id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.355 Rolnummer: A. 178681/VII-36750 Zaak: Arrest 168355 - Milieuvergunningen - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:42 Fiche Arrest nr 168.355 van 1 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.355 van 1 maart 2007 in de zaak A. 178.681/VII-36.
- In zake :
- Gwendoline ROOMAN-D'HAEN,
- Raphaël DE COCK,
- Mauritz WEEMAES,
- Roger DE KERF,
- Karel DE MAEYER, die woonplaats kiezen bij advocaat E. RENTMEESTERS, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. GEKIERE EN ZOON, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. DAEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gwendoline ROOMAN-D'HAEN, Raphaël DE COCK, Mauritz WEEMAES, Roger DE KERF en Karel DE MAEYER op 20 november 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 september 2006 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 4 april 2006, waarmee aan de n.v. GEKIERE EN ZOON de milieuvergunning wordt geweigerd voor het exploiteren van een inrichting, gelegen aan de Elsstraat te Temse, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-36.750-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. RENTMEESTERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris F. COCRIAMONT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Chr. DAEL, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verwerende partij buiten de reglementaire termijn van acht dagen na betekening van het verzoekschrift tot schorsing een nota met opmerkingen en het administratief dossier heeft neergelegd; dat dienvolgens de nota uit de debatten moet worden geweerd;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 7 december 2006 de n.v. GEKIERE EN ZOON, houder van de bestreden vergunning, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De n.v. GEKIERE EN ZOON, tussenkomende partij, is een vennootschap gevestigd in Roeselare (deelgemeente Rumbeke). Zij exploiteert daar een veeteeltbedrijf vergund voor 80.000 kippen en 50 runderen. Op 17 november 2005 wordt in haar naam een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor de exploitatie van een varkenshouderij met 574 varkens in Temse. Deze aanvraag is VII-36.750-2/6 ondertekend door Kristof JANSSENS. De operatie houdt in dat de vergunning voor de 50 runderen en voor 20.000 van de 80.000 kippen in Rumbeke zou worden omgevormd tot een vergunning voor 574 varkens in Temse, en dat vervolgens de exploitatie zou worden overgenomen door de genoemde Kristof JANSSENS. De resterende 60.000 kippen worden op soortgelijke wijze overgedragen aan nog drie andere exploitanten. Het terrein waarop de nieuwe inrichting zou worden gevestigd ligt in agrarisch gebied. Alle verzoekende partijen wonen in hetzelfde agrarisch gebied, op afstanden van, naar hun zeggen, 60 tot 150 meter. Na een ongunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse de vergunning, omdat door het ontbreken van een ondertekende en gedateerde verklaring van volledige stopzetting van de inrichting in Rumbeke niet is voldaan aan artikel 33ter, §1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet. De aanvrager tekent administratief beroep aan, dat wordt medeondertekend door de "toekomstige exploitant". Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert gunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig, omdat er geen sluitende zekerheid is over de volledige stopzetting van de exploitatie in Roeselare; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Water adviseert gunstig; - de provinciale milieudeskundige adviseert ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, op voorwaarde dat de stopzettingsverklaringen worden overgemaakt, en stelt bijzondere vergunningsvoorwaarden voor. De aanvrager bezorgt verklaringen van de andere drie overnemers dat zij geen dieren meer zullen houden op de betreffende locatie in Rumbeke. Op 14 september 2006 wordt het bestreden besluit genomen : er wordt vergunning verleend voor, in hoofdzaak, het houden van 574 varkens met bijhorende mestopslag en mestdrooginstallatie;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-36.750-3/6 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen volgend betoog houden : "Zoals reeds werd gesteld, wonen al de verzoekende partijen in de onmiddellijke omgeving van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft. De bestreden beslissing verleent een vergunning voor in totaal 2.378 varkens (574 vergunde en 1.804 niet-vergunningsplichtige biggen) in een stal met een grootte van 40 meter op 100 meter die wordt opgetrokken in lelijke monotone materialen. Het spreekt voor zich dat deze exploitatie hinder zal veroorzaken voor de verzoekende partijen als omwonenden, wiens woningen zich binnen een straal van 150 meter van de exploitatie bevinden. De woning van 1e verzoekster ligt zelfs vlak naast de geplande inrichting op minder dan 60 meter. Ten eerste is er het aspect van visuele hinder: daar waar nu een open landschap bestaat met weilanden en akkers, zal een grote mastodont van een stal geplaatst worden. Het groenscherm wordt blijkens de plannen enkel voorzien langs de kant van de Korte Landmolenstraat en richting Blindstraat, zodat er ten aanzien van de verzoekende partijen die in de Elsstraat wonen, geen enkele afscherming bestaat. In de bijzondere voorwaarde die de aanplanting van een groenscherm voorziet, wordt niet bepaald dat dit rond de hele inrichting moet worden aangeplant. Dat ook de visuele hinder een nadeel is dat gelinkt kan worden aan de milieuvergunning, blijkt alleen al uit het feit dat in de milieuvergunning ook het aspect van ‘visuele hinder’ wordt besproken, én uit het feit dat de milieuvergunning hieromtrent bijzondere voorwaarden oplegt (zij het dat deze onvoldoende zijn). Ten tweede kan niet betwist worden dat verkeershinder, lawaaihinder, geurhinder en stofhinder zal veroorzaakt worden die op dit moment niet aanwezig is. Daar waar nu weilanden en maïsvelden in gebruik zijn die slechts een paar keer per jaar bereikt moeten worden met landbouwvoertuigen, zal een varkensbedrijf met de gevraagde omvang dagelijks vervoer vragen: personenvervoer van de nieuwe bewoners (de woning wordt in een eerste fase in de loods geïntegreerd), vrachtvervoer van aan- en afvoer van varkens, voeders, mest, en dergelijke meer. De wegenis is hierop niet voorzien zodat er bijkomende verkeershinder zal zijn, de vrachtwagens zullen voor lawaai en opwaaiend stof zorgen. Het argument dat de E 17 reeds voor geluidshinder zorgt, is uiteraard niet relevant: dit kan immers niet verantwoorden dat een landelijk gebied hierdoor nog zwaarder wordt belast. Ook het argument van de windrichting speelt geen rol, nu de verzoekers in verschillende windrichtingen ten opzichte van de exploitatie wonen. Het gebruik van de weilanden en akkers zorgt uiteraard voor geen enkele vorm van geurhinder. Een varkensstal daarentegen geeft altijd aanleiding tot klachten van ondraaglijke stank. Men voorziet wel maatregelen om dit probleem op te vangen, maar zoals gesteld wordt de mestverwerkingsinstallatie die in een luchtwassing voorziet strikt genomen niet aangevraagd zodat hiermee geen rekening kan worden gehouden. Bovendien is het maar de vraag of dit systeem überhaupt zal volstaan : tussen theorie en praktijk is vaak een zeer groot verschil. De vergunningsbeslissing toont aan dat het een vrij nieuw systeem is dat haar doeltreffendheid dan ook nog moet bewijzen. VII-36.750-4/6 Ten derde vrezen verzoekende partijen wateroverlast: de Elsstraat is - in strijd met wat wordt beweerd - geen voldoende uitgeruste weg nu zij niet over een straatriolering beschikt. De voorgestelde maatregelen kunnen in geen geval volstaan. De hinder die de gevraagde exploitatie met zich zal meebrengen, treft de verzoekende partijen persoonlijk en rechtstreeks en is onaanvaardbaar. In geen geval kan zij achteraf na een nietigverklaring worden hersteld zodat aan alle voorwaarden is voldaan om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan"; 4.
- Overwegende dat de inrichting gepland is in agrarisch gebied; dat ook de verzoekende partijen in hetzelfde gebied woonachtig zijn; dat van inwoners van een agrarisch gebied een grotere tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van hinder die voortvloeit uit agrarische activiteiten, juist omdat dergelijk gebied precies bestemd is voor de uitoefening van agrarische activiteiten; dat een inrichting voor het houden van 574 varkens eerder kleinschalig is; dat daaraan geen afbreuk doet het betoog ter terechtzitting van de raadsvrouw van de verzoekende partijen dat in dat aantal varkens niet begrepen zijn de niet-vergunningsplichtige biggen; dat nergens uit blijkt dat de aangevoerde te verwachten verkeers-, lawaai-, geur- en stofhinder ten gevolge van de exploitatie van de betrokken inrichting groter, laat staan merkelijk groter is dan hetgeen normaliter moet worden getolereerd in agrarisch gebied; dat daarbij ook niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat het om een "ammoniakemissiearm stalsysteem" gaat met een chemisch luchtwassysteem met 70 % of hogere emissiereductie-werking, dat uitsluitend de bedrijfseigen mest mag worden verwerkt in de mestverwerkingsinstallatie, dat alle laad- en losactiviteiten binnen in de loods dienen te gebeuren en dat behoudens het verkeer met gangbare landbouwvoertuigen de transportactiviteiten volgens het bestreden besluit beperkt zullen blijven tot gemiddeld één vrachtwagen per dag; dat de verzoekende partijen die elementen niet weerspreken; dat, wat de aangevoerde visuele hinder betreft, dat hinderaspect niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; dat, overigens, de inrichting niet zal zijn gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, hetgeen een impact heeft op de beoordeling van de inname van open ruimte door een landbouwinrichting; dat, ten slotte, de gevreesde wateroverlast een loutere bewering betreft, die op geen enkele wijze concreet is onderbouwd; 4.
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-36.750-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. GEKIERE EN ZOON in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.750-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.355 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div