← België

Arrest 168356 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.356 Rolnummer: A. 86221/VII-19106 Zaak: Arrest 168356 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:42 Fiche Arrest nr 168.356 van 1 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.356 van 1 maart 2007 in de zaak A. 86.221/VII-19.106. In zake : de n.v. METALEN DESCAMPS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. METALEN DESCAMPS op 20 augustus 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het besluit van ir. Johan PAUWELS, afdelingshoofd a.i. afdeling milieuvergunningen d.d. 18 juni 1999, waarbij het beroep onontvankelijk wordt verklaard dat de verzoekende partij bij de Vlaamse regering ingesteld heeft op grond van artikel 23 van het Bodemsaneringsdecreet tegen de beslissing van inspecteur-generaal ir. lic. jur. Wilfried DE NIJS d.d. 17 mei 1999 houdende conformverklaring van het beschrijvend onderzoek en aanmaning tot het indienen van een bodemsaneringsproject"; Gelet op het arrest nr. 86.075 van 16 maart 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-19.106-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MAN die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging 1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord de ontvankelijkheid van de ingediende memorie van antwoord betwist daar die memorie niet zou uitgaan van de Vlaamse minister van Leefmilieu die overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse regering ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest worden gevoerd, bevoegd is namens de Vlaamse regering op te treden; VII-19.106-2/12 1.2. Overwegende dat de raadsman van de verwerende partij een laatste memorie heeft ingediend "VOOR : HET VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kantoren te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoren te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 1"; dat hij daarin bevestigt dat de memorie van antwoord, samen met het administratief dossier, en net als deze laatste memorie, wel degelijk uitgingen en uitgaan van de Vlaamse minister van Leefmilieu en dat het ontbreken van de vermelding "voor wie optreedt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur" louter berust op een materiële vergissing die de verwerende partij met de laatste memorie wenst recht te zetten; dat wordt vastgesteld dat beide memories werden ingediend door dezelfde raadsman en dat de stukken van het met de memorie van antwoord neergelegd administratief dossier stukken betreffen die uitgaan van diensten die ressorteren onder de bevoegdheid van de minister bevoegd voor het leefmilieu; dat er dienvolgens kan worden aangenomen dat de memorie van antwoord wel degelijk is uitgegaan van laatstgenoemde minister en dat het ontbreken van voornoemde zinsnede louter te wijten is aan een materiële vergissing; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De verzoekende partij exploiteert aan de Herseltsesteenweg 311 te Aarschot een inrichting voor de verwerking van oude en nieuwe metalen. Voorliggend geding heeft betrekking op de sanering van de bodemverontreiniging die door de exploitatie zou zijn veroorzaakt. 2.2. Op 17 mei 1999 verklaart de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) het beschrijvend bodemonderzoek dat de verzoekende partij door een erkend bodemsaneringsdeskundige had laten opstellen, conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995. VII-19.106-3/12 Gelet op de bevindingen van het beschrijvend bodemonderzoek, inzonderheid de aanwezigheid van een drijflaag ter hoogte van enkele verontreinigde percelen, wordt de verzoekende partij verplicht om binnen vier maanden een bodemsaneringsproject op te stellen met betrekking tot die percelen. In fine van de beslissing van OVAM van 17 mei 1999 is het volgende gesteld : "Tegen dit besluit is een door artikel 23 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende bodemsanering en door artikel 36 en 37 van het besluit van 5 maart 1996 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering georganiseerd beroep mogelijk bij de Vlaamse regering. Dit beroep dient aan de Vlaamse regering worden betekend of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de beslissing van de OVAM. Dit beroep is niet schorsend". 2.3. Met een aangetekend verstuurd schrijven van 16 juni 1999 stelt de raadsman van de verzoekende partij bij de Vlaamse regering beroep in tegen de beslissing van OVAM van 17 mei 1999. In het beroepschrift wordt in essentie betoogd dat de vastgestelde bodemverontreiniging geen ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet. Het opstellen van een bodemsaneringsproject zou volgens de verzoekende partij dan ook niet "aan de orde" zijn. Bij het beroepschrift is een afschrift gevoegd van het beroepen OVAM-besluit van 17 mei 1999. Op elke bladzijde van dat afschrift is de vermelding aangebracht "voor eensluidend afschrift", gevolgd door de handtekening en naam van de raadsman van de verzoekende partij. 2.4. Met een op 18 juni 1999 gedagtekende brief deelt de afdeling Milieuvergunningen aan de raadsman van de verzoekende partij mee dat het beroep "definitief onontvankelijk (

  1. is)bevonden" omdat "de eensluidend verklaring van de bestreden beslissing niet kan worden aangenomen, aangezien ze door de betrokkene zelf (of zijn advocaat) is gebeurd". Deze beslissing wordt door voorliggend annulatieberoep bestreden. 2.5. De raadsman van de verzoekende partij heeft, vooraleer zich tot de Raad van State te wenden, gepoogd om de afdeling Milieuvergunningen ervan te overtuigen de bestreden onontvankelijkheidsverklaring in te trekken. Daarbij heeft hij de afdeling Milieuvergunningen op het volgende gewezen : VII-19.106-4/12 "Bijgaand vindt U kopie van de verklaring van de heer Colebunders namens onze cliënt de N.V. Descamps, waaruit blijkt dat hij zich tijdig had aangeboden om een eensluidend afschrift van de bestreden beslissing te bekomen bij Ovam. De houding van Ovam heeft blijkbaar niet toegelaten om hem tijdig het eensluidend verklaard afschrift van de bestreden beslissing te bezorgen. Dit laatste werd dan nadien, na het verstrijken van de beroepstermijn, overgemaakt door Ovam. Bovendien zult U merken dat de eensluidendverklaring werd ondertekend of geparafeerd zonder vermelding van de persoon, noch van zijn hoedanigheid en enkel op het tweede blad. In achtgenomen het feit dat de wet nergens vermeldt hoe de eensluidendverklaring dient te gebeuren of wie deze dient aan te brengen en het feit dat U hierna kopie vindt van deze eensluidendverklaring verzoeken wij U uitdrukkelijk om de beslissing tot onontvankelijkheidsverklaring in te trekken. De bedoeling van de wetgever is dat de beroepsoverheid kan nagaan dat de bijgevoegde kopie van de bestreden beslissing wel degelijk de beslissing is die werd genotificeerd door Ovam aan de betrokkene. Welnu, uit de bijgevoegde bijlage kunt U afleiden dat zulks het geval is". Bij het verzoek tot intrekking is een schrijven van Eddy COLEBUNDERS gevoegd die namens de n.v. DESCAMPS het volgende heeft verklaard : "Ik, Eddy Colebunders, verklaar hierbij op 15/06/1999, bij Ovam te Mechelen geweest te zijn, om een afschrift van de conformverklaring voor eensluidend te laten aftekenen. Men heeft geen gevolg kunnen geven aan mijn verzoek vermits de persoon in kwestie niet aanwezig was. Op mijn vraag of er dan geen afschrift kon worden gegeven door een plaatsvervanger, antwoordde men mij dat dit niet mogelijk was. Daarop heb ik erop gewezen dat wij tijdig ons beroep moesten kunnen indienen en dat de diensten van Ovam toch in de mogelijkheid moesten zijn om een eenvoudig eensluidend afschrift te geven. Daarop heeft men opnieuw geantwoord dat dit niet mogelijk was en dat men het afschrift dan maar zou nasturen. Wanneer dit zou gebeuren heeft men mij niet kunnen zeggen. Ik heb nogmaals gewezen op de termijn. Ondertussen heb ik het afschrift slechts ontvangen op 18/06/1999, dit na verloop van de termijn". 2.6. De afdeling Milieuvergunningen is niet ingegaan op het verzoek om de bestreden beslissing in te trekken, maar heeft in een aan de raadsman van de verzoekende partij gerichte brief van 13 juli 1999 het door haar ingenomen standpunt als volgt verduidelijkt : "In antwoord op uw schrijven van 29 juni 1999 aangaande bovenvermelde zaak kan ik u het volgende meedelen. Artikel 36 van het VLAREBO, dat o.m. de modaliteiten regelt voor het indienen van een beroep, bedoeld in artikel 23 van het decreet betreffende de bodemsanering, stelt in § 4 : 'Verder dient, eveneens op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift te worden gevoegd : VII-19.106-5/12 - ofwel een eensluidend verklaard afschrift van de aangevochten beslissing van de OVAM in verband met het opstellen van het bodemsaneringsproject; - ofwel een eensluidend verklaard afschrift van de aangevochten beslissing van de OVAM in verband met de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek; - ofwel een eensluidende verklaard afschrift van de aangevochten beslissing van de OVAM in verband met de uitvoering van de bodemsaneringswerken'. In artikel 37 wordt verder bepaald dat het de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu, Natuur, Land en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur is die het beroep en zijn bijlagen op hun ontvankelijkheid onderzoekt. Het is uiteraard een verplichting om bij dit onderzoek rekening te houden met de bepalingen van voornoemd artikel 36. Welnu, bij uw op 16 juni 1999 ingediend beroep was een kopie gevoegd van de bestreden beslissing van de OVAM die door u zelf voor eensluidend was verklaard. Het belang van de voor eensluidendverklaring wordt in uw schrijven van 29 juni 1999 als volgt verwoord : 'De bedoeling van de wetgever is dat de beroepsoverheid kan nagaan dat de bijgevoegd kopie van de bestreden beslissing wel degelijk de beslissing is die werd genotificeerd door de OVAM aan de betrokkene'. Het is zonder meer duidelijk dat deze garantie niet wordt verkregen indien de beroeper (of zijn vertegenwoordiger) zelf deze eensluidendverklaring uitvoert. Daarom wordt in geen enkel geval een voor eensluidendverklaring door de betrokkene zelf of door zijn advocaat aanvaard. Het feit dat uw cliënt naar de OVAM is gegaan om een eensluidendverklaring van de beslissing te vragen, bewijst overigens dat ook hij besefte dat eensluidendverklaring gedaan door hemzelf of zijn advocaat niet zou worden aanvaard. Het op 16 juni 1999 ingediende beroep werd dan ook terecht onontvankelijk verklaard. De feiten die de heer Colebunders in zijn verklaring van 23 juni 1999 aanhaalde, werden ook aan de OVAM voorgelegd. OVAM stelde dat het inderdaad correct was dat de heer Colebunders zich op 15 juni 1999 had aangeboden bij de heer Patrick Ceulemans van de OVAM teneinde een voor eensluidend verklaard afschrift te verkrijgen van de desbetreffende beslissing. Verder werd bevestigd dat de persoon die de bevoegdheid draagt een voor eensluidend verklaard afschrift te geven, op dat ogenblik niet aanwezig was in de kantoren van de OVAM. Derhalve werd voorgesteld om de heer Colebunders te verwittigen indien dit afschrift aanwezig zou zijn of dit afschrift na te sturen. Dezelfde dag nog - dus op 15 juni 1999 - werd door de heer Patrick Ceulemans contact opgenomen met het secretariaat van de heer Colebunders met de melding dat het voor eensluidend verklaard afschrift aanwezig was op de kantoren van de OVAM. Volgens de OVAM heeft de heer Colebunders nadien echter contact opgenomen met de heer Patrick Ceulemans met de melding dat het afschrift kon worden opgestuurd. De mogelijkheid bestond dus voor het bedrijf om nog op 16 juni 1999 - de laatste dag waarop tijdig een beroep kon worden ingediend - een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing te halen bij de OVAM. Er dient bovendien op gewezen dat een dergelijke eensluidendverklaring zeker niet exclusief bij de OVAM dient te gebeuren. VII-19.106-6/12 De meeste beroepindieners laten dit integendeel door een bevoegde ambtenaar van hun gemeente uitvoeren. Wanneer het origineel van de beslissing als bijlage wordt toegevoegd, wordt dit door de afdeling Milieuvergunningen trouwens ook aanvaard. Er waren voor de NV Metalen Descamps dus meerdere mogelijkheden om tijdig een voor eensluidend verklaard afschrift van de bestreden beslissing te bekomen. Tenslotte dient opgemerkt dat van de uitleg die u verstrekte in uw schrijven van 29 juni ll. niets was vermeld in uw oorspronkelijk beroepschrift van 16 juni. Ik blijf dan ook bij mijn beslissing tot onontvankelijkverklaring van het beroep, vervat in mijn schrijven van 18 juni 1999"; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel, bestaande uit twee onderdelen, de schending aanvoert van artikel 23 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, van artikel 36 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO), van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, en met de toepassing van artikel 159 van de Grondwet de exceptie van onwettigheid opwerpt ten aanzien van artikel 36, § 4, van het VLAREBO van 5 maart 1996; dat zij het eerste onderdeel als volgt toelicht : "Doordat, de bestreden beslissing het beroep onontvankelijk verklaart wegens het niet verstrekken door verzoeker van een geldige eensluidende verklaring van de bestreden beslissing aangezien ze 'door de betrokkene zelf of zijn advocaat' gebeurd is, Terwijl, artikel 23 van het Decreet, art. 36 van het Besluit, noch enige andere toepasselijke bepaling vermeldt hoe de eensluidendverklaring dient te gebeuren of wie deze dient aan te brengen; dat de ratio legis is dat de beroepsoverheid kan nagaan of de bijgevoegde kopie van de bestreden beslissing wel degelijk de beslissing is die door OVAM aan de betrokkene is overgemaakt; dat deze ratio legis op een afdoende wijze gerespecteerd is door de door raadslieden van verzoeker gedane eensluidendverklaring; dat deze noodzakelijke werkwijze het gevolg is van het feit dat OVAM heeft nagelaten de eensluidendverklaring tijdig te verstrekken, alhoewel deze eenvoudige formaliteit op een eenvoudig verzoek tijdig werd gevraagd, en naar zeggen van Ir. Pauwels, door een eenvoudige ambtenaar had kunnen verstrekt worden; dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat alleen de inspecteur generaal van OVAM in hoogst eigen persoon (Ir. lic. jur. Inspecteur-Generaal W. De Nijs) dergelijk banaal afschrift voor eensluidend zou kunnen verklaren; dat uit de beslissing d.d. 17 mei 1999 bovendien blijkt dat wel tegelijkertijd een eensluidend verklaard afschrift werd verstuurd naar Geologica N.V., die namens de verzoekende partij alle onderzoeken heeft uitgevoerd en gerapporteerd (zie de vermelding onderaan 'C.C.'); dat het onvoorzichtig en onredelijk is niet tegelijkertijd aan verzoekende partij zelf een eensluidend afschrift gevoegd te hebben bij de beslissing zelf of niet VII-19.106-7/12 eveneens erop gewezen te hebben dat er een eensluidend afschrift bij het beroep dient gevoegd te worden en wie dit afschrift waar verstrekt, a fortiori wanneer de wet hierover het stilzwijgen bewaart; dat stilzitten of niet tijdig optreden vanwege het bestuur een inbreuk uitmaakt op de zorgvuldigheidsplicht (OPDEBEEK, I. (ed.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 44 ); dat, gezien het ontbreken van enige wettelijke of reglementaire bepaling met betrekking tot de vraag hoe de eensluidendverklaring dient te gebeuren of wie ze dient aan te brengen, het bestuur zich niet redelijk en voorzichtig gedragen heeft door de later, als nog voor zover als nodig verstrekte door haar als conform beschouwde eensluidendverklaring niet te aanvaarden; Dat er verzoekende partij geen wettelijke of reglementaire bepaling bekend is die verbiedt met dit gegeven rekening te houden wanneer het normdoel daarmee in elk geval bereikt is; (...)"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie doet gelden, wat het eerste onderdeel betreft, dat de toevoeging van een voor eensluidend verklaard afschrift een niet onbelangrijke formaliteit uitmaakt, aangezien het de enige mogelijkheid is voor de beroepsoverheid om te controleren of de bijgevoegde kopie van de bestreden beslissing wel degelijk de beslissing is die door OVAM aan de betrokkene werd genotificeerd, dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep door de afdeling Milieuvergunningen zij immers moet afgaan op het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden besluit daar zij op het ogenblik van haar oordeel het dossier vanwege OVAM veelal nog niet heeft ontvangen, aangezien overeenkomstig artikel 37, derde lid, van VLAREBO de verwerende partij OVAM pas dient te verwittigen indien het beroep ontvankelijk werd bevonden, dat het nooit volstrekt uit te sluiten is dat indien de eensluidendverklaring aan de per definitie niet objectieve betrokkene zelf zou worden overgelaten, er problemen zouden kunnen rijzen met betrekking tot de conformiteit van het afschrift-origineel; dat zij wijst op diverse mogelijkheden om een voor eensluidend afschrift van de beroepen beslissing te bekomen, namelijk via schriftelijke of mondelinge aanvraag bij OVAM of het gemeentebestuur of via eensluidendverklaring door een gerechtsdeurwaarder; dat zij stelt dat ook het origineel kan worden gevoegd bij het beroepschrift; dat zij tenslotte nog doet gelden dat een voor eensluidend verklaard afschrift dient uit te gaan van "de daartoe bevoegde persoon" zoals ook is terug te vinden in de Van Dale, hetgeen inhoudt dat niet zo maar iedereen tot een voor eensluidendverklaring mag overgaan en er derhalve geen sprake kan zijn van het toevoegen van een nieuwe vereiste van artikel 36, § 4, van VLAREBO; VII-19.106-8/12 3.3. Overwegende dat de memorie van wederantwoord een herhaling van het middel bevat, alsook argumenten geput uit het auditoraatsverslag dat over de vordering tot schorsing werd opgesteld; 3.4. Overwegende dat de administratieve beroepsprocedure, zoals bedoeld in artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995, ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nader werd geregeld in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO); dat artikel 36, § 4, van voormeld besluit, in de versie die gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing genomen werd, bepaalde : "Op straffe van onontvankelijkheid van het in § 1 bedoelde beroepschrift dient in het beroepschrift uitdrukkelijk te worden vermeld dat het gaat om een beroep aangetekend met toepassing van artikel 23 van het decreet. Verder dient, eveneens op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift te worden gevoegd : - ofwel een eensluidend verklaard afschrift van de aangevochten beslissing van de OVAM in verband met het opstellen van het bodemsaneringsproject; (...)"; dat het beroep van de verzoekende partij niet-ontvankelijk verklaard is omdat "de eensluidend verklaring van de bestreden beslissing niet kan worden aangenomen, aangezien ze door de betrokkene zelf (of zijn advocaat) is gebeurd"; Overwegende dat in het aangehaalde artikel 36, § 4, van het VLAREBO-besluit van 5 maart 1996 geen bijzondere voorschriften zijn opgenomen in verband met de wijze waarop of door welke instanties de eensluidendverklaring moet gebeuren; dat in dat artikel alleszins niet uitdrukkelijk is aangegeven dat die formaliteit enkel door OVAM zelf of door een andere met overheidsgezag beklede instantie kan worden volbracht; dat door alsdan zulks toch te eisen en dit op straffe van onontvankelijkheid van het beroep, aan artikel 36, § 4, van VLAREBO wel degelijk een nieuwe vereiste zou worden toegevoegd; dat bij gebreke aan een uitdrukkelijke wetsbepaling evenmin kan aangenomen worden dat de eensluidendverklaring per definitie niet door de betrokkene zelf of door zijn raadsman kan gebeuren, die over het origineel van de beslissing waartegen beroep wordt aangetekend beschikt; dat de eensluidendverklaring geen enkele VII-19.106-9/12 "beoordeling" over het betrokken stuk inhoudt; dat het in wezen om een verklaring gaat waarbij de ondertekenaar garandeert dat het afschrift conform is aan het origineel; dat niet wordt ingezien dat de eensluidendverklaring die uitgaat van de betrokkene zelf of zijn raadsman per se minder waarborgen zou bieden op het vlak van de conformiteit van het stuk; dat immers die eensluidendverklaring een ondertekende verklaring is, dat indien de ondertekenaar met bedrieglijk opzet iets conform zou verklaren dat niet conform is, hij zich op het eerste gezicht schuldig maakt aan valsheid in geschrifte, met alle gevolgen vandien; dat aldus de door de betrokkene of zijn raadsman gedane eensluidendverklaring in beginsel dezelfde garanties biedt als de "verambtelijkte" eensluidendverklaring; dat bovendien niets de verwerende partij belet om bij OVAM de beroepen beslissing op te vragen, teneinde de conformiteit van het toegestuurde stuk na te gaan; dat het eerste onderdeel van het middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van ir. Johan PAUWELS, afdelingshoofd a.i. afdeling milieuvergunningen van 18 juni 1999 houdende de onontvankelijkverklaring van het beroep dat de n.v. METALEN DESCAMPS bij de Vlaamse regering had ingesteld op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet tegen de beslissing van inspecteur-generaal ir. lic. jur. Wilfried DE NIJS van 17 mei 1999 houdende conformverklaring van het beschrijvend onderzoek en aanmaning tot het indienen van een bodemsaneringsproject. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-19.106-10/12 VII-19.106-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.106-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.356 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.