← België

Arrest 168176 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.176 Rolnummer: A. 138722/XIV-15799 Zaak: Arrest 168176 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 16:26 Fiche Arrest nr 168.176 van 22 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 168.176 van 22 februari 2007 in de zaak A. 138.722/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. KEMPINAIRE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Koning Leopold I straat 27 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 februari 1967 en van Azerische nationaliteit, op 4 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 5 juni 2003; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de tijdige toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 1 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-15.799-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat J. KEMPINAIRE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. BETTENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 11 november 1999 en verklaart zich vluchteling op 12 november
  4. 1.
  5. Op 17 mei 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 28 mei 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart een Azerisch staatsburger te zijn. Uw vader is van Azerische, uw moeder van Armeense origine. U bent geboren in Gulistan (Azerbeidzjan), waar u altijd heeft gewoond. In 1991 werd uw huis getroffen door een bombardement (oorlog in Nagorno-Karabach). U was op dat moment op bezoek bij uw ouders, samen met uw twee kinderen. Uw zoon en schoonouders, die thuis waren gebleven, stierven. Al uw documenten werden vernield. Hierna bracht uw echtgenoot u met de twee kinderen naar Stepanakert, waar jullie met een vliegtuig van een humanitaire organisatie naar Rusland werden gebracht. U woonde in het dorp Orlovka en had geen contact meer met uw man. Tot uw vertrek naar België verbleef u zonder officiële registratie in de Russische Federatie. Eind 1993 kreeg u problemen met twee mannen die avances maakten, waarop u niet inging. Op 15 februari 1994 vielen ze uw woning binnen en sloegen ze u en uw dochter. De neef van uw echtgenoot die daar ook woonde, diende klacht in tegen de daders. Eén van hen werd veroordeeld en opgesloten (gedurende één of anderhalf jaar). Begin 1995 kwam uw man naar Rusland. Enkele maanden na zijn aankomst viel de tweede dader jullie lastig. Hij eiste 200 dollar, wat door uw man werd betaald. Daarna vroegen hij en zijn handlangers regelmatig kleinere sommen. In 1997 eisten ze 700 dollar. In 1999 werd u thuis door hen verkracht. De vrouw van het dorpshoofd bracht u naar het ziekenhuis, dat u diezelfde dag nog verliet. Op 5 juni 1999 sloegen ze uw man op zijn werk, omdat hij hen niet wilde betalen. Daarna kwamen ze naar uw huis en sloegen ze ook u. U werd drie maanden in het ziekenhuis opgenomen. Op 20 september 1999 adviseerde het dorpshoofd uw gezin Rusland te verlaten. Hij had namelijk een opsporingsbericht ontvangen uit Nagorno-Karabach, waaruit bleek dat uw man gezocht werd. XIV-15.799-2/13 Met behulp van een kennis van het dorpshoofd, die in Kaliningrad op een boot werkte, werd uw gezin per boot naar België gebracht. Op 12 november 1999 diende u, samen met uw echtgenoot, Vanian Gatsjik, en uw vier minderjarige kinderen, een asielaanvraag in. B. Motivering Uit uw verklaringen (DVZ pt.10, 11, 14 en 42; CGVS p.3-4) blijkt dat u sinds 1986 te Gulistan samenwoonde met uw partner Vania Gatsjik (O.V. 4.901.121), dat uw partner in 1988 vrijwillig strijder (fedaïn) werd toen het Armeens-Azerisch conflict uitbrak, dat in 1991 medestrijders van uw partner aan hem vroegen om u weg te sturen omwille van uw etnische afkomst, dat in 1991 uw huis getroffen werd door een bombardement waarbij uw zoon en schoonouders omkwamen en waarna u op aanraden van uw partner naar Rusland vluchtte. Uit de verklaringen van uw partner voor het CGVS blijkt echter dat hij zijn verblijf in Azerbeidzjan niet aannemelijk kon maken. Zoals gedetailleerd uiteengezet in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen in hoofde van uw partner die zich op dezelfde asielmotieven baseert, zijn de verklaringen van uw partner mbt Shahumjan, de onafhankelijkheid van Nagorno-Karabach, en de president van Nagorno-Karabach, tegenstrijdig met informatie waarover het CGVS beschikt. Verder werd in de beslissing genomen in hoofde van uw partner opgemerkt dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij geen kennis heeft van de moordpartij op honderden Armenen in Kirovabad en van de Azerische taal, hetgeen zijn asielrelaas eveneens ongeloofwaardig maakt. Deze vaststellingen met betrekking tot de verklaringen van uw partner, ondermijnen uw verklaringen over zijn en uw aanwezigheid in Azerbeidzjan. Ook werd er een ernstige tegenstrijdigheid vastgesteld tussen uw verklaringen en deze van uw partner. Betreffende het incident van 5 juni 1999 verklaart uw partner dat jullie belagers eerst naar u gingen en u sloegen, vooraleer ze naar het werk van uw partner kwamen en hem sloegen (zie verslag partner CGVS, p.20-21). Volgens u echter, sloegen de belagers eerst uw partner op het werk, waarna ze bij u thuis kwamen en u sloegen (zie verslag CGVS, p.11). Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw asielrelaas. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken legde u volgende documenten neer (tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal verklaarde u deze verloren te hebben): een document betreffende uw gezinssamenstelling (Azerbeidzjan, 10/02/1991), een attest van uw verblijf in de Russische Federatie zonder registratie van juli 1991 tot oktober 1999 (16/01/2001), twee medische attesten (05/03/1994 en 30/08/1999), een medisch attest van uw dochter (15/02/1994), en een medisch attest (dd. 29/04/02) van u. Deze documenten zijn niet van die aard dat ze het voorgaande kunnen wijzigen. Eveneens legt u een medische expertise van het centrum exil (dd. 9/07/02) neer waarin wordt beschreven dat u last heeft van de volgende symptomen : angstaanvallen, geheugenstoornissen, slapeloosheid, en aanhoudende hoofdpijn. Alhoewel er gesuggereerd wordt dat deze symptomen, net als de bij uw vastgestelde littekens, in verband zouden kunnen staan met de door u in uw asielrelaas aangehaalde gebeurtenissen, kan dit echter niet met zekerheid worden vastgesteld. Gezien de bedrieglijkheid van uw verklaringen kan dus getwijfeld worden aan het verband tussen de door u aangehaalde gebeurtenissen en de door exil vastgestelde symptomen. Uit uw verklaringen blijkt ook duidelijk dat de in het attest vermelde geheugenstoornis geen bepalende invloed had op uw verklaringen en geen belemmering was om coherente (geen tegenstrijdigheden met DVZ) en gedetailleerde verklaringen af te leggen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-15.799-3/13
  7. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “
  9. EERSTE MIDDEL : schending van de motiveringsplicht die voorzien is in het art. 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en in de art. 2 en 3 van de Wet inzake Motivering van Bestuurshandelingen van 29/07/
  10. De bestreden beslissing kwam tot stand op basis van verhoren, waaromtrent het volgende wordt aangeklaagd : Op 20 september 1999 adviseerde het dorpshoofd uw gezin Rusland te verlaten. Hij had namelijk een opsporingsbericht ontvangen uit Nagorno-Karabach, waaruit bleek dat uw man gezocht werd. Met behulp van een kennis van het dorpshoofd, die in Kaliningrad op een boot werkte, werd uw gezin per boot naar België gebracht. Op 12 november 1999 diende u, samen met uw echtgenoot, XXX, en uw vier minderjarige kinderen, een asielaanvraag in. Eerste Onderdeel.
  11. Van het dossier is geen enkele inventaris aan te treffen in het dossier zelf, zoals het ter inzage én afschrift ter beschikking is gesteld op het CGVS. De CGVS noemt in zijn eindbeslissing ten gronde wel enkele stukken, maar hij geeft niet expliciet en gedetailleerd met garantie van volledigheid de stukken op op basis waarvan hij tot zijn besluit komt. Bovendien heeft ondergetekende nog eens extra de bestelling van de kopies moeten laten aanvullen, doordat de eerste afgeleverde kopies onvolledig waren. Een exacte controle van het dossier, op basis van overtuigingsstukken, is aldus onmogelijk. Niet voor de (later geraadpleegde en pas nu optredende) raadsman en al evenmin voor de Raad van State. Tweede onderdeel. 1.
  12. Door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle procedurestukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken is het andermaal onmogelijk een exacte controle van het dossier te doen, namelijk te weten op welk ogenblik met welke stukken precies is rekening gehouden. Een vertaling van de door de CGVS niet-contradictoir toegevoegde eigen CGVS-stukken ontbreekt blijkbaar. Derde onderdeel. 1.
  13. Van de verhoren op zowel DVZ als CGVS werden aan betrokkene geen kopies afgeleverd, zodat de KV nooit in de mogelijkheid is geweest om eventuele foute noteringen te doen corrigeren. Vierde onderdeel. 1.
  14. De tolken op DVZ en CGVS ("tolk 518") blijken geen eed te hebben afgelegd, zelfs zijn/haar identiteit blijft onbekend. Dit laat de mogelijkheid open, dat zeer slordig vertaald werd, hetgeen vanzelfsprekend de rechten van betrokkene heeft geschaad. Het is pas nadat de eindbeslissing is getroffen, dat de kandidaat inzage heeft van zijn dossier en van de onderscheidene verhoren. Pas dan zijn mogelijke fouten vast te stellen, maar dan is het te laat om nog wijzigingen te doen aanbrengen. In ieder geval had betrokkene het in de mate van het mogelijke, d.w.z. met de haar opgelegde werkwijze van vraag en antwoord, over haar problemen in Azerbeidjan resp. Nagorno-Karabach en later in de Russische Federatie. De beslissing kan zelfs onmogelijk naar behoren gemotiveerd zijn omwille van de volgende redenen: Vijfde onderdeel. 1.
  15. Betrokkene heeft het CGVS-verhoorrapport niet ondertekend. Het werd haar niet ter ondertekening voorgelegd én het werd haar zelfs niet voorgelezen. De ondertekening onderaan blz. 12 door ondervrager Marlies Puimans (?) van het verhoorrapport verleent aan het document ook al geen authenticiteit. Een dergelijk rapport, zelfs in zogeheten administratief recht, mist derhalve iedere tegenstelbaarheid. Het is niet bruikbaar als authentiek document. Men moet de gegevens in dergelijk niet-voorgelezen en niet door de ondervraagde ondertekend rapport, dat bovendien tot stand komt met een tolk die geen eed aflegt en die het - zoals zovele keren al werd vastgesteld - zeker niet nauw neemt met de vertalingen, zeker uiterst voorzichtig behandelen. De kans is immers zeer groot, dat het tot stand gekomen rapport zelfs niet of niet volledig strookt met de echt afgelegde verklaringen. Er werd ook niets op band opgenomen. Alles is neergepend, in casu zelfs met hanepoten én zeer eigen afkortingen, in onvoorstelbaar archaïsche werkomstandigheden. Het belang ligt hierin, dat de CGVS meent dat in hoofde van de man diverse contradicties en onvolkomenheden (gebrekkige kennis van de opeenvolgende presidenten in de enclave etc.) zijn vast te stellen tussen de gegevens van dit verhoor en de algemene XIV-15.799-4/13 ‘informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt’ (zie p. 2, aanhef van de Motivering in dossier van echtgenoot XXX). Zesde onderdeel. 1.
  16. Wat deze contradicties zelf betreft, heeft de CGVS nagelaten betrokkene uitdrukkelijk daarmee te confronteren, met verwijzing naar zijn bronnen. De betrokkene werd aldus de kans ontnomen op hierop eigen commentaar te geven. Wat betreft het voorval van 5 juni 1999 is het wel degelijk zo, dat de afpersers eerst haar man opzochten op zijn werk en daarna bij haar aan huis kwamen. Maar hier wordt met twee belangrijke elementen in het dossier geen de minste rekening gehouden: l/ ook betrokkene is destijds zwaar mishandeld geweest en zij heeft daar letsels aan overgehouden, die trouwens in het EXIL-rapport worden aangehaald; 2/ de feiten gaan zeer ver in de tijd terug, een en ander is ondertussen al meer dan tien jaar geleden! Daarbij heeft het verlies van de oudste zoon Arthur bij het bombardement van hun huis, waarbij deze toen vierjarige jongen omkwam samen met zijn vaderlijke grootouders de betrokkenen zeer zwaar getekend en een blijvend trauma doen oplopen. Verder is met een belangrijk stuk van betrokkene, het attest van samenstelling van gezin uit Azerbeidjan dd. 10/02/1991, dat in het dossier zit, geen rekening gehouden. Het bewijst alleszins het verblijf in Gjulistan, in Azerbeidjan. Ook bewijst dit stuk de identiteit van alle betrokkenen uit het gezin in
  17. Het stuk schraagt de geloofwaardigheid van het verhaal.”; 2.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “Dat hij volkomen volhardt in het gestelde en in het inleidend verzoekschrift dat uitdrukkelijk bij wegen van toelichtende en aanvullende memorie het gestelde in het verzoekschrift herhaalt. Dat verzoekende partij vordert het inleidend verzoek zou ontvankelijk en gegrond verklaard worden op grond van de motieven in het inleidend verzoekschrift aangehaald.”; 2.1.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste middel de schending van de motiveringsplicht aanvoert zoals voorzien in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.
  20. Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het eerste middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-15.799-5/13 Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; 2.1.
  21. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken en verklaringen uit het dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  22. van huidig arrest, de XIV-15.799-6/13 Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft besloten; 2.1.
  23. Overwegende dat in het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel het betoog van de verzoekende partij, waar ze aanvoert dat de motiveringsplicht werd aangetast doordat geen enkele inventaris werd aangelegd in het dossier en dat de Commissaris-generaal niet expliciet en gedetailleerd met garantie van volledigheid de stukken op basis waarvan hij tot zijn besluit kwam zou hebben vermeld in de bestreden beslissing, en dat door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle processtukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken, het onmogelijk is een exacte controle van het dossier door te voeren, zodat haar belangen zijn geschaad en dat er tevens een vertaling van de door de Commissaris-generaal niet-contradictoir toegevoegde stukken ontbreekt, niet kan worden bijgetreden; dat ten tijde van de opmaak van de bestreden beslissing, met name 28 mei 2003, geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling van kracht was die het bijhouden van een inventaris verplicht stelde; dat pas overeenkomstig artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wordt bepaald dat de ambtenaar een inventaris aanlegt van de stukken die door de asielzoeker werden voorgelegd ter ondersteuning van zijn asielaanvraag; dat daarnaast de verzoekende partij verzuimt aan te tonen hoe het ontbreken van enige inventaris of een vertaling van de stukken van de Commissaris-generaal een weerslag op de bestreden beslissing kon hebben gehad; dat de plicht tot uitdrukkelijke motivering bovendien niet inhoudt dat de beslissende administratieve overheid de motieven van de gegeven redenen van de beslissing moet vermelden; dat zij dus niet “verder” dient te motiveren; dat derhalve de uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende overheid voor elke overweging in haar beslissing bronnen dient te vermelden; Overwegende dat waar de verzoekende partij in een derde onderdeel van het eerste middel aanvoert dat van de verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal geen kopieën werden afgeleverd waardoor ze niet in de mogelijkheid zou zijn geweest om eventuele foute noteringen tijdig te doen voorkomen, dient te worden opgemerkt dat er geen enkele verplichting bestaat in hoofde van de Dienst Vreemdelingenzaken of van het Commissariaat-generaal om kopieën van de verhoren te verstrekken aan de kandidaat-vluchteling vooraleer een beslissing over de ontvankelijkheid wordt genomen; dat bovendien dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat dit overeenstemt met die inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat zij geen opmerkingen heeft gemaakt over het verslag bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dienvolgens niet kan worden ingezien hoe het XIV-15.799-7/13 ontbreken van dergelijke kopieën aan de verzoekende partij een nadeel zou hebben berokkend; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens in een vierde onderdeel van het eerste middel opwerpt dat de tolken op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal geen eed hebben afgelegd en zelfs anoniem blijven waardoor de mogelijkheid openblijft dat slordig vertaald wordt; dat evenwel geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling vereist dat de tolken op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal een eed moeten afleggen; dat de anonimiteit van deze tolken daarenboven essentieel is ter waarborg van hun veiligheid en neutraliteit ten aanzien van de kandidaat-vluchteling; dat daarenboven de verzoekende partij niet aannemelijk maakt hoe het door haar aangevoerde haar belangen zou hebben geschaad; Overwegende dat waar de verzoekende partij in een vijfde onderdeel van het eerste middel de juridische bewijskracht van het verhoorverslag van het interview op het Commissariaat-generaal betwist, daar haar de notities die tijdens betreffend interview werden genomen niet werden voorgelegd noch ter herlezing of ter ondertekening, dient te worden vastgesteld dat de procedure voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is; dat dienvolgens het tegensprekelijk debat in principe niet moet plaatsvinden; dat geen wettekst of rechtsbeginsel de Commissaris-generaal verplicht de verzoekende partij te confronteren met haar eigen verklaringen; dat het volstaat dat de verzoekende partij in het kader van haar asielprocedure nuttig voor haar belangen kan opkomen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal uitgebreide informatie heeft ingewonnen omtrent haar asielmotieven, onder meer door middel van het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat uit de notities van het Commissariaat-generaal kan worden afgeleid dat de verzoekende partij tijdens haar verhoor uitvoerig werd ondervraagd; dat de verzoekende partij eveneens bij de Dienst Vreemdelingenzaken haar vluchtmotieven heeft kunnen uiteenzetten, zodat ze voldoende de kans heeft gekregen haar asielmotieven kenbaar te maken; dat uit betreffende stukken geenszins kan worden afgeleid dat zich enige onregelmatigheid hieromtrent zou hebben afgespeeld; dat de Commissaris-generaal bij zijn beoordeling van de zaak rekening mag houden met alle feitelijke elementen, onder meer met die welke resulteren uit de verklaringen van de verzoekende partij op het Commissariaat-generaal, en de inhoud van die verklaringen mag vergelijken met de verklaringen afgelegd door de asielzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat hij eventuele tegenstrijdigheden mag vaststellen en daaruit de nodige gevolgtrekkingen afleiden; dat bovendien uit het administratief dossier noch uit het verzoekschrift blijkt dat er zich problemen hebben voorgedaan tijdens het interview op het Commissariaat- generaal; dat de verzoekende partij overigens in haar verzoekschrift niet uiteenzet welke XIV-15.799-8/13 punten van het verhoor op het Commissariaat-generaal haar belangen hebben geschaad; dat zij zich beperkt tot het in vraag stellen van de bewijskracht van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal zonder enig verband te leggen met de motieven van de bestreden beslissing; dat deze motieven, die steun vinden in het administratief dossier, draagkrachtig, pertinent en afdoende zijn; dat de notities genomen door de jurist- interviewer tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal niet de bestreden beslissing uitmaken, maar enkel de basis vormen voor deze beslissing, die de verzoekende partij niet aan een inhoudelijke kritiek onderwerpt; Overwegende dat de verzoekende partij in het zesde onderdeel van het eerste middel vooreerst aanvoert dat de Commissaris-generaal heeft nagelaten haar uitdrukkelijk te confronteren met de vastgestelde contradicties tussen de gegevens van het verhoor en de algemene informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat andermaal dient te worden vastgesteld dat op het ogenblik van het verhoor, met name 17 april 2003 geen enkele rechtsregel voorschrijft dat de Commissaris-generaal de verzoekende partij vooraf moet confronteren met eventuele tegenstrijdigheden; dat pas overeenkomstig artikel 17, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 11 juli 2003 de ambtenaar in principe de asielzoeker in de loop van het gehoor dient te wijzen op de tijdens het gehoor vastgestelde tegenstrijdige verklaringen en zijn reactie daarop te noteren; Overwegende dat de verzoekende partij tenslotte in het zesde onderdeel van het eerste middel in essentie aanvoert dat met enkele belangrijke gegevens in het dossier geen rekening werd gehouden; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris- generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat, waar de verzoekende partij bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, ze een verklaring post factum geeft, die de tegenstrijdigheden echter niet opheft; dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente en gedetailleerde verklaringen aflegt; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat ze het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat dit overeenstemt met die inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat ze geen opmerkingen heeft gemaakt over het verhoor bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partij zich bij de uiteenzetting van betreffend XIV-15.799-9/13 onderdeel in essentie beperkt tot een herhaling van haar asielrelaas; dat het de bedoeling van de verzoekende partij lijkt te zijn aan de hand van haar betoog de Raad van State haar asielrelaas te laten heronderzoeken; dat het evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat de Commissaris-generaal een eindbeslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij in casu alle pertinente gegevens is nagegaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat hij in voorliggend geval aan de hand van deze vaststellingen ten slotte heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat uit de motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen; dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de Commissaris-generaal met andere woorden op grond van het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven heeft besloten dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de gevolgtrekkingen van de Commissaris- generaal evenwel niet volstaat om de motieven te weerleggen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal derhalve niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing kon komen; dat het eerste middel in al zijn onderdelen ongegrond is; 2.2.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “
  25. TWEEDE MIDDEL. De taal van het onderzoek is het Nederlands. Verscheidene overtuigingsstukken van zowel betrokkene als van het CGVS (‘Seven Years of Conflict in NAGORNO- KARABAKH’), gesteld in een andere taal dan deze van de procedure (Armeens, Engels en Frans) blijken helemaal niet vertaald te zijn. Aldus werd art. 51/4, par. 3 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 geschonden. De niet-omzetting in de proceduretaal schendt de belangen van betrokkene, gezien deze recht heeft op een beslissing die wordt genomen (o.m.) op grond van stukken die in de taal van het onderzoek zijn gesteld of vertaald. Hoe kan anders de controlerende beroepsinstantie zoals de Raad van State nagaan of met alle motieven is rekening gehouden? En dit geldt vanzelfsprekend ook voor de optredende raadsman. D. BESLUIT. Aldus werden zowel de art. 62 van de Wet van 15.12.1980 als het art. 51/4, par. 1, 2 en 3 van de Wet van 15.12.1980 geschonden. De beslissing kwam tot stand op een rapport dat niet authentiek en dus niet-tegenstelbaar is. Het is duidelijk, dat in casu verzoekende partij XIV-15.799-10/13 geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gehad. Betrokkenes rechten zijn op zeer ernstige wijze geschonden en dit herhaaldelijk. De meest elementaire rechten van de mens werden met de voeten getreden. Aldus zijn zowel de (in het dringend beroep bestreden) beslissing van de Gemachtigde van de Heer Minister van Binnenlandse Zaken als de hic et nunc bestreden beslissing van de Commissaris-Generaal genomen in strijd met de wet, minstens is er bevoegdheidsoverschrijding. De beslissing steunt op onjuiste, minstens op juridisch onaanvaardbare motieven, zodat zij met machtsoverschrijding is genomen. De beslissing is gebaseerd op een niet-voorgelezen en niet door betrokkene ondertekend verhoorrapport, waarin fouten kunnen zijn geslopen. Dit verhoor heeft geen authenticiteit en het is derhalve noch tegenstelbaar aan betrokkene noch bruikbaar als basis voor een conform de wet gemotiveerde beslissing. De gehanteerde motivering is niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Ook zijn met de bestreden beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden.”; 2.2.
  26. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “Dat hij volkomen volhardt in het gestelde en in het inleidend verzoekschrift dat uitdrukkelijk bij wegen van toelichtende en aanvullende memorie het gestelde in het verzoekschrift herhaalt. Dat verzoekende partij vordert het inleidend verzoek zou ontvankelijk en gegrond verklaard worden op grond van de motieven in het inleidend verzoekschrift aangehaald.”; 2.2.
  27. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 51/4, §3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.2.
  28. Overwegende dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 juli 1996, luidt als volgt: “§
  29. Het onderzoek van de in de artikelen 50 en 51 bedoelde verklaring of aanvraag geschiedt in het Nederlands of het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied. §
  30. De vreemdeling, bedoeld in de artikelen 50 of 51, dient onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van de in de vorige paragraaf bedoelde aanvraag de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. §
  31. In de eventuele daaropvolgende procedures voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en voor de Raad van State wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing.”; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat artikel 51/4, §3, van de Vreemdelingenwet werd geschonden omdat een aantal overtuigingsstukken niet werden vertaald naar de taal van de procedure; dat zij meent dat haar belangen XIV-15.799-11/13 hierdoor werden geschaad omdat een controlerende instantie als de Raad van State of de optredende raadsman niet kan nagaan of met alle motieven rekening werd gehouden; dat uit het administratief dossier blijkt dat de gehoorverslagen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal in het Nederlands werden gesteld; dat de verklaring aangaande de taalkeuze die werd afgelegd in toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet duidelijk maakt dat de verzoekende partij om een Armeense tolk heeft verzocht en dat de taal van de procedure het Nederlands was; dat de bestreden beslissing in het Nederlands werd gesteld; dat artikel 51/4, §3, van de Vreemdelingenwet de taal van de gehele asielprocedure aanwijst; dat betreffende bepaling evenwel niet oplegt dat de overtuigingsstukken neergelegd door de kandidaat- vluchteling of de informatie waarop de Commissaris-generaal zich beroept in de taal van de procedure dienen te worden gesteld of vertaald; dat uit het administratief dossier nergens blijkt dat de verzoekende partij hieromtrent ooit opmerkingen heeft gemaakt of kritiek heeft geuit; dat de verzoekende partij niet doet blijken dat zij op enige wijze door het aangehaalde is gegriefd; dat de enkele omstandigheid dat bepaalde stukken niet in de taal van de procedure werden gesteld of vertaald niet de wettigheid van de bestreden beslissing vermag aan te tasten; dat het tweede middel ongegrond is;
  32. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  33. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.799-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.799-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.