id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.311 Rolnummer: A. 53598/X-8974 Zaak: Arrest 168311 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 16:35 Fiche Arrest nr 168.311 van 27 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.311 van 27 februari 2007 in de zaak A. 53.598/X-
- In zake : Albert SERGEANT, die woonplaats kiest bij advocaat A. PATYN, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Schoonstraat 64 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bosssuytlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Albert SERGEANT op 10 september 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 juni 1993 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 11 maart 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van de bouw van een manège te Evergem, Overdam 22, kadastraal bekend sectie E, nrs. 802, 803/d en 804/c; Gelet op het arrest nr. 45.835 van 27 januari 1994 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 23 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-8974-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIEKENS, die loco advocaat A. PATYN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. HORVAT, die loco advocaat J. BOSSUYT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoeker op 1 oktober 1992 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem een aanvraag heeft ingediend voor het regulariseren van de bouw van een manège op een perceel gelegen te Evergem, Overdam 22, kadastraal bekend sectie E, nrs. 802, 803/d en 804/c; dat na beroep, de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden bij het thans bestreden besluit van 25 juni 1993 de vergunning heeft geweigerd; Overwegende dat een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat het bestreden besluit de verwerping van verzoekers beroep uitsluitend steunt op de strijdigheid van de manège met de bestemming industriegebied van het gewestplan en op de onmogelijkheid een beroep te doen op artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : stedenbouwwet) zonder dat verscheidene in zijn beroepschrift ontwikkelde argumenten worden beantwoord, of zelfs worden ontmoet, met name dat de gebouwen geenszins van aard zijn om de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in gevaar te brengen, dat de bestemming industriegebied in de praktijk niet wordt verwezenlijkt, dat de gebouwen midden in X-8974-2/7 een woonkern liggen en dat de verzoeker een vergunning bezit voor de opslag van dierlijke mest zodat het bestreden besluit “niet op voldoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen”; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van voornoemd artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet; Overwegende dat de bestendige deputatie en de Vlaamse regering, wanneer zij op grond van artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet, in beroep uitspraak doen over een bouw- of verkavelingsaanvraag, optreden, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden; dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke redenen zij is verantwoord; X-8974-3/7 Overwegende dat de bestreden beslissing de volgende overwegingen bevat : “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen is in het industriegebied; dat overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, de industriegebieden bestemd zijn voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven en dat deze gebieden een bufferzone bevatten; dat, voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel kunnen omvatten; dat in deze gebieden tevens complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven, namelijk bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants en opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop, zijn toegelaten; dat een manège door zijn specifieke recreatieve functie niet hoort tot een industriële of daarmee complementaire vestiging en alzo in strijd is met de bestemming van het gebied; Overwegende dat de aanvrager ondertussen, op 11 mei 1993, wel een milieuvergunning tweede klasse vanwege het schepencollege bekwam voor het lozen van afvalwater, voor het stallen van 52 paarden en voor het opslaan van 5000 liter brandstof; dat in deze vergunning het schepencollege stelt dat de exploitatie in overeenstemming is met de bestemming industriegebied volgens het gewestplan; Overwegende nochtans dat het schepencollege in deze beslissing voorbijgaat aan de voorschriften van het gewestplan die verordenende kracht hebben en bindend zijn zowel voor de vergunningverlenende overheid als voor de particulier die op een grond wenst te bouwen; dat ervan slechts kan worden afgeweken bij wijze door de wet voorzien; dat bij uitzondering, volgens artikel 79 van de gewijzigde stedebouwwet zoals ingevoegd bij decreet van 28 juni 1984, de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag strekt tot ver- of herbouwing of uitbreiding van bestaande vergunde gebouwen op dezelfde plaats, of tot het herbouwen of uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen binnen de onmiddellijke omgeving ervan, dit alles op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; dat voor de toepassing van deze bepaling onder onmiddellijke omgeving de ruimte die onmiddellijk aansluit bij het bedoelde gebouw, terwijl de afstand tussen het nieuwe gebouw en het bestaande gebouw maximaal dertig meter mag bedragen, dient te worden verstaan; dat het ver- of herbouwen of uitbreiden van bestaande gebouwen wat bedrijfsgebouwen betreft maximaal kan leiden tot een volumevermeerdering van 100 ten honderd van het bestaande volume; Overwegende dat in huidig geval voor geen enkel van de manègegebouwen een vergunning kan voorgelegd worden; dat het dan ook niet gaat om een bestaand vergunde vestiging die in weerwil van de bestemming industriegebied voor uitbreidende vergunning in aanmerking zou komen; dat om deze redenen het beroep dient verworpen”; Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat de manège door haar recreatieve functie in strijd is met de bestemming industriegebied en dat de uitzonderingsbepaling van artikel 79 van de stedenbouwwet niet van toepassing is X-8974-4/7 aangezien deze bepaling bestaande vergunde gebouwen betreft en te dezen voor geen van de manègegebouwen een vergunning kan worden voorgelegd; dat zulke motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat deze motivering afdoende is en op zichzelf de weigering van de vergunning kan verantwoorden; dat zij door de verzoeker niet wordt tegengesproken; dat de door de verzoeker in zijn beroepschrift ontwikkelde argumenten hieraan voorbijgaan, zodat het gebeurlijk niet beantwoorden ervan niet relevant is; dat krachtens het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 2, § 1, tweede en derde lid, van de stedenbouwwet, alle voorschriften van de plannen van aanleg dezelfde bindende kracht hebben, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet, dat zij verordenende kracht hebben, dat zij blijven gelden totdat zij door andere plannen worden vervangen na een herziening en dat alleen er van mag worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door deze wet bepaald; dat de omstandigheid dat de bestemming industriegebied “in de praktijk” niet verwezenlijkt wordt geen wettige reden is om van de bestemming die het gewestplan aan het betrokken gebied heeft gegeven, af te wijken; dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 23 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, doordat verzoekers bedrijfsgebouwen die reeds bestonden vo'o'r de inwerkingtreding van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, zich midden in “een bewoningsgroep” van een veertigtal boerderijen en woonhuizen bevinden; dat voorts wordt aangevoerd dat de bestemming industriegebied niet is gerealiseerd, zelfs geen begin van verwezenlijking kent, zodat de gevraagde bouwvergunning niet kan worden aanzien als strijdig met de goede plaatselijke ordening, de bestemming van het gebied niet in gevaar kan brengen en de verzoeker zich aldus in de loop van de beroepsprocedure terecht heeft beroepen op voormeld artikel 23; Overwegende dat de bepalingen van het eerste lid van voornoemd artikel 23 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, zoals het van kracht was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, de toepassing van de in het artikel vervatte regels uitsluiten in de industriegebieden; dat niet wordt betwist dat de manège waarvoor de bestreden beslissing de regularisatie weigert, volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen is in industriegebied; dat het tweede middel niet gegrond is; X-8974-5/7 Overwegende dat een derde middel wordt afgeleid uit “machtsoverschrijding en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”; dat dit middel als volgt is gesteld : “De bestreden beslissing overweegt dat op 11 mei 1993 aan verzoeker een milieuvergunning werd toegekend door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Evergem. In de voorlaatste overweging (...) wordt kritiek geuit op deze beslissing. Die vormde echter geenszins het voorwerp van het beroep van verzoeker, zodat de Minister daarover niet had te oordelen. Zo is de bestreden beslissing aangetast door machtsoverschrijding. Dat die beslissing bovendien niet werd aangevochten, getuigt des te meer van het feit dat de Minister zijn bevoegdheden is te buiten gegaan. De hiervoor bedoelde overwegingen en meer bepaald ‘dat het dan ook niet gaat om een bestaand vergunde vestiging die in weerwil van de bestemming industriegebied voor uitbreidende vergunning in aanmerking zou komen’ (...) tonen bovendien het gebrek aan zorgvuldigheid aan waarmee de bestreden beslissing is genomen. De aldus geciteerde zinsnede uit het besluit is immers voor verzoeker volkomen onbegrijpelijk, waardoor hij is verschalkt in zijn rechtmatig vertrouwen”; Overwegende dat de verzoeker zelf in zijn beroepschrift heeft verwezen naar een door hem verrichte melding van de “opslag van 8 m³ dierlijke mest” waarvan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem hem op 4 juni 1991 akte zou hebben verleend; dat hij als één van de grieven in dat beroepschrift stelt dat het “logisch (zou) zijn dat een regularisatievergunning wordt verkregen voor bestaande gebouwen die aan dergelijke -aldus vergunde- inrichting beantwoorden”; dat uit het verslag van de hoorzitting van 1 juni 1993 blijkt dat de verzoeker alsdan heeft verwezen naar de milieuvergunning die hem op 11 mei 1993 in de loop van de behandeling van voormeld beroepschrift werd verleend; dat de bestreden beslissing door naar deze milieuvergunning te verwijzen slechts beoogde te antwoorden op de door de verzoeker zelf aangebrachte en op milieuvergunningen steunende argumentaties; dat, zelfs al mocht de kritiek in de bestreden beslissing op het verlenen van de milieuvergunning van 11 mei 1993 onrechtmatig zijn, nog niet is aangetoond dat de bestreden beslissing niet meer zou kunnen gedragen worden door de bij de bespreking van het eerste middel afdoende geachte motivering; Overwegende dat in de bestreden beslissing, voorafgaand aan de door de verzoeker aangehaalde overweging, een bespreking gewijd wordt aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 79 van de stedenbouwwet en gesteld wordt dat voor geen enkel van de “manègegebouwen” een vergunning kan voorgelegd worden; dat aldus in de bestreden beslissing met “vergunde vestiging” enkel het gebouwencomplex kan worden bedoeld en niet de exploitatie van de manège; dat de verzoeker is uitgegaan van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing; dat de X-8974-6/7 verzoeker aldus niet kan worden bijgetreden waar hij de bestreden beslissing in de aangehaalde zinsnede “onbegrijpelijk” noemt; dat deze zinsnede evenmin aantoont dat de bestreden beslissing het door de verzoeker overigens niet nader uiteengezette zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8974-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.311 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div