id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.256 Rolnummer: A. 138046/XIV-15576 Zaak: Arrest 168256 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 16:30 Fiche Arrest nr 168.256 van 26 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.256 van 26 februari 2007 in de zaak A. 138.046/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DE WILDE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, op 18 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 mei 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.576-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat P. DE WILDE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, komen respectievelijk op 22 oktober 1998 en 8 juli 1999 België binnen en verklaren zich beide vluchteling. Op 27 augustus 2000 wordt hun asielaanvraag afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Bij arrestnummer 98.719 van de Raad van State uitgesproken op 6 september 2001, worden het door verzoekers ingestelde verzoek tot schorsing en beroep tot nietigverklaring verworpen. 1.
- Op 26 februari 2002 dienen verzoekers een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bij de burgemeester van Destelbergen. 1.
- Op 13 mei 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Wat betreft het medisch motief, moet worden opgemerkt dat betrokkene geen specifieke zorgen meer nodig heeft en dat ze niet verhinderd is te reizen naar haar land van herkomst. Bovendien is het feit dat verzoeker kans heeft om te werken, dat ze allen behoorlijk Nederlands praten en dat ze geïntegreerd zijn in de samenleving, geen uitzonderlijke omstandigheid om art.9.3 van de wet van 15/12/1980 in te dienen. Bovendien moet worden opgemerkt dat de procedure regularisatieaanvragen gebaseerd op art. 9.3 van de wet van 15/12/1980 verschillend is van die van de Regularisatiecommissie en er aldus niet mee kan vergeleken worden.”. XIV-15.576-2/9
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR
- Dat het commissariaat generaal dan ook de plicht heeft om de feiten, waarop zij zich stoelt, te verzamelen op een zorgvuldige wijze.
- Dat bovendien de feiten moeten volledig zijn.
- Dat de feiten ook juist moeten worden beoordeeld. Wat de argumenten betreft.
- Dat de argumenten juist moeten zijn.
- Dat de argumenten bovendien volledig moeten zijn
- Dat ook de argumenten juist moeten worden beoordeeld. Bovendien moet de motivatie ook voldoen aan het beginsel van behoorlijk bestuur een meer bepaald aan het redelijkheidsbeginsel. Eerste onderdeel : Er zit een duidelijk contradictie in de besluitvorming van het ministerie van binnenlandse zaken. Het ministerie stelt dat ze geen buitengewone omstandigheden weerhoudt waarom verzoekers de aanvraag niet hebben kunne doen in hun thuisland. Anderzijds stelt de beslissing letterlijk "Wat betreft het medisch motief moet worden opgemerkt dat betrokkene geen specifieke zorgen meer nodig heeft en dat ze niet verhinderd is te reizen naar haar land van herkomst." Uit de lezing van dit argument kan men afleiden dat de medische toestand is verbeterd. Trouwens dit wordt ook erkend door verzoekers. Maar de medische toestand was op het moment van de aanvraag wel degelijk aanwezig. Tweede verzoekster was in behandeling in het UZ te Gent en kon aldus niet reizen. De ontvankelijkheid en dus de buitengewone omstandigheden moeten onderzocht worden op het moment van de aanvraag. Derhalve kan men niet stellen dat gezien de verbeterde medische toestand er geen buitengewone omstandigheden aanwezig waren. Dit schendt de zorgvuldigheidsplicht Tweede onderdeel Het ministerie stelt dat de procedure regularisatie conform artikel 9 lid 3 van de wet van 15 december 1980 verschillend is van die van de regularisatiecommies (bedoeld wordt de wet van 22 december 1999) en er aldus niet mee kan vergeleken worden. Uit de lezing van het verzoek van verzoeker dd. 25 februari 2002 kan men duidelijk afleiden dat verzoekers de analogie met de wet van 22 december 1999 hebben aangehaald om ten gronde aan te halen dat zij wel degelijk in aanmerking kwamen om geregulariseerd te worden. Trouwens dient opgemerkt te worden dat bij ministeriele omzendbrief dd. 6 januari 2000, als gevolg van de wet van 22 december 1999, het tweede deel van de omzendbrief dd. 15 december 1998 heeft opgeheven. Derhalve waren geen criteria meer voorhanden om de nieuwe aanvragen conform artikel 9 lid 3 te behandelen. Dit houdt uiteraard niet in dat het ministerie vanaf die datum een arbitraire bevoegdheid had om te beslissen. De beslissing moet gemotiveerd worden en gezien er wel degelijk criteria waren uitgewerkt in de wet van 22 december 1999, moet de overheid aantonen waarom deze criteria niet worden gehanteerd. Derde onderdeel Verzoekers hebben aangehaald dat zij in exact dezelfde voorwaarden bevonden om conform de wet van 22 december 1999 te worden geregulariseerd. Verzoekers hebben aangehaald dat indien zij niet zouden worden geregulariseerd dit een discriminatie zou zijn. De overheid heeft op dit pertinent argument niet geantwoord. De eenvoudige stelling "en er aldus niet mee kan vergeleken worden” is niet afdoend. Te meer daar in het verzoek dd. 25 februari 2002 uitvoerig over is geargumenteerd. Dit schendt duidelijk de zorgvuldigheidsplicht. Vierde onderdeel: DE SCHENDING VAN HET ZORGVULDIGHEIDSPRINCIPE. XIV-15.576-3/9 Dat het ministerie bij het nemen van zijn beslissing moet rekening houden met alle elementen van het dossier. Dat zij anderhalf jaar hebben gewacht om de beslissing te nemen op de aanvraag van regularisatie dd. 25 februari 2002 Dat zij er dan ook van moesten uitgaan dat intussen tijd verzoekers hun leven verder hebben georganiseerd in België. Dat deze elementen niet zijn onderzocht. Dat het ministerie hiermee toch een inbreuk pleegt op haar zorgvuldigheidsplicht.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers eerste middel: "Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur" ! Betreffende de ontvankelijkheid van verzoekers eerste middel. Verweerder merkt op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/Javaux; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48; Les Novelles : Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. In casu merkt verweerder op dat betreffende verzoekers eerste middel voor ogen dient gehouden te worden dat onontvankelijk is, het eerste, tweede en derde onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een beslissing, geen duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregel die geschonden wordt geacht. (cf. naar analogie de rechtspraak van de Raad van State i.v.m. het begrip "middelen" in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het Besluit van de regent dd. 23.8.1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals bv. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de door verzoekers in hun diverse onderdelen gehanteerde verwijzingen, noch de loutere verwijzing in de titel van het eerste middel, te weten "Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur’”. Betreffende de titel "Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur" dient opgemerkt te worden dat er diverse beginselen van behoorlijk bestuur bestaan die allen beheerste worden door eigen specifieke regels. Verzoekers blijven aldus in gebreke om een voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel naar voor te brengen, wat nochtans een voorwaarde is opdat er zou kunnen worden gesproken van een (ontvankelijk) middel. Verwerende partij is daarbij van oordeel dat het eerste middel van verzoekers niet voldoende duidelijk is omschreven en dat het voorgaande toe laat te stellen dat het eerste middel van verzoekende partij, in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. ! Betreffende het eerste onderdeel. Verzoekers stellen in hun eerste onderdeel van hun eerste middel dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt. Zij achten dit beginsel geschonden omdat de medische toestand van verzoekster werd beoordeeld op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing en niet op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend. Verwerende partij stelt dat in tegenstelling tot een regularisatieaanvraag op basis van de wet van 22.12.1999, de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9§3 van de wet 15.12.1980 dient te worden beoordeeld op het ogenblik van het nemen van XIV-15.576-4/9 de beslissing door de Minister van Binnenlandse Zaken en dit rekening houdend met alle gegevens van het dossier op het ogenblik van het nemen van de beslissing. Er is een essentieel verschil tussen het opzet van een tijdelijke mogelijkheid tot regularisatie in de wet van 22.12.1999 en de permanente mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 9§3 van de wet van 15.12.
- De beoordeling van de regularisatieaanvraag op basis van de wet van 22.12.1999 diende enkel en alleen te gebeuren aan de hand van de gegevens die dateerden tot op het ogenblik van de aanvraag en dit omwille van de gelijke behandeling van de vele dossiers die allen dienden ingediend te zijn binnen een termijn van drie weken vanaf 10 januari
- Verzoekende partij vergelijkt hier appels met peren. De medische toestand van verzoekster is op heden en was op het ogenblik van de aanvraag niet dermate ernstig dat zij niet in staat was te reizen. Verzoeksters toestand was op het ogenblik van de aanvraag nog volop in onderzoek en is na het nodige onderzoek niet ernstig, laat staan problematisch gebleken. Verzoekers hun eerste onderdeel, mist enige grondslag en kan niet aangenomen worden ter nietigverklaring van de bestreden beslissing. ! Betreffende het tweede onderdeel. Verwerende partij blijft bij haar standpunt dat de procedure van artikel 9§3 van de wet van 15.12.1980 en deze van de regularisatiewet van 22.12.1999 niet te vergelijken zijn, beiden een totaal ander opzet en verschillende toepassingscriteria hebben. Het vergelijken van beide procedures is totaal zinloos en irrelevant met betrekking tot de betwisting nopens de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing. Het is verzoekende partij helemaal niet duidelijk waarom de bestreden beslissing zou moeten gemotiveerd worden op basis van de regularisatiewet van 22.12.
- Verzoekers tweede onderdeel faalt in rechte en kan minstens niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing. ! Betreffende het derde onderdeel. De eenvoudige stelling "dat er niet kan vergeleken worden" is volgens verwerende partij meer dan voldoende. Een verzoek om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9§3 van de wet van 15.12.1980 houdt helemaal niet in dat de verzoekende partij dient aan te tonen dat indien zij een regularisatieaanvraag op basis van de wet van 22.12.1999 hadden ingediend zij dan in aanmerking zouden komen om te worden geregulariseerd. Verzoekende partij die een aanvraag op basis van artikel 9§3 hebben ingediend, dienden aan te tonen dat zij aan de voorwaarden gesteld voor de procedure voldoen en niet dat ze aan de voorwaarden van een andere procedure voldoen. Het is dan ook volkomen niet ter zake ook maar enigszins na te gaan of verzoekers al dan niet aan de voorwaarden van de regularisatiewet van 22.12.1999 zou voldoen of niet. Verzoekers derde onderdeel faalt in rechte en kan minstens niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing. ! Betreffende het vierde onderdeel: de schending van het zorgvuldigheidprincipe. Verzoekende partij gaat er ten onrechte vanuit dat er geen rekening werd gehouden met de actuele situatie van verzoekers bij het nemen van de bestreden beslissing. Het volledige dossier zoals het zich voordeed op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing werd zoals gebruikelijk grondig onderzocht, waarbij alle elementen in overweging werden genomen. In dezelfde zin gaan verzoekers er ten onrechte van uit dat de mate van organisatie van hun leven in België en dus hun mate van integratie of integratie-inspanningen een buitengewone omstandigheid uitmaken in de zin van artikel 9§3 van de wet van 15.12.
- Om ontvankelijk te zijn dienden verzoekers de buitengewone omstandigheden aan te tonen waarom zij de aanvraag niet ingediend hebben via de gewone procedure via de bevoegde consulaire of diplomatieke dienst in hun land van herkomst of oponthoud. Verzoekers brengen echter geen dergelijke motieven aan. Tenslotte kan de duur van anderhalf jaar voor het nemen van de bestreden beslissing niet aanzien worden als onredelijk lang. Verzoekers hebben hier ook geen nadeel door geleden. XIV-15.576-5/9 Gezien de afwijzing van hun asielaanvragen en de gewijzigde situatie in hun land van herkomst dienden verzoekers er ernstig rekening mee te houden dat zij niet in het Rijk gingen mogen blijven. Verwerende partij ziet niet in op welke wijze de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. Verzoekers vierde onderdeel van het eerste middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 2.1.3.
- Overwegende dat in een eerste middel verzoekers zich beroepen op de “schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”; dat uit het middel dient afgeleid dat verzoekers het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het redelijkheidsbeginsel geschonden achten; dat de door de verwerende partij opgeworpen onontvankelijkheid van het eerste middel dan ook niet kan worden aangenomen; 2.1.3.
- Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoekers de zorgvuldigheidsplicht geschonden achten doordat de bestreden beslissing stelt “wat betreft het medisch motief moet worden opgemerkt dat betrokkene geen specifieke zorgen meer nodig heeft en dat ze niet verhinderd is te reizen naar het land van herkomst.”; dat volgens verzoekers de buitengewone omstandigheden onderzocht moeten worden op het ogenblik van de aanvraag; dat verzoekers niet kunnen worden bijgetreden; dat de aangevoerde buitengewone omstandigheden dienen te worden beoordeeld op het ogenblik van het nemen van de beslissing; dat, aangezien uit het administratief dossier blijkt dat de medische toestand van verzoekster is verbeterd en haar niet verhindert te reizen, hetgeen door verzoekers niet wordt ontkend, de Minister van Binnenlandse Zaken in alle redelijkheid kon oordelen dat het door hen aangevoerd medisch motief niet kan worden aanvaard als buitengewone omstandigheid; 2.1.3.
- Overwegende dat, in de mate verzoekers in het tweede en derde onderdeel aanvoeren dat het niet opgaat te stellen dat de procedure van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet en deze van de Regularisatiewet van 22 december 1999 niet te vergelijken zijn, dient opgemerkt dat de regularisatieprocedure conform artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet en conform de Regularisatiewet wel degelijk twee onderscheiden procedures zijn; dat de regularisatiewet een gunstmaatregel is en een uitzondering die meer welomschreven omstandigheden en striktere voorwaarden bevat dan het gemeen recht vervat in de Vreemdelingenwet; dat, aangezien verzoekers hun aanvraag hebben ingediend op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, verzoekers zich in het kader van de door hen ingestelde procedure conform artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet niet konden beroepen op de criteria van de Regularisatiewet; 2.1.3.
- Overwegende dat in een vierde onderdeel verzoekers aanvoeren dat, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken anderhalf jaar heeft gewacht om de bestreden beslissing te nemen, hij er moest mee rekening houden dat verzoekers in tussentijd hun leven verder in België hebben georganiseerd; dat verzoekers echter XIV-15.576-6/9 vaststellen dat de Minister van Binnenlandse Zaken deze elementen niet heeft onderzocht; dat de omstandigheid dat verzoekers hun leven in België verder hebben georganiseerd betrekking heeft op de gegrondheid van verzoekers aanvraag en niet op de ontvankelijkheid ervan; dat de Minister van Binnenlandse Zaken met deze omstandigheden geen rekening hoefde te houden bij het beoordelen of er buitengewone omstandigheden zijn die verzoekers verhinderen hun aanvraag via de gewone procedure, meer bepaald via de bevoegde diplomatieke of consulaire dienst in het land van herkomst te doen; 2.1.3.
- Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “Tweede MIDDEL: GEBREK AAN MOTIVERING: SCHENDING VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN BESTUURSHANDELINGEN De Wet inzake de Uitdrukkelijke Motivering van Bestuurshandelingen schrijft voor dat de juridische en feitelijke motivering waarop men een beslissing steunt "afdoende" dient te zijn. Hieronder dient te worden verstaan dat de aangegeven reden in evenredigheid dient te staan met de genomen beslissing. 2.1 Het ministerie van binnenlandse zaken moet uitgaan van correcte gegevens. Gezien wat hierboven onder het eerste middel werd aangehaald en zeker in het tweede onderdeel, kan men sterk twijfelen dat het ministerie uitgegaan is van correcte gegevens. Dit is niet voldoende. 2.
- De argumenten zijn dan ook niet juist beoordeeld. 2.
- Besluit Het niet of niet voldoende motiveren, evenals het niet correct motiveren, levert zonder meer de illegaliteit van de bestreden bestuurshandeling op wegens schending van een substantiële vormvereiste. Het volstaat voor de vernietiging van de rechtshandeling. 2.
- Bovendien zijn de argumenten niet in evenredigheid met de genomen beslissing. Deze bestreden beslissing mist dan ook alle redelijkheid.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers tweede middel: "Gebrek aan motivering: schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen". Betreffende de vermeende schending van de Wet dd. 29.07.1991 dient er op te worden gewezen dat de door verzoekers bedoelde wet verband houdt met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en als zodanig tot doel heeft om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoekers kennelijk als gebrekkig gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekers immers toe om te achterhalen om welke redenen hun aanvraag tot verblijfsmachtiging door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk wordt geacht, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. XIV-15.576-7/9 Immers, nu zij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weten dat de door hen in het kader van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte gegevens door het bestuur niet als uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de daarin vermelde wetsbepaling worden aanzien, en dat dit aan de basis ligt van het als onontvankelijk beschouwen van die aanvraag, moeten verzoekers worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat zij tegen de te hunnen opzichte genomen beslissing kunnen opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan, wat in casu concreet wil zeggen, door aan te tonen dat het niet opgaat de voormelde omstandigheden niet te beschouwen als zijnde uitzonderlijk als bedoeld in de laatstvermelde wetsbepaling. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoekers in het kader van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging voorgelegde elementen door in de bestreden beslissing te vermelden dat verzoekers met deze elementen geen uitzonderlijke omstandigheden hebben aangehaald als bedoeld in art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoekers kritiek (welke feitelijke grondslag mist, nu in de in casu bestreden beslissing wel degelijk is uiteengezet waarom de kans om te werken, het behoorlijk Nederlands praten, hun mate van integratie,... niet kunnen worden aanzien als uitzonderlijke omstandigheden) kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Dienaangaande kan bovendien worden opgemerkt dat bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek leveren, maar er ook in slagen de motieven vervat in de beslissing dd. 13.05.2003 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geven kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoekers zichzelf tegenspreken als zij stellen de motivering van de door hen bedoelde akte niet voldoende te achten, terwijl zij perfect bij machte blijken om de motieven vervat in de bestreden akte weer te geven in hun inleidend verzoekschrift en daarin uit te leggen waarom zij de motivering beschouwen als niet voldoende. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekers het vereiste belang ontberen bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R v. St. 1994, z.p.). Bovendien houdt de naleving van de genoemde plicht geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.01.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.06.1998, F.J.F. 1998, 693). Waar verzoekers klaarblijkelijk het tegenovergestelde aannemen, is hun toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan zij de schending opwerpt, zodat deze in rechte faalt. Verzoekers tweede middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 2.2.3.
- Overwegende dat in het tweede middel verzoekers zich beroepen op de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoekers menen dat de bestreden beslissing niet is uitgegaan van correcte gegevens, hun argumenten niet correct heeft beoordeeld en dat de argumenten niet in evenredigheid zijn met de genomen beslissing; dat zij verwijzen naar hetgeen zij hebben uiteengezet in het eerste middel; 2.2.3.
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing kennen, doch dat zij betwisten dat de opgegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat uit de bespreking van het eerste middel voldoende blijkt dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund XIV-15.576-8/9 pertinent en draagkrachtig zijn en op afdoende wijze de bestreden beslissing kunnen schragen; dat de bestreden beslissing geen schending inhoudt van de wet op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.576-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.