CD&V-getuigen aan de uitvoering van de taken van sommige stembureaus is dan ook als een onregelmatigheid aan te merken, ook al zouden beweerdelijk getuigen van andere partijen gelijkaardige handelingen hebben gesteld en ook al zou het beweerdelijk een gebruikelijke praktijk zijn dat getuigen, zelfs wanneer ze zelf kandidaat zijn, worden ingeschakeld in de werkzaamheden van het stembureau.
  13. Zoals de Raad van State ook al in het arrest gemeenteraads- verkiezing te Ninove, nr. 32.952 van 20 juli 1989, heeft geoordeeld, kan het functioneren van een kandidaat als lid van een stembureau leiden tot beïnvloeding van de ter stemming opkomende kiezers. Die beïnvloeding is in onderhavig geval des te meer waarschijnlijk gelet op de precieze inhoud van het gewraakte functioneren van de getuigen-kandidaten. Meer bepaald zorgden vijf van hen feitelijk voor het eerste onthaal van de kiezers in het stembureau en konden zij zich zo doende ín het stemlokaal nog eens prominent aan hen presenteren. Zeker de drie schepenen, waarvan niet wordt betwist dat zij “bij de gehele bevolking goed gekend zijn”, kunnen daar hun profijt mee gedaan hebben, nu evenmin wordt tegengesproken dat “5 à 10 % van de kiezers pas in het stemlokaal beslissen voor wie zij gaan stemmen”. Wetende dat een verschuiving van dertien stemmen van de lijst CD&V naar de lijst RESPECT volstaat opdat de eerste lijst een zetel zou verliezen ten voordele van de laatste, én staande voor de opvallend grote schaal waarop de gelaakte handelwijze plaatshad -namelijk in liefst een vijfde van alle stembureaus, met medewerking van onder anderen alle drie de CD&V-schepenen-, moet het voor realistisch worden gehouden dat het gelaakte optreden van de getuigen de zetelverdeling tussen de onderscheiden lijsten heeft beïnvloed.
  14. De middelen zijn in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : XII-4973-10/11 Artikel
  15. Het besluit van 15 december 2006 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in de provincie Oost-Vlaanderen waarbij het bezwaar van André D’Hauwe tegen de op 8 oktober 2006 te Wetteren gehouden gemeenteraads- verkiezing wordt verworpen en waarbij de uitslag van de verkiezing geldig wordt verklaard, wordt vernietigd. Artikel
  16. De gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Wetteren wordt ongeldig verklaard. Artikel
  17. Het door verzoeker onverschuldigd gekweten zegelrecht, ten bedrage van 175 euro, wordt hem terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4973-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.