id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.259 Rolnummer: A. 145881/XIV-18208 Zaak: Arrest 168259 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 16:30 Fiche Arrest nr 168.259 van 26 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.259 van 26 februari 2007 in de zaak A. 145.881/XIV-18.
- In zake : XXX alias XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN WEYENBERGE, kantoor houdende te 1930 ZAVENTEM, Stationsstraat 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX alias XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 29 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 november 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 6 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-18.208-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN WEYENBERGE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, is op 29 mei 2003 in België binnengekomen en verklaarde zich op 2 juni 2003 vluchteling. Op 4 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 19 november 2003 neemt de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. 1.
- Verzoekster dient op 15 oktober 2003 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 28 november 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “De redenen die werden aangehaald waarom betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Het feit dat betrokkene hier school loopt, in behandeling is gezien er bij haar ernstige depressieve en dissociatieve symptomen vastgesteld werden en dat er geen familie meer is in haar thuisland, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in van haar asielaanvraag. Deze aanvraag werd niet ontvankelijk verklaard door de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 19/11/2003 en haar betekend op 21/11/
- Aangezien betrokkene momenteel nog minderjarig is, wordt het haar reeds afgeleverde bevel om het grondgebied te verlaten verlengd tot de leeftijd van meerderjarigheid.”. XIV-18.208-2/7 1.
- Op 18 december 2003 beslist de Minister van Binnenlandse Zaken de aan verzoekster afgeleverde bijlage 13 te verlengen tot 30 juni
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “3.
- De Minister van Binnenlandse Zaken is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht. De Minister van Binnenlandse Zaken weerhield in de beslissing van 28 november 2003 volgende motiveringen: 1."Het feit dat betrokkene hier school loopt is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Op te merken valt dat verzoekster minderjarig is en als niet begeleide minderjarige naar België is gekomen. Verzoekster kan bijgevolg niet terug naar Nigeria om aldaar een verzoekschrift in te dienen. Tevens wordt geen rekening gehouden met het feit dat verzoekster hier school loopt en het schooljaar eindigt op 30 juni 2004, De Minister van Binnenlandse Zaken motiveert niet op een geldige wijze waarom verzoekster minstens niet tot het einde van het schooljaar in België mag blijven. Bovendien schendt hij met deze beslissing het gelijkheidsbeginsel, vermits voor andere niet begeleide minderjarigen wel een vergunning tot verblijf einde schooljaar wordt afgeleverd. 2.”Het feit dat betrokkene hier in behandeling is gezien er bij haar ernstige depressieve en dissociatieve symptomen vastgesteld werden en dat er geen familie meer is in haar thuisland is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend.
- Dat verzoeksters ernstige depressie en haar dissociatie te maken heeft met hetgeen ze in Nigeria heeft meegemaakt en meer bepaald met het feit dat ze haar ouders en familie aldaar verloren heeft; Dat het psychische en mentaal niet mogelijk is dat verzoekster terug naar haar thuisland keert, vermits ze dan volledig zou instorten; Dat de Minister van Binnenlandse Zaken zelf toegeeft dat deze depressieve en dissociatieve symptomen aanwezig zijn; Dat bovendien vastgesteld moet worden dat de Minister zelf meldt dat de depressieve en dissociatieve symptomen ernstig zijn; Dat verzoekster bijgevolg een ernstig zieke persoon is; Dat een ernstig zieke persoon eens te meer valt onder de categorieën van mensen waarvoor een regularisatie wordt toegestaan; Dat de Minister niet verantwoordt, noch motiveert waarom hij met dit ernstig gezondheidsprobleem geen rekening houdt; Dat hij onterecht de regularisatie niet heeft toegestaan;
- Dat hij ook onterecht geen rekening houdt met de beklemmende humanitaire omstandigheden waarin verzoekster zich bevindt; Dat verzoekster hier helemaal alleen is aangekomen, zonder nieuws van haar familie is en in een depressie verkeert; Dat verzoekster onmogelijk, gelet op haar gezondheidstoestand en de omstandigheden waarin ze zich bevindt naar Nigeria kan terugkeren om aldaar een machtiging tot verblijf in te dienen;
- De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek van haar asielaanvraag. Deze aanvraag werd niet ontvankelijk verklaard door de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 19/11/2003 en haar betekend op 21/11/
- Dat verzoekster effectief asiel heeft aangevraagd; XIV-18.208-3/7 Dat echter het door haar ingediende verzoekschrift op basis van artikel 9 § 3 geen nieuwe asielaanvraag inhoudt, maar enkel de aanvraag om de machtiging te bekomen om in België te verblijven, gelet op de gezondheidstoestand van verzoekster; Dat er een duidelijk onderscheid tussen de twee aanvragen dient te worden gemaakt; Dat de wet ook een onderscheid maakt tussen de asielaanvraag en deze aanvraag; Dat mochten de twee procedures dezelfde zijn, zouden er geen twee procedures dienen te worden gemaakt; Dat de wetgever bewust twee verschillende procedures voor twee verschillende zaken heeft voorzien; Dat de twee zaken dan ook apart dienen te worden bekeken; Zomaar uit de afwijzing van het asiel, concluderen dat ook de aanvraag om machtiging dient te worden afgewezen, doet tekort aan de motiveringsplicht van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dat de beslissing bijgevolg niet wettelijk gemotiveerd is;”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekster stelt in haar enig middel dat “de Minister van Binnenlandse Zaken is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht" en de in casu bestreden beslissing "niet wettelijk gemotiveerd is". De verwerende partij acht verzoeksters enig middel niet ontvankelijk. Immers, de Raad van State heeft er reeds herhaaldelijk op gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux ; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles : Le Conseil d’Etat, nr. 1763, p. 605). In casu merkt verweerder op dat betreffende verzoeksters enig middel voor ogen dient gehouden te worden dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een beslissing, geen duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregel die geschonden wordt geacht. (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere vermelding dat "de Minister van Binnenlandse Zaken is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht" of dat de in casu bestreden beslissing "niet wettelijk gemotiveerd is". Wanneer een bepaalde rechtstoestand in verband kan worden gebracht met meerdere rechtsregels, quod est in casu met de motiveringsplicht, dient de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift de door haar geschonden geachte rechtsregel(s) specifiek aan te duiden. Verzoekster blijft in gebreke aan deze vereiste te voldoen, reden waarom de verwerende partij het enig middel dus onontvankelijk acht. Geheel ten overvloede merkt de verwerende partij nog op dat de in casu bestreden beslissing afdoende met motieven is onderbouwd opdat zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht waaraan ze is onderworpen. De voormelde formele motiveringsplicht heeft immers enkel tot doel de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor haar ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat zij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De in de in casu bestreden beslissing opgenomen overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekster immers toe om te achterhalen om welke redenen haar aanvraag tot verblijfsmachtiging door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk wordt geacht, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. XIV-18.208-4/7 Immers, nu zij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat de door haar in het kader van haar aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte gegevens door het bestuur niet als uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de daarin vermelde wetsbepaling worden aangezien, en dat dit aan de basis ligt van het als onontvankelijk beschouwen van die aanvraag, moet verzoekster worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat zij tegen de te haren opzichte genomen beslissing kan opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan. Er is in casu wel afdoende geantwoord op de door verzoekster in het kader van haar aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte elementen. Verzoeksters summiere en ongestaafde beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Gelet op het voorgaande, is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters enig middel onontvankelijk, minstens ongegrond is.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoekster de Minister van Binnenlandse Zaken onder meer verwijt niet te hebben verantwoord, noch te hebben gemotiveerd waarom hij met het door haar aangevoerde ernstige gezondheidsprobleem geen rekening houdt; dat zij erop wijst dat haar ernstige depressie en dissociatie te maken heeft met hetgeen zij heeft meegemaakt in Nigeria en dat het dan ook voor haar psychisch en mentaal niet mogelijk is terug te keren aangezien zij dan volledig zou instorten; 2.3.
- Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoekster een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de Minister van Binnenlandse Zaken moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in casu verzoekster op 15 oktober 2003 een aanvraag indiende tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat in deze aanvraag verzoeksters raadsman betreffende de ontvankelijkheid van haar aanvraag onder meer het volgende stelde : “Ten slotte zou een terugkeer naar haar thuisland, geestelijk gezien te confronterend zijn.”; dat zij in haar XIV-18.208-5/7 feitenuiteenzetting had gewezen op haar psychische gezondheidsproblemen die bevestigd werden door bij het verzoekschrift gevoegde medische attesten; dat in de bestreden beslissing de Minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot dit punt het volgende overweegt: “Het feit dat (...), in behandeling is gezien er bij haar ernstige depressieve en dissociatieve symptomen vastgesteld werden (...) is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend.”; dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich enkel beperkt tot de overweging dat het feit dat zij “hier in behandeling is” geen buitengewone omstandigheid vormt, hetgeen door verzoekster als dusdanig niet als buitengewone omstandigheid, maar eerder als gegrondheidsmotief werd aangevoerd; dat de Minister van Binnenlandse Zaken echter met geen woord rept over de door haar aangevoerde omstandigheid dat een terugkeer voor haar geestelijk gezien te confronterend zou zijn; dat in de mate verzoekster van oordeel is dat “de Minister niet verantwoordt, noch motiveert waarom hij met dit ernstig gezondheidsprobleem geen rekening houdt”, zij dan ook kan worden bijgetreden; dat bijgevolg dient besloten tot een schending van de motiveringsplicht; dat het enig middel, in die mate, gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 november 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-18.208-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-18.208-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.259 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.