id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.354 Rolnummer: A. 177045/VII-36566 Zaak: Arrest 168354 - Milieuvergunningen - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 16:42 Fiche Arrest nr 168.354 van 1 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.354 van 1 maart 2007 in de zaak A. 177.045/VII-36.
- In zake : de stad HOOGSTRATEN tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat het college van burgemeester en schepenen van de stad HOOGSTRATEN op 22 september 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juli 2006 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 november 2005, houdende het gedeeltelijk verlenen aan Eddy JOOSEN van een milieuvergunning om een rundveebedrijf, gelegen aan de Raamloopstraat 2 te Hoogstraten, te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-36.566-1/6 Gehoord de opmerkingen van burgemeester A. VAN APEREN en secretaris E. PALMANS, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Eddy JOOSEN exploiteert een inrichting aan de Raamloopstraat in Hoogstraten. Op 6 november 1992 heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten akte genomen van de aangifte van een rundveebedrijf, geldend als vergunning voor een termijn tot 6 november
- Er worden echter blijkbaar ook andere dan agrarische activiteiten uitgeoefend, ogenschijnlijk zonder vergunning. De inrichting ligt in agrarisch gebied. Op 8 juli 2005 dient Eddy JOOSEN een milieuvergunnings- aanvraag in voor de verandering van de inrichting. De aanvraag omvat eigenlijk drie grote onderdelen : 1) - de verandering van de rundveehouderij, waarbij 180 van de 340 dieren in een nieuwe stal zouden worden ondergebracht; 2) - de oprichting van een installatie voor de gezamelijke vergisting van dierlijke meststoffen (afkomstig van het eigen en van andere bedrijven), energieteel- ten (dit zijn hiertoe geschikte landbouwgewassen) en organisch biologische afvalstoffen, waarbij elektriciteit en warmte zou worden geproduceerd, en er als eindproduct een bodemverbeterende stof zou overblijven; 3) - de exploitatie van een loonwerkbedrijf. Er wordt vergunning gevraagd voor een termijn van twintig jaar; het houden van runderen zou dan voortijdig hernieuwd worden. Op 3 november 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning gedeeltelijk. Vergund worden, in grote lijnen, de verplaatsing van de runderen en de exploitatie van het loonwerkbedrijf. De vergistingsinstallatie wordt geweigerd. De termijn blijft beperkt tot die van de lopende vergunning. VII-36.566-2/6 Zowel de aanvrager als een collectief van 89 buurtbewoners tekenen administratief beroep aan. Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Water onthoudt zich van advies, omdat de beroepen geen betrek- king hebben op de grondwaterwinning; - de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest adviseert gunstig; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. Op 25 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt grotendeels verleend zoals gevraagd en in de loop van de procedure licht gewijzigd. Vergund worden : - de toevoeging van perceel nummer 689m; - de wijziging door het verplaatsen van 180 dieren naar een nieuwe stal; - de uitbreiding met : - stalplaatsen voor 60 bedrijfsvoertuigen; - de bovengrondse opslag van 10.000 liter witte en 40.000 liter rode mazout en van 5 x 200 liter afgewerkte olie (totale opslag P3-producten: 51.000 liter); - 2 verdeelslangen bij de brandstoftanks van 10.000 liter en 40.000 liter; - de opslag van 200 m3 stro in een loods; - metaalbewerkingsmachines met een totaal vermogen van 11,6 kW; - de opslag van 5.570 m³ voeders, waarvan 70 m³ brijvoeding en 5.500 m³ (3.300 ton) kuilmaïs; - een grondwaterwinning op een diepte van 205 meter met een opgepompt debiet van max. 10 m³/dag en 3.650 m³/jaar; - de opslag van 2.774 m³ organisch biologisch afval en mix met vergisting van 49.800 ton/jaar organisch biologisch afval; - 2 stroomgeneratoren aangedreven door gasmotoren (biogas) elk met een vermogen van 650 kW (totaal vermogen: 1.300 kW); - een transformator met een vermogen van 1.300 kVA; VII-36.566-3/6 - de covergisting van 49.800 ton organisch biologisch afval, waarvan 16.000 ton dierlijke mest; - de opslag van 18.300 m3 (11.000 ton) energiemaïs. "Akte wordt genomen van de volgende op zich in derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting" : - het lozen van maximum 2 m³/uur en 500 m³/jaar bedrijfsafvalwater via een KWS-scheider in de gracht; - een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (IBA) voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater, met inbegrip van de lozing van het effluent met een debiet van maximaal 1 m³/dag en 180 m³/jaar in de gracht; - een herstelplaats voor voertuigen met 1 brug; - het wassen van maximum 9 voertuigen per dag; - 3 compressoren van respectievelijk 5 kW, 8,2 kW en 25 kW (totaal vermogen 38,2 kW); - de opslag van 600 liter argon, zuurstof en acetyleen in flessen; - de opslag van 200 kg antivries in vaten en bussen; - de opslag in vaten en bussen van 3 x 1.000 liter smeerolie en 10 x 200 liter hydraulische olie; - de opslag van 5.000 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen; - de opslag van 4.760 m³ organische mest en VLACO eindproduct (uitbreiding met 4.530 m³); - een wastafel met een vat van 200 liter organisch solvent; - de opslag van 5 ton melk. En ten slotte wordt nog gesteld : "Aan de melding van volgend op zich in derde klasse ingedeeld onderdeel van de inrichting kan geen uitvoering worden gegeven gelet op de ligging in agrarisch gebied : de opslag van 1,5 ton biociden"; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota opwerpt wat volgt : "
- Art. 123, 8/ N. Gem. W. bepaalt dat het college van burgermeester en schepenen de gedingen voert waarbij de gemeente hetzij als eiser, hetzij als verweerder is betrokken. Enkel het beroep dat uitgaat van het college is ontvankelijk. Het college dient tijdig en op uitdrukkelijke wijze te beslissen in rechte op te treden. Deze beslissing dient aan uw Raad te worden overgelegd. Het beroep ingediend namens de gemeente door de burgemeester en de gemeentesecretaris is onontvankelijk (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Afdeling Administratie.
- Ontvankelijkheid, Brugge, die keure, 1996, p. 176 e.v.). VII-36.566-4/6 In casu wordt het beroep ingesteld door de secretaris en de burgemeester. Uit de inventaris van de stukken blijkt evenmin dat het college de beslissing heeft genomen om een verzoekschrift in te dienen"; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij het bewijs heeft neergelegd dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten op 11 augustus 2006 heeft beslist om de onderhavige vordering tot schorsing in te stellen; dat de exceptie feitelijke grondslag mist;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij betoogt wat volgt : "Indien de beslissing van de Minister ten uitvoer gelegd zou worden, zou dit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betekenen voor de stad en de omwonenden van de inrichting van de heer Joosen. De omwonenden zouden door de exploitatie van de inrichting, een manifest en moeilijk te herstellen ernstig nadeel, in de vorm van verkeershinder, geurhinder, enzovoort ondervinden. Bij het opmaken en uitvoeren van haar milieubeleid, heeft de stad via de BPA-zone 'Meirberg' voorzien in een zone voor mestverwerking. (bijlage 17) Het exploiteren van de betreffende inrichting zal een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel betekenen voor (het) milieubeleid van de stad. Het toelaten van de exploitatie van de co-vergistingsinstallatie buiten het BPA 'Meirberg', dewelke speciaal voor dergelijke installaties werd voorzien, stemt immers niet overeen met huidige milieubeleid(s)visie van de stad Hoogstraten"; 3.
- Overwegende dat het -overigens niet toegelicht- nadeel dat omwonenden van de betrokken inrichting zouden ondergaan geen persoonlijk nadeel in hoofde van de stad uitmaakt; dat het enkele feit dat de bestreden vergunning werd verleend buiten de zone die de stad in een bijzonder plan van aanleg heeft voorzien, niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat de realisatie van de milieubeleidsvisie van een stad onvermijdelijk wordt beperkt door de bevoegdheden van andere overheden; VII-36.566-5/6 3.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, zonder dat de andere door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.566-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.354 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.595 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div