id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.263 Rolnummer: A. 141797/XIV-16818 Zaak: Arrest 168263 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:30 Fiche Arrest nr 168.263 van 26 februari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.263 van 26 februari 2007 in de zaak A. 141.797/XIV-16.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 5 september 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juli 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 8 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007; XIV-16.818-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Armeense nationaliteit, komen in België binnen op 1 december 1998, waar zij zich op 2 december 1998 vluchteling verklaren. 1.
- Op 19 februari 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 15 september 1999 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Verzoekers dienen bij de Raad van State een verzoek tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van deze bevestigende beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Op 4 april 2001 verwerpt de Raad van State in de arresten met nrs. 94.518 en 94.519 de door verzoekers ingediende beroepen. 1.
- Op 10 augustus 2001 dienen verzoekers een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). XIV-16.818-2/7 1.
- Op 28 juli 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Redenen: De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Dat betrokkenen goed geïntegreerd zouden zijn, schoollopende kinderen hebben, Nederlandse les volgen en dat zij hier aan het werk zouden kunnen is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Zij wisten dat hun verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag en de medische situatie van Mijnheer XXX . Zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing in hun asielaanvraag het land dienden te verlaten. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat- Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 15/09/1999 en kennis gegeven op 17/09/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Het medisch probleem van Mijnheer XXX kan niet langer weerhouden worden. Hij werd afdoende in België behandeld en er werd hem om deze reden een uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten toegestaan (vanaf 04/03/2002 tot 04/08/2002). Uit het medisch verslag van onze controlegeneesheer blijkt dat zijn situatie momenteel geconsolideerd is en dat het medisch probleem hem niet langer verhindert te reizen. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de Armeense ambassade en/of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde hun terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “dat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de wet van 15 december 1980, in het bijzonder art. 9,3/, de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het vertrouwensbeginsel, en de motiveringsplicht; dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat door verzoekers geen buitengewone omstandigheden in de zin van de wet zouden zijn aangetoond waarom zij hun aanvraag om machtiging tot verblijf niet konden indienen via de gewone procedure; dat eerste verzoeker ingevolge een zwaar verkeersongeval blijvend invalide is en gespecialiseerde medische verzorging nodig heeft; dat deze verzorging hem niet in zijn land van herkomst kan worden geboden; dat volgens de ministeriële omzendbrief van 15 december 1998 ernstig zieke personen in aanmerking komen voor een regularisatie van hun verblijf op grond van art. 9,3/ van de wet van 15 december 1980; dat ook volgens recent via de media door de bevoegde Minister verspreide informatie asielzoekers die langer dan vier jaar in België verblijven, voor regularisatie in aanmerking komen; dat verzoekers al sinds 1998 samen met hun kinderen in België verblijven; dat de bestreden beslissing strijdig is met de door de overheid zelf verspreide informatie en bijgevolg het vertrouwensbeginsel schendt; XIV-16.818-3/7 dat gelet op liet bovenstaande, de bestreden beslissing ook niet logisch en coherent is gemotiveerd;”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Ter ondersteuning van het annulatieberoep voert de verzoekende partij in een enig middel aan dat “de bestreden beslissing niet logisch en coherent gemotiveerd is” en stelt hij dat er sprake is van een schending van het “vertrouwensbeginsel” nu “volgens recent via de media door de bevoegde Minister verspreide informatie asielzoekers die langer dan vier jaar in België verblijven, voor regularisatie in aanmerking komen”. De verwerende partij merkt vooreerst op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux ; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles : Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky ; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. In casu merkt verweerder op dat betreffende verzoekers enig middel voor ogen dient gehouden te worden dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een beslissing, geen duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregel die geschonden wordt geacht . (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet verzoekers hun stelling dat “de bestreden beslissing niet logisch en coherent gemotiveerd is”. Inderdaad laten verzoekers na in hun inleidend verzoekschrift de door hen geschonden geachte rechtsregel(s) specifiek aan te duiden. De verwerende partij is derhalve mening toegedaan het voorgaande toelaat te besluiten dat dit aspect van verzoekers hun enig middel niet ontvankelijk is. Geheel ten overvloede en in antwoord op verzoekers hun concrete argumentatie laat de verwerende partij gelden dat verzoekers kritiek dat “de bestreden beslissing niet logisch en coherent gemotiveerd is” niet pertinent is. De gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste geheel terecht en binnen de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid betrokkenes aanvraag om machtiging tot verblijf te verwerpen, alsook werd de in casu bestreden beslissing ten genoeg van recht met motieven onderbouwd. Temeer nu de in casu bestreden beslissing is onderworpen aan de formele motiveringsplicht, dewelke geen ander doel heeft dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, T.B.P. 1996, 698). In casu is aan deze vereiste voldaan. De bestreden beslissing is genoegzaam met redenen omkleed, nu daarin zowel haar juridische grondslag als haar feitelijke grondslag zijn vermeld. Zo wordt in de in casu bestreden beslissing o.a. gesteld dat: - de door verzoekers aangehaalde redenen niet kunnen worden aanvaard als uitzonderlijke omstandigheden, - dat verzoekers goed geïntegreerd zijn, schoollopende kinderen hebben, Nederlandse les volgen en dat zij hier aan het werk zouden kunnen op zich niet uitzonderlijk is en niet verantwoordt dat de aanvraag in België wordt ingediend, - verzoekers wisten dat hun verblijf van tijdelijke aard was, XIV-16.818-4/7 - de problemen in hun land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van hun asielaanvraag, dewelke werd afgewezen, - het medische probleem van verzoeker niet langer kan weerhouden worden, - het medische probleem hem niet langer meer verhindert te reizen. Deze vermeldingen laten verzoekers toe kennis te hebben van de gronden op basis waarvan hun aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9,3/ lid is verworpen en maken dat het doel is bereikt dat met het bestaan van de formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Verzoekers vage kritiek kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Terwijl het de verwerende partij ook geenszins duidelijk is hoe verzoekers summiere, vage en naakte beschouwing dat "volgens recent via de media door de bevoegde Minister verspreide informatie asielzoekers die langer dan vier jaar in België verblijven, voor regularisatie in aanmerking komen" de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing zou kunnen verantwoorden. Gelet op het voormelde is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers hun enig middel deels onontvankelijk, en voor het overige geheel ongegrond is.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: “Wat de ontvankelijkheid van de door verzoekers aangevoerde middelen betreft, is een verwijzing naar de wet van 15 december 1980, in het bijzonder art. 9,3/ van deze wet, de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het vertrouwensbeginsel, en de motiveringsplicht voldoende als omschrijving van de geschonden geachte rechtsregels. Door op te werpen dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van art. 9,3/ van de wet van 15 december 1980 ten onrechte onontvankelijk werd verklaard en met name te betwisten dat de aangehaalde omstandigheden niet buitengewoon zouden zijn, geven verzoekers minstens impliciet te kennen dat zij voornoemd artikel van de wet geschonden achten. Bovendien worden volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State ook de zgn. algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een bron van het Belgisch administratief recht beschouwd : een verwijzing naar deze beginselen is dus ook een verwijzing naar geschonden geachte rechtsregels; in casu hebben verzoekers zelfs expliciet verwezen naar het vertrouwensbeginsel. Tenslotte is ook de motiveringsplicht één van de bedoelde beginselen van behoorlijk bestuur : deze plicht tot uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen werd vastgelegd in de wet van 29.07.1991.”; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van “de wet van 15 december 1980, in het bijzonder art. 9,3/, de beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer het vertrouwensbeginsel en de motiveringsplicht”; dat de exceptie van de verwerende partij omtrent de niet-ontvankelijkheid van het middel derhalve dient te worden verworpen; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat het medisch probleem van verzoeker een buitengewone omstandigheid uitmaakt in de zin van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat hieromtrent dient opgemerkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing het volgende stelt: “Het medisch probleem van Mijnheer XXX kan niet langer weerhouden worden. Hij werd afdoende in België behandeld en er werd hem om deze reden een uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten toegestaan (vanaf 04/03/2002 tot 04/08/2002). Uit het medisch verslag van onze controlegeneesheer blijkt dat zijn situatie momenteel XIV-16.818-5/7 geconsolideerd is en dat het medisch probleem hem niet langer verhindert te reizen.”; dat verzoekers in hun verzoekschrift niet de minste poging ondernemen deze overwegingen van de Minister van Binnenlandse Zaken te weerleggen; dat verzoekers zich beperken tot de verwijzing naar een bepaling uit deel 2 van de ministeriële omzendbrief van 15 december 1998; dat deze omzendbrief, met uitzondering van deel 1 ervan, werd opgeheven vanaf de dag van de inwerkingtreding van de Regularisatiewet van 22 december 1999, zoals is vermeld in de omzendbrief van 6 januari 2000; dat inzake de schending van het vertrouwensbeginsel verzoekers verwijzen naar “recent via de media door de bevoegde Minister verspreide informatie” waarin zou zijn gesteld dat “asielzoekers die langer dan vier jaar in België verblijven, voor regularisatie in aanmerking komen”; dat het vertrouwensbeginsel inhoudt dat door het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dienen te worden gehonoreerd; dat voor de toepassing van dit beginsel aan drie voorwaarden dient te zijn voldaan: er moet sprake zijn van een vergissing van een overheidsorgaan, er dient ten gevolge van die vergissing een voordeel te zijn verleend aan een rechtsonderhorige, en er mogen geen gewichtige redenen zijn die het afnemen van dit voordeel door de overheid zouden rechtvaardigen; dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat in casu aan de opgesomde voorwaarden is voldaan; dat hij een schending van het vertrouwensbeginsel dan ook niet aannemelijk maakt; dat verzoeker er geenszins in slaagt de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen of beginselen aan te tonen; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-16.818-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.818-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.263 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.