← België

Arrest 168353 - Milieuvergunningen - 01/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.353 Rolnummer: A. 177753/VII-36677 Zaak: Arrest 168353 - Milieuvergunningen - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-12 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:41 Fiche Arrest nr 168.353 van 1 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.353 van 1 maart 2007 in de zaak A. 177.753/VII-36.

  1. In zake : Josephina DE VIL, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. TECHNICAL CENTER BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat R. VANOSSELAER, kantoor houdende te MECHELEN, Frederik de Merodestraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Josephina DE VIL op 17 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 juli 2006 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 december 2005, houdende enerzijds het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan de n.v. TECHNICAL CENTER BELGIUM om een nieuwe inrichting voor het bouwen en verhandelen van tankwagens en containers, gelegen aan de Jozef De Blockstraat 62A-64 te Willebroek (Tisselt), te exploiteren en anderzijds aktename van de in derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-36.677-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoekster, van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. VANOSSELAER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat met een verzoekschrift van 2 november 2006 de n.v. TECHNICAL CENTER BELGIUM, begunstigde van de bestreden vergunning, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  6. De n.v. TECHNICAL CENTER BELGIUM, tussenkomende partij, wil te Willebroek (Tisselt), aan de Jozef De Blockstraat 62A-64 een nieuwe inrichting uitbaten voor het bouwen en verhandelen van tankwagens en containers. Verzoekster woont in de onmiddellijke omgeving. 2.
  7. Het wordt niet betwist dat de tussenkomende partij eind 2003 reeds een milieuvergunning aanvroeg voor deze inrichting die op bepaalde VII-36.677-2/14 onderdelen, onder meer qua capaciteit, evenwel verschilde. De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 15 juli 2004 de toen gevraagde vergunning, doch na beroep van verzoekster weigert de minister op 18 januari 2005 de gevraagde vergunning. De tussenkomende partij stelt tegen dit ministerieel weigeringsbesluit een annulatieberoep en een vordering tot schorsing in, doch deze laatste wordt verworpen met het tussenarrest nr. 146.897 van 28 juni 2005, bij gebrek aan moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Met een brief van 12 september 2005 doet de tussenkomende partij afstand van het geding, een afstand die met het arrest nr. 157.788 van 20 april 2006 wordt ingewilligd. 2.
  8. Intussen heeft de tussenkomende partij evenwel een nieuwe vergunningsaanvraag ingediend, met name op 10 juni
  9. 2.
  10. Op 15 december 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning, behoudens wat betreft de opslag van 2.000 liter oxiderende gassen. De vergunning wordt afhankelijk gemaakt van de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden, alsook van de volgende bijzondere exploitatievoorwaarden : "- Alle tankwagens of opleggers, die het terrein oprijden voor nazicht of herstelling dienen vloeistof leeg te zijn. - Er mogen geen gastankopleggers geijkt worden. - Op de buitenparking P 11 en P 12 mogen maximaal 2 gastankwagens of één gastankoplegger toegelaten worden. - Het is verboden om herstellingswerken uit te voeren op niet-geneutraliseerde gastankwagens of gastankopleggers. - Er zijn geen warme werken of werken met open vlam toegelaten tijdens telemetrie of het vullen en ledigen van gastankwagens". 2.
  11. Op 6 februari 2006 stelt het echtpaar PEETERS-DE VIL een administratief beroep in. Zij doen gelden wat volgt : "Hierbij ons herhaald beroep volgens artikel 51 Vlarem tegen de vergunning uitgereikt door de B.D. op 15.12.2005 : - volgens de aanvraag zou het gaan om het perceel 5/ afdeling, Sie A nrs 342/s²-342t² en 342r²; bij controle blijkt het te gaan om één enkel perceel Sie A nr 342x²; - dit perceel 342x² is volgens het gewestplan Mechelen vastgelegd bij KB 5.08.1976 gelegen in gebieden bestemd voor milieubelastende industrie voor de helft of 30 meter , de andere helft van dit perceel (op de breedte van het perceel 344 n²) is daarentegen gelegen in voorschrift 1.0 'woongebieden'. Hier is ten andere met vergunning door de vorige eigenaars Verhoeven twee appartementen gebouwd ; (zie copie gewestplan sch.1.10000) VII-36.677-3/14 - het bewuste perceel is dus voor de helft gelegen in woongebied tot op een diepte van 50 meter gemeten uit de straat, daar achter is de bestemming voorschrift 4.1 agrarische zone; - de helft van de gebouwen ligt in woongebied deels in agrarisch gebied volgens het gewestplan, er zijn geen vergunningen hiervoor bekend zodat het hier gaat om bouwmisdrijven, zelfs niet om zonevreemde constructies; - om al de voorgaande redenen kan de vergunning niet uitgereikt worden omdat de activiteiten strijdig zijn met de voorschriften van het gewest(plan) Mechelen ; - een lichte verstrenging van de klasse 1 voorwaarden in de activiteiten is geen wezenlijke wijziging tov de geschorste vergunning; de handhaving van deze voorschriften is bovendien niet te controleren gezien de voorgaande ervaringen; - de ontsluiting van dit bedrijf via de N16 is onrealistisch en nergens voorzien in de planning; het bedrijf grenst niet aan de N16, een bijkomende ontslui- ting met nieuwe wegenis is ook niet voorzien, in de laatste besproken scenarios 'streefbeeld A12-N16 van 19.12.2005'; in beide voorliggende scenarios is een ontsluiting via het doortrekken van de Akkerlaan op de oude spoorwegbedding niet opgenomen; - de bestaande gebouwen (onvergund) gelegen in agrarisch gebied volgens het gewestplan Mechelen zijn tevens gebouwd tot tegen de oever van de ingeschreven waterloop 6.03 'Bosbeek' zodat er de voorgeschreven zone 'non aedificandi' volgens de polderwet niet gerespecteerd is; - in het kader van een nieuw duurzaam waterbeleid en gezien de zware overstromingsgevaren in deze regio is deze situatie een zware hinderpaal om ruimte voor het water te kunnen voorzien; het gaat hier om een waterloop onder beheer van de provincie en reden om verschillende procedures en studies op te zetten; zo verkregen we kort geleden vanwege de vrederechter van het kanton Willebroek de annulatie van vergunningen verstrekt aan de NV Aquafin in zake het overstort en een bufferbekken in de directe omgeving stroomopwaarts op 120 meter gelegen; Vermits noch stedenbouwkundig, noch milieutechnisch noch economisch deze vergunning verantwoord en duurzaam is, en dat verkeerstechnisch een oplossing uitgesloten is, vragen wij U deze vergunning te willen annuleren". 2.
  12. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : - de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest geeft te kennen dat zij geen adviesbevoegdheid heeft; - de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert gunstig, omdat de hinder en de risico's tot het aanvaardbare kunnen worden beperkt; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert eveneens gunstig, omdat de loods waarin de activiteiten zullen plaatsvinden volledig ligt in een gebied voor milieubelastende industrie; - ten slotte brengt ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie met eenparigheid van stemmen een gunstig advies uit. VII-36.677-4/14 2.
  13. Op 7 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. De beslissing is als volgt gemotiveerd : "(...) Overwegende dat het betrokken perceel, overeenkomstig het gewestplan Mechelen, gelegen is op de grens van het industriegebied voor milieubelastende industrie, een 50 meter diep woongebied langsheen de Jozef De Blockstraat en een achterliggend agrarisch gebied; Overwegende dat de loods waarin de nieuwe activiteit zou worden opgestart, integraal in het gebied voor milieubelastende industrie ligt; dat de stedenbouw- kundige vergunning voor deze loods door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek op 26 december 1996 werd afgeleverd; dat deze vergunning voorzag in een verplicht aan te leggen groenscherm aan de voorzijde en aan de rechterzijde van het perceel; dat de loods aan de linkerzijde aansluit bij reeds bestaande gebouwen; dat aan de achterzijde de korte afstand tot de Bosbeek de aanleg van een afdoend groenscherm onmogelijk maakt; dat er daarnaast ook voldoende ruimte moet behouden worden voor het ruimen van de Bosbeek; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat een mogelijke ontsluiting rechtstreeks naar de N16 zal behandeld worden in de stedenbouwkundige aanvraag; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag een nieuwe inrichting betreft voor het bouwen en repareren van LPG-tankwagens en -containers, het plaatsen van LPG-stations en de controle op de lekdichtheid van tankwagens; dat meerbepaald LPG-tankwagens hersteld worden door laswerken uit te voeren; dat het gas tijdelijk wordt overgepompt en opgeslagen, teneinde de herstellingswerken te kunnen uitvoeren; dat tevens gassen in verplaatsbare recipiënten worden verhandeld; dat de vergunning hiervoor verleend werd, met uitzondering van de opslag van 2.000 liter oxiderende gassen; Overwegende dat een omwonende in beroep is gegaan tegen het verlenen van de vergunning; dat de beroepsindiener de vergunning noch milieutechnisch, noch stedenbouwkundig, noch economisch verantwoord vindt; dat dit geargumenteerd wordt in het beroepschrift; dat enkel de milieutechnische argumenten in overweging worden genomen; Overwegende dat de beroeper stelt dat een van de percelen voor de helft gelegen is in woongebied en voor de andere helft gelegen in een gebied voor milieubelastende industrieën; dat de beroeper ook stelt dat er geen bouwvergun- ningen zijn voor de constructies; dat volgens het situeringsplan van bijlage 11/A van het aanvraagdossier, de bedrijfsterreinen van de NV Technical Center Belgium gelegen zijn binnen het gebied voor milieubelastende industrieën; dat de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschap- pen Antwerpen de aanvraag gunstig heeft geadviseerd bij advies van 19 september 2005; Overwegende dat de beroeper stelt dat de voorwaarden niet handhaafbaar zijn; dat echter gesteld kan worden dat deze bijzondere voorwaarden die extra zijn opgelegd in de milieuvergunning handhaafbaar zijn, daar deze tijdens een inspectiebezoek van een toezichthoudende ambtenaar ter plaatse afgetoetst konden worden; VII-36.677-5/14 Overwegende dat de beroepsindiener overstromingsgevaar vreest; dat de dienst waterbeleid van het provinciebestuur van Antwerpen een watertoets heeft uitgevoerd en in haar advies van 22 november 2005 stelt dat de aanvraag gunstig beoordeeld kan worden onder bepaalde voorwaarden; dat voor de lozing in de Bosbeek een machtiging moet aangevraagd worden; dat over een zone van 5 m moet toegezien worden dat er geen gebouwen, voorwerpen, constructies of aanplantingen de doorgang van machines bij werken aan de Bosbeek zouden kunnen belemmeren; dat er volgens bijlage 11/A van het aanvraagdossier een zone van 5 m gegarandeerd is; dat hemelwaterstromen volgens bijlage 11/E van het aanvraagdossier geloosd worden in de Bosbeek via een buffer van 20.000 liter en 10.000 liter; Overwegende dat bijlage 8 van het aanvraagdossier veiligheidsprocedures omvatten die gebruikt worden tijdens de werken; dat in de procedure voor het ledigen en neutraliseren van een gastank(wagen) er beschreven staat dat eerst het aanwezige gas overgepompt wordt; dat er vervolgens stikstof in de tank gebracht wordt; dat er na een LEL (laagste explosiegrens) - meting de stikstof uit de tank verwijderd wordt; dat er nadien opnieuw een LEL-meting wordt uitgevoerd; dat, vooraleer deze betreden wordt, deze minstens een dag moet verlucht worden; dat een veiligheidszone in acht dient genomen te worden; dat er een werkvergunning moet afgeleverd worden; dat er met vonkarm gereed- schap moet gewerkt worden; dat er enkel elektrische apparaten op 24 V DC gebruikt worden; Overwegende dat de aangevraagde opslag van propaan/butaan in een vaste bovengrondse houder, een tijdelijke opslag van het gas afkomstig uit de tankwagens of citernes die worden getest, betreft; dat de vaste houder een waterinhoudsvermogen van 9.700 liter heeft; Overwegende dat volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968, betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en gewijzigd bij latere koninklijke besluiten : - de afstand in horizontale projectie tussen elke opening van een woon- of werklokaal, dat niet onderworpen is aan een open vuurverbod, van elke openbare weg en van elk naburige eigendom en de houder : " tussen 5 m³ en 10 m³ minimaal 7,5 meter moet bedragen; - de minimumafstand in horizontale projectie die de kleppen, pompen en vulopeningen moet scheiden van elke opening van een woon- of werklokaal zonder open vuurverbod, van elke openbare weg en naburige eigendom, 5 meter moet bedragen; dat aan beide bepalingen voldaan wordt; dat het vulpunt van de vaste houder zich op meer dan 50 meter van de dichtstbijzijnde woningen bevindt; Overwegende dat een totaal van 21.202 liter gassen in verplaatsbare recipiënten zal opgeslagen worden; dat het om 14.202 liter ontvlambare gassen en 7.000 liter inerte gassen gaat; dat deze gassen, in overeenstemming met artikel 5.16.5.l, §2 van titel II van het VLAREM, als volgt kunnen ingedeeld worden : - groep 1/a : ontvlambare gassen die alleen ontvlambaar zijn (gevaarrisico F) " 1.500 liter acetyleen; " 12.702 liter propaan/butaan; - groep 4 : " 1.000 liter argon; " 500 liter helium; " 3.000 liter stikstof; " 1.000 liter kooldioxide " 1.500 liter arcal (mengsel van argon en koolstofdioxide); Overwegende dat er in de inrichting voldoende brandblusapparaten en reglementaire pictogrammen die de aanwezigheid van ontvlambare stoffen en VII-36.677-6/14 het verbod tot roken en vuur te maken, aanduiden, dienen aangebracht te worden; dat volgens bijlage 8/D van het aanvraagdossier deze tekens zijn aangebracht bij de ingang van de inrichting, de opslagplaatsen, de ingang van de opslagplaatsen en in de opslagplaats zelf; Overwegende dat de exploitatie manipulaties met gassen inhoudt; dat zowel de opslag van gassen in reservoirs, het vullen van reservoirs met gassen en de herstellingswerken aan de beschadigde tankwagens en/of citernes risico's inhouden; Overwegende dat de inrichting paalt aan een woongebied; dat de veiligheid van de talrijke omwonenden moet gegarandeerd worden; dat een veiligheidsno- ta essentieel is om de exploitatie naar waarde te kunnen beoordelen; dat de exploitant in termijnverlenging een veiligheidsnota heeft overhandigd; Overwegende dat de veiligheidsnota met referentie 5RE.52.60094367.00.NL.03.doc van 21 november 2005, op pagina 15 concludeert dat de NV Technical Center Belgium geen lagedrempel Seveso bedrijf is; dat vooraleer er werken uitgevoerd worden aan een gastankwagen, deze eerst met stikstof geneutraliseerd dient te worden en gecontroleerd met een lagere explosiegrens-meting om mogelijke zware ongevallen te vermijden; dat het risico van TCB beantwoordt aan de richtwaarden voor nieuwe inrichtingen die van toepassing zijn in Vlaanderen, met uitzondering van de 10-6 IRC die de terreingrens ten noorden met enkele meters overschrijdt; dat het risico als aanvaardbaar wordt ingeschat; dat het aan te raden is om ervoor te zorgen dat de 10-6- contour niet wordt uitgebreid; dat het aangewezen is om er naar te streven deze binnen de bedrijfsgrenzen te houden; Overwegende dat dit dossier voor een tweede maal in beroep wordt behandeld; dat in vergelijking met het voorwerp van het vorige aanvraagdossier volgende wijzigingen terug te vinden zijn : - het stallen van 10 in plaats van 32 bedrijfsvoertuigen; - de opslag van gasflessen met een waterinhoudsvermogen van 21.202 liter in plaats van 72.000 liter; - de opslag van propaan in een bovengrondse houder :1 houder van 9.700 liter in plaats van 3 houders met een totaal inhoudsvermogen van 22.300 liter; - elektrische toestellen met een vermogen van 42,7 kW in plaats van 36,8 kW; dat het bedrijf verder een aantal extra preventieve maatregelen neemt; dat hieromtrent op 7 juli 2005 een informatievergadering werd georganiseerd; Overwegende dat de vergunning in beroep de eerste maal geweigerd werd; dat in de veiligheidsnota de risico's ten gevolge van de werken aan de tankwagens niet ingeschat werden; dat de 10-6-contour de perceelsgrens overschreed; dat er geen watertoets werd uitgevoerd; Overwegende dat in de hogervernoemde veiligheidsnota die deel uitmaakt van onderhavig aanvraagdossier de volgende zaken in beschouwing werden genomen : - de aanwezigheid van verplaatsbare gasrecipiënten; - de aanwezigheid van 1 vaste bovengrondse houder; - de aanwezigheid van gastankwagens of gastankopleggers op de bedrijfster- reinen; - het leegpompen en vullen van gastankwagens ten einde de tanks te neutraliseren voor herstellingswerken; - telemetrie (het ijken van de teller van de gastankwagen), waarbij de gastankwagen gekoppeld wordt aan een telstraat en LPG gedurende 1 uur in een gesloten circuit wordt rondgepompt; - het uitvoeren van herstellingswerken aan niet geneutraliseerde tanks; Overwegende dat de iso-risico-contouren in figuur 8 van de hogervernoemde veiligheidsstudie werden opgenomen; dat de 10-5-contour binnen de perceels- grenzen ligt; dat de 10-6-contour binnen het industriegebied ligt, maar in N-NO richting de perceelsgrens overschrijdt; dat de overschrijding veel geringer is VII-36.677-7/14 dan de overschrijding in het vorig dossier; dat voor een nieuwe inrichting, conform de MIRA94-criteria, de 10-6-contour als richtwaarde moet gehanteerd worden voor de perceelsgrens; dat aanvullende preventie- en beschermings- maatregelen zijn genomen ten opzichte van het vorige dossier; dat deze maatregelen mede zijn opgesomd in de veiligheidsnota en in bijlage 8/D van het aanvraagdossier; dat de bijzondere voorwaarden opgelegd in eerste aanleg de vertaling hiervan zijn in de vergunning; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits het naleven van de sectorale en bijzondere voorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen";
  14. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting afstand doet van haar in de nota opgeworpen voorbehoud in verband met de ontvankelijk- heid ratione temporis van de vordering;
  15. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  16. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster doet gelden wat volgt : "De met de bestreden beslissing goedgekeurde uitbating bevindt zich op slechts een 50-tal meter van de woning van verzoekster aan de overzijde van de Jozef De Blockstraat. Daarnaast bezit zij achteraan het bedrijf in het agrarisch gebied nog een grond. Verzoekster is reeds enige tijd gepensioneerd en heeft reeds een hoge leeftijd bereikt (/ 1931). Zij is net 75 jaar geworden. De nieuwe, bijkomende en zeer omvangrijke uitbating van de NV TCB maakt een normale ervaring van de woonomgeving voor verzoekster onmoge- lijk. Haar levenskwaliteit wordt immers op zeer ernstige wijze verstoord. Vooreerst is er het zware vrachtverkeer van tankwagens die niet alleen zullen langskomen om gasflessen te leveren en op te halen, maar tevens ter plaatse zullen worden hersteld. Over het aantal verkeersbewegingen wordt met geen woord gerept in het bestreden besluit, doch door de grote vergunde opslagcapaciteit van 21.202 liter gassen in verplaatsbare recipiënten zal er onvermijdelijk een bijna voortdurend af en aan rijden van zwaar verkeer zijn. Dit zal uiteraard eveneens de verkeersveiligheid in de Jozef De Blockstraat in het gedrang brengen. VII-36.677-8/14 Daarnaast zullen een aantal van de verplaatsbare recipiënten onvermijdelijk in open lucht worden gestockeerd, wat uiteraard ook lawaaihinder met zich zal brengen wanneer deze zullen worden op- en afgeladen. Hierdoor veroorzaakt de uitbating tevens een geluidsoverlast die op ernstige wijze de levenskwaliteit van verzoekster negatief beïnvloedt. Ook over de geluidshinder wordt met geen woord gerept in het bestreden besluit, terwijl nochtans het laden en lossen van honderden butaan- en propaangasflessen van 's morgens tot 's avonds ontegensprekelijk een concrete hinder uitmaken. Dit laden en lossen staat dan nog los van de andere activiteiten op het bedrijf, waaronder de herstelplaats voor de tankwagens, het reinigen en onderhoud van de gasflessen waar ongetwijfeld zeer specifieke apparatuur voor zal worden gebruikt. Er is door de NV TCB geen enkele vorm van akoestische isolatie aangebracht teneinde de geluidsoverlast voor de omwonende te dempen. Tenslotte is verzoekster uiteraard ook zeer ongerust omtrent de opslag van al deze zeer licht ontvlambare en gevaarlijke gassen op slechts enkele tientallen meters van haar woning waar zij nu reeds meer dan vijftig jaar woont. Het hoeft geen betoog dat een zo omvangrijk bedrijf met opslag van industriële gassen en LPG, ook al worden strict alle veiligheidsnormen nageleefd, een groot gevaar inhoudt voor brand en ontploffingen. Verzoekster meent dan ook dat de minister door het verlenen van deze vergunning vlak naast residentiële woningen en zonder dat enige buffer wordt voorzien, een zeer groot risico neemt. Daar waar in de bestaande gebouwen vroeger een meubelzaak werd uitgebaat, moet verzoekster nu machteloos toezien hoe haar woon- en leefgenot wordt aangetast door deze zwaar industriële en gevaarlijke activiteit. Het is daarenboven het enige bedrijf van deze omvang en met een dergelijke gevaarlijke activiteit in de onmiddellijke omgeving, die voor de rest enkel woningen en agrarisch gebied omvat. De Jozef De Blockstraat verandert zo van een rustige woonstraat in een lawaaierige straat, druk bezocht door vrachtverkeer, al of niet geladen met gevaarlijke gassen. Deze nadelen kunnen niet zonder meer ongedaan worden gemaakt door een vernietigingsarrest, nu verzoekster intussen al deze nadelen zal moeten ondervinden. Eens ondergaan, kan dergelijk nadeel niet meer op adequate wijze retroactief worden goedgemaakt. Concluderend kan worden gesteld dat gelet op de aard en de omvang van de nieuwe inrichting, die onvermijdelijk gepaard zal gaan met een komen en gaan van zwaar vrachtverkeer, het laden en lossen van gasflessen, het onderhoud van tankwagens, ... verzoekster onvermijdelijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. De bijzonder maatregelen waarvan sprake in de verleende vergunning, zoals het toelaten van maximaal twee gastankwagens op de parking, kunnen niet verhelpen dat de woonkwaliteit van verzoekster ingrijpend zal worden aangetast door de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning (laden en lossen van vrachtwagens, veiligheidsrisico, lawaaihinder door op- en afladen van gasflessen), temeer daar in geen enkel groenscherm, noch een bufferzone wordt voorzien"; 4.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop als volgt reageert : VII-36.677-9/14 "
  18. Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband dient te bestaan tussen de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en het geleden moeilijk te herstellen ernstig nadeel (G. DEBERSAQUES, M. VAN DAMME, S. DE CLERCQ en G. LAENEN,
  19. Rechtsbescherming door de Raad van State. l5 jaar procedurele vernieuwing, die Keure, 2004, p. 164). In casu is deze oorzakelijk(e) band niet aanwezig. De vermeende hinder waarnaar de verzoekende partij verwijst, is hoofdzakelijk het gevolg, enerzijds, van de stedenbouwkundige vergunning waarbij de oprichting van het gebouw wordt toegestaan, en, anderzijds, van de voorziene ruimtelijke bestemming als industriegebied. In de buurt van een industriegebied dient men een zeker(e) mate van hinder te gedogen. Zo staat ook het ontbreken van een buffer los van de bestreden beslissing. Zonder stedenbouwkundige vergunning, kan de betrokken exploitant geen hinder veroorzaken, mede gelet op de gekende koppeling tussen de stedenbouwkundige en de milieuvergunning. In de stedenbouwkundige vergunning worden de stedenbouwkundige aspecten, waaruit de verzoekende partij in hoofdzaak haar grieven put, veel grondiger onderzocht dan in de huidige milieuvergunning.
  20. Verzoekende partij wijst erop dat zij eigenares is van een woning die gelegen is 'op een 50-tal meter van de kwestieuze inrichting', alsook van een perceel grond achteraan dat bedrijf. Bij de uiteenzetting van haar nadeel beperkt verzoekster zich tot de woning waar zij ook woont. Verzoekende partij laat echter na concreet uit te leggen waar haar woning ten opzichte van de exploitatie precies is gelegen, of zij een rechtstreeks zicht heeft op de inrichting, en evenmin hoe de configuratie van de gebouwen, de straten en andere stedenbouwkundige gegevens is, zodat het niet duidelijk is welke (elementen van de) hinder de verzoekende partij concreet kunnen treffen. Het volstaat immers niet te zeggen dat er slechts 50 m afstand tussen de woning van de verzoekende partij en de inrichting is om een MTHEN aannemelijk te maken. Bv. is het pertinent dat de potentieel hinderlijke activiteiten (vullen van flessen, laden en lossen, herstellen) plaatsvinden in een loods die ten opzichte van de woning van de verzoekende partij het meest verwijderd is ingeplant op het perceel van de inrichting. De ligging van de woning nabij een industriegebied heeft voor gevolg dat de verzoekende partij een zekere vorm van hinder moet aanvaarden, en dit is objectief anders dan wanneer men bv. in de nabijheid van een natuurgebied woont. De bestreden beslissing legt uit dat de stedenbouwkundige vergunning van 26 december 1996 voorzag in de aanleg van een groenscherm aan de voorzijde en aan de rechterzijde van het perceel. Aan de linkerzijde sluit de loods aan bij de bestaande gebouwen, zodat een buffering is voorzien. Het gegeven dat aan de achterzijde van de loods geen groenscherm kan worden aangelegd, is niet relevant voor verzoekende partij, nu haar woning aan de voorzijde van de inrichting is gelegen. Ten aanzien van de woning van verzoekende partij wordt de loods voldoende gebufferd. Nu alle activiteiten die geluidshinder kunnen veroorzaken in de loods plaatsvinden, zal deze hinder beperkt zijn. Verzoekende partij toont alleszins niet concreet aan waaruit de hinder dan nog zou kunnen bestaan.
  21. Het gegeven dat verzoekster ongerust is wegens het vermeende grote gevaar voor brand en ontploffingen, vormt in haren hoofde geen MTHEN. Verzoekende partij toont niet in concreto aan dat de kwestieuze inrichting voor haar eigen woning enig risico inhoudt. In de bestreden beslissing worden verschillende overwegingen betreffende de veiligheid weergegeven. Zo wordt verwezen naar een veiligheidsprocedure, VII-36.677-10/14 alsook naar de veiligheidszone (stuk 1, p. 6 tot 9). Het vulpunt van de vaste houder bevindt zich op meer dan 50 meter van de dichtstbijzijnde woningen. De veiligheidsnota vanwege de exploitant werd volledig gewijzigd en aangepast. In deze nota worden nog een aantal veiligheidsmaatregelen besproken. Zo moeten gastankwagens eerst worden geneutraliseerd en gecontroleerd vooraleer er werken aan kunnen gebeuren. Deze overwegingen worden door de verzoekende partij op geen enkel punt tegengesproken, zodat de veiligheid niet kan worden betwist. Aangezien alle regels betreffende de veiligheid werden gerespecteerd, komt het toe aan verzoekende partij om in concreto aan te tonen waaruit het veiligheidsrisico nog bestaat.
  22. Verzoekende partij toont niet aan in welk opzicht de verminderde verkeersveiligheid voor haar een persoonlijk en rechtstreeks nadeel vormt. Zo legt zij niet uit of zij zelf met de wagen rijdt, hoe de plaatselijke gesteldheid van de wegen is, of welke route de vrachtwagens zullen volgen. Het is bv. relevant vast te stellen dat tegenover de bedoelde inrichting een weg is gelegen die kan gebruikt worden als ontsluiting van het bedrijf, waardoor de verzoekende partij geen (geluids)hinder ondervindt van het verkeer. Uit de foto’s die de verzoekende partij zelf bijbrengt, blijkt duidelijk dat de weg ter plaatste voldoende breed en uitgerust is om de verkeersveiligheid te garanderen. Aangezien de weg waarlangs haar woning is gelegen, een toegangsweg is naar een industriegebied, dient verzoekende partij een zeker mate van geluidshinder als gevolg van passerende vrachtwagens te verdragen. De verzoekende partij toont niet aan de hinder veroorzaakt door de kwestieuze deze te verdragen hinder abnormaal overstijgt. De bestreden beslissing stelt duidelijk dat een mogelijke rechtstreekse ontsluiting naar de N16 zal behandeld worden in de stedenbouwkundige vergunning, waardoor de hinder voor verzoekende partij helemaal zal verdwijnen.
  23. Verzoekster kan niet worden gevolgd wanneer zij stelt dat deze nadelen niet meer kunnen ongedaan gemaakt worden door een vernietigingsarrest. De geluidshinder, evenals de verkeershinder zal verdwijnen wanneer de milieuvergunning wordt vernietigd. De verzoekende partij toont niet aan dat de eventuele hinder die zij in afwachting zal lijden onaanvaardbaar is. Zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is toegekend, zal de verzoekende partij ook geen hinder ondervinden"; 4.3.
  24. Overwegende dat verzoekster blijkbaar twee onroerende goederen bezit in de buurt van het bedrijf : achteraan het bedrijf een stuk grond in agrarisch gebied, en op een 50-tal meter van het bedrijf, aan de overzijde van de straat, haar woning; dat verzoekster nergens verduidelijkt welk nadeel zij ondergaat op het stuk grond in agrarisch gebied; dat, aangezien verzoekster op dat perceel niet woonachtig is, bij gebrek aan enige precisering geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel met betrekking tot dit perceel kan worden aangenomen; 4.3.
  25. Overwegende dat verzoekster woonachtig is in de nabijheid van een gebied voor milieubelastende industrie, waarbinnen de nieuwe loods is gelegen; dat wie in de nabijheid van een industriegebied woont, een hogere tolerantie dient VII-36.677-11/14 aan de dag te leggen voor de hinder voortvloeiend uit industriële activiteiten; dat waar verzoekster op algemene wijze stelt dat haar levenskwaliteit verstoord wordt, dit niet zomaar kan worden aangenomen; dat, voorts, verzoekster wijst op het zware vrachtverkeer, zonder enige verdere indicatie; dat nochtans blijkens de stukken van het dossier de inrichting reeds sedert een bepaalde tijd in exploitatie is, hetgeen normaal is gelet op de door de tussenkomende partij verkregen vergunningen; dat het evenmin duidelijk is of het grootste deel van de vrachtwagens voorbij de woning van verzoekster dienen te passeren, dan wel of het bedrijf ook nog langs een andere weg te bereiken is; dat verzoekster zich enkel baseert op de grote vergunde opslagcapaciteit van 21.202 liter gassen om te stellen dat er voortdurend zwaar vrachtverkeer zal zijn, terwijl uit het dossier blijkt dat die opslagcapaciteit niet enkel bedoeld is voor het verhandelen van gassen, maar ook voor het stockeren van gassen tijdens het herstellen van de wagens waarin het gas wordt vervoerd; dat verzoekster zich ook beklaagt over overdreven geluidshinder en dat zij daarbij vooral verwijst naar de activiteiten in open lucht; dat evenwel het de bedoeling is dat de activiteiten hoofdzakelijk in de loods zelf zullen plaatsvinden; dat, ten slotte, de vrees voor brand en ontploffingen als hypothetisch voorkomt gelet op de veiligheidsprocedures en de veiligheidsafstanden die de exploitant dient in acht te nemen, op het gegeven dat een derde van de gassen inert is, op de eis dat er in de inrichting voldoende brandblusapparaten en reglementaire pictogrammen die de aanwezigheid aanduiden van ontvlambare stoffen en het verbod tot roken en het maken van vuur worden aangebracht en op het door de exploitant bijgebracht veiligheidsplan waaruit blijkt dat de risico's als aanvaardbaar worden ingeschat; dat verzoekster nergens beweert, laat staan aantoont, dat dit veiligheidsplan ondeugdelijk zou zijn; 4.
  26. Overwegende dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de exploitatie van de betrokken inrichting haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen; dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  27. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. TECHNICAL CENTER BELGIUM in het administratief kort geding wordt ingewilligd. VII-36.677-12/14 VII-36.677-13/14 Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.677-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.353 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.